We hebben 260 gasten online

Meerkeuzevragen Strafrecht Deel 2

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen Strafrecht Deel 2

 

1 Nederland is een rechtsstaat. Dit blijkt uit:

a) de overheid heeft invloed op de rechtelijke macht

b) de rechten van de burgers worden gewaarborgd

c) er geen scheiding van machten is

d) je zonder vorm van proces kunt worden vastgehouden

2. Tot de grondrechten behoort NIET:

a) Vrijheid van meningsuiting

b) vrijheid van vereniging

c) vrijheid van godsdienst

d) vrijheid van strafrecht.

3. Onder burgerlijke rechtspraak verstaan we:

a) beoordeling van misdrijven en overtredingen

b) Sprake van een geschil tussen burger en overheid

c) vorderingen uit arbeidsovereenkomsten

d) regelt de geschillen tussen burgers onderling.

4. Onder cassatierechtspraak verstaan we:

a) een zaak die dient voor het kantongerecht

b) een beroepszaak die dient voor het gerechtshof

c) een zaak die leidt tot vernietiging van een vonnis en niet tot een wijziging

d) een beroepszaak bij de arondissementsrechtbank

5. Bij een strafproces staan tegenover elkaar

a) De staat vertegenwoordigt door iemand van het Openbaar ministerie en de verdachte bijgestaan door een advocaat

b) De gemeente tegenover de provincie

c) De werkgever tegenover de werknemer bij een ontslagprocedure

d) De burger en de ombudsman tegenover de Raad van State

6. Onder rechtsorde verstaan we:

a) De grondwet

b) De jurisprudentie

c) De grondwet en alle wetten die daarvan zijn afgeleid

d) Het hele stelsel van wetten en verordeningen

7. Wie staat bekend als de “ambtenaar van het Openbaar Ministerie”?

a) deurwaarder

b) raadsman van de verdachte

c) rechter

d) officier van justitie

8. Administratieve rechtspraak wordt bedreven in:

a) Staten Generaal

b) Hoge Raad

c) Arondissementsrechtbank

d) Raad van State

9. Wat is FOUT: Een rechter:

a) is gebonden aan wetten

b) dient onpartijdig te zijn

c) wordt telkens voor 10 jaar benoemd

d) staat onafhankelijk van de regering

10. Jurisprudentie is vooral belangrijk voor:

a) de rechtsprocedure

b) de wetgeving inzake rechtsspraak

c) de juridische bijstand

d) het vonnis

11. Welke rechtbank staat bekend als “appelrechtbank”?

a) kantongerecht

b) arondissementsrechtbank

c) gerechtshof

d) hoge raad

12. We spreken van collegiale rechtspraak als:

a) de griffier wordt bijgestaan door een rechter

b) de officier van justitie gesteund wordt door de rechtbank

c) de officier van justitie en de verdediger tot dezelfde conclusie komen

d) er door drie rechters recht gesproken wordt

13. De cellulaire opsluiting van de misdadigers gedurende de eerste vijf jaar van hun straftijd werd in ons land als straf ingevoerd:

a) door de Fransen in de Bataafse Tijd

b) door Alva in de Criminele Ordinantiën

c) sinds de Code Penal

d) sinds het Wetboek van Strafrecht van 1886

14. Zet in de juiste tijdsvolgorde van invoer in ons land

a) resocialisatie-gedachte, voorwaardelijke in vrijheidsstelling ,voorwaardelijke veroordeling, cellulaire opsluiting

b) cellulaire opsluiting, voorwaardelijke veroordeling, voorwaardelijke in vrijheidsstelling, resocialisatie-gedachte

c) voorwaardelijke veroordeling, resocialisatie-gedachte, voorwaardelijke invrijheidsstelling, cellulaire opsluiting

d) cellulaire opsluiting, resocialisatie-gedachte, voorwaardelijke veroordeling, voorwaardelijke invrijheidsstelling.

15. Bijzonder aan de rechtspraak van de Romeinen was:

a) Dat een verdachte zich niet meer kan verdedigen

b) Dat een verdachte kan worden gestraft als hij zijn onschuld niet kan bewijzen

c) Dat de rechten en plichten van de burgers in wetten werden vastgelegd

d) De rechten en plichten waren voor elke bevolkingsgroep anders

16. De scheiding van de machten in de staat is een uitwerking van de ideeën van:

a) Voltaire

b) Condorcet

c) Hugo de Groot

d) Montesquieu

17. Cesare Beccaria schreef in 1764 een beroemd boek” Over misdaden en straffen” Hierin:

a) was hij van mening dat marteling was toegestaan

b) was hij voor de doodstraf

c) vond hij dat straffen zo gekozen moesten worden dat zij indruk maakten

d) sprak hij zich uit tegen de waterproef

18. In het accusatoire strafproces:

a) zijn klager en beschuldigde gelijkwaardige partijen

b) zijn klager en beschuldigde ongelijkwaardige partijen

c) moet een beschuldigde zijn onschuld aantonen

d) moet een klager de schuld van de beschuldigde aantonen

19. Het inquisitoire proces werd ingevoerd

a) door de Romeinen

b) in de Bataafse republiek

c) in de Republiek der Nederlanden

d) tegen het einde van de Middeleeuwen

20. Wat hoort niet tot het inquisitoire proces?

a) de rechter zoekt nu zelf naar de waarheid

b) de bekentenis werd bepalend

c) klager en beschuldigde waren gelijkwaardig

d) de pijnbank werd ingevoerd

21. Een “Vierschaar” is

a) een vierhoekig knipwerktuig

b) een ingeperkte ruimte, waarbinnen de rechters zetelden

c) een samenwerkingsverband van de boeren op het platteland

d) een plaats waar gewoonterecht werd gesproken

22. Een baljuw was:

a) de toepasser van tortuur

b) de heffer van de stedelijke belasting

c) heer van een gewest

d) ambtenaar die toezag of de rechtspraak juist verliep

23. Voor 1795 was er in ons land

a) een duidelijke scheiding tussen bestuur en rechtspraak

b) waren bestuur en rechtspraak meestal niet gescheiden

c) was er een scheiding van kerk en staat

d) was er in de gewesten eenheid van rechtspraak

24. De raadspensionaris van de Republiek was:

a) de hoogste ambtenaar van een gewest

b) secretaris van de Staten Generaal

c) Hoofd van het leger

d) Voorzitter van de Generaliteitslanden

25. De Republiek was:

a) een statenbond

b) een eenheidsstaat

c) onderdeel van Fillips bezittingen

d) deel van het Habsburgse rijk

26. In de acte van Seclusie werd beloofd:

a) dat Engeland zeggenschap zou houden in de gewesten

b) dat de Republiek Engeland zou steunen tegen Frankrijk

c) dat Holland nooit meer een Oranje tot stadhouder of kapitein generaal zou benoemen

d) dat de Republiek Frankrijk zou steunen tegen Engeland.

27. een Zoenbrief is:

a) een akte m.b.t. verzoening tussen twee partijen naar aanleiding van doodslag

b) een akte waarin echtgenoten elkaar trouw beloofden

c) een akte waarin werd afgezien van bloedwraak

d) een akte waarin de straf tegen de verdachte werd uitgesproken

28. Generaliteitslanden zijn:

a) landen onder bestuur van de stadhouder

b) landen die onder direct toezicht stonden van de Staten Generaal

c) landen die bestuurd werden door het leger

d) landen die veroverd zijn door de Republiek

29. Vilders zijn:

a) uitvoerders van gerechtelijke strafbepalingen

b) gedetineerden die in de gevangenis overleden waren

c) soldaten in de landen van Overmaas

d) uitvoerders van de doodstraf

30. De vonnissen tegen de Bokkerijders hadden de kenmerken van theatrale straffen:

a) omdat er een toneel werd opgevoerd

b) de vonnissen niet zo ernstig leken als het leek

c) omdat de terechtstellingen openbaar waren en werden uitgevoerd bij de woonplaats van de veroordeelden

d) omdat de rechters een vooraanstaande plaats innamen in de maatschappij

31. Een veroordeelde moest soms met de strop om de nek op het schavot staan:

a) om de dood door ophanging te ondergaan

b) als waarschuwing dat een grotere straf wachtte bij terugkeer of herhaling van een delict

c) om het theatrale karakter van een straf te laten zien

d) om gebrandmerkt te worden als veroordeelde

32. “In effigie gehangen” betekent:

a) De toepassing van magisch realisme

b) uitvoering van de straf door vrijwilligers

c) na de dood toch gehangen worden

d) bij verstek toch veroordeeld worden tot de galg

33. Waar pleitte Pelerin voor:

a) uitvoer van de doodstraf d.m.v. ophanging

b) stopzetting van theatrale straffen

c) preventie van misdrijven

d) uniformiteit in rechtsuitoefening

34. Het banditisme in de Maasvallei werd ook bevorderd door:

a) het ontbreken van een effectief centraal gezag

b) de rol van de baljuws

c) de militaire confrontaties die plaatsvonden

d) de aversie tegen de kerkelijke ambtsdragers

35. Als lichtste vorm van doodstraf werd gezien:

a) ophanging

b) tweedeling

c) waterproef

d) onthoofding

36. Wat was voor een veroordeelde heks de juiste straf

a) ophanging

b) waterproef

c) foltering op de pijnbank

d) de brandstapel

37. De bloedvete is:

a) via een duel je gelijk krijgen

b) zonder vorm van proces de doodstraf krijgen

c) plicht van familieleden om de dood van een familielid te wreken

d) een poging om “ weergeld “ te innen.

38. Kerkelijk asielrecht hield in:

a) dat verbannen mensen hier toch mochten komen

b) dat misdadigers op het kerkhof een vrijplaats vonden voor rechtsvervolging

c) andersdenkenden in de kerk hun toevlucht konden zoeken

d) dat getuigen door de kerk werden beschermd

39. Onder inquisitie wordt verstaan:

a) de kerkelijke rechtbank

b) de toepassing van het burgerlijke recht

c) de toepassing van het strafproces

d) onderzoek door landelijke gezagsdragers

40. De Criminele Ordinantiën probeerde:

a) afzonderlijk strafrecht te regelen in de gewesten

b) het centrale gezag van Fillips II te versterken

c) Willem van Oranje onder het strafrecht te laten vallen

d) uniformiteit op het gebied van het strafprocesrecht in de 17 gewesten te brengen

41. Nieuw in de Criminele Ordinantiën was:

a) de strikte scheiding tussen formeel en materieel strafrecht

b) het opheffen van de scheiding tussen formeel en materieel strafrecht

c) dat de verdachten er minder zware straffen door kregen

d) dat de getuige en verdachte door de rechter werden gehoord

42. De nadruk in de Criminele Ordinantiën lag op

a) het accusatoire strafproces

b) het extraordinaire strafproces

c) het kerkelijk strafproces

d) het militaire strafproces

43. De Criminele Ordinantiën werden uitgevaardigd door:

a) Willem van Oranje

b) Karel V

c) Fillips II

d) Karel de Stoute

44. Een van de belangrijkste kenmerken van het inquistionaire strafproces is:

a) de toepassing van tortuur

b) het horen van getuigen

c) schriftelijke verslaglegging

d) de getuigeverklaring van de beschuldigde zelf

45. Zet in de juiste volgorde:

a) Criminele Ordinantiën, Code Penal, Crimineel Wetboek, Wetboek van Strafrecht

b) Criminele Ordinantiën, Crimineel Wetboek, Code Penal, Wetboek van Strafrecht

c) Crimineel Wetboek, Criminele Ordinantiën, Wetboek van Strafrecht, Code Penal,

d) Code Penal, Crimineel Wetboek, Criminele Ordinantiën, Wetboek van Strafrecht

46. Met de Bataafse regering wordt bedoeld:

a) De regering van Napoleon

b) De regering van de Bataven

c) De regering van Lodewijk Napoleon

d) De regering van de Fransen vanaf 1795

47. Landschap zonder galg en rad werd doorgevoerd tijdens

a) de bezetting door de Pruisische troepen

b) de Bataafse regering

c) Willem van Oranje tijdens de 80 - jarige oorlog

d) Lodewijk de XIV

48. De tortuur werd definitief afgeschaft

a) in de late Middeleeuwen

b) bij de vrede van Munster

c) bij de Pacificatie van Gent

d) tijdens de Bataafse Republiek

49. Tot ontheffing uit de ouderlijke macht kan besluiten

a) de officier van justitie

b) de advocaat

c) de griffier

d) de rechter

50. de Coornhert liga heeft als doel:

a) de bestrijding van de jacht op de Hoge Veluwe

b) omvorming van het strafrecht

c) afschaffing van het strafrecht

d) ontplooiing van ieder mens.