We hebben 213 gasten online

Samenvatting VWO Thema Feniks Hoofdstuk 1 Nederland immigratieland

Gepost in Thema's

marskramerstaatsecretaris albayrak

Immigranten in Nederland in de negentiende eeuw 

Oriëntatie

Eeuwenlang komen er al mensen uit andere landen naar Nederland. Sommigen zochten een veilig heenkomen anderen omdat ze in het welvarende Nederland een beter bestaan wilden opbouwen. Ook kwamen er nieuwkomers omdat er tekorten waren op de arbeidsmarkt. Al die nieuwkomers brachten hun eigen cultuur mee. Het duurde vaak meer dan één generatie voordat ze volledig werden geaccepteerd.. Nederland heeft niet altijd de grenzen gehad die het vandaag heeft. Wie Nederlander was, is derhalve ook niet altijd hetzelfde geweest. Er waren en zijn grote verschillen tussen Hollanders en personen uit andere provincies.

De eerste keer dat de Nederlanden te maken kregen met grote stromen nieuwkomers, was tijdens de Reformatie, die in 1517 begon met kritiek op de rooms-katholieke kerk. Dat leidde tot een nieuwe protestantse kerk. Spanje, Filips II, ging de aanhangers van het nieuwe geloof vervolgen en velen van hen vluchtten naar de Noordelijke Nederlanden. Veel van hen kwamen uit Frankrijk, maar ook Portugese joden die in Spanje werden vervolgd vluchtten naar het Noorden. In Amsterdam was halverwege de zeventiende eeuw één op de drie inwoners immigrant en in Leiden waren dat er zelfs twee op de drie. Naast hun geloof en cultuur namen deze vluchtelingen ook hun geld en kennis mee. Veel beroemde Nederlandse wetenschappers, handelaren en kunstenaars uit de zeventiende eeuw waren vluchtelingen of van buitenlandse afkomst: de schrijver Joost van den Vondel bijvoorbeeld, en de astronoom Simon Stevin. Daardoor verloor de katholieke godsdienst haar meerderheidspositie in de Noordelijke Nederlanden.

Er ontstond ook een kleine maar duidelijk aanwijsbare joodse gemeenschap, die in de zeventiende eeuw groeide toen grote groepen Oost-Europese joden naar de Nederlanden vluchtten.

Nederland was ook een aantrekkelijke bestemming. Zo was er een vrij constante stroom Duitse arbeidsmigranten. Zij monsterden aan op de schepen van de VOC en WIC. Ook Duitse marskramers die hier hun producten verkochten, vestigden zich na verloop van tijd vaak in Nederland. Migranten konden vanaf de tweede heft van de negentiende eeuw gemakkelijker werk vinden in België en Duitsland, waar de Industriële revolutie al op gang was gekomen.

Vluchtelingen en landverhuizers emigreerden in die tijd liever naar Amerika dan naar het zich langzamer ontwikkelde Nederland. Toch is Nederland ook in de negentiende eeuw veranderd onder invloed van immigranten. In de twintigste eeuw kwamen er in de dertiger jaren ook Duitse joden en politieke tegenstanders van het Naziregime die Duitsland waren ontvlucht.

Na de Tweede wereldoorlog kreeg Nederland te maken met dekolonisatie. Toen Indonesië was ontstaan verhuisden inwoners, die niet in de nieuwe staat wilden wonen, naar Nederland. Zij werden daarna gevolgd door een grote groep Molukkers, toen deze geen eigen staat kregen. Toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd kregen Surinamers de mogelijkheid zich in Nederland te vestigen. Antillianen vestigden zich in Nederland om economische redenen.

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw kwamen er gastarbeiders naar Nederland om in de mijnen te werken. Daarna kwamen er eind jaren zestig steeds meer, vooral Italianen, Spanjaarden en Grieken. Daarna uit Marokko en Turkije. Veel Turken en Marokkanen bleven in Nederland wonen.
Na de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa gingen de grenzen open en trokken velen naar west Europa. De meesten waren arbeidmigranten.De grote welvaart en individuele vrijheid maakte Nederland in de twintigste eeuw ook tot een aantrekkelijke bestemming voor vluchtelingen. In de periode tussen 1950 en 2000 zijn mensen uit bijvoorbeeld Hongarije, Iran, Vietnam en Somalië naar Nederland gekomen.

Dit katern gaat over de rol die buitenlanders hebben gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandse samenleving. Wanneer, hoe en onder welke omstandigheden zijn verschillende etnische bevolkingsgroepen in Nederland komen wonen?

Hoofdvraag

Welke posities hebben de verschillende etnische groepen in Nederland verworven in de periode 1800-2007 en hoe zijn zij in die posities gekomen?

Deelvragen

1) Welke positie hadden immigranten in de Nederlandse samenleving in de negentiende eeuw?

2) Werd Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw een immigratieland?

3) Welke rol speelden immigranten in de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog?

4) Hoe veranderde Nederland in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw onder invloed van de immigranten?

5) Hoe verhouden de bevolkingsgroepen van verschillende herkomst zich tot elkaar in Nederland sinds 1990?

Hoofdstuk 1

Deelvraag 1) Welke positie hadden immigranten in de Nederlandse samenleving in de negentiende eeuw?

Inleiding

Eind achttiende eeuw maakte Frankrijk een einde aan de positie van Nederland als wereldmacht en werd zelfs ingelijfd in 1810 bij Frankrijk. De Franse keizer Napoleon voerde een protectionistische economische politiek, die vooral tegen Engeland was gericht. Daardoor daalde de handel over zee drastisch.

Toen Nederland in 1815 weer zelfstandig werd, was het economisch en politiek geen belangrijk land meer. Daardoor kwamen er nog maar weinig immigranten naar Nederland. In de ons omringende landen was meer welvaart te vinden. Toch hebben de immigranten die wél kwamen invloed gehad op Nederland.

Het belang van dit onderwerp

Pas aan het einde van de negentiende eeuw hadden de meeste Nederlanders het idee dat zij met elkaar één volk vormden. Langzamerhand was er sprake van een groeiend nationalisme. Tot die tijd voelden Nederlanders zich vooral verbonden met hun familie of met de mensen in hun dorp of stad.

Immigranten verschilden in een opzicht van verhuizende landgenoten: zij oefenden vaak hetzelfde beroep uit. Duitsers waren marskramers en Italianen waren schoorsteenvegers. Aangezien de meeste immigranten in de negentiende eeuw uit Duitsland kwamen, nemen zij in deze paragraaf een centrale plaats in. Hoe verliep de integratie van immigranten in die tijd? Welke plaats namen zij in de Nederlandse samenleving in?

1.1 Allemaal nieuwe Nederlanders

Sinds 1815 is Nederland een centraal bestuurde eenheidstaat, maar dat wil niet zeggen dat de hele bevolking zich toen ook Nederlander voelde. Nederland was voor die tijd alleen maar een verband van autonome gewesten geweest.

Het idee dat er een Nederlands volk bestond, zou zich langzaam ontwikkelen. Een Hollander was een Hollander, een Limburger een Limburger en een Twent een Twent.

deutsche rijk

Op de kaart wordt Westfalen lichtblauw weergegeven

Er was weinig onderscheid tussen een immigrant uit Nijmegen of Osnabrück. De grenzen waren minder duidelijk dan nu. Westfalen had bijvoorbeeld altijd nauwe banden gehad met de Nederlanden. De taal die er werd gesproken, verschilde nauwelijks van het Nedersaksische dialect dat in Gelderland werd gesproken totdat de Pruisische overheid het Hoogduits oplegde als officiële taal.

Pas aan het einde van de negentiende eeuw had het nationaal bewustzijn zich zo stevig genesteld in Nederland, dat grote delen van de bevolking zich met elkaar verbonden ging voelen.

1.2 Immigratieland

Gemiddeld was pas twee procent van de bevolking nieuwkomer. De beslissing om naar een ander land te verhuizen, hing af van de negatieve omstandigheden in de plaats waar een immigrant woonde en de positieve punten van de plaats waar de immigrant naar toe ging. Die omstandigheden of factoren die bepaalden of mensen migreerden of niet, worden push- en pull-factoren genoemd.

Aan het eind van de negentiende eeuw woonden er vijftigduizend Duitsers in Nederland, waarmee zij iets meer dan één procent van de bevolking uitmaakten. Het waren vooral mannelijke handelaren en arbeiders die hoopten in Nederland meer te kunnen verdienen dan in hun geboorteland.

Een opvallende groep handelaren was die van de marskramers, rondtrekkende handelaren die in de dorpen of op boerderijen waar zij langs kwamen hun waar te koop aanboden. Ze verkochten in de regel één product uit de huisnijverheid., bijvoorbeeld textiel of aardewerken potten. Ook leverden marskramers tegen betaling bepaalde diensten, zoals de scharensliep, die messen en scharen sleep, en de ketellapper, die versleten ketels en pannen repareerde. Marskramers trokken verscheidene maanden rond voor ze weer terug naar huis keerden. Zo reisden ze honderden kilometers, meestal te voet. Het gezin van de marskramers bleef in hun thuisland wonen.

1.3 Duitse marskramers

marskramer

Marskramers die in Nederland textiel verkochten, kwamen vooral uit Westfalen, een streek in het westen van Duitsland. Pottenverkopers kwamen vooral uit Nassau, ten oosten van Koblenz en hoedenmakers uit de streek tussen de Maas en de Rijn.

Marskramers die grote voorraden meebrachten, maakten vaak niet één lange rondreis, maar hadden een vaste uitvalbasis. Zij sloegen daar hun voorraad op en vertrokken vandaar voor meerdaagse tochten.

Sommigen vonden Nederland een zo lucratief afzetgebied, dat zij in de steden eigen winkels begonnen en zich definitief in Nederland vestigden. Naarmate de winkels groeiden, kwam en meer Duitse verwanten over om in de winkels te werken. Dit wordt kettingmigratie genoemd. Hierdoor ontstond er een netwerk waarin immigranten elkaar hielpen.

Veel markramers die hun winkel openden in Nederland, zagen hun bedrijf uitgroeien tot een heel Imperium. De winkel van Sinkel in Utrecht en ketens als C & A, Peek & Kloppenburg, Hünkemöller en Vroom & Dreesman zijn daar voorbeelden van. Nederland leerde zo het warenhuis, de kerstboom, de turnsport en het pilsje kennen.

1.4 Seizoensarbeiders

Behalve marskramers kwamen er uit Duitsland ook tienduizenden seizoensarbeiders naar Nederland. Ze vonden werk in de landbouw, vooral in veehouderijen.

1) Ze werkten bijvoorbeeld als grasmaaiers. Deze zogenaamde hannekemaaiers maaiden in de zomer het gras dat het melkvee in de winter als hooi te eten kreeg, zodat de melkproductie ook in dat seizoen kon blijven doorgaan.

2) Duitse trekarbeiders hielpen in de landbouw ook mee bij de graanoogst en het veensteken. Ze groeven ook mee aan kanalen en namen dienst op schepen in de walvisvaart.

3) Een niet onaanzienlijke groep Duitse trekarbeiders waren de houtvlotters. Hout dat gekapt was in de Duitse bossen werd in grote vlotten stroomafwaarts naar Nederland gebracht.

De meeste seizoenarbeiders keerden terug naar huis, een klein gedeelte vond in Nederland vast werk. Vaak was dat in dienst van een landgenoot.

1.5 Wetgeving

Konden al die vreemdelingen zomaar Nederland binnenkomen? Inderdaad, ging dat heel lang zonder problemen. Een nieuwkomer was slechts verplicht zich te melden bij de politie of het gemeentebestuur van de plaats waar hij verbleef. Was deze geen gevaar voor de openbare orde, dan kreeg hij in ruil voor zijn paspoort een veiligheidskaart die veertien dagen geldig was en die steeds verlengd kon worden.

De rechtspositie van vreemdelingen was in principe geregeld in de grondwet van 1815. Eén recht vormde hierop een uitzondering: het stemrecht. Alleen mannen die in Nederland geboren waren, mochten stemmen. Ook een plicht werd uitgezonderd. Voor immigranten gold de dienstplicht niet, zij mochten echter wel dienst nemen.
Toen in 1830 en in 1848 overal in de Europese steden (liberale) revoluties uitbraken, vreesde de Nederlandse overheid dat de vreemdelingen revolutionaire ideeën zouden kunnen meenemen naar Nederland. Daarom werd er gezocht naar mogelijkheden om de immigratie te beperken.

Maar ook speelden economische redenen een rol om de immigratie te beperken. Nederland kreeg in de eerste helft van de negentiende eeuw te maken met werkeloosheid. De overheid wilde de eigen burgers beschermen tegen de concurrentie van buitenlandse arbeiders. Daarom voerde Nederland in 1849 de eerste Vreemdelingenwet in. Vreemdelingen moesten zich nu met hun paspoort bij de lokale overheid melden, die hen dan een verblijfspas gaf. Men kreeg die allen als men geen oproerkraaier was en als men kon aantonen dat men over voldoende middelen van bestaan beschikte.

Deze vreemdelingenwet maakte het voor arme migranten en landlopers moeilijk om legaal in Nederland te verblijven. De wet werd echter niet overal even streng toegepast en steeds aangevuld met onduidelijke uitzonderingsregels. Daardoor konden immigranten, als zij voorzichtig waren, zonder veel moeite ook wel illegaal in Nederland wonen en werken.

In de tweede helft van de negentiende eeuw, omdat Duitsland zich tot een sterk en welvarend land had ontwikkeld, daalde het aantal immigranten.

1.6 Nationalisme

In de negentiende eeuw was ook in Nederland een ontwikkeling gaande die invloed had op het denken over vreemdelingen. Nationalistische gevoelens werden steeds sterker waardoor de tegenstelling tussen Nederlanders en vreemdelingen werd versterkt. Mensen die er duidelijk vreemd uitzagen, vonden soms zelfs geen bescherming in de wet, b.v zigeuners. Deze doken in de tweede helft van de negentiende eeuw op in Nederland. Zelfs al beschikten zij over de juiste papieren en konden zij uitstekend in hun onderhoud voorzien, de politie zette hun toch vaak de grens over. In 1904 besloot de overheid in het geheim zelfs dat de vreemdelingenwet niet gold voor zigeuners. De overheid jaagde de zigeuners op en dat had alles te maken met hun levenshouding en de onwil om zich aan te passen aan de Nederlands cultuur.

Vreemdelingen die wel integreerden hadden nauwelijks last. Het was echter niet alleen hun zakelijk instinct dat immigranten influisterde dat zij moesten immigreren. Het was ook vaak de beste manier om comfortabel te kunnen leven in het nieuwe land.

Vreemdelingen die in Nederland zijn gebleven, hebben zich over het algemeen snel aangepast aan hun nieuwe omgeving. Dat blijkt ook uit hun huwelijksgedrag van die tijd. De meeste Duitse immigranten trouwden dus met Nederlanders. Dat ging meestal langs de lijnen van het geloof.

Nederlanders keken met gemengde gevoelens naar vreemdelingen. De meeste welgestelde vreemdelingen hadden weinig last van negatief gedrag van Nederlanders, zolang zij tenminste niet, zoals de zigeuners, al te afwijkend uitzagen en hun best deden te integreren.

Het stereotiepe beeld van Duitsers was dat zij lompe boerenkerels waren die op hun vlotjes de Rijn waren afgedreven naar Holland om hier te profiteren van de welvaart. Dat velen van hen katholiek waren, was ook niet in hun voordeel. Pas toen Duitsland zich eind negentiende eeuw ontwikkelde tot een verenigd en sterk land raakten de Duitsers hun etiket van arme sloebers kwijt. 

Zie verder hoofdstuk 2 Samenvatting VWO Thema Feniks Hoofdstuk 2 Nederland immigratieland