We hebben 217 gasten online

Meerkeuzevragen Strafrecht Deel 1

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen Strafrecht Deel 1

 

1 Welke rechtbank staat bekend als “appelrechtbank”?

a. kantongerecht

b. arrondissementsrechtbank

c. gerechtshof

d. hoge raad

2. We spreken van collegiale rechtspraak als:

a. de griffier wordt bijgestaan door een rechter

b. de officier van justitie gesteund wordt door de rechtbank

c. de officier van justitie en de verdediger tot dezelfde conclusie komen

d. er door drie rechters recht gesproken wordt

3. Bijzonder aan de rechtspraak van de Romeinen was:

a. Dat een verdachte zich niet meer kan verdedigen

b. Dat een verdachte kan worden gestraft als hij zijn onschuld niet kan bewijzen

c. Dat de rechten en plichten van de burgers in wetten werden vastgelegd

d. De rechten en plichten waren voor elke bevolkingsgroep anders

4. De scheiding van de machten in de staat is een uitwerking van de ideeën van:

a. Voltaire

b. Condorcet

c .Hugo de Groot

d. Montesquieu

5. Cesare Beccaria schreef in 1764 een beroemd boek” Over misdaden en straffen” Hierin:

a. was hij van mening dat marteling was toegestaan

b. was hij voor de doodstraf

c. vond hij dat straffen zo gekozen moesten worden dat zij indruk maakten

d. sprak hij zich uit tegen de waterproef

6. In het accusatoire strafproces:

a. zijn klager en beschuldigde gelijkwaardige partijen

b. zijn klager en beschuldigde ongelijkwaardige partijen

c. moet een beschuldigde zijn onschuld aantonen

d. moet een klager de schuld van de beschuldigde aantonen

7. Het inquisitoire proces werd ingevoerd

a. door de Romeinen

b. in de Bataafse republiek

c. in de Republiek der Nederlanden

d. tegen het einde van de Middeleeuwen

8. Wat hoort niet tot het inquisitoire proces?

a. de rechter zoekt nu zelf naar de waarheid

b. de bekentenis werd bepalend

c. klager en beschuldigde waren gelijkwaardig

d. de pijnbank werd ingevoerd

9.
Een “Vierschaar” is

a. een vierhoekig knipwerktuig

b. een ingeperkte ruimte, waarbinnen de rechters zetelden

c. een samenwerkingsverband van de boeren op het platteland

d. een plaats waar gewoonterecht werd gesproken

10. Een baljuw was:

a. de toepasser van tortuur

b. de heffer van de stedelijke belasting

c. heer van een gewest

d. ambtenaar die toezag of de rechtspraak juist verliep

11. Nederland is een rechtsstaat. Dit blijkt uit:

a. de overheid heeft invloed op de rechtelijke macht

b. de rechten van de burgers worden gewaarborgd

c. er geen scheiding van machten is

d. je zonder vorm van proces kunt worden vastgehouden

12. Tot de grondrechten behoort NIET:

a. Vrijheid van meningsuiting

b. vrijheid van vereniging

c. vrijheid van godsdienst

d. vrijheid van strafrecht.

13. Onder burgerlijke rechtspraak verstaan we:

a. beoordeling van misdrijven en overtredingen

b. Sprake van een geschil tussen burger en overheid

c. vorderingen uit arbeidsovereenkomsten

d. regelt de geschillen tussen burgers onderling.

14. Onder cassatierechtspraak verstaan we:

a. een zaak die dient voor het kantongerecht

b. een beroepszaak die dient voor het gerechtshof

c. een zaak die leidt tot vernietiging van een vonnis en niet tot een wijziging

d. een beroepszaak bij de arondissementsrechtbank

15. Bij een strafproces staan tegenover elkaar

a. De staat vertegenwoordigt door iemand van het Openbaar ministerie en de verdachte bijgestaan door een advocaat

b. De gemeente tegenover de provincie

c. De werkgever tegenover de werknemer bij een ontslagprocedure

d. De burger en de ombudsman tegenover de Raad van State

16. Onder rechtsorde verstaan we:

a. De grondwet

b. De jurisprudentie

c. De grondwet en alle wetten die daarvan zijn afgeleid

d. Het hele stelsel van wetten en verordeningen

17. Wie staat bekend als de “ambtenaar van het Openbaar Ministerie”?

a. deurwaarder

b. raadsman van de verdachte

c. rechter

d. officier van justitie

18.
Administratieve rechtspraak wordt bedreven in:

a. Staten Generaal

b. Hoge Raad

c. Arrondissementsrechtbank

d. Raad van State

19. Wat is FOUT: Een rechter:

a. is gebonden aan wetten

b. dient onpartijdig te zijn

c. wordt telkens voor 10 jaar benoemd

d. staat onafhankelijk van de regering

20. Jurisprudentie is vooral belangrijk voor:

a. de rechtsprocedure

b. de wetgeving inzake rechtsspraak

c. de juridische bijstand

d. het vonnis

21. Nieuw in de Criminele Ordinantiën was:

a. de strikte scheiding tussen formeel en materieel strafrecht

b. het opheffen van de scheiding tussen formeel en materieel strafrecht

c. dat de verdachten er minder zware straffen door kregen

d. dat de getuige en verdachte door de rechter werden gehoord

22. De nadruk in de Criminele Ordinantiën lag op

a. het accusatoire strafproces

b. het extraordinaire strafproces

c. het kerkelijk strafproces

d. het militaire strafproces

23. De Criminele Ordinantiën werden uitgevaardigd door:

a. Willem van Oranje

b. Karel V

c. Fillips II

d. Karel de Stoute

24. Een van de belangrijkste kenmerken van het inquistionaire strafproces is:

a. de toepassing van tortuur

b. het horen van getuigen

c. schriftelijke verslaglegging

d. de getuigeverklaring van de beschuldigde zelf

25. Zet in de juiste volgorde:

a. Criminele Ordinantiën, Code Penal, Crimineel Wetboek, Wetboek van Strafrecht

b. Criminele Ordinantiën, Crimineel Wetboek, Code Penal, Wetboek van Strafrecht

c. Crimineel Wetboek, Criminele Ordinantiën, Wetboek van Strafrecht, Code Penal,

d. Code Penal, Crimineel Wetboek, Criminele Ordinantiën, Wetboek van Strafrecht

26. Met de Bataafse regering wordt bedoeld:

a. De regering van Napoleon

b. De regering van de Bataven

c. De regering van Lodewijk Napoleon

d. De regering van de Fransen vanaf 1795

27. Landschap zonder galg en rad werd doorgevoerd tijdens

a. de bezetting door de Pruisische troepen

b. de Bataafse regering

c. Willem van Oranje tijdens de 80 - jarige oorlog

d. Lodewijk de XIV

28. De tortuur werd definitief afgeschaft

a. in de late Middeleeuwen

b. bij de vrede van Munster

c. bij de Pacificatie van Gent

d. tijdens de Bataafse Republiek

29. Tot ontheffing uit de ouderlijke macht kan besluiten

a. de officier van justitie

b. de advocaat

c. de griffier

d. de rechter

30. de Coornhert liga heeft als doel:

a. de bestrijding van de jacht op de Hoge Veluwe

b. omvorming van het strafrecht

c. afschaffing van het strafrecht

d. ontplooiing van ieder mens.

31. Voor 1795 was er in ons land

a. een duidelijke scheiding tussen bestuur en rechtspraak

b. waren bestuur en rechtspraak meestal niet gescheiden

c. was er een scheiding van kerk en staat

d. was er in de gewesten eenheid van rechtspraak

32. De raadspensionaris van de Republiek was:

a. de hoogste ambtenaar van een gewest

b. secretaris van de Staten Generaal

c. Hoofd van het leger

d. Voorzitter van de Generaliteitslanden

33. De Republiek was:

a. een statenbond

b. een eenheidsstaat

c. onderdeel van Fillips bezittingen

d. deel van het Habsburgse rijk

34. In de acte van Seclusie werd beloofd:

a. dat Engeland zeggenschap zou houden in de gewesten

b. dat de Republiek Engeland zou steunen tegen Frankrijk

c. dat Holland nooit meer een Oranje tot stadhouder of kapitein generaal zou benoemen

d. dat de Republiek Frankrijk zou steunen tegen Engeland.

35. Een Zoenbrief is:

a. een akte m.b.t. verzoening tussen twee partijen naar aanleiding van doodslag

b. een akte waarin echtgenoten elkaar trouw beloofden

c. een akte waarin werd afgezien van bloedwraak

d. een akte waarin de straf tegen de verdachte werd uitgesproken

36. Generaliteitslanden zijn:

a. landen onder bestuur van de stadhouder

b. landen die onder direct toezicht stonden van de Staten Generaal

c. landen die bestuurd werden door het leger

d. landen die veroverd zijn door de Republiek

37. De bloedvete is:

a. via een duel je gelijk krijgen

b. zonder vorm van proces de doodstraf krijgen

c. plicht van familieleden om de dood van een familielid te wreken

d. een poging om “ weergeld “ te innen.

38. Kerkelijk asielrecht hield in:

a. dat verbannen mensen hier toch mochten komen

b. dat misdadigers op het kerkhof een vrijplaats vonden voor rechtsvervolging

c. andersdenkenden in de kerk hun toevlucht konden zoeken

d. dat getuigen door de kerk werden beschermd

39. Onder inquisitie wordt verstaan:

a. de kerkelijke rechtbank

b. de toepassing van het burgerlijke recht

c. de toepassing van het strafproces

d. onderzoek door landelijke gezagsdragers

40. De Criminele Ordinantiën probeerde:

a. afzonderlijk strafrecht te regelen in de gewesten

b. het centrale gezag van Fillips II te versterken

c. Willem van Oranje onder het strafrecht te laten vallen

d.uniformiteit op het gebied van hetstrafprocesrecht in de 17 gewesten te brengen.