We hebben 214 gasten online

Meerkeuzevragen 20e eeuw

Gepost in Meerkeuze vragen

 

 

1    Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    Het merendeel van de bevolking en hun regeringsleiders stortten zich in 1914 vol                 3

 enthousiasme in het militair conflict dat zou uitgroeien tot de Eerste Wereldoorlog.

      II   In 1939 was bij de bevolking en hun regeringsleiders – Duitsland uitgezonderd – bij

            het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog van enig enthousiasme geen sprake en  

            overheerste de angst.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

2    In welke zin staat de staatkundige positie van Elzas-Lotharingen goed beschreven?

      A   Dit gebied was en bleef tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bezit van  

            Frankrijk.

      B   Tot 1871 was het Frans bezit, daarna kwam het tot 1919 in Duitse handen.

      C   Het gebied was Duits bezit en werd bij het Verdrag van Versailles aan Frankrijk

            toegewezen.

      D   De Duitsers bezetten dit deel van Noordoost-Frankrijk bij het uitbreken van de Eerste

            Wereldoorlog en hielden dit tot het einde van de Tweede Wereldoorlog in handen.

 

3    Zowel tijdens als na de Eerste Wereldoorlog was er sprake van een sterke inflatie.

      Wat is geen verklaring voor het ontstaan van de inflatie?

      A   De overheid had tijdens de oorlog veel extra geld in omloop gebracht om de

            oorlogsindustrie draaiend te kunnen houden.

      B   Door de onbeperkte duikbotenoorlog liep de aanvoer van grondstoffen en voedsel

            terug, met oplopende prijzen als gevolg.

      C   Veel mannen gingen het leger in en vrouwen namen hun banen over.

      D   De Duitse regering betaalde de stakende arbeiders in het Ruhrgebied uit met extra voor

            dit doel bijgedrukt geld.

 

4    Hieronder volgen twee uitspraken.

      I    Lenin zag tijdig in dat de grote ommezwaai, waarbij de macht en de bezittingen eerlijk

            verdeeld zouden worden, niet in één keer gemaakt kon worden en zette met de NEP

            een pas op de plaats.

      II   Stalin was veel rechtlijniger dan Lenin en eiste van iedereen onvoorwaardelijke

            toewijding aan de communistische leer.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

5    Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    Hitler is de uitvinder van het systematisch gebruik maken van propaganda als een                            

       machtsmiddel.

      II   Hitler was een grootmeester in het improviseren.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

6    Waarom is het bombarderen van steden een goed voorbeeld van ‘totale oorlogvoering’?

      A   Met het bombarderen van steden werd de oorlog voortaan niet alleen ter land en op

            zee, maar ook in de lucht uitgevochten.

      B   Met het bombarderen van steden werd de oorlogvoering beperkt tot het stedelijk

            gebied en bleef het platteland voortaan ongemoeid.

      C   Door het bombarderen van steden werd voortaan ook de burgerbevolking bewust een

           doelwit en niet meer uitsluitend de militairen.

      D   Door het bombarderen van steden werd het moreel van de soldaten van het getroffen

            land verhoogd.

 

7    In welke zin staat het proces van toenemende terreur tegen joodse burgers in de goede        

      chronologische volgorde?

      A   Criminalisering / Onderdrukking / Isolering / Deportatie / Moord.

      B   Criminalisering / Deportatie / Isolering / Moord / Onderdrukking.

      C   Isolering / Deportatie / Criminalisering / Onderdrukking / Moord.

      D   Onderdrukking / Moord / Isolering / Deportatie / Criminalisering.

 

8    Hieronder volgen vijf concrete gebeurtenissen met betrekking de jodenvervolging.

      1.   Na de inval in Polen worden de joden vogelvrij verklaard.

      2.   Hitler schrijft in Mein Kampf over ‘het joodse vraagstuk’.

      3.   Voor de jodenvervolging wordt de term Holocaust gebruikt.

      4.   Tijdens de Wannsee-conferentie wordt de organisatie van de Endlösung geregeld.

      5.   In Auschwitz worden naar schatting anderhalf miljoen joden om het leven gebracht.

      Wat is de chronologische volgorde van de gebeurtenissen?

      A   4 – 2 – 5 – 1 – 3.

      B   2 – 1 – 4 – 5 – 3.

      C   1 – 2 – 5 – 3 – 4.

      D   2 – 4 – 1 – 3 – 5.

 

9    Wie bedoelde Churchill toen hij sprak over ‘de enige vent in de Nederlandse regering’?

      A   Wilhelmina.

      B   Colijn.

      C   Gerbrandy.

      D   Winkelman.

 

10  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    Na de bezetting van Nederlands-Indië door Japan, maakte de bezetter serieus werk van

            Het minimaliseren van de invloed van de westerse beschaving in dit gebied.

      II   De bevolking van Nederlands-Indië was teleurgesteld in de Japanse bezetter omdat

            politieke onafhankelijkheid niet kwam en economische afhankelijkheid bleef.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

11  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    De gebeurtenissen in de maanden die volgden op de Conferentie van München lieten   

            zien dat met Hitler goede afspraken gemaakt konden worden en dat hij niet aanstuurde

            op oorlog.

      II   De gebeurtenissen in de maanden die volgden op het sluiten van het Molotov - Von            

           Ribbentroppact (het niet-aanvalsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet Unie) lieten 

            zien dat met Hitler goede afspraken gemaakt konden worden en dat hij niet aanstuurde

            op oorlog.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

12  Welke uitspraak past niet bij de isolationistische politiek van de Verenigde Staten?

      A   Laat de Europeanen hun eigen rotzooi opruimen!

      B   Europa voor de Europeanen en Amerika voor de Amerikanen.

      C   De Verenigde Staten is de politieman van de wereld.

      D   Zolang de handel niet in gevaar komt, bemoeien we ons zo weinig mogelijk met het              buitenland.

 

13  Welke zin geeft het best de situatie in Rusland aan het begin van de Tijd van de

      Wereldoorlogen    weer?

      A   Rusland was hard op weg om zich in democratische richting te ontwikkelen.

      B   Op industrieel gebied was Rusland goed vergelijkbaar met Duitsland.

      C   Rusland werd geregeerd door een tsaar met absolutistische trekken.

      D   Na de geslaagde revolutie werd de communistische heilstaat gerealiseerd.

 

14  In welke zin horen de namen / begrippen bij elkaar?

      A   Lenin – Vijfjarenplannen – USSR.

      B   Stalin – Goelag – Vijfjarenplannen.

      C   Mussolini – Fasces – Antisemitisme.

      D   Hitler – Il Duce – Mars naar Rome.

 

15  Waarom was de propaganda van Hitler zo effectief?

      A   Hitler wist het bestaan van de concentratiekampen zo goed geheim te houden.

      B   Hitler voedde de jeugd via het Jungvolk, de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Mädel  

            tot kritische volgelingen op.

      C   Hitler beïnvloedde de Duitsers niet alleen op directe wijze, maar ook op veel

            gecamoufleerde manieren.

      D   Hitler vergrootte zowel in het binnen- als in het buitenland het vertrouwen in zijn

            politiek door het afschaffen van de censuur.

 

16  Wat is een gevolg op lange termijn van het gebruik van de atoombom op de twee Japanse

           steden Hiroshima en Nagasaki?

      A   In de decennia na het gebruik van de atoombom werden er in deze twee steden veel            

           misvormde kinderen geboren.

      B   Met de daaropvolgende capitulatie van Japan kwam de Tweede Wereldoorlog

            definitief ten einde.

      C   Het gebruik van de atoombom werd voortaan als een oorlogsmisdaad beschouwd.

      D   De vernietigende kracht van de atoombom was zo groot dat door deze wetenschap

            landen er van weerhouden werden nog ooit een oorlog te beginnen.

 

17  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    De joden, Sinti en Roma behoorden volgens Hitler tot de Untermenschen.

      II   De Slavische en Germaanse volken behoorden volgens Hitler tot de Übermenschen.

 

A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

18  In het boek wordt gesteld dat de Tweede Wereldoorlog voor Nederlanders een referentiekader is om zaken te beoordelen, met name wat ‘goed’ is en wat ‘fout’ is. Welke uitspraak over goed / fout in de oorlog is juist?

      A   De groep mensen die ‘fout’ was, bedroeg ongeveer de helft van de bevolking en 

            bestond vooral uit NSB’ers.

      B   De groep mensen die ‘goed’ was, bedroeg ruim de helft van de bevolking en bestond

            vooral uit verzetsmensen.

      C   Het optreden van de Duitse bezetter was zo mild dat het achteraf ondoenlijk is om een

            grens tussen ‘goed’ en ‘fout’ te trekken.

      D   De groep mensen die achteraf als ‘goed’ of ‘fout’ beoordeeld kan worden, is klein (5 à

            10 procent); de rest paste zich aan de omstandigheden aan.

 

19  Wat is geen beperking van bewegingsvrijheid voor Nederlanders tijdens de bezettingsjaren?

      A   De arbeidsinzet.

      B   De zwarte handel.

      C   Het persoonsbewijs.

      D   De avondklok.

20  Hieronder volgen zes gebeurtenissen die met Nederlands-Indië in de periode 1940-1945 te

       maken hebben:

      1.   Capitulatie van Japan.

      2.   Internering van Nederlanders in speciale wijken (en later kampen).

      3.   Inval van Japan in Nederlands-Indië.

      4.   Uitroepen van de Republiek Indonesia.

      5.   Instelling van een speciale Commissie tot Onderzoek van de Onafhankelijkheid.

      6.   Atoombom op Hiroshima en Nagasaki.

      Zet deze gebeurtenissen in de goede chronologische volgorde.

      A   2 – 3 – 6 – 5 – 1 – 4.

      B   5 – 6 – 3 – 2 – 4 – 1.

      C   3 – 2 – 5 – 6 – 1 – 4.

      D   3 – 2 – 4 – 6 – 5 – 1.

21  Welke zin is juist?

      A   In 1945 is voor het eerst het idee geboren om een overkoepelende organisatie van

            staten op te richten voor het behoud van de wereldvrede.

      B   In 1945 kreeg de Verenigde Naties de uitdrukkelijke opdracht mee om zich tot een

            mondiale militaire organisatie te ontwikkelen.

      C   De in 1945 opgerichte Verenigde Naties is een poging om een naoorlogse wereldorde

            op basis van vrijheidsidealen te grondvesten.

      D   Evenals de Volkenbond kwam de Verenigde Naties tot stand zonder de inbreng van de                             

            Verenigde Staten.

 

22  Hieronder volgen 5 gebeurtenissen die te maken hebben met de geschiedenis van

      Duitsland:

      1.   De oprichting van de DDR.

      2.   In de buurt van de vroegere grens tussen Oost- en West-Berlijn werden mijnenvelden          

            aangelegd en uitkijktorens gebouwd.

      3.   Inwoners van het Oostblok vluchtten via West-Berlijn naar het westen.

      4.   De oprichting van de BRD.

      5.   De bouw van de muur om de leegloop van het oosten tegen te gaan.

      In welke zin staan de gebeurtenissen in de goede chronologische volgorde?

      A   5 – 3 – 1 – 2 – 4.

      B   4 – 1 – 3 – 5 – 2.

      C   3 – 2 – 4 – 5 – 1.

      D   2 – 1 – 5 – 4 – 2.

 

23  Met de dekolonisatie van Afrika waren de problemen voor dit continent niet opgelost.

      Integendeel. In welke zin worden geen nadelige gevolgen van de koloniale periode voor

       veel Afrikaanse landen   genoemd die na de dekolonisatie aan het licht kwamen?

      A   Uitbarstingen van etnische haat vanwege willekeurig getrokken grenzen.

      B   Economische afhankelijkheid van het westen.

      C   De gedwongen uittocht van veel blanke kolonisten.

      D   De gebrekkige politieke scholing van de inheemse bevolking waardoor een

            onbekwaam bestuur aan de macht kwam.

24  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    De problemen in het Midden-Oosten zijn voor een belangrijk deel het gevolg van niet

            met elkaar in overeenstemming te brengen beloften die min of meer gelijktijdig

            gedaan werden.

      II   De problemen in het Midden-Oosten ontstonden met het uitroepen van de staat Israël.

      Wat is waar?

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

25  Er is veel kritiek op het lage democratische gehalte van het Europese bestuur. Welk

      argument kunnen critici niet aanvoeren?

      A   Het Europees Parlement heeft te weinig macht.

      B   Het Europees Parlement wordt om de vijf jaar door de burgers van de lidstaten

            gekozen.

      C   De Ministerraad heeft te veel invloed op het beleid.

      D   De Europese Commissie is zowel belast met de voorbereiding als met de uitvoering

            van het beleid.

26  Wat is geen element in de verklaring voor de snelle welvaartsgroei die in West-Europa na   

      de Tweede Wereldoorlog optrad?

      A   De goede opleiding en de sterke motivatie van de arbeiders.

      B   De bereidheid om flink de handen uit de mouwen te steken.

      C   Het uitgebreide pakket van sociale voorzieningen.                                      

      D   De financiële injectie dankzij het Marshallplan.

 

27  In de jaren zestig en zeventig traden gelijktijdig twee processen op: secularisering en      

      individualisering. Welke uitspraak is onjuist?

      A   Secularisering en individualisering hebben niets met elkaar te maken.

      B   Secularisering is een gevolg van individualisering.

      C   De individualisering en secularisering zijn versterkt door de opkomst van de tv.

      D   Secularisering en individualisering zijn versterkt door de toename van de welvaart.

 

28  Op welk terrein vonden in de jaren zestig geen belangrijke veranderingen plaats?

      A   Seksuele revolutie.

      B   Emancipatie van vrouwen.

      C   Democratisering van het onderwijs.

      D   Internet.

 

29  Wat wordt bedoeld met een ‘clash of civilizations’?

      A   Een botsing tussen de cultuur van de ‘ouderen’ en de ‘jongeren’

      B   Een botsing tussen de cultuur van ‘oost’ en ‘west’.

      C   Een botsing van de beschaving van het ‘westen’ en de ‘moslimwereld’.

      D   Een botsing van de beschaving van ‘de oude wereld’ en ‘de nieuwe wereld’.

 

30  Een berucht kenmerk van de apartheid in Zuid-Afrika waren de pasjeswetten. Wat hielden

     die in?

      A   De zwarten waren uitgesloten van het kiesrecht.

      B   De zwarten mochten alleen in bepaalde gebieden komen als ze daar werkten (en dit op              

           vertoon van een ‘pasje’).

      C   De zwarten mochten niet komen op bepaalde plaatsen die met borden voor hen

            verboden waren, zoals scholen, loketten en banken in parken.

      D   De zwarten mochten geen lid worden van bepaalde politieke bewegingen, zoals het

           ANC.

 

31  Wat was voor de Amerikanen geen motief om het Marshallplan te lanceren?

      A   De wens om de armoede in Europa te verminderen.

      B   De overtuiging dat zo de voorsprong in de wapenwedloop behouden kon blijven.

      C   De hoop om zo de populariteit van het communisme af te remmen.

      D   De verwachting dat een hersteld Europa weer in staat zou zijn meer Amerikaanse

            producten te kunnen kopen.

 

32  Waar werd de Berlijnse Muur gebouwd?

      A   Op de grens van de BRD en de DDR.

      B   Op de grens van de BRD en West-Berlijn.

      C   Op de grens van West- en Oost-Berlijn.

      D   Op de grens van de DDR en Oost-Berlijn.

 

33  Hieronder volgen 5 gebeurtenissen die met het Indonesische nationalisme te maken

      hebben:

      1.   Nederlands-Indië werd door Japan bezet.

      2.   Oprichting van de Partai Nasional Indonesia (PNI).

      3.   Nederlanders werden in kampen geïnterneerd.

      4.   Soekarno en andere leiders van de PNI werden door de Nederlanders in kampen

            opgesloten.

      5.   De leiders van de PNI  riepen de Republik Indonesia uit.

      In welke zin staan de gebeurtenissen in de goede chronologische volgorde?

      A   1 – 3 – 5 – 2 – 4.

      B   4 – 1 – 3 – 5 – 2.

      C   3 – 2 – 4 – 5 – 1.

      D   2 – 4 – 1 – 3 – 5.

 

34  Voor de problemen in het Midden-Oosten zijn veel landen verantwoordelijk. Welk land

       draagt directe verantwoordelijkheid voor de problemen die daar tussen 1920 en 1950

       ontstonden?

      A   Groot-Brittannië.

      B   Duitsland.

      C   Saoedi-Arabië.

      D   Libanon.

 

35  Wat behoort niet tot de resultaten van de samenwerking tussen de Europese landen?

      A   De opening van de binnengrenzen en afschaffing van de douanerechten.

      B   Financiële steun aan achtergebleven regio’s.

      C   De vorming van de Verenigde Staten van Europa.

      D   De invoering van een gemeenschappelijke munt.

 

36  Wat zijn geen kernbegrippen om het Nederland van de jaren vijftig te typeren?

      A   Soberheid en zuinigheid.

      B   Loonsverhogingen en loonexplosie.

      C   Geleide loonpolitiek en spaarzaamheid.

      D   Grootschalige industrialisatie en urbanisatie.

 

37  Op cultureel gebied traden er grote veranderingen op. Op 4 januari werd op tv in een

       satirisch    programma de volgende tekst uitsproken.

      ‘De gelovigen van deze religie belijden hun eredienst in hun miljoenen kerken, in de grote

       e  kleine steden, in de rijke en in de arme buurten, overal waar de zending komt. Van alle 

        kerken en kapellen wenkt het kruis dat zegt tot de wereld: Wie kijke kan die kijke, hier is

        het licht, hier vindt gij de ontvangst, hier ziet gij het aanschijn van het Beeld. Want het

         Beeld is tot de mens gekomen en heeft de mens gevormd naar zijn evenbeeld.

      Elke avond verzamelen mensen zich rond het altaar en ontsteken het Heilige Beeld. Er zijn er slechts weinigen die hun plicht verzaken en - in plaats van het Beeld te dienen - zich overgeven aan zondige bezigheden als daar zijn lezen, spelen of zelfs praten. Neen, de miljoenen en miljoenen gelovigen kunnen niet genoeg krijgen van de Blijde Boodschap: in den beginne was het Beeld en het Beeld was goed.’

 

      Dat deze tekst uitgesproken kon worden (waartegen overigens veel geprotesteerd werd) is

      een voorbeeld van de culturele veranderingen in deze jaren. Van welk veranderingsproces

      is deze tekst een goed voorbeeld?

      A   Secularisering.

      B   Individualisering.

      C   Pluriforme samenleving.

      D   Multiculturele samenleving.

 

38  Veel jongerengroepen trokken in de jaren zestig en zeventig de straat op om te

      protesteren. Waartegen werd toen niet geprotesteerd?

      A   De oorlog in Vietnam.

      B   De militaire dictaturen in Chili en Argentinië.

      C   De terreurdreiging door moslimextremisten.

      D   De rassendiscriminatie in Zuid-Afrika.

 

39  De jaren negentig van de vorige eeuw zijn ‘optimistisch’ te noemen. Welke factor speelde

      daarbij geen rol van betekenis?

      A   Het probleem in het Midden-Oosten werd definitief opgelost.

      B   De Berlijnse Muur verdween, en daarmee voor een groot deel de spanning tussen Oost

            en West.

      C   De wereldeconomie maakte een periode van grote bloei door.

      D   Tal van al lang bestaande problemen werden opgelost, zoals de rassenscheiding in

            Zuid-Afrika.

 

40  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    Het blanke bewind in Zuid-Afrika kwam mede ten val door verzet van inwoners van

            het eigen land.

      II   Het blanke bewind in Zuid-Afrika kwam mede ten val door boycotacties van de rest

            van de             wereld.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

41 Wat was geen onderdeel van de uitgangspunten van het Atlantisch Handvest ?

 

a.       het zelfbeschikkingsrecht van  volkeren

b.      de vrije toegang tot de zeeën

c.       de oprichting van een militair samenwerkingsverband

d.      internationale geschillen zouden niet meer gewapenderhand uitgevochten moeten worden.

 

42    De Trumandoctrine werd afgekondigd n.a.v. de situatie in:

 

a.       Berlijn

b.      Korea

c.       Griekenland

d.      Oost-Europa

 

43 Als Stalin het heeft over economisch imperialisme van de VS, dan bedoelt hij vooral :

   

a. de Trumandoctrine

b. de containmentpolicy

c. het Marshallplan

d. de Amerikaanse luchtbrug

 

44 Welke concessie deed de VS na afloop van de Cubacrisis

            

a. zij accepteerden de raketbases op Cuba

b. zij trokken raketten terug uit Turkije

c. zij hieven de blokkade van Cuba op

d. zij accepteerden de Berlijnse muur

 

 

45 Geef de juiste chronologische volgorde aan

 

a. Balfourdeclaration, Sykes-Picot verdrag, Verdelingsplan VN, Mandaatgebieden

b. Sykes-picotverdrag, Balfourdeclaration, Mandaatgebieden, Verdelingsplan VN

c. Mandaatgebieden, Sykes-Picot verdrag, Balfourdecalration, Verdelinsplan VN

d. Verdelingsplan VN, Sykes-Picot verdrag, Mandaatgebieden, Balfourdecalration.

 

 

46. Kies  de juiste chronologische volgorde

 

a. EEG, EGKS, Eurotom , Europese Gemeenschap, EU

b. Europese Gemeenschap, Eurotom, EGKS; EEG., EU

c. EGKS, Eurotom, EEG, Europese Gemeenschap, EU

d. EU, Europese Gemeenschap, Euratom, EEG, EGKS

 

47. Kies de juiste chronologische volgorde

 

a. Hongaarse Opstand, Praagse Lente, Vrije verkiezingen in Polen, Val Berlijnse Muur

b. Val Berlijnse muur, Hongaarse Opstand, Vrije verkiezingen in Polen, Praagse lente

c. Vrije verkiezingen in Polen, Praagse lente, Hongaarse Opstand, Val Berlijnse muur

d. Praagse lente, Hongaarse Opstand, Val Berlijnse muur, Vrije verkiezingen in Polen

 

48. Kies de juiste chronologische volgorde

 

a.       Akkoord van Munchen, Niet aanvalsverdrag Duitsland-Rusland, Ansluss Oostenrijk, inval in Polen

b.      Ansluss Oostenrijk, Akkoord van Munchen, Niet aanvalsverdrag Duitsland-Rusland, inval in Polen

c.       Inval in Polen, Niet aanvalsverdrag Duitsland-Rusland, Ansluss Oostenrijk, Akkoord van Munchen

d.      Niet aanvalsverdrag Duitsland –Rusland, Inval in Polen, Ansluss oostenrijk, Akkoord van Munchen

 

49. Kies de juiste chronologische volgorde

 

  1. Stalin, Lenin, NEP, collectivisatie van de landbouw, burgeroorlog, Nicolaas II
  2. Lenin, Stalin, NEP, burgeroorlog, Nicolaas II, collectivisatie van de landbouw
  3. NEP, burgeroorlog, Nicolaas II, collectivisatie van d elandbouw, Stalin, Lenin
  4. Nicolaas II, Lenin, burgeroorlog, NEP, Stalin, collectivisatie van de landbouw

 

50. Kies de juiste chronologische volgorde

 

  1. Verdrag van Brest Litowsk, Verdrag van Versailles, bezetting Ruhrgebied, instorting Wall Street
  2. Instorting Wall Street, Verdrag van Versailles, bezetting Ruhrgebied, verdrag van Brest/Litowsk.
  3. Verdrag van Brest-Litowsk, bezetting Ruhrgebied, instorting Wall Street, verdrag van Versailles
  4. Bezetting Rurgebied, verdrag van Brest-Litowsk, , instorting Wall Street, Verdrag van Versailles

 

 

 

 

Antwoorden

 

1                A                          41    C

2                B                          42    C

3                C                          43    C

4                A                          44    C

5                B                          45    B

6                C                          46     C

7                A                          47    A

8                B                          48    B

9                A                          49    D

10              A                          50    A

 

 

11              D                         

12              C                         

13              C                         

14              B                         

15              C                         

16              A

17              B

18              D

19              B

20              C

 

21              C                         

22              B                         

23              C                         

24              B                         

25              B                         

26              C

27              A

28              D

29              C

30             B

 

31              B                         

32              C                         

33              D                         

34              A                         

35              C                         

36              B

37              B

38              C

39              A

40              A