We hebben 82 gasten online

2002 Drs.J.W.Swaen: De stille revolutie van leren leren of wat in het onderwijs voor vernieuwing door moet gaan

Gepost in Onderwijs

Staat van het Onderwijs 2002

Een zoektocht naar de werkelijkheid.

Inleiding

DE laatste twintig jaar is het onderwijs in de dagelijkse praktijk onderhevig aan vernieuwingsstreven dat nog lang zijn sporen in Nederland zal nalaten.

Dat vernieuwingsstreven wordt’ Leren Leren ‘ genoemd. Men noemt het een revolutie.
In van Dale wordt revolutie omschreven als: ‘algehele verandering, ommekeer’.

Die algehele verandering of ommekeer houdt in dat het onderwijs, dat volgens Prof dr. Wynand Wijnen sinds het midden van de negentiende eeuw gebaseerd is op het klassikale systeem: “zijn langste tijd heeft gehad en het roer radicaal om moet”.

In een artikel in het Brabants Dagblad van 23 oktober 2001 met als titel “De les van Prof Wijnen” staat het volgende:’
“Al meer dan dertig jaar draagt de Limburgse prof. Wynand Wijnen nog altijd gedreven de boodschap uit dat het onderwijs in zijn huidige vorm zijn langste tijd heeft gehad en dat het roer radicaal om moet. Voor hem is het zonneklaar waarom veel leerlingen en studenten niet of onvoldoende gemotiveerd zijn. Het onderwijs spreekt weinig tot de verbeelding ( ) en prikkelt niet tot leergierigheid.
Het onderwijsproces moet worden omgezet in een leerproces waarin een actieve rol is weggelegd voor de leerling zelf”.

Uit het artikel blijkt dat Prof. Wijnen zijn idealen op de Universiteit Maastricht heeft kunnen verwezenlijken. Via het zogenaamde probleem gestuurd onderwijs(pgo).

Aanvankelijk, aldus het Brabants Dagblad, stuitten Wijnand’ s ideeën op grote scepsis, ook in Maastricht, waar docenten na een paar jaar vroegen “wanneer gaan we weer gewoon doen”.
Inmiddels zijn andere universiteiten en hogescholen overstag gegaan, voortbordurend op het Maastrichts model.
Inmiddels is Prof Wijnen zijn aandacht gaan verleggen naar het voortgezet onderwijs en is hij een van de geestelijke vaders van het studiehuis op havo/vwo.

Wat meteen opvalt is dat Wijnen al dertig jaar uitdraagt dat het roer radicaal om moet en dat hij na eerst op universiteiten zijn ideaal heeft proberen te verwezenlijken het nu probeert in het middelbaar onderwijs en het beroepsonderwijs.

Zijn invloed op onderwijskundig Nederland is zeer groot, zo zeer zelfs dat in een uitzending van NCRV TV in het programma Rondom Tien
(7-2-02 ) hij uitdrukkelijk wordt voorgesteld als de autoriteit van de vernieuwingsstroming in het onderwijs.
Niemand die ook maar iets te maken heeft met onderwijs kan dus om deze man heen.
Mijn interesse is gewekt, vooral ook omdat ik zelf inmiddels al zo’ n 23 jaar werkzaam ben in het middelbaar onderwijs als docent geschiedenis en staatsinrichting en heb mogen ervaren wat het betekent juist in die periode zowel de basisvorming als de tweede fase te hebben mogen /moeten implementeren.

Mijn interesse volgend besloot ik een nader onderzoek in te stellen naar de geschiedenis van het ontstaan van leren leren en hoe in onderwijsland een en ander gestalte heeft gekregen.

Meteen bij het begin van mijn onderzoek bleek uit allerlei publicaties dat de term revolutie en de uitwerking daarvan tot zeer verschillende reacties had geleid.

Citaat van tegenstanders:
“Deze revolutie mist elke wetenschappelijke onderbouwing. Het is een kwestie van geloof, een gevaarlijke ideologie”(intermediair 20 mei 1998 )

Prof. H. Oosterbeek in de NRC van 19 januari 2002`HET IS KWAKZALVERIJ'

Bart Tromp,s website: 24-04-2001:

Veel is gezegd en geschreven over het 'studiehuis', maar nergens ben ik tegengekomen dat deze 'vernieuwing' een oudbakken karakter heeft. Het 'studiehuis' is immers niets anders dan een variant van het 'projectonderwijs' dat eind jaren zestig aan universiteiten en hogescholen opgang maakte.
Ik weet daar alles van. Mijn eerste betrekking in het onderwijs oefende ik als bijbaan tijdens mijn studie uit: docent sociologie aan de Sociale Academie te Groningen. Deze had nog tijdens mijn sollicitatieprocedure een volledige transformatie van pedagogisch regime ondergaan. 'Je moet je erop voorbereiden dat wij over de hele linie het onderwijs vernieuwd hebben. Het autoritaire lesgeven door beterweters is hier verleden tijd', deelde het sectiehoofd mij bij mijn eerste bezoek grimmig mee.

Clan Visser ’t Hooft:
“ Eigenlijk- en dat is eigenlijk bijna genant om te zeggen – is het eigenlijk niets nieuws. Het Studiehuis is eigenlijk gewoon: een verdraaid goeie leraar”.

Ik kon gezien de tegenstrijdige meningen niets anders dan grondig bekijken of de waarheid gevonden kon worden en besloot tot een intensief onderzoek.

Als eerste besloot ik te zoeken naar de gegevens van dertig jaar geleden toen het allemaal begon in Maastricht, de “zegetocht” van het probleem gestuurd onderwijs (PGO)Hoofdstuk 1.

Hoofdstuk 1: Universiteit Maastricht en Probleem Gestuurd Onderwijs

1.1 Naar een Universiteit?

Omdat universiteiten hun studenten voornamelijk uit de omliggende regio rekruteerden, bleef de deelname van Limburgers aan het universitair onderwijs achter bij het landelijk gemiddelde.
Maastricht was al twee keer gepasseerd. In de jaren twintig was de Katholieke Universiteit naar Nijmegen gegaan en ondanks dat de KVPer Cals minister van Onderwijs werd in het kabinet de Jong ging een opleiding van hoger Onderwijs aan Limburg voorbij.

In 1965 werd de Stichting Wetenschappelijk Onderwijs Limburg opgericht(SWOL) door gouverneur Ch. Van Rooy. Een nieuwe poging om een Limburgse Universiteit in de wacht te slepen.
Toen in 1966 de studiecommissie Achtste Medische Faculteit van start ging ( de commissie –Van Walsum) bracht de SWOL meteen vier argumenten naar voren waarom de achtste medische faculteit in Maastricht zou moeten komen. Het onderwijskundige argument bestond vooral uit het feit dat de Limburgse jeugd meer gelegenheid moest krijgen om te studeren. Over vernieuwing werd niet gesproken. De sluiting van de mijnen maakte echter een economische herstructurering noodzakelijk en daar zou een Universiteit een krachtige impuls voor betekenen..

In 1968 kwam er een voorlopig standpunt van de commissie -Van Walsum waarbij naast Maastricht alleen nog Twente en Eindhoven overbleven. Toen de commissie in november 1968 met haar eindrapport kwam was men het wel eens over de noodzakelijkheid van een achtste medische faculteit maar kon men geen unaniem standpunt bepalen over de vestigingsplaats. Minster Veringa had dus zijn handen vrij.
Sjeng Tans was de onderwijsspecialist van de PvdA in de Tweede Kamer en tevens voorzitter tot eind 1968 van de PvdA die de grote animator was om Maastricht een universiteit te geven. In 1965 werd hij al lid van de SWOL. In juli 1969 haalde hij de PvdA fractie over te kiezen voor Maastricht.

In augustus 1969 besloot Veringa officieel voor Maastricht te kiezen met als argument de “verdelende rechtvaardigheid”, de werkgelegenheid speelde slechts een secundaire rol. Niets dus over “vernieuwend onderwijs”.Bij de behandeling van de begroting van Onderwijs en wetenschappen was een kamermeerderheid bereid gelden te reserveren voor een commissie ter voorbereiding van de achtste medische faculteit in Maastricht.
Veringa verzocht Sjeng Thans het voorzitterschap op zich te nemen. Tans legde het kamerlidmaatschap op 3 juli 1970 neer om zich volledig aan zijn taak te wijden..

Tijdens de eerste bijeenkomst van de voorbereidingscommissie in kasteel Maurick te Vught op 12 en 13 maart 1970 was het de internist A Querido die aangaf waar het met de medische opleiding naar toe moest.
Volgens Querido lag de toekomst van de medische wetenschap in een rationele, toegepaste biologie en verder gaf hij aan dat er in de opleiding meer dan voorheen het accent moest leggen op ze zelfwerkzaamheid van de student.
Dat was de eerste keer dat dit zo naar voren kwam. Het waren Querido en Hulsmans, beide internisten. Die hun idee vormgaven in een Interimrapport van de Commissie Voorbereiding. Ten aanzien van het onderwijs werd opgemerkt dat veel waarde werd gehecht aan het aanleren van een kritisch -wetenschappelijke denktrant met het oog op een permanente educatie, een van Sjeng Tans’ onderwijskundige vernieuwingsidealen.
De realisatie zou door de verkiezingen van 1971 op zich laten wachten en Jonkheer de Brauw moest 450 miljoen bezuinigen op het wetenschappelijk onderwijs.
Inmiddels was Harmen Tiddens aangezocht door de voorbereidingscommissie om te advisren over de uitgangspunten van de toekomstige medische faculteit.
Het is deze Harmen Tiddens die zeer grote belangstelling had voor onderwijsvernieuwing. Tiddens was sinds 1969 hoogleraar in de methodiek van het onderwijs in de geneeskunde en kindergeneeskunde.

1.2 Tiddens en onderwijsvernieuwing.

In het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw bracht Tiddens een bezoek aan de Verenigde Staten waar hij had gezien dat de medische faculteit van de Michigan State University goed functioneerde zonder academisch ziekenhuis en geheel leunde op de gezondheidszorg in de regio. Hij zag mogelijkheden om dat ook in Nederland te doen.
Voor ons onderzoek is het volgende van belang. Tiddens wilde in een dialoog met onderwijskundigen het onderwijssysteem vernieuwen. In plaats van hoorcolleges waar studenten kennis kregen aangereikt, moesten studenten tijdens hun opleiding leren om zelf oplossingen te vinden voor problemen, waarmee zij later beroepshalve te maken zouden krijgen. Die probleemoriëntatie leek ook een goede voorbereiding op een permanente educatie.

Tiddens kreeg in februari 1970 de gelegenheid om voor het district Limburg van de KNMG zijn ideeen te lanceren.

Het was toen dat voor het eerst de naam van Wijnand Wijnen naar voren komt. Wijnen was onderwijspsycholoog van de Rijksuniversiteit Groningen. Samen met Tiddens zette hij de nieuwe onderwijsidealen uiteen. Tans was zeer gecharmeerd van Tiddens progressieve opvattingen over het onderwijs.

In augustus 1972 werd in de basisfilosofie Achtste Medische Faculteit aangegeven dat centraal diende te staan probleemorïentatie, zelfwerkzaamheid, attitude-ontwikkeling en voortgangsevaluatie.
Inmiddels was het kabinet Den Uyl aangetreden met als minister van Onderwijs Van Kemenade die net als Tans onderwijsvernieuwing nastreefde. Tans en Wijnen zaten op dezelfde lijn. Wijnen zou hoofd worden van het Bureau Onderwijsontwikkeling. Aangezien de in de basisfilosofie genoemde begrippen probleemgerichtheid, zelfwerkzaamheid, attitude -ontwikkeling en voortgangsevaluatie hun waarde nog moesten bewijzen, was het volgens Wijnen zaak zo snel mogelijk in de praktijk op hun bruikbaarheid te toetsen en zo nodig bij te stellen.
Uiteindelijk zou Tiddens de eerste decaan worden en werd hem een benoeming tot lid van het College van Bestuur in het vooruitzicht gesteld.

Geen wonder dat het dagblad Limburger in een necrologie over Tiddens op 7 januari 2002 het volgende zei :”Naast de opbouw van de medische faculteit in Maastricht voerde hij ook de methode van probleemgestuurd onderwijs in. Hij wilde de studenten niet opleiden via hoorcolleges maar hen zelf oplossingen laten zoeken voor problemen waar ze in de praktijk tegenaan liepen”.

Het was dus o.a Tiddens die Wijnen de bouwstenen aanreikte om eind 1973 het curriculum in hoofdlijnen op papier te zetten. In dit curriculum waren ook de al eerder genoemde onderwijsdoelstellingen uit de basisfilosofie verwerkt. De problem solving method voerde de student stapje voor stapje van relatief eenvoudige naar ingewikkelder problemen.

Behendig hadden Wijnen en Tiddens de onderwijsvernieuwing telkens op het einde van de agenda geplaatst. “Op het moment dat de mensen al recht stonden met hun jas aan, omdat ze de trein wilden halen, kwam er nog een notitie over onderwijs. Daar werd dan ja tegen gezegd” aldus Wijnen in een gesprek met Annemieke Kleijn op 26-5-1997(blz 279 van Sjeng Tans; Onze man uit Maastricht).


Men bracht nog een bezoek aan de Mc Master University in Canada, waar het probleemgericht onderwijs al in praktijk werd gebracht.
Staatssecretaris Klein gaf in juni 1974 toestemming om in september 1974 met het onderwijs te starten.
De Academische Raad maakte nog bezwaar vooral tegen de faculteit algemene wetenschappen en Klein was gaan twijfelen. Tans benadrukte echter dat de algemene faculteit zou moeten fungeren als een tijdelijke werkplaats voor onderwijskundige vernieuwing en experiment. Hier moesten nieuwe studierichtingen worden uitgebroed, die zo goed mogelijk waren afgestemd op nieuw gegroeide behoeften van de maatschappij. De faculteit zou ook een taak hebben bij de afstemming van het wetenschappelijk en het hoger beroepsonderwjs in Limburg. Dit werd zeker gesteund door Van Kemenade.

In april 1975 diende de regering het wetsvoorstel tot oprichting van de Rijksuniversiteit Limburg in. De faculteit der algemene wetenschappen werd het mikpunt van kritiek. De Haagse KVP-politici vreesden dat de ‘rooie’ bewindslieden van Onderwijs en Wetenschappenn Maastricht wilden gebruiken ‘ om het hele universitaire bestel naar hun ideeen om te turnen (brief van Tans aan E van Thijn, 27-6-95).
Op 10 september 1975 begon de Tweede Kamer aan de beschouwingen over het wetsvoorstel. En de officiele opening van de Rijksuniversiteit Limburg vond op 9 januari 1976 plaats. Tans werd voorzitter van het College van Bestuur en Tiddens rector magnificus.
Het College van Bestuur had als hoogste proiriteit de uitbouw van de Universiteit. Vooral de algemene faculteit.
Van Kemenade was het die Tans suggureerde om in Maastricht een studierichting social health te beginnen. Wat dit moest inhouden was Tans, Tiddens en Wijnen aanvankelijk een raadsel. Uiteindelijk zouden pas in 1980 de eerste studenten sociale gezondheidskunde, nu gezondheidswetenschappen, beginnen aan hun studie.

1.3.1 Prof.Dr. Wijnand.H.W.F.Wijnen

Hij is geboren in 1934 in Hegelsom waar zijn vader hoofd was van de dorpsschool. In een artikel in het dagblad Limburger van 23 januari 2002 staat het volgende te lezen:” Dat zijn vader een rol heeft gespeeld in zijn loopbaankeuze staat onomstotelijk vast. Al hetgeen Wijnen in stuurgroepen en commissies inbrengt – meer aandacht voor de individuele leerling – kreeg hij met de paplepel ingegoten”.

Eigenlijk wilde hij priester worden, maar het liep allemaal anders.
Wat hij helemaal niet wilde was in het onderwijs verzeild raken. En juist dat gebeurde. Hij studeerde psychologie in Nijmegen om daarna wetenschappelijk medewerker te worden in Groningen. In 1971 promoveerde hij op een methode voor het bepalen van de grens voldoende/onvoldoende bij studietoetsen. De titel van zijn proefschrift was ‘ Onder of boven de maat’.

In 1973 kwam hij zoals in 1.1 al beschreven werd naar Maastricht. Aan de Universiteit Maastricht – toen nog Rijksuniversiteit Limburg- werd het totale onderwijs van dat moment op PGO manier ingevuld. In 1977 werd hij benoemd tot hoogleraar en in 1979 tot 1981werd hij rector Magnificus, niet zijn gelukkigste periode.. Tot 1996 was hij voorzitter van de vakgroep Ontwikkeling en Onderzoek van Hoger Onderwijs. Prof. Cees van der Vleuten al geruime tijd zijn opvolger als leider van de vak/capaciteitsgroep onderwijsontwikkeling en onderwijsresearch, noemt hem "een apostel, een voorvechter onder de pioniers. Dat hij in Intermediair wordt beschreven als hoofd van de vaderlandse onderwijsmaffia zegt ook wel iets. Dat roepen ze niet over iedereen".
Wie Wijnens curriculum bekijkt, ziet een lange rij van functies in en rond het hoger onderwijs, en de laatste jaren ook het voortgezet onderwijs. Het heeft hem op zijn minst een solide reputatie opgeleverd, groter dan menigeen zich wellicht realiseert. Niet voor niets wordt hij vaak omschreven als de onderwijsgoeroe van Maastricht en meer en meer ook van het gehele land.
.”Wijnen hoort zeker thuis in het lijstje van invloedrijke naoorlogse vernieuwers van het Nederlandse onderwijs als Cals, De Groot en Posthumus”, schrijft: Henk Schmidt in Het Tijdschrift voor Hoger Onderwijs ter gelegenheid van het afscheid van Wijnen.

Schmidt tegenwoordig hoogleraar bij psychologie, maar ooit begonnen als medewerker van het eerste uur bij de nieuwe afdeling van Wijnen, onderwijsontwikkeling en onderwijsresearch.
Ruim twintig jaar waren ze lid van dezelfde (vak)groep.

Schmidt: "Wynands verdienste is het geweest dat hij de ideeën die ze in Canada, bij de McMaster universiteit hadden uitgewerkt over problem based learning, van een onderwijskundig kader heeft voorzien. Het centraal stellen van de student, dat sprak hem aan. Vervolgens heeft hij er wel wat aan veranderd en toegevoegd. Korte blokken (aanvankelijk vier weken, in Canada waren dat er tien), geen concurrerend onderwijs als zo’n blok liep, zodat iedereen zich er maximaal op kon concentreren, en vooral de voortgangstoets. Dat is zijn grote ontdekking, een intellectuele prestatie van formaat. Ik hoorde er voor het eerst van tijdens een bezoekje bij hem thuis, met Peter Bouhuijs, ook van O&O. Een briljant idee. Dit maakte een einde aan het ongewenste toetsgericht studeren. Dat die VGT later onder vuur is komen te liggen is iets anders. Hij functioneert alleen maar goed als het een summatieve toets is, die dus punten oplevert, waarbij de bloktoetsen formatief, dus alleen informerend zijn. Maar omdat visitatiecommissies het niet begrepen en ook omdat de studiefinanciering is veranderd en er periodiek punten moeten worden gescoord, is de positie van de VGT hybride en dus onduidelijk geworden. Dan kwijnt zoiets weg."

Wijnen mag dan een sterke reputatie in onderwijsland hebben, hem kleeft ook het odium van dogmatisme aan. Van der Vleuten: "Hij is een apostel. Hij heeft voor een paradigmaverschuiving in het hoger onderwijs en nu ook in het voortgezet onderwijs gezorgd, Ritzen en Netelenbos liepen met hem weg. Dus dat dogmatisme vind ik heel goed, zo moet hij blijven."

Maar Schmidt heeft dat nooit zo ervaren: "Ik vind hem juist heel flexibel. Hij heeft echter wel goed begrepen dat je om een innovatie door te zetten, vast moet houden aan je uitgangspunten. Als je gaat schuiven blijft er niets van over. Maar dogmatisch, nee, dat waren wij, de jonge medewerkers, veel meer. Wij geloofden er met hart en ziel in. We waren echte gelovigen, zonder veel oog voor de context waarin je zo’n systeem moet uitvoeren."

1.3.2 Wijnen was veel te optimistisch

Dat kwam pas later, vertelt Schmidt, toen hij steeds verder wegdreef van Wijnens visie. Schmidt: "Ik vind hem te optimistisch over de menselijke inborst. Hij vertrouwt op de goede wil, ook van studenten. Als je maar de juiste condities schept, dan studeren ze wel. De calculerende student, de homo economicus, daar had hij te weinig oog voor. Ik vind dat je studenten meer onder controle moet houden. Kijk, dat het nu probleemgestuurd onderwijs heet, dat is mijn uitvinding. Eerst heette het probleemgeoriënteerd. Wynand vond die verandering bedenkelijk. ‘Zit daar niet een beetje te veel sturing in?’, zei hij."

Ook het ‘leren te leren’-concept vertoont de trekken van Wijnens grote vertrouwen in de mens, van de "eindeloze maakbaarheid van het onderwijs", zegt Schmidt. "Wetenschappelijk is dat concept nauwelijks onderbouwd, het heeft geen empirische basis."

‘Leren te leren’ bestaat niet, betoogt Schmidt in het Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, het is een hype. Je kunt geen methode aanleren om problemen op te lossen. Wat nodig is, is kennis. "Het vermogen in een bepaald domein problemen op te lossen wordt geheel bepaald door wat men van dat domein weet", schrijft hij.

Dat Wijnen zo "goed van vertrouwen" (Schmidt) is, heeft zich ook in de universitaire politiek wel gewroken. Vooral in de periode dat hij rector magnificus was, van ’79 tot ’81, is hij regelmatig op de koffie gekomen, klinkt het van verschillende kanten. Bovendien was hij in diezelfde tijd ook nog bouwdecaan van de nieuwe algemene faculteit, het latere gezondheidswetenschappen.
Edward Steur, tegenwoordig bestuurslid bij geneeskunde:" Ik geloof niet dat hij ervan genoot. Als ik me goed herinner waren er wel botsingen in die periode, bijvoorbeeld met Greep, de decaan van geneeskunde." Van der Vleuten noemt het "een sombere periode".

1.3.3 Wijnen zocht het steeds minder in Maastricht maar meer in Nederland

In de loop van de jaren tachtig werd Wijnens bemoeienis met de Maastrichtse universiteit gaandeweg kleiner, ten gunste van zijn landelijk optreden. Meer en meer droeg hij zijn ideeën uit, bracht hij de filosofie achter het pgo elders aan de man. "Maastricht werd te klein voor hem", zegt Van der Vleuten.

Maar wat de juridische faculteit betreft had Wijnen zich nog wel wat meer met de zending binnen de eigen instelling mogen bemoeien. Prof. Hans Crombag, voorheen onderwijspsycholoog te Leiden, daarna rechtspsycholoog te Maastricht, vindt dat Wijnen zich te veel op de medische faculteit heeft geconcentreerd. Zeker, hij erkent Wijnens grote verdienste voor de verankering van het pgo bij geneeskunde. "Hij heeft die hele faculteit achter het model verenigd, dat is geen enkele andere onderwijsonderzoeker gelukt in dit land. Je kunt zelfs zeggen dat de Universiteit Maastricht onderwijskundig gezien Wynands universiteit is. Maar toen we bij rechten vroegen om ondersteuning bij het pgo in onze faculteit, omdat we het wiel niet opnieuw wilden uitvinden en zij al die knowhow in huis hadden, was dat heel moeilijk. Helaas is bij de juridische faculteit altijd onvoldoende in onderwijsontwikkeling geïnvesteerd. We wilden iemand lenen, ik herinner me een geagiteerde en geïrriteerde discussie daarover. Ik moest niet zeuren, begreep ik. Ja, hij heeft ons in de steek gelaten, ons laten modderen. Op de gang van zaken bij rechten hebben Wynand en zijn mensen geen noemenswaardige invloed gehad."

1.3.4 Ritzen en Wijnen.

"Weliswaar is het in Nederland niet gebruikelijk om iemand bij leven al te roemen als onderwijsgoeroe en grote vernieuwer, maar dat vind ik eerlijk gezegd een tekortkoming van Nederland", meent oud-minister Jo Ritzen, die nu werkt bij de Wereldbank in Washington.
(inmiddels werkzaam bij de Rijksuniversiteit Maastricht) "In het geval van Wynand Wijnen is die lof volkomen terecht."

In een interview in Observant nr 29 jaargang 19 gaat Ritzen nader in op de persoon Wijnen.
Een heel integere man, ontzettend gedreven om topkwaliteit voor het onderwijs te leveren, weet Ritzen. "Misschien dat hij, in de manier waarop hij zich voordeed, bij anderen wel eens eigenwijs overkwam, maar dat was hij zeker niet. Nee, echt een beminnelijk persoon, waarmee goed viel te communiceren en die altijd op zoek was naar oplossingen."

Over de koers van het onderwijs was Ritzen het eigenlijk nooit oneens met Wijnen. "Op één ding na: het tempo waarin de dingen moesten gebeuren. Maar dat lag vooral aan mijn ongeduld. Wynand was altijd degene die riep dat de wereld niet op één dag is gemaakt."

Van het probleemgestuurd onderwijs (pgo) - met Wijnen als belangrijkste architect - was de oud-bewindsman een warm voorstander. Onderwijs kan alleen slagen als het uitgaat van de student, vindt Ritzen. "Aan de waardering van de visitatiecommissies en de ervaringen van studenten kon je zien dat het werkte als een tierelier. De kritiek dat het studenten een te dunne theoretische basis bood, interesseerde me niet. Wat dat betreft ben ik heel pragmatisch, zeker als ik zie dat iets werkt."

In 1992 benoemde Ritzen Wijnen tot voorzitter van de Commissie Studeerbaarheid. Een machtige club die voorstellen voor verbeteringen van onderwijsinstellingen beoordeelde en miljoenen te verdelen had. "Ik koos voor Wynand omdat hij veel ervaring had met veranderingspro - cessen aan de Universiteit Maastricht, en een grote reputatie als onderwijsvernieuwer had verworven. Tegelijkertijd had hij het vertrouwen van de studenten."

Dat Wijnen zich in de begindagen van de universiteit volgens sommigen wel eens dogmatisch opstelde, als het ging om de toepassing van het pgo, vindt Ritzen juist een sterk punt. "Zo kreeg hij dingen voor elkaar en verviel hij niet van de ene aarzeling in de andere. Want die heeft hij zeker gekend. Ik weet dat hij als onderwijsdeskundige het niet altijd makkelijk vond om zich zo rigide op te stellen. Want ook voor hem was het een leerproces." .

Niet alleen Ritzen maar ook Nel Ginjaar-Maas liep met Wijnen weg. Toen ze leden zocht voor de Stuurgroep Profiel Tweede Fase Voortgezet Onderwijs, ze was daar voorzitter van, was ze het meteen eens met staatsecretaris Wallage die haar de suggestie deed Wijnen te vragen en dacht als we die kunnen krijgen, iemand met zo’n reputatie.

En Wijnen werd lid van de Stuurgroep en Ginjaar- Maas was onder de indruk van de manier waarop Wijnen hard werkte.
Wijnen zelf beschouwt zijn leven tot op zekere hoogte mislukt. Want voor iemand die tot zijn dertigste riep dat hij nooit het onderwijs in wilde, is het vreemd om uitgerekend te eindigen als hoogleraar onderwijskunde.(Observant nr 28 jaargang 19).

Tot 1996 was Wijnen voorzitter van de vakgroep Ontwikkeling en Onderzoek van Hoger Onderwijs