We hebben 158 gasten online

Meerkeuzevragen 19e en 20e eeuw

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen 19e en 20e eeuw

  1. .Waarom wilden veel Europeanen begin 19eeeuw naar de VS?
    1. a.om handel te drijven
    2. b.om een boerderij te starten
    3. c.om in de industrie te gaan werken
    4. d.om cowboy te worden
  1. 2.Trusts zijn bedoeld om
    1. a.concurrentie te beperken
    2. b.een grotere productie te behalen
    3. c.meer uitvindingen te krijgen
    4. d.arbeidsvoorwaarden te verbeteren
  1. 3.“Meer democratie, een betere overheid, minder corruptie”…

Dit slaat op de:

  1. a. AFL
  2. b. republikeinse partij
  3. c. slogan van Jane Adams
  4. d. progressive movement
  1. 4.Het socialisme had in de VS weinig aanhang
    1. a.Vanwege de late industrialisatie
    2. b.Omdat het een land van zelfstandige boeren was
    3. c.Omdat men armoede en uitbuiting als iets tijdelijks zag
    4. d.Omdat men niets met Europa te maken wilde hebben
  1. 5.Wie hadden de meeste invloed op de centrale overheid in de VS aan het begin van de 20eeeuw?
    1. a.de progressive movement
    2. b.de zelfstandige boeren
    3. c.de bosses in de steden
    4. d.de zelfstandige ondernemers
  1. 6.De problemen in de Amerikaanse landbouw aan het begin van de jaren ’20 kwamen vooral door:
    1. a.de overproductie en de enorme schulden
    2. b.de concurrentie uit Azië
    3. c.de enorme droogte
    4. d.het gebrek aan overheidssteun
  1. 7.De presidenten in de jaren twintig: Harding en Coolidge
    1. a.wilden de overheid meer invloed geven
    2. b.wilden de omstandigheden voor het bedrijfsleven optimaal maken
    3. c.waren aanhangers van de progressive movement
    4. d.wilden de invloed van speculanten beperken
  1. 8.Samenvattend kun je zeggen dat het gebrek aan vertrouwen in de Amerikaanse economie in oktober 1929 ( begin econ. crisis) kwam door:
    1. a.de overproductie
    2. b.de problemen in de landbouw
    3. c.de speculatie
    4. d.de lage rente
  1. 9.De “works progress administration” regelde:
    1. a.minimumlonen
    2. b.sociale uitkeringen
    3. c.werkverschaffingsprojecten
    4. d.maximum werktijden
  1. 10.Roosevelt kreeg vooral verzet van :
    1. a.grote ondernemingen
    2. b.boeren
    3. c.arbeiders
    4. d.het congres
  1. 11.De Fair Deal kwam als nieuw beleid niet van de grond door:
    1. a.het democratisch congres en de rassenkwestie
    2. b.de wereldoorlog en het republikeinse congres
    3. c.de babyboom en de rassenkwestie
    4. d.het republikeinse congres en de koude oorlog
  1. 12Veel kritiek op de consumptiecultuur kwam in de jaren ’60 van de:
    1. a.jongeren
    2. b.negers
    3. c.democraten
    4. d.dienstplichtigen
  1. 13Wat is de goede volgorde:
    1. a.Eisenhower – Kennedy – Johnson – Nixon
    2. b.Truman – Eisenhower – Johnson – Kennedy
    3. c.Eisenhower – Kennedy – Reagan – Nixon
    4. d.Truman – Kennedy – Nixon – Johnson
  1. 14Stagflatie is een combinatie van
    1. a.inkomensdaling en werkloosheidgroei
    2. b.werkloosheidsgroei en deflatie
    3. c.inflatie en neergang van de economie
    4. d.oliecrisis en devaluatie

15In 1870 waren de meeste Nederlanders werkzaam in

  1. a.landbouw en industrie
  2. b.dienstensector en landbouw
  3. c.handel en landbouw
  4. d.handel en industrie
  1. 16Waarom ontwikkelde de textielindustrie zich met name in Twente en Brabant?
    1. a.door de ligging van kolenmijnen in de buurt
    2. b.vanwege de goedkope arbeid
    3. c.dit werd beïnvloed uit België waar de industriële revolutie eerder was begonnen.
    4. d.Door de goede exportverbindingen met Duitsland
  1. 17Speciaal voor de Nederlandse vakbeweging was
    1. a.de heftige stakingen
    2. b.de oprichting van confessionele vakbonden
    3. c.de samenwerking met socialistische partijen
    4. d.het afwijzen van cao ’s
  1. 18Na de spoorwegstaking van 1903 kwam(en) er
    1. a.een betere samenwerking tussen de vakbonden
    2. b.noodzakelijke loonsverhogingen bij de spoorwegen
    3. c.de oprichting van de SDAP
    4. d.kleine gerichte acties en onderhandelingen voor een cao.
  1. 19De eerste sociale wetten in Nederland werden gemaakt door regeringen bestaande uit:
    1. a.liberalen
    2. b.socialisten
    3. c.katholieken
    4. d.confessionelen
  1. 20Welke gevolgen had de mislukte revolutiepoging van Troelstra ?
    1. a.de achturige werkdag en de leerplicht
    2. b.leerplicht en het verbod op kinderarbeid
    3. c.de achturige werkdag, een ouderdoms- en invaliditeitswet
    4. d.een ouderdomswet en het verbod op kinderarbeid
  1. 21De Nederlandse massamedia waren vanaf het begin veel minder commercieel dan de Amerikaanse door:
    1. a.de verzuiling
    2. b.het conservatisme
    3. c.de overheidscontrole
    4. d.het socialisme
  1. 22De economische crisis in Nederland in de jaren dertig:
    1. a.kwam door een verkeerd overheidsbeleid
    2. b.was de schuld van de fabrieken die de kosten probeerden te verlagen
    3. c.was een geïmporteerde crisis
    4. d.kwam door de ineenstorting van de Amsterdamse beurs
  1. 23De “sterke man” in de jaren dertig in Nederland was:
    1. a.Ruijs de Beerenbrouck
    2. b.Troelstra
    3. c.Colijn
    4. d.Drees
  1. 24Nederland werd te duur voor het buitenland door:
    1. a.vast te houden aan de gouden standaard
    2. b.de hoge werkloosheidsuitkeringen
    3. c.de loonsverhogingen om de koopkracht op peil te houden
    4. d.de hulp aan de landbouw
  1. 25 Het “Plan van de Arbeid” past bij:

a. de ARP b. de regering c. de SDAP d. de RKSP

  1. 26Welke factor droeg niet bij tot het herstel van de Nederlandse economie na WO II ?
    1. a.Bezuinigingen
    2. b.De Marshallhulp
    3. c.De inzet van de Nederlandse bevolking
    4. d.Het overheidsbeleid
  1. 27Door de gespannen arbeidsmarkt in de jaren ’60 kwam er een einde aan:
    1. a.de verhoging van de arbeidsproductiviteit
    2. b.de samenwerking tussen KVP en VVD
    3. c.de geleide loonpolitiek
    4. d.het poldermodel
  1. 28Door welke oorzaken kon Nederland in de jaren ’70 slechter concurreren met het buitenland?
    1. 1.hoge3. hoge werkloosheid
    2. 2.hoge4. hoge loonkosten
  1. a.1 en 3
  2. b.2 en 3
  3. c.2 en 4
  4. d.1 en 4
  1. 29Welk kabinet zorgde voor de eerste grootschalige bezuinigingen?
    1. a.Drees
    2. b.Den Uyl
    3. c.Lubbers
    4. d.Kok
  1. 30Het woord Poldermodel slaat vooral op:
    1. a.overlegeconomie
    2. b.bezuinigingen
    3. c.samenwerking tussen regering en parlement
    4. d.groei van schiphol

31 Intendanten hielden zich vooral bezig met

a. het leger

b. de belasting

c. het hof van de koning

d. het onderwijs

32 I Lodewijk XIV versterkte de macht van de regionale parlementen

II In het edict van Nantes kregen de hugenoten het recht op hun eigen geloof

a. I en II zijn juist

b. I en II zijn onjuist

c. I is juist, II is onjuist

d. I is onjuist, II is juist

33 Het grootste probleem voor het ancien régime was:

a. het leger

b. de adel

c. de oorlogen

d. de staatsschuld

34 1. belastingen 2. geloof 3. centralisatie

Het conflict tussen Filips II en de Nederlanden ging over :

a. 1 en 2

b. 2 en 3

c. 1 en 3

d. 1, 2, 3

35 "De gewesten spraken af dat zij voortaan eigen baas waren in een statenbond".

Dit gebeurde bij:

a. Unie van Utrecht (1579)

b. Acte van Verlatinghe (1581)

c. Republiek der zeven verenigde Nederlanden (1588)

d. Vrede van Münster (1648)

36 Bij een natie is belangrijk:

a. een gemeenschappelijk grondgebied

b. onderlinge verbondenheid

c. gemeenschappelijke wetgeving

d. een groep mensen met gemeenschappelijk bestuur

37 Natievorming werd in de 19e eeuw in Nederland bevorderd door:

a. het onderwijs

b. wetgeving

c. het samengaan met België

d. de afschaffing van dienstplicht

38 Johann Godfried Herder wordt wel de grondlegger van het nationalisme genoemd:

Wat vindt hij belangrijk voor nationalisme ?

a. oude volksverhalen

b. taal en klimatologische omstandigheden

c. politieke eenwording

d. strijd tegen een gemeenschappelijke vijand

39 Het nationalistisch streven van het Professorenparlement mislukte door:

a. de oorlog tegen Frankrijk

b. de oorlog tegen Pruisen

c. de tegenwerking van Oostenrijk

d. onderlinge onenigheid

40 De Duitse eenheid kwam tot stand:

a. Na de bijeenkomst van het parlement in Frankfurt

b. Door het optreden van Garibaldi

c. Tijdens het revolutiejaar 1848

d. Na de oorlog met Frankrijk

41. Een overeenkomst tussen het Duits en het Italiaanse nationalisme was:

a. In beide landen werd de eenwording achteraf door de bevolking goedgekeurd

b. Beide landen werden een koninkrijk met een autoritaire grondwet.

c. In beide landen werd de eenwording gekoppeld aan idealen zoals een liberale grondwet en deze idealen gingen uiteindelijk verloren.

d. In beide landen spelen revolutionairen een grote rol bij de uiteindelijke eenwording.

42 Griekenland werd onafhankelijk in

a. 1815

b. 1830

c. 1848

d. 1918

43 I De Ausgleich verbeterde de situatie van minderheden in het Hongaarse gebied

II De Dubbelmonarchie viel uiteen in 1918

a. I en II zijn juist

b. I en II zijn onjuist

c. I = juist ; II = onjuist

d. I = onjuist ; II = juist

44. Tijdens de conferentie van Berlijn in 1875 werden beslissingen genomen over:

a. het behoud van Afrikaanse koninkrijken

b. het veroveren van handelsposten door Europeze mogendheden

c. het verdelen van Afrikaanse gebieden

d. de ontwikkeling van Afrika volgens een modernistisch model

45) De Europese Unie:

  1. a)Is een economisch samenwerkingsverband van alle Europese landen
  2. b)heeft een interne markt
  3. c)gebruikt de euro als betaalmiddel
  4. d)is helemaal geïntegreerd

46 Met het verdrag van Maastricht werd:

  1. a)het integratieproces verder doorgevoerd
  2. b)werd de Unie uitgebreid
  3. c)een Unie leger niet meer mogelijk
  4. d)het integratieproces stopgezet
  1. 47De Europese commissie is:
  1. a)de raad van ministers
  2. b)het Europese parlement
  3. c)het dagelijks bestuur van de Unie
  4. d)het ambtenarenapparaat van de Unie
  1. 48)Met subsidiariteit wordt bedoeld
  1. a)het verkrijgen van Europese subsidies
  2. b)men zich niet moet bemoeien met dingen die beter nationaal kunnen worden geregeld
  3. c)men zich wel moet bemoeien met dingen die op nationaal niveau niet kunnen worden geregeld
  4. d)het verder tegengaan van uitbreiding van de Unie
  1. 49)Het Europese Parlement heeft niet:
  1. a)een wetgevende functie
  2. b)een controlerende functie
  3. c)een vragenrecht
  4. d)een enquêterecht
  1. 50)De Europese Raad bestaat uit:
  1. a)de ministers van de lidstaten
  2. b)de vakministers van de lidstaten
  3. c)de regeringsleiders van de lidstaten
  4. d)de vakministers en de regeringsleiders van de lidstaten
  1. 51)Zet in de juiste volgorde:
  1. a) EEG, de Unie, EGKS, Euratom
  2. b)EGKS, EEG, Euratom en de Unie
  3. c)EGKS, de Unie, EEG , Euratom
  4. d)Euratom, EGKS, Unie, EEG
  1. 52)Zet in de juiste volgorde van ontstaan:
  1. a)SDAP, KVP, RKSP, VVD
  2. b)VVD, KVP, RKSP, SDAP
  3. c)SDAP, RKSP, KVP, VVD
  4. d)VVD, SDAP, KVP, RKSP
  1. 53)Zet in de juiste volgorde:
  1. a)Willem II, Troelstra, Den Uyl, Lubbers
  2. b)Lubbers, Den Uyl, Troelstra, Willem II
  3. c)WillemII, Den Uyl, Lubbers, Troelstra
  4. d)Troelstra, Willem II, Den Uyl, Lubbers
  1. 54)Zet in de juiste volgorde:
  1. a)Evenredige vertegenwoordiging, districtenstelsel, harmoniemodel, conflictmodel
  2. b)Districtenstelsel, harmoniemodel, evenredige vertegenwoordiging, conflictmodel
  3. c)Harmoniemodel, districtenstelsel, evenredige vertegenwoordiging, conflictmodel
  4. d)Districtenstelsel, evenredige vertegenwoordiging, harmoniemodel, conflictmodel.
  1. 55)De Eerste Kamer is een onderdeel van:
  1. a)Parlement
  2. b)Departement
  3. c)Koningshuis
  4. d)Ministerie
  1. 56)De Tweede Kamer heeft:
  1. a)100 leden
  2. b)150 leden
  3. c)175 leden
  4. d)225 leden
  1. 57)Een coalitie is:
  1. a)een samenwerkingsverband van partijen in een regering
  2. b)de oppositie in het parlement
  3. c)alle partijen die samenwerken in het parlement
  4. d)de samenwerking binnen een regering