We hebben 288 gasten online

Meerkeuzevragen historisch overzicht van de 20e eeuw

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen historisch overzicht van de 20e eeuw

historisch Overzicht van de 20e eeuw

Deze deeltoets bestaat uit 30 vragen:

  1. 1Tijdens de 2eindustriële revolutie ging het vooral om
    1. a.Elektrotechnische en metaalindustrie
    2. b.automatisering
    3. c.ontwikkeling van de lopende band
    4. d.Chemische en elektrotechnische industrie
  1. 2.Onder ‘fin-de-siècle’-stemming verstaan we;
    1. a.een groot optimisme vanwege de materiële vooruitgang.
    2. b.Een groot optimisme vanwege het toenemend internationaal overleg
    3. c.Een groot pessimisme vanwege de tegenstelling tussen arm en rijk
    4. d.Een mengeling van gevoelens tussen optimisme en onzekerheid
  1. 3.Welke groep hoort niet bij de nieuwe middenklasse?
    1. a.rijke bankiers en industriëlen
    2. b.vrije beroepen zoals professoren, artsen en specialisten
    3. c.het witteboordenproletariaat
    4. d.het hogere technische personeel
  1. 4Rond de eeuwwisseling streefden de liberalen in Nederland naar
    1. a.sociale wetten
    2. b.onbeperkte concurrentie
    3. c.vergaande staatsbemoeienis
    4. d.invoerrechten
  1. 5Wat pas niet bij het kabinet Pierson
    1. a.ouderdomspensioen
    2. b.leerplichtwet
    3. c.ongevallenverzekeringswet
    4. d.woningwet
  1. 6Eduard Bernstein geloofde vooral in:
    1. a.de revolutie
    2. b.liberalisme
    3. c.marxisme
    4. d.geleidelijke verbeteringen
  1. 7.Het machtsevenwicht in Europa werd in de periode tussen 1870 en 1914 het meest verstoord door de ontwikkelingen in:
    1. a.Frankrijk
    2. b.Engeland
    3. c.Rusland
    4. d.Duitsland
  1. 8.Het ontstaan van machtsblokken aan het begin van de 20eeeuw was vooral in tegenspraak met:
    1. a.de vlootpolitiek
    2. b.het Wener Congres
    3. c.de afspraken na de Frans-Duitse oorlog
    4. d.de Triple Entente
  1. 9.De titel: ‘ van foxtrot tot gaarkeuken’ slaat op de ontwikkelingen in de jaren:
    1. a.1914-1918
    2. b.1924-1929
    3. c.1933-1939
    4. d.1939-1945
  1. 10.Welke politieke stroming profiteerde het minst van de ‘overwinning van de democratie’ na de eerste wereldoorlog:
    1. a.de christelijke partijen
    2. b.de liberale partijen
    3. c.de socialistische partijen
    4. d.de linkse partijen

11 Het krachtig nationalisme in de VS tijdens het interbellum kwam vooral van de kant van de Amerikaanse:

  1. a.protestanten
  2. b.katholieken
  3. c.joden
  4. d.kapitalisten

12 Welk kenmerk past niet bij de New Deal:

  1. a.sociale wetten
  2. b.bezuinigingen
  3. c.terugbrengen van agrarische productie
  4. d.scherpere controle van de banken

13 De februarirevolutie in 1917 ging tussen

  1. a.Lenin en de voorlopige regering
  2. b.De tsaar en Lenin
  3. c.De communisten en de democraten
  4. d.De doema en de tsaar

14: De vijfjarenplannen in de USSR gingen vooral ten koste van de

  1. a.industrie
  2. b.industrie en handel
  3. c.landbouw
  4. d.export

15: De angst voor het fascisme leidde in Frankrijk tot een politieke overwinning van:

  1. a.de sociaal-democraten
  2. b.de nationaal-socialisten
  3. c.de verenigde christelijke partijen
  4. d.het volksfront

16: Mussolini kwam aan de macht dankzij:

  1. a.verkiezingen
  2. b.de koning
  3. c.de eerste wereldoorlog
  4. d.samenwerking

17: Duitsland mocht lid worden van de Volkenbond door:

  1. a.de conferentie van München
  2. b.het verdrag van Locarno
  3. c.het Briand-Kelloggpact
  4. d.de As

18: Door de Duitse bezetting van Tsjecho-Slowakije bleek de onbetrouwbaarheid van de afspraken in:

  1. a.Wenen
  2. b.Berlijn
  3. c.München
  4. d.Versailles

19: Keerpunten in de Tweede wereldoorlog zijn:

  1. a.Sicilië en El Alamein
  2. b.Hirosjima en Stalingrad
  3. c.D-day en Hirosjima
  4. d.Stalingrad en El Alamein
  1. 20
    1. a.Berlijn
    2. b.Vietnam
    3. c.Cuba
    4. d.Korea

21 Welk land wilde gebruik maken van de destalinisatie en kwam in opstand;

  1. a.Hongarije
  2. b.Polen
  3. c.Tsjecho-Slowakije
  4. d.Joegoslavië

22 De uitdrukking "fluwelen aanpak" om het optreden van de Duitsers in Nederland in de bezettingstijd aan te geven past het best bij de periode van

a de beginperiode van de bezetting

b de eerste jodenvervolging

c de spoorwegstaking in 1944

d de winter van 1944/45

23 Gegeven:

I De Verenigde Staten beschouwen de Sovjet Unie als een gevaar

II De Verenigde Staten dwingen de Sovjet Unie tot de oprichting van de Duitse Democratische Republiek

III De reactie op de oprichting van het Warschaupact is de oprichting van de NAVO

Welke van bovenstaande uitspraken is waar

a I

b II

c III

d alle drie

24 Als redenen voor de moeizame samenwerking tussen China en de Sovjet Unie worden genoemd:

I de grensconflicten over Mongolië

II het streven naar een wereldrevolutie door de Sovjet Unie en naar Socialisme in een land door China.

Welk van deze uitspraken is waar?

a I

b II

c beiden zijn waar

d beiden zijn onwaar

25 Gegeven:

I Iedere lidstaat heeft een vetorecht

II Leden van de Veiligheidsraad hebben een vetorecht

III De Koude Oorlog

IV Geen eigen leger

Welke van de genoemde zaken zijn redenen voor het moeizaam functioneren van de Volkenbond (VB) en van de Verenigde Naties (VN)?

a. VB I en II VN III en IV

b. VB I en III VN II en IV

c. VB I en IV VN II en III

d. VB II en III VN I en IV

  1. 26

I jongeren

II studenten

III arbeiders

IV vrouwen

Wat is juist?

a. alle 4

b. I II en III

c. I III en IV

d. I II en IV

27 Een uitspraak van de Gaulle:"Jullie zullen stap voor stap wegzinken in een bodemloos politiek en militair moeras".

Deze uitspraak slaat op de bemoeienis van

a. de VN met Korea

b. de SU met Afghanistan

c. de VS met Vietnam

d. de SU met Cuba

28 In de jaren 70 zien we in de westerse economieën een recessie optreden. Oorzaken daarvan waren:

I de oliecrisis

II de dekolonisatie

III de concurrentie uit Azië

Welke oorzaken zijn juist?

a. I en II

b. II en III

c. alle 3 genoemde oorzaken

d. geen van genoemde oorzaken

29 Gegeven:

I De macht van de zelfstandig geworden kolonies is na 1960 sterk toegenomen

II De term neokolonialisme slaat op de economische afhankelijkheid van de voormalige kolonies

III De groep 77 wil hogere grondstofprijzen en een open vrije markt

Welke van genoemde uitspraken is waar?

a. alle drie

b. I en II

c. II en III

d. I en III

30 Gegeven:

I Val van de Berlijnse Muur

II Gorbatsjov komt aan de Macht in de SU

III Val van de communistische regering in de SU

IV Val van communistische regeringen in Oost-Europa

Welke chronologische volgorde is juist?

a. I II III IV

b. II III IV I

c. III I II IV

d. II I IV III