We hebben 235 gasten online

Meerkeuzevragen dynamiek en stagnatie in de Republiek

Gepost in Meerkeuze vragen

 

Meerkeuzevragen dynamiek en stagnatie in de Republiek

 

1)     Welke kenmerkende aspecten horen bij de tijd van ontdekkers en hervormers?

a)     handelskapitalisme, absolutisme, kerkhervorming

b)    absolutisme, Nederlandse opstand, opkomst van steden

c)     begin van de Europese expansie, handelskapitalisme, kerkhervorming

d)    opkomst van steden, groeiende macht van de koning, begin van de Europese expansie

2)     De Hollandse landbouw maakte in de 14e en 15e eeuw een crisis door. Wat was een gevolg van deze landbouwcrisis?

a)     De Hollandse boeren gingen massaal over op het ontginnen van veen

b)    Urbanisatie: veel boeren trokken naar de steden, op zoek naar werk.

c)     Desurbanisatie: veel stedelingen trokken naar het platteland, op zoek naar voedsel

d)    De Hollandse boeren gingen massaal over op het verbouwen van graan.

3)     De Hollandse landbouw maakte in de 14e en 15e eeuw een crisis door. Wat was een gevolg van deze landbouwcrisis?

a)     Veel Hollanders trokken naar het Duitse Rijngebied

b)    Veel Hollanders trokken naar Vlaanderen en Brabant.

c)     Veel Hollanders zochten een bestaan in handel, visserij en nijverheid.

d)    In veel Hollandse steden verdween de textielnijverheid.

4)     Wat zijn trafieken?

a)      Schepen met een bollende zijkant die extra veel lading kunnen vervoeren.

b)    Bedrijven die grondstoffen veredelen, zoals houtzagerijen en zeepziederijen.

c)     Trekvaarten met een jaagpad waarover paarden kunnen lopen.

d)    Heffingen (belastingen) die betaald moesten worden bij het passeren van de Sont.

5)     Wat wordt bedoeld met 'malthusiaanse spanningen'?

a)     De voedselproductie groeit sneller dan de bevolking en de prijzen storten in.

b)    De concurrentie tussen de noordelijke gewesten onderling.

c)     De voedselproductie houdt de bevolkingsgroei niet bij, met grote werkloosheid als gevolg.

d)    De concurrentie tussen de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden.

6)     Waardoor 'ontsnapte' Holland aan de malthusiaanse spanningen die andere regio's in Europa teisterden?

 

a)     In Holland had commerciële landbouw de overhand, en daar deden dit soort spanningen zich niet voor.

b)    Hollands wist de bevolkingsgroei op te vangen door het droogleggen van grote meren tot vruchtbare polders.

c)     Hollandse kooplieden voerden op grote schaal graan in, vooral uit het Oostzeegebied.

d)    Holland dankte zijn bestaan aan de strijd tegen het water en had van dit soort spanningen nooit last.

7)     Welke factor speelde GEEN rol in de opkomst van commerciële landbouw in Holland?

a)     de bevolkingsgroei in Holland

b)    de oprichting van zogeheten partenrederijen in Holland

c)     de relatief zwakke positie van de adel in Holland

d)    de urbanisatie in Holland

8)     Waarom vochten de Hollanders vier Sontoorlogen uit?

a)     Ze wilden Engeland dwingen zijn mercantilistische politiek te staken.

b)    Ze probeerden een eind te maken aan de piraterij (kaapvaart) vanuit Duinkerken.

c)     Ze verzetten zich tegen de centralisatiepolitiek van de Bourgondische vorsten.

d)    Ze wilden de toegang tot de Sont en daarmee de handel in de Oostzee veilig stellen.

9)     Rond 1500 begon het zwaartepunt van de internationale handel te verschuiven van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan. Wat was daar een belangrijke oorzaak van?

a)     De ontdekking van een directe zeeroute naar Azië door de Portugezen.

b)    De kaapvaart van Barbarijse piraten voor de kusten van Zuid-Europa.

c)     De opkomst van Amsterdam als internationaal handelscentrum.

d)    De Spaanse verovering van grote gebieden in Amerika.

10)  Na 1550 kwam Antwerpen in de problemen. Wat was daar GEEN oorzaak van?

a)     Door het zilver dat de Spanjaarden uit Amerika haalde, verplaatsten de Portugezen hun specerijenhandel naar Sevilla.

b)    De Spaanse koning ging tweemaal failliet en kon zijn Antwerpse geldschieters niet terugbetalen.

c)     Door de verzanding van de Schelde weken steeds meer schepen uit naar Gent, Brugge en Amsterdam

d)    Door de Nederlandse Opstand kwam Antwerpen in een oorlogsgebied te liggen.

11)  Welke gebeurtenis wordt bedoeld met de 'Val van Antwerpen'?

 

a)     Het bankroet van de Spaanse koning in 1575, dat veel Antwerpse kooplieden ruïneerde

b)    De verovering van Antwerpen door het staatse leger (van de Republiek) in 1590.

c)     De verovering van Antwerpen door het Spaanse leger in 1585.

d)    De plundering van Antwerpen door muitende Spaanse soldaten in 1576.

12)  Waardoor kon Amsterdam de positie van Antwerpen als handelscentrum overnemen?

a)     De Vlaamse textielnijverheid werd op schepen geladen en in Amsterdam weer opgebouwd.

b)    Holland en Zeeland sloten de Schelde af, duizenden Antwerpse kooplieden en ambachtslieden vluchtten naar Amsterdam

c)     De Spanjaarden sloten de Schelde af, duizenden Antwerpse kooplieden en ambachtslieden vluchtten naar Amsterdam

d)    De Staten-Generaal verplaatsten hun zetel van Antwerpen naar Amsterdam.

13)  Wat was kenmerkend voor de economie van de Republiek omstreeks 1600?

a)     Handel was in alle gewesten de motor van de economische groei.

b)    Steden en gewesten waren economisch zo goed als zelfstandig.

c)     Door de grote aantallen immigranten waren de lonen in de steden veel lager dan elders in Europa.

d)    Commerciële landbouw was in alle gewesten de motor van de economische groei

14)  Waarin verschilden de landprovincies van de kustprovincies?

a)     minder landbouw, meer inwoners, meer nijverheid

b)    meer zelfvoorzienende landbouw, meer boeren, minder invloed voor adel

c)     overwegend zelfvoorzienende landbouw, minder steden, meer invloed voor adel

d)    meer textielnijverheid, minder inwoners, minder Hanzesteden

15)  Welke jaartallen horen bij de volgende gebeurtenissen? a Nederlandse gewesten bij Habsburgse rijk / b Antwerpen terug in Spaanse handen / c zeeroute naar India ontdekt / d Spaanse koning failliet / e oprichting Staten-Generaal

a)     a 1548 / b 1575 / c 1497 / d 1575 / e 1464

b)    a 1464 / b 1585 / c 1492 / d 1557 / e 1542

c)     a 1548 / b 1585 / c 1498 / d 1575 / e 1464

d)    a 1550 / b 1576 / c 1498 / d 1585 / e 1542

16)  Welke kenmerkende aspecten horen bij de tijd van regenten en vorsten (1600-1700)?

a)     begin Europese overzeese expansie, absolutisme, verlichting

b)    begin Europese overzeese expansie, handelskapitalisme, Nederlandse Opstand

c)     handelskapitalisme, verlichting, kerkhervorming

d)    handelskapitalisme, bloei van de Republiek, wetenschappelijke revolutie

17)  De Republiek haalde producten uit alle hoeken van Europa. Welke combinaties van producten en landen/gebieden is juist?

a)     graan uit Rusland, bont uit Zweden, citrusvruchten uit Italië, ijzer uit de Levant

b)    graan uit Rusland, marmer uit Zweden, hout uit Italië, zijde uit de Levant

c)     huiden uit Rusland, wapens uit Zweden, graan uit Italië, marmer uit de Levant

d)    bont uit Rusland, ijzer uit Zweden, olijfolie uit Italië, katoen uit de Levant

18)  De Republiek dreef in de 17e eeuw handel op alle continenten (behalve Australië: in Europa wist niemand van het bestaan daarvan). In welke periode kwam die 'intercontinentale handel' tot stand.

a)     1602-1628

b)    1602-1666

c)     1585-1595

d)    1595-1609

19)  Wat was kenmerkend voor de Nederlandse kooplieden-ondernemers die het handelskapitalisme domineerden?

a)     Zij waren actief in zowel de handel als de nijverheid.

b)    Zij behoorden bijna allemaal tot de families Trip en De Geer.

c)     Als ze voldoende kapitaal hadden verzameld, gingen ze de politiek in.

d)    Zij waren bijna allemaal actief in de wapenhandel.

20)  Welke financiële instituten werden in de 17e eeuw in Amsterdam gevormd?

a)     de wisselbank, de koopmansbeurs, de bank van lening

b)    de koopmansbeurs, de tolpoort, de Heren Zeventien

c)     de stapelmarkt, de wisselbank, de waag

d)    de bank van lening, de wisselbeurs, de contracten van correspondentie

21)  Waarom werden in 1602 alle bestaande compagnieën samengevoegd in de Verenigde Oostindische Compagnie?

a)     Het voeren van een driehoekshandel ging niet zonder samenwerking tussen alle partijen.

b)    De VOC was zo succesvol dat ze alle kleine compagnieën wegconcurreerde

c)     De kleine compagnieën concurreerden zo fel dat maar weinig winst werd gemaakt.

d)    Het voorbeeld van de West-Indische Compagnie had bewezen dat die samenvoeging de beste aanpak was.

22)  De VOC had 'soevereine rechten'. Wat hield dat in?

a)     De Staten-Generaal hadden over de VOC niets te zeggen.

b)    De bestuursfuncties in de VOC waren erfelijk: zonen volgden hun vader op (bekwaam of niet)

c)     Het recht om oorlog te voeren en verdragen te sluiten, net als een staat.

d)    Het recht om geld van investeerders te besteden zoals de VOC dat zelf wilde.

23)  Hoe kwam de VOC aan geld om haar activiteiten te financieren?

a)     Ze maakte vanaf het begin torenhoge winsten, die meteen weer in het bedrijf werden geïnvesteerd.

b)    De zwaarbewapende VOC-schepen behaalden flinke oorlogsbuiten op de Portugezen en de Engelsen

c)     De Staten-Generaal hief speciale accijnzen om de VOC van kapitaal te voorzien.

d)    Een groot aantal particuliere investeerder stak zijn geld in de VOC om later te kunnen delen in de winst.

24)   Waarin verschilde de WIC van de VOC?

a)     De WIC dreef geen handel, alles draaide om de kaapvaart, vooral tegen Spanje en zijn bondgenoten.

b)    De WIC dreef niet alleen handel maar ook kaapvaart.

c)     Op de WIC-schepen voeren soldaten mee.

d)    Het kreeg van de Staten-Generaal geen monopolie en moest concurreren met particuliere kooplieden-ondernemers uit Holland.

25)  Welke handelsstromen horen bij de driehoekshandel die de WIC tot stand bracht?

a)     wapens van de Republiek naar Amerika, slaven van Amerika naar Afrika, zilver van Afrika naar de Republiek.

b)    slaven van de Republiek naar Amerika, katoen van Amerika naar Afrika, zilver van Afrika naar de Republiek.

c)     graan de van Republiek naar Afrika, slaven van Afrika naar Amerika, specerijen van Amerika naar de Republiek.

d)    wapens van de Republiek naar Afrika, slaven van Afrika naar Amerika, suiker van Amerika naar de Republiek.

26)  Hieronder staan factoren die zorgden voor een gunstig investeringsklimaat in de Republiek vanaf pakweg 1590. Wat was GEEN factor die aan dat gunstige klimaat bijdroeg?

a)     Het stabiele politieke klimaat in de Republiek zorgde voor een lage rente.

b)    Dankzij de Val van Antwerpen kreeg de Republiek een enorme 'injectie' van kapitaal, kennis en netwerken.

c)     De gewesten concurreerden fel met elkaar, waardoor de kosten en prijzen steeds laag bleven.

d)    Dankzij de handelswinsten was er veel kapitaal om nieuwe bedrijvigheid te stimuleren.

27)  Hieronder staan factoren die bijdroegen aan de groei en bloei van de nijverheid in de Republiek. Welke zin is GEEN factor die tot die groei bijdroeg?

a)     De groei van de internationale handel

b)    De mercantilistische politiek van de andere Europese landen.

c)     De groei van de bevolking en van de welvaart in de Republiek.

d)    De technische voorsprong en de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen.

28)  Wat was uniek aan het vervoer in de Republiek?

a)     Door de lage lonen was zowel vervoer over land als over water erg goedkoop.

b)    Dankzij de vele steenbakkerijen waren de belangrijkste verbindingswegen verhard met klinkers.

c)     Het was het enige stukje van Europa waar je kon reizen zonder tol te betalen.

d)    Er bestond een fijn vertakt stelsel van vaarwegen.

29)   Hieronder staan factoren die bijdroegen aan de bloei van de landbouw in de Republiek in de 17e eeuw. Welke zin is voor die bloei GEEN factor van belang geweest?

a)     De groei van de handel, de nijverheid en de bevolking.

b)    De verstedelijking zorgde voor een grote aanvoer van mest die nodig was voor intensieve verbouw van gewassen.

c)     De Dertigjarige Oorlog, die grote delen van het Duitse platteland verwoestte.

d)    De inpoldering van grote meren als de Beemster, de Schermer en de Wormer.

30)  Waarom verplaatsten stedelijke ondernemers in de Gouden Eeuw een deel van de nijverheid naar het platteland?

a)     Zij wilden hun bedrijven mechaniseren; in de volle steden was daar te weinig ruimte voor.

b)    Zij woonden zelf in buitenhuizen en konden zo beter toezicht houden op het productieproces.

c)     Op het platteland hoefden zij geen accijnzen af te dragen, in de steden wel.

d)    In de steden hadden de gilden teveel macht en waren de lonen hoger.

31)  Welke jaartallen worden in dit  als begin- en eindpunt van de Gouden Eeuw gezien?

a)     1588 en 1672

b)    1585 en 1648

c)     1597 en 1688

d)    1568 en 1648

32)  Wat is 'particularisme'?

a)     Het maken van afspraken om belangrijkste bestuursposten bij toerbeurt aan elkaar te gunnen.

b)    De zelfstandigheid van gewesten en steden in het uitoefenen van de rechtspraak en het bestuur.

c)     Het investeren van kapitaal door het kopen van aandelen in een bedrijf (bijvoorbeeld de VOC).

d)    Het plaatselijk en gewestelijk belang en de eigen onafhankelijkheid stellen boven het gemeenschappelijk belang.

33)  Hieronder staan drie voorbeelden van het burgerlijke karakter van de Republiek. Welk antwoord is GEEN voorbeeld van dat burgerlijke karakter?

a)     Iedereen moest belasting betalen, ook adel en geestelijkheid.

b)    De regenten die steden en gewesten bestuurden, namen zelf deel aan handel en nijverheid.

c)     De bestuurders stelden de belangen van de handel en nijverheid voorop.

d)    De soevereine macht lag bij de gewesten, niet bij de Staten-Generaal.

34)  Hieronder staan drie besluiten waaruit blijkt dat de Staten-Generaal doortastend optrad om de handel van de Republiek te bevorderen. Welk antwoord is GEEN voorbeeld van doortastend optreden van de Staten-Generaal?

a)     De koopvaardijvloot werd beschermd door oorlogsschepen die betaald werden uit de in- en uitvoerrechten die de Staten-Generaal inde

b)    De VOC en WIC kregen alle middelen die nodig waren om de Spanjaarden te bestrijden en een handelsimperium op te bouwen.

c)     Door de heffing van accijnzen beschikte de Republiek over voldoende middelen om een groot leger op de been te brengen.

d)    Op grondstoffen die voor de Republiek van belang waren, werden lage of helemaal geen invoerrechten geheven.

35)  Welke uitspraken zijn juist, welke onjuist?

I Door de verdeeldheid tussen de gewesten wist de Republiek in de Gouden Eeuw geen sterk landleger op de been te brengen.
II Dankzij de hoge opbrengsten van de accijnzen was de overheid zo rijk dat zij geld kon lenen aan particuliere investeerders.
III Engeland en Frankrijk voerden een mercantilistische politiek, de Republiek niet.

a)     I en II zijn juist, III is onjuist.

b)    I, II en III zijn onjuist.

c)     I is juist, II en III zijn onjuist.

d)    II is juist, I en III is onjuist.

36)  Welke twee 'externe' factoren zorgden ervoor dat de Republiek in de beginfase van de Opstand standhield tegen Spanje?

a)     De ondergang van de Armada en de Dertigjarige Oorlog.

b)    De ondergang van de Armada en de Frans-Spaanse oorlog.

c)     De ontdekking van de zeeweg naar Azië en het Twaalfjarig Bestand.

d)    De ontdekking van de zeeweg naar Azië en de Slag bij Nieuwpoort.

37)  Hoe kwam de Vrede van Munster tot stand?

a)     Spanje vocht op teveel fronten om de Republiek te kunnen verslaan en bood vanaf 1640 vrede aan; de Republiek ging daar pas in 1648 mee akkoord.

b)    Door het optreden van fanatieke calvinisten in de noordelijke gewesten besloten de katholieke zuidelijke gewesten zich definitief af te scheiden; zij vroegen Spanje om vrede te sluiten.

c)     De Republiek was door de Tachtigjarige Oorlog economisch uitgeput en besloot in 1648 het verlies van de Zuidelijke Nederlanden te accepteren.

d)    Lodewijk XIV wilde vrede in Europa om zijn eigen macht te kunnen uitbreiden, daarom dwong hij Spanje en de Republiek in 1648 naar de onderhandelingstafel.

38)  De Tachtigjarige Oorlog bevorderde op verschillende manieren de economische bloei van de Republiek. Welk antwoord is daar GEEN voorbeeld van?

a)     Hollandse handelaars profiteerden van de schaarste die door de oorlog ontstond.

b)    De Val van Antwerpen maakte mogelijk dat Amsterdam tot grootste stapelmarkt uitgroeide.

c)     De Spaanse embargo's dwongen kooplieden om zelf te gaan varen op Azië, Afrika en Amerika.

d)    Volgens de Vrede van Munster moest Spanje de Republiek een groot bedrag aan herstelbetalingen geven.

39)  Wat hield de Acte van Navigatie uit 1651 in?

a)     Buitenlandse koopvaarders mochten alleen goederen naar Engeland brengen die in hun eigen land waren geproduceerd.

b)    Alleen Nederlandse koopvaarders mochten uitsluitend goederen naar Engeland brengen die in de Republiek waren geproduceerd.

c)     Nederlandse koopvaarders moesten over de goederen die zij naar Engeland brachten meer invoerrechten betalen dan andere koopvaarders.

d)    Nederlandse koopvaarders mochten geen handel meer drijven met Engelse onderdanen.

40)  Wat was de uitkomst van de Eerste en de Tweede Engelse Zeeoorlog?

a)     Engeland verloor beide oorlogen en reageerde met verscherpte handelsblokkades.

b)    De Republiek wist na beide oorlogen te bedingen dat Engeland de Acte van Navigatie introk.

c)     De Republiek won de eerste oorlog, maar raakte door de tweede oorlog alle gunstige handelsvoorwaarden kwijt.

d)    Engeland won beide oorlogen en bracht de economie van de Republiek zware schade toe

41)  Hoe zag de sociale samenstelling van de Republiek er uit in de Gouden Eeuw?

a)     Gegoede burgerij 8 procent, kleine burgerij 25 procent, volksklasse 67 procent.

b)    Gegoede burgerij 5 procent, kleine burgerij 10 procent, volksklasse 85 procent.

c)     Gegoede burgerij 2 procent, kleine burgerij 15 procent, volksklasse 85 procent.

d)    Gegoede burgerij 20 procent, kleine burgerij 50 procent, volksklasse 30 procent

42)  De volksklasse in de Republiek had het in de Gouden Eeuw gemiddeld beter dan de volksklasse in veel andere Europese landen. Wat is GEEN oorzaak van hun relatief minder slechte positie?

a)     Bijna iedereen kon lezen en schrijven en kwam vroeg of laat aan een redelijk goede baan.

b)    Voor mensen die geen inkomsten hadden was er een relatief goed stelsel van armenzorg.

c)     Door de aanvoer van graan uit de Oostzee waren de voedselprijzen laag.

d)    Door de economische groei was er meestal volop werk en waren de lonen hoog.

43)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I De Zaanse scheepswerven hadden veel last van tegenwerking door de gilden.
II In de Gouden Eeuw was er zoveel vraag naar arbeid dat de lonen relatief hoog waren.

a)     I is onjuist, II is juist.

b)    I en II zijn beide onjuist.

c)     I is juist, II is onjuist.

d)    I en II zijn beide juist.

44)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Van de nieuwkomers in Amsterdam was in 1650 bijna de helft afkomstig uit het buitenland.
II Immigranten konden geen lid worden van een gilde en bleven ook op langere termijn 'vreemdelingen'.

a)     I en II zijn beide juist.

b)    I is juist, II is onjuist.

c)     I en II zijn beide onjuist.

d)    I is onjuist, II is juist.

45)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I In de Republiek hadden joden dezelfde rechten als andere immigranten.
II De overheid probeerde van alles om de immigratie te beperken, maar slaagde daar nauwelijks in.

a)     I en II zijn beide onjuist.

b)    I is onjuist, II is juist.

c)     I is juist, II is onjuist.

d)    I en II zijn beide juist.

46)  In welk(e) tijdvak(ken) moeten we de 'Zilveren Eeuw' plaatsen?

a)     De tijd van regenten en vorsten en de tijd van pruiken en revoluties

b)    De tijd van pruiken en revoluties en de tijd van burgers en stoommachines

c)     De tijd van regenten en vorsten

d)    De tijd van pruiken en revoluties

47)  Welke fasen kun je in de Zilveren Eeuw onderscheiden?

a)     Een fase van sterke economische groei (1670-1750) en een fase van stagnatie (1750-1780).

b)    Een fase van groeiende problemen (1670-1715) en een fase van stagnatie (1715-1780).

c)     Een fase van crisis (1670-1650) en een fase van krachtig herstel (1750-1780).

d)    Een fase van stagnatie (1670-1715) en een fase van ondergang (1715-1780).

48)  Hieronder staan oorzaken van de achteruitgang van de internationale handel van de Republiek in de 18e eeuw. Wat was GEEN oorzaak van de problemen in de handel?

a)     De verzanding van havens en rivieren.

b)    De crisis in de nijverheid.

c)     Het mercantilisme van andere Europese landen.

d)    De opkomst van de voorbijlandvaart.

49)  Wat was een oorzaak van de neergang van de 'moedernegotie'?

a)     Het herstel van de Europese landbouw na de vrede van 1648.

b)    De Engelse blokkade van de Sont, de enige doorgang naar de Oostzee.

c)     De Franse blokkade van de Sont, de enige doorgang naar de Oostzee.

d)    Het succes van de koloniale handel, die investeerders uit de graanhandel weglokte.

50)  Hieronder staan oorzaken van de problemen in de Nederlandse walvisvaart in de 18e eeuw. Wat was GEEN oorzaak van de problemen in de walvisvaart?

a)     Door het faillissement van de Noordse Compagnie werden de Nederlandse schepen niet langer beschermd.

b)    Engeland hief hoge invoertarieven op 'Nederlandse' traan

c)     Door overbevissing nam het aantal walvissen af en daarmee daalden uiteindelijk ook de vangsten.

d)    De concurrentie van Engelse walvisvaarders nam toe

51)  Ondanks de relatieve achteruitgang na 1670 bleef de Republiek ook in de 18e eeuw een belangrijke handelsnatie. Wat is daar GEEN oorzaak van?

a)     Het herstel van de nijverheid na 1750.

b)    De groei van de koloniale handel.

c)     De groei van de rivierhandel met het Duitse achterland.

d)    De deelname van Nederlandse schippers aan de voorbijlandvaart.

52)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Tussen 1680 en 1780 groeide de omvang van de koloniale handel.
II Tussen 1680 en 1780 daalde de winst van de koloniale handel.

a)     I is juist, II is onjuist.

b)    I en II zijn beide juist.

c)     I is onjuist, II is juist.

d)    I en II zijn beide onjuist.

53)  Welke verschuiving in de koloniale handel van de Republiek vond in de 18e eeuw plaats?

a)     Handel in slaven werd de motor achter de groei van de driehoekshandel.

b)    Massaproducten als koffie, thee en suiker werd belangrijker dan peper en specerijen.

c)     De WIC werd overvleugeld door de VOC.

d)    De VOC werd overvleugeld door de WIC.

54)  Wat verklaart dat Amsterdam uitgroeide tot de kapitaalmarkt van Europa?

a)     De rijkdom van de Gouden Eeuw was blijven groeien, maar kon in de 18e eeuw nauwelijks nog in de Republiek zelf worden geïnvesteerd.

b)    Als tolerant en vreedzaam land was de Republiek de veiligste plek om je geld te investeren

c)     De steeds hogere winsten van de VOC trokken steeds meer buitenlandse investeerders aan.

d)    Door de grote welvaart was nergens de rente zo hoog als in de Republiek.

55)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Begin 18e eeuw hadden de Staten-Generaal zoveel schulden dat het aflossen van alleen al de rente meer kostte dan er aan belastingen binnenkwam.
II Door hun weelderige levensstijl gaven de regenten in de Republiek meer geld uit dat ze verdienden.

a)     I en II zijn beide juist.

b)    I en II zijn beide onjuist.

c)     I is juist, II is onjuist.

d)    I is onjuist, II is juist.

56)  Wat is een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de nijverheid in Holland in de 18e eeuw?

a)     De Republiek verloor haar technische voorsprong, terwijl de lonen in Holland de hoogste van Europa bleven.

b)    Veel buitenlandse afnemers haalden hun nijverheidsproducten liever uit de koloniën omdat daar de lonen lager waren.

c)     Terwijl andere landen hun nijverheid met mercantilistische maatregelen beschermden, deed Holland niets om zijn eigen nijverheid te steunen

d)    De VOC maakte steeds minder winst en bestelde dus steeds minder schepen.

57)  Welke industrieën wisten zich de gehele 18e eeuw goed te handhaven?

a)     Papierindustrie, glasblazerij, bierbrouwerij, suikerraffinaderij

b)    Suikerraffinaderij, pijpenmakerij, scheepsbouw, jeneverstokerij

c)     Papierindustrie, textielindustrie, bierbrouwerij, steenbakkerij

d)    Steenbakkerij, suikerraffinaderij, papierindustrie, jeneverstokerij

58)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I De jeneverindustrie kende in de hele 18e eeuw een enorme groei.
II Vooral het arme deel van de bevolking stapte massaal over van koffie en thee naar jenever.

a)     I en II zijn beide onjuist.  

b)    b) I is juist, II is onjuist.   

c)     c) I is onjuist, II is juist.

d) I en II zijn beide juist

.59)     Hieronder staan oorzaken van de crisis in de commerciële landbouw in Holland in de periode 1660-1750. Wat was GEEN oorzaak van die crisis?

a)     Het herstel van de landbouw in Duitsland en Vlaanderen

b)    De hoge lonen, de hoge prachtprijzen en de hoge belastingen.

c)     Natuurrampen als de paalworm en de veepest.

d)    De opkomst van plantagebouw in kolonies als Suriname.

60      Waardoor hadden boeren in het zuiden en oosten van de Republiek veel minder last van de crisis in de landbouw in de periode 1660-1750?

a)     Zij verbouwden vooral voor eigen gebruik en hadden van concurrentie weinig last.

b)    Zij hadden in de Gouden eeuw veel gespaard en hadden voldoende reserve om de crisis uit te zitten.

c)     Zij konden hun producten verkopen in Duitsland en Vlaanderen, waar na 1648 de welvaart snel toenam.

d)    Nederlandse renteniers verplaatsten hun kapitaal van de verliesgevende Hollandse landbouw naar de andere gewesten.

61     Welke kenmerkende aspecten kun je verbinden aan de Zilveren Eeuw van de Republiek?

a)     Opkomst van verlicht denken, voortbestaan ancien regime, democratische revoluties

b)    Handelskapitalisme, opkomst van verlicht denken, opkomst nationalisme en liberalisme

c)     Kolonialisme en slavernij, handelskapitalisme, wetenschappelijke revolutie

d)    Democratische revoluties, ondergang kolonialisme, emancipatiebewegingen

62)     Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Stadhouder Willem III wilde in 1678 de oorlog tegen Frankrijk voortzetten, de Amsterdamse regenten wilden een oorlog tegen Engeland.
II De inval van Willem III in Engeland was onderdeel van zijn strijd tegen de Franse machtspolitiek.
 

a)     I en II zijn beide onjuist

b)    I en II zijn beide juist.

c)     I is juist, II is onjuist

d)    I is onjuist, II is juist.

63)     Waarom ging de Republiek in 1713 over op een politiek van neutraliteit?

a)     De Republiek kon de kosten van een groot leger niet meer dragen en hoopte dat neutraliteit de handel zou redden.

b)    De regenten vonden dat het leger van de stadhouder een te grote bedreiging vormde voor hun eigen machtspositie.

c)     Engeland dwong de republiek in de Vrede van Utrecht om zich buiten toekomstige conflicten te houden.

d)    Frankrijk dwong de Republiek in de Vrede van Utrecht om zich buiten toekomstige conflicten te houden.

64)     Welke twee groepen streden na 1750 over de koers van de buitenlandse politiek?

a)     De patriotten wilden neutraliteit, de Amsterdamse regenten wilden de Engelse hegemonie op zee doorbreken

b)    De patriotten wilden oorlog tegen de Franse overheersing, de orangisten wilden vrede

c)     De Doelisten wilden vrede, de orangisten wilden oorlog.

d)    De orangisten wilden oorlog tegen Frankrijk, de Amsterdamse regenten wilden een pro-Franse politiek.

65)     De opstand van de Amerikaanse koloniën tegen Engeland had in/voor de Republiek een aantal gevolgen. Wat was GEEN gevolg?

a)     De patriotten waren enthousiast over de democratische idealen van de Amerikaanse opstandelingen.

b)    De stadhouder zag zijn kans schoon de Engelsen nu de oorlog te verklaren.

c)     Toen Engeland ontdekte dat de Republiek de opstand steunde, verklaarde het haar de oorlog.

d)    De Amsterdamse regenten zagen in een onafhankelijk Amerika een aantrekkelijke handelspartner.

66)     Waarom was het particularisme in de 18e eeuw zo nadelig voor de Republiek?

a)     De verdeeldheid leidde tot een halve burgeroorlog tussen orangisten en Doelisten.

b)    De stadhouder gebruikte de verdeeldheid om steeds meer macht naar zich toe te trekken.

c)     De verdeeldheid maakte een krachtige reactie op het mercantilisme van andere staten onmogelijk.

d)    Rijke regenten investeerden hun particuliere kapitaal liever in het buitenland dan in een ander gewest.

67)     Waarom was de bereidheid van regenten om de overheidsschuld af te lossen (terug te betalen) niet zo groot?

a)     Zij waren kooplieden-ondernemers die het heel normaal vonden om schulden te hebben: de kost gaat voor de baat.

b)    Zij hadden de overheid zelf veel geld geleend en leefden van de rente van die leningen.

c)     Zij waren bang om met nog hogere belastingen de kleine burgerij tegen zich in het harnas te jagen.

d)    Zij waren zelf al zo verarmd dat ze verder bezuinigen onmogelijk achtten.

68)  Wat was de achtergrond van de Pachtersoproeren?

a)     Onvrede over de hoge huizenprijzen.

b)    Onvrede over de hoge belastingen.

c)     Onvrede over de aristocratisering van de regenten.

d)    Onvrede over de ondemocratische besluitvorming in de Republiek.

69)  Welk verband is er tussen de Pachtersoproeren en de Doelistenbeweging?

a)     De Doelisten gebruikten de onrust van de Pachtersoproeren om politieke eisen te stellen aan de regenten.

b)    De Doelisten vroegen de stadhouder hard op te treden tegen de plunderaars in de Pachtersoproeren.

c)     De oproerlingen en de Doelisten waren beide afkomstig uit de ontevreden volksklasse.

d)    Er was geen verband tussen deze twee bewegingen, ze deden zich toevallig kort na elkaar voor.

70)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Adel en regenten vormden samen een gesloten klasse die zoveel mogelijk onder elkaar trouwde.
II Regenten verdeelden de beschikbare baantjes bij toerbeurt onder elkaar.

a)     I is onjuist, II is juist.

b)    I en II zijn beide juist.

c)     I is juist, II is onjuist.

d)    I en II zijn beide onjuist.

71)  Wat was voor de stedelijke regentenfamilies in de Republiek de belangrijkste inkomstenbron in de Zilveren Eeuw?

a)     De opbrengsten van hun pachtgronden.

b)    Hun aandelen in de VOC en WIC.

c)     Hun aandelen in buitenlandse bedrijven.

d)    Hun beleggingen en overheidsambten.

72)  Hoe probeerde de kleine burgerij in de Zilveren Eeuw zijn kwetsbare economische positie te beschermen?

a)     Zij belegden hun weinige spaargeld in VOC-aandelen en andere bedrijven.

b)    Zij gebruikten hun gilden om nieuwkomers te weren en zo hun inkomstenbron te beschermen.

c)     Zij trokken naar het platteland waar zij geen last hadden van de regels van de gilden.

d)    Zij protesteerden steeds luider tegen de grote bedragen die het stadsbestuur aan 'luie armen' weggaf.

73)  Welke uitspraak over de armenzorg in de tweede helft van de 18e eeuw is ONJUIST?

a)     In de steden wist men door armenzorg vaak verpaupering te voorkomen.

b)    Stedelijke en kerkelijke instellingen beperkten hun armenzorg tot hun 'eigen' armen.

c)     Ondanks de snelle verpaupering bleef de armenzorg functioneren.

d)    Armen moesten vaker dan vroeger gedwongen werk verrichten om hulp te krijgen.

74)  Verschillende factoren zorgden voor verslechtering van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Wat was GEEN factor die voor verslechtering zorgde?

a)     Veel vrouwen werkten in sectoren waar het slecht ging, zoals in winkels en textielnijverheid.

b)    Doordat de meeste immigranten vrouwen waren, ontstond een vrouwenoverschot.

c)     De burgerij ging steeds meer benadrukken dat vrouwen hun taak als moeder moesten laten voorgaan.

d)    Doordat meer vrouwen als moeder thuisbleven, moesten de niet getrouwde vrouwen dubbel zo hard werken.

75)  De Republiek was in 1780 nog altijd een rijk land en had dat misschien nog lang kunnen blijven. Wat zorgde ervoor dat dit toch vrij plotseling veranderde?

a)     De Vierde Engelse Oorlog gaf de handel en de schatkist een klap die men niet meer te boven kwam.

b)    De democratische opstand van de patriotten maakten de Republiek onbestuurbaar, zelfs de stadhouder moest vluchten.

c)     Door de verdeeldheid van de gewesten bleef een reactie op het mercantilisme van Engeland en Frankrijk uit.

d)    De Voc Ging failliet, tienduizenden aandeelhouders waren al hun geld kwijt.

1)     D;  2) B; 3) C 4) B 5) C 6) C 7) B 8) D 9) A 10) C 11) C 12) B 13) B 14) C 15) C 16) D 17) D 18) D 19) A 20) A 21) C 22) C 23) D  24) B 25) D 26) C 27) B 28) D 29) D 30) D 31) A 32) D 33) D 34) C 35) B 36) B 37) A 38) D 39) A 40) B 41) A 42) A 43) A 44) B  45) A 46) A 47) B 48) B 49) A 50) A 51) A 52) B 53) B 54) A 55) C 56) A 57) D 58) B 59) D 60) A 61) A 62) D 63) A 64) D 65) B 66) C 67) B  68) B 69) A 70) A 71) D 72) B 73) A 74) D 75)