We hebben 314 gasten online

Meerkeuzevragen Staatsinrichting

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen Staatsinrichting

. Meerkeuzevragen.

Vragen over het leerstencil staatsinrichting.

 

  1. 1.Deze politieke stroming vindt gelijke kansen voor iedereen zeer belangrijk
    1. a)Liberalen
    2. b)Sociaal-democraten
    3. c)Confessionelen
    4. d)Christen-democraten b

 

  1. 2.Mensen moeten zoveel mogelijk zelf kunnen beslissen. Dit politieke denkbeeld past het beste bij
    1. a)liberalen
    2. b)sociaal-democraten
    3. c)confessionelen
    4. d)socialisten a

 

  1. 3.Deze partij is ontstaan uit drie linkse partijen
    1. a)Socialistische Partij
    2. b)Partij van de Arbeid
    3. c)Partij voor Vrede Veiligheid en Democratie
    4. d)Groen Links d

 

  1. 4.Gelet op de staatsvorm is Nederland vanaf 1813 een
    1. a)parlementaire republiek
    2. b)republikeins parlement
    3. c)republikeinse monarchie
    4. d)parlementaire monarchie d

 

  1. 5.De volksvertegenwoordiging van Nederland heet ook wel
    1. a)kabinet
    2. b)ministerraad
    3. c)Staten Generaal
    4. d)Tweede Kamer c

 

  1. 6.Nederland is pas echt een democratie sinds
    1. a)1815
    2. b)1848
    3. c)1917
    4. d)1919 d

 

  1. 7.De Eerste Kamer wordt gekozen door
    1. a)kiesgerechtigde Nederlanders
    2. b)de Tweede Kamer
    3. c)de regering
    4. d)Provinciale Staten d

 

  1. 8.Ministers worden in Nederland gekozen door
    1. a)de formateur
    2. b)de koningin
    3. c)de Tweede Kamer
    4. d)de Staten Generaal a

 

  1. 9.De persoon die bij een kabinetsformatie nagaat welke partijen samen willen werken is
    1. a)de minister-president
    2. b)de formateur
    3. c)de informateur
    4. d)de koningin c

 

  1. 10.Bij een kabinetsformatie wordt het regeerakkoord meestal opgesteld door
    1. a)de minister-president
    2. b)de formateur
    3. c)de informateur
    4. d)de koningin c

 

  1. 11.Bij een kabinetsformatie krijgt de koningin als eerste advies van
    1. a)de aftredende minister-president
    2. b)de informateur
    3. c)de formateur
    4. d)de fractievoorzitters d

 

  1. 12.Met een fractie wordt bedoeld de leden van een partij in
    1. a)de Staten Generaal
    2. b)de regering
    3. c)de coalitie
    4. d)het kabinet a

 

  1. 13.Wat is niet juist? Op Prinsjesdag
    1. a)maakt de koningin een ritje met de gouden koets
    2. b)gaat de minister van Financiën met het ‘koffertje’ naar de Tweede Kamer
    3. c)leest de koningin de troonrede voor op Paleis Noordeinde
    4. d)moet de rijksbegroting nog wel door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd c

 

  1. 14.Gegeven: het recht van

1 initiatief

2 interpellatie

3 amendement

4 enquête

 

Welke van deze rechten heeft de Eerste Kamer niet?

  1. a)1 en 2
  2. b)2 en 3
  3. c)1 en 3
  4. d)1 en 4 c

 

  1. 15.Het recht van de Kamer om een begroting goed of af te keuren heet het recht van
    1. a)budget
    2. b)interpellatie
    3. c)amendement
    4. d)financiën a

 

  1. 16.Het recht om een wetsvoorstel te wijzigen heet het recht van
    1. a)amendement
    2. b)initiatief
    3. c)enquête
    4. d)interpellatie a

 

  1. 17.De invloed van de koning(in) in Nederland is beperkt. Dit komt doordat Nederland een
    1. a)parlementaire democratie is
    2. b)parlementaire monarchie is
    3. c)constitutionele democratie is
    4. d)constitutionele monarchie is d

 

  1. 18.Op welke momenten is er toch sprake van invloed van de monarchie in Nederland?
    1. a)Bij nieuwe wetten en bij het gesprek met de minister-president
    2. b)Bij nieuwe wetten en de vaststelling van de begroting
    3. c)Bij de vaststelling van de begroting en de kabinetsformatie
    4. d)Bij de kabinetsformatie en het gesprek met de minister-president d

 

  1. 19.Aan het hoofd van een gemeente staat
    1. a)de burgemeester
    2. b)de gemeenteraad
    3. c)het College van B&W
    4. d)de groep wethouders b

 

  1. 20.Wat is geen taak van een burgemeester?
    1. a)Het benoemen van de wethouders
    2. b)Het voorzitten van de gemeenteraad
    3. c)Handhaven van de openbare orde
    4. d)Voorzitten van het College van B&W a

 

Vragen over hoofdstuk 4 Nederland Verzuild en Verzorgd

 

21 Verzuiling is het verschijnsel waarbij groepen grotendeels gescheiden van elkaar leven op grond van:

a geloof of levensovertuiging.

b sociale klasse.

c inkomen.

d opleiding. a

 

22 Verzuiling is ontstaan doordat:

a alle mannen kiesrecht kregen in 1917.

b verzuilde politieke partijen aan de verkiezingen gingen deelnemen.

c het bijzonder- en openbaar onderwijs gelijk gesteld werden.

d verschillende groepen zich achtergesteld voelden. d

 

23 Een van de zuilen ontstaat als reactie op het feit dat andere groepen verzuilen. We hebben het dan over de

a katholieken

b protestanten

c socialisten

d neutralen b

 

24 Wat wilden de protestanten en katholieken bij het begin van de verzuiling bereiken?

a Het recht om zelf scholen op te richten met steun van de overheid

b Algemeen kiesrecht voor mannen

c Scheiding tussen godsdienst en politiek

d Afschaffing van de monarchie a

 

25 In welke periode van de 20ste eeuw begon de verzuiling in Nederland sterk toe te nemen?

a Jaren ’20

b Jaren ’30

c Jaren ’40

d Jaren ’50 a

 

26 Welke zin is onjuist? Een oorzaak van het toenemen van de verzuiling was dat:

a de katholieken door het succes van de schoolstrijd naar meer gelijkheid gingen streven op andere gebieden.

b de protestanten zich meer bedreigd voelden door liberalen, socialisten en katholieken.

c de neutralen eerst niet wilden meedoen met de verzuiling.

d de socialisten gingen streven naar meer gelijkheid op het gebied van inkomens. c

 

27 Wat zeiden de mensen in de neutrale zuil niet over de mensen in de andere zuilen?

Mensen in andere zuilen:

a denken alleen aan de gegoede burgerij.

b bedreigen de nationale eenheid.

c zijn onverdraagzaam.

d denken niet zelf, maar volgen de leiders kritiekloos. a

 

28 Wat zeiden de mensen in de andere zuilen over de neutralen?

De neutralen:

a zijn te streng in het handhaven van de zondagsrust.

b zijn een bedreiging omdat ze scheiding tussen politiek en godsdienst willen.

c worden geheel beheerst door het belang van de benedenlaag van de bevolking.

d hebben een hokjesgeest en zijn onverdraagzaam. b

 

29 In welke periode van de 20ste eeuw werd een gedeeltelijke ontzuiling zichtbaar?

a In de jaren ’40

b In de jaren ’50

c In de jaren ’60

d In de jaren ’70 c

 

30 Wat is geen voorbeeld van gedeeltelijke ontzuiling?

a Confessionele partijen verloren leden, nieuwe partijen ontstonden.

b Nieuwe omroeporganisaties ontstonden die niet tot een zuil behoorden.

c In het confessioneel onderwijs werden ook niet-confessionelen toegelaten.

d Moslims gingen op veel gebieden eigen organisaties oprichten. d

 

31 Voorbeelden van ontzuiling zijn het ontstaan van

a CDA en FNV

b PvdA en VVD

c CDA en CU

d PvdA en PVV a

 

32 Welke zin is juist?

In onze tijd:

a is er in de gezondheidszorg geen verzuiling meer.

b zijn er nog confessionele politieke partijen.

c zijn verzuilde omroepen verdwenen.

d is In het onderwijs geen verzuiling meer. b

 

33 Welke zin is juist?

Er ontstond gedeeltelijke ontzuiling doordat:

a de socialisten een eigen verzuilde organisatie niet meer nodig vonden.

b de Kerken minder aanhang kregen.

c er toenadering kwam tussen neutralen en confessionelen.

d kerkelijke leiders de verzuiling niet meer nodig vonden. b

 

 

34 Naast ontzuiling zien we ook nieuwe vormen van verzuiling. Deze vinden we terug bij

a orthodoxe protestanten en in de media

b orthodoxe katholieken en islamieten

c islamieten en de media

d islamieten en orthodoxe protestanten d

 

35 In Nederland werkten tot nu toe altijd twee of meer politieke partijen in de regering samen doordat:

a Nederland geen één-partij-stelsel kent.

b de politieke partijen in Nederland elkaar niet vertrouwen.

c geen politieke partij een meerderheid in het parlement behaalde.

d de samenwerking in de regering bij wet is geregeld. c

 

36 Welke zin is onjuist?

De elite had een goede greep op haar zuil doordat:

a de elite geen compromissen sloot.

b mensen uit de elite allerlei dubbelfuncties bekleedden.

c de kiezers trouw waren aan hun leiders.

d er regelingen waren, waardoor de elite de eigen zuil kon controleren. a

 

37 Ideeën over ontzuiling ontstaan

a in WO I door onze neutraliteit

b in WO II door de gemeenschappelijke gevangenschap van de leiders van de zuilen

c doordat koningin Wilhelmina een andere samenleving wil na de oorlog

d doordat het gevoel van achterstelling verdwenen is b

 

38 Hoe dachten de Nederlanders na afloop van WO II over het organiseren van de Nederlandse samenleving?

a Zij wilden het partijbestel grondig vernieuwen.

b De meerderheid wilde terug naar de ‘goede oude tijd’ van voor de oorlog.

c Leiding en volgzaamheid waren geen kenmerken meer van de politiek.

d Zij wilden nieuwe omroepen en kranten. b

 

39 De positie van de politieke leiders veranderde in de jaren ’60. Welke zin is onjuist?

a De politiek liet werknemers en werkgevers vrij.

b Velen stemden niet meer automatisch op dezelfde partij.

c Trouw aan en respect voor de leiders namen af.

d Er kwam ook oppositie in de eigen partij. a

 

40 Welke zin is juist?

Vanaf de jaren ’60:

a waren de journalisten beleefd en eerbiedig tegenover politieke leiders.

b gingen de journalisten de leiders van hun eigen zuil niet meer bevoordelen.

c maakten de journalisten het nieuws zoals hun politieke leiders wilden.

d wilden journalisten zelf nieuws maken. d

 

41 Welke zin is onjuist?

TV-journalisten zijn in het voordeel ten opzichte van politici doordat ze:

a kunnen bepalen aan wie ze vragen gaan stellen.

b de ondervraagde kunnen dwingen om een antwoord te geven.

c kunnen bepalen wat ze gaan vragen.

d gespreksleider zijn. b

 

42 Welke zin is onjuist?

Vanaf de jaren ’60:

a ontstond een gedeeltelijke ontzuiling.

b verloren velen vertrouwen in de politiek.

c werden politici kritischer benaderd.

d nam de interesse voor de politiek af. d

 

43 Welke zin is juist?

Het verschil tussen een belangengroep en een politieke partij is dat een belangengroep:

a meer leden heeft dan een politieke partij.

b niet bereid is mee te doen aan het bestuur van het land.

c meestal één bepaald besluit wil verhinderen.

d bestaat uit mensen die niet van elkaar verschillen. b

 

44 De verzorgingsstaat in Nederland is vooral ontstaan

a door de eerste sociale wetten rond 1900

b na de wederopbouw na WO II

c tijdens WO II

d door ingrijpen van de regering b

 

45 Na WO II wordt in veel Europese landen begonnen met de opbouw van een verzorgingsstaat.

Welke partijen waren daar het meest voor (1) en het meest tegen (2)

a 1 ARP en 2 PvdA

b 1 KVP en 2 D’66

c 1 PvdA en 2 VVD

d 1 VVD en 2 CHU c

 

46 Welke zin is onjuist?

Een oorzaak van de problemen van de verzorgingsstaat in de jaren ’80 was dat:

a er steeds meer mensen een uitkering kregen.

b de economie in de jaren ’80 achteruit ging.

c er geen rekening gehouden was met misbruik van de regelingen.

d er weinig vacatures waren. d

 

47 Wat was geen maatregel om de problemen van de verzorgingsstaat op te lossen?

a Sociale wetten afschaffen

b Duur en hoogte van uitkeringen laten afnemen

c De WAO-uitkering te verlagen

d Het begrip passende arbeid te verruimen a

 

48 Waarin speelt de arrondissementsrechtbank een rol?

a Administratieve rechtspraak

b Burgerlijke rechtspraak en strafrechtspraak

c Consumentenrechtspraak

d Een conflict tussen een burger en een rijksambtenaar. b

 

49 Wanneer kun je naar een geschillencommissie gaan?

Als je:

a informatie wilt hebben van de overheid.

b klachten hebt over een ondernemer.

c een conflict hebt met een ambtenaar van de rijksoverheid.

d het niet eens bent met een uitspraak van de rechter.b

 

50 Wanneer kun je naar de ombudsman gaan?

Als je:

a informatie wilt hebben van de overheid.

b klachten hebt over een ondernemer.

c een conflict hebt met een ambtenaar van de rijksoverheid.

d het niet eens bent met een uitspraak van de rechter. c

 

 

B. Combinatievraag

Plaats de juiste processen in het eerste rijtje bij de juiste omschrijving in het tweede rijtje. Kruis de juiste cijfers aan.

1 Administratief proces

2 Burgerlijk of civiel proces

3 Strafproces

 

a Iemand die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd staat tegenover de overheid.

b Een burger probeert een voor hem nadelig besluit van de overheid ongedaan te maken.

c Twee of meer burgers (of de overheid die als burger optreedt) staan tegenover elkaar.

 

 

C. In de tijd plaatsen

Plaats onderstaande gebeurtenissen in de goede tijdsvolgorde. Kruis de juiste cijfers aan.

a Begin WO II

b Begin parlementaire democratie in Nederland

c Oprichting verzuilde politieke partijen

d Er ontstaat een nieuwe zuil: de islamitische zuil

e Begin parlementaire monarchie in Nederland

 


D. Invulschema zuilen.

Noteer onderstaande woorden correct in het bovenstaande schema op het antwoordblad.

PvdA (Partij van de Arbeid) KVP (Katholieke Volkspartij)

NCRV Trouw

PC-school (Protestant-christelijke school) KRO

RK-school (Rooms-katholieke school) AVRO

NRC-Handelsblad Openbare school

E. Bonusopdracht.

 

Welk begrip uit de eerste rij breng je in verband met een begrip / omschrijving in de tweede rij? Zet op je antwoordblad de juiste cijfers achter de letters

 

A

Christen-democratie

1

SGP

B

Liberalisme

2

Staten Generaal

C

Socialisme

3

oppositiepartij

D

Partij Voor de Vrijheid

4

Ministerie van Financiën

E

Christen Unie

5

Informateur

F

Regering

6

Recht van initiatief

G

Parlement

7

Gesprek met minister-president

H

Eerste Kamer

8

regeringspartij

I

Tweede Kamer

9

Getrapte verkiezing

J

Regeringsakkoord

10

Groen Links

K

Wordt vaak minister president

11

formateur

L

Invloed van de koning(in)

12

Ministerie van Jeugd en Gezin

M

Commissaris van de koningin

13

Kabinet + koningin

N

Burgemeester

14

erfopvolging

O

Balkenende

15

grondwet

P

De Jager

16

Volksvertegenwoordiging hoogste macht

Q

Rouvoet

17

Bestuurder van de provincie

R

Monarchie

18

D’66

S

Parlementaire democratie

19

Bestuurder van gemeente

T

Constitutie

20

Ministerie van Algemene Zaken

 


Antwoordblad vragen B t/m E.

B. Combinatievragen. Vul in achter 1 t/m 3 de letters a t/m c.

1. Administratief proces

b

2. Burgerlijk of civiel proces

c

3. Strafproces

a

 

C. In de tijd plaatsen. Noteer op chronologische volgorde de letters a t/m e

1.

e

2.

c

3.

b

4.

a

5.

d

 

D. Invulschema.

 

KVP

ARP

PvdA

VVD

POLITIEK PARTIJ

VOLKSKRANT

Trouw

VRIJE VOLK

NRC

KRANT

 

KRO

NCRV

VARA

AVRO

OMROEP

 

RK-SCHOOL

PC-SCHOOL

OPENBARE SCHOOL

MONTESORI

SCHOOL

 

R.K.

 

PROTESTANT

SOCIALISTISCH

NEUTRAAL/

LIBERAAL

ZUIL

 

Noteer onderstaande woorden correct in het bovenstaande schema op het antwoordblad.

PvdA (Partij van de Arbeid) KVP (Katholieke Volkspartij)

NCRV Trouw

PC-school (Protestant-christelijke school) KRO

RK-school (Rooms-katholieke school) AVRO

NRC-Handelsblad Openbare school

 

E. Bonusopdracht. Noteer de cijfers 1 t/m 20 in het juiste hokje.

 

A

Christen-democratie

1

B

Liberalisme

18

C

Socialisme

10

D

Partij Voor de Vrijheid

3

E

Christen Unie

8

F

Regering

13

G

Parlement

2

H

Eerste Kamer

9

I

Tweede Kamer

6

J

Regeringsakkoord

5

K

Wordt vaak minister president

11

L

Invloed van de koning(in)

7

M

Commissaris van de koningin

17

N

Burgemeester

19

O

Balkenende

20

P

De Jager

4

Q

Rouvoet

12

R

Monarchie

14

S

Parlementaire democratie

16

T

Constitutie

15