We hebben 225 gasten online

Kinderdoding

Gepost in Blog

Kinderdoding is niet iets wat alleen voorkomt in onze tijd. Het is voorgekomen in alle tijden. Wat het meest schokt is het feit dat ouders hun eigen kinderen ombrengen. Het familiedrama in Zeist, waarbij een vader zijn beide zonen ombrengt en daarna zichzelf doodde, veroorzaakte in Nederland een grote schok. Maar het verschijnsel kinderdoding komt in Nederland al sinds mensenheugenis voor. Op www.blikopdewereld.nl houd ik daar in de rubriek Rechtspraak, onderdeel familiedrama´s een overzicht over bij.

 

Het lijkt volgens A.J. Verheugt (p. 28 `Moordouders´) een vast onderdeel uit te maken van ons ´culturele repertoire´. In de Griekse-en Romeinse oudheid maakte een pasgeborene door geboorte niet automatisch deel uit van een gezin. De vader had het recht na de geboorte te beslissen of het kind zou blijven leven of gedood zou worden, hetzij actief door verdrinking of verstikking, hetzij passief door het kind te vondeling te leggen. Kinderdoding door de ouders was in die tijd een algemeen geaccepteerd verschijnsel. De staatsman Solon (640-560 v Chr), die de constitutionele fundamenten legde voor de Atheense democratie, stelde zelfs dat elke Atheense vader  bij de wet het recht had om zijn eigen kind te doden (Verheugt p. 29).

In de Perzische maatschappij van 500 jaar voor Christus, die werd gedomineerd door mannen, bestond er een sterke voorkeur voor het krijgen van zonen. In die tijd was het niet onbegrijpelijk dat naast misvormde kinderen en kinderen van arme ouders ook pasgeboren meisjes levend werden begraven.(Verheugt p. 31)

In de Middeleeuwen werden in veel landen kinderen gedood, waarbij vooral het doden van pasgeboren meisjes opviel. Tijdens de Renaissance waarin zich grote veranderingen voordeden, veranderde ook de visie op kinderdoding. Waar in de Middeleeuwen nog ruimte was voor het (oogluikend) toestaan van kinderdoding, werd in de tijd van de Verlichting plaatsgemaakt voor een strengere strafmaat. De belangrijkste redenen hiervoor kunnen gevonden worden in de opkomst van het Humanisme, de druk die werd uitgeoefend door sociale activisten binnen de kerk en staat, en de vooruitgang in de geneeskunde. 

In Duitsland bleek men al eerder een afkeurend standpunt te hebben ingenomen ten aanzien van kinderdoding. In Neurenberg werden van 1513 tot 1777 vrouwen geëxecuteerd voor het plegen van infanticide (Verheugt p. 33). In Engeland net als in de rest van Europa, vooral ook in Frankrijk, traden strengere wetten in werking met betrekking tot kinderdoding. Kolonisten brachten kinderdoding van Engeland naar Amerika en zagen daar dat Indianen ook infanticide pleegden om hun bevolkingsgroei te beperken (Verheugt p.34)

Het proces dat in de Renaissance in gang gezet was ter verbetering van de sociale positie van kinderen, resulteerde in de moderne tijd (in de westerse wereld) in het feit dat de sociale status van kinderen op hetzelfde niveau gebracht werd als de volwassenen 

Situatie in Nederland in de 19e eeuw

Uit een bijdrage  ´Kindermoord in de negentiende eeuw´, van J.M. Ermers, oorspronkelijk verschenen in Spiegel Historael Jaargang 30 nummer 6 juni 1995, blijkt dat Kindermoord vaak in het verborgene is gebleven. Over de feitelijke omvang ervan zullen we altijd in het duister blijven tasten. Eén aanwijzing in het schemergebied rondom infanticide vormt de registratie van anonieme kinderlijkjes, zoals die aangetroffen werden in de Amsterdamse grachten en stegen. Geregeld werd er toen proces-verbaal opgemaakt van het vinden van ´een pasgeboren jongetje in het water drijvende´ of van ´een kinderlijkje liggende op de Botermarkt´.

Ook werd er in het Binnengasthuis van 1835 tot 1870 een register bijgehouden van de in de stad aangetroffen anonieme doden, het zogeheten ´Gehaalde Lijken boek´. In die periode werden er omstreeks vierhonderd lijkjes van anonieme voldragen, dus vermoedelijk levensvatbare, pasgeborenen genoteerd (tegenover omstreeks veertig onvoldragen kinderen).

Er zijn sterke aanwijzingen dat er gedurende de gehele 19de eeuw sprake was van een aanzienlijke onderregistratie van misdrijven tegen pasgeboren kinderen, zoals te-vondeling-legging en infanticide, analoog aan een tamelijk terughoudend vervolgingsbeleid ten aanzien van kindermoord.

De Napoleontische strafwetgeving van 1811 met betrekking tot kindermoord, een erfenis van de Franse bezetting, strookte niet meer met het rechtsgevoel van vele 19de-eeuwse liberale en sociale hervormingsgezinden, onder wie ook juristen. De wet ademde nog de geest van de contrareformatie, waarin een vrouw die haar pasgeboren kind het leven benam, gestereotypeerd werd als een liederlijke, zedeloze en ontaarde kindermoordenares.

De Verlichtingsideologie had echter sterke verandering gebracht niet alleen in opvattingen over het ´natuurlijke moederschap´, maar ook in die over het strafrecht. De opvatting dat misdadigers geëlimineerd dienden te worden, werd gaandeweg verdrongen door een streven naar heropvoeding en herintegratie van delinquenten in de samenleving. De doodstraf werd vooral heftig omstreden als strafmaat voor ongehuwde vrouwen die een kindermoord begingen. Zij werden door de hervormingsgezinden veeleer beschouwd als slachtoffers van misleiding en verlating door hun minnaars, die daarenboven de dupe werden van de maatschappelijke stigmatisering van ongehuwde moeders.

Tegenover de voorstanders van strafrechthervorming betrokken de conservatieven hun stelling dat het schenden van de heiligste bloedband, die tussen moeder en kind, niet zwaar genoeg gestraft kon worden en de doodstraf gehandhaafd moest blijven. Het gepassioneerde debat dat hierover woedde, wordt treffend weerspiegeld in de verdedigingsrede van een advocaat in een rechtszaak in 1841:

´De zoodaanige zien denkelijk ook in iedere kindermoordenares een oneerbare en schandelijke boeleerster, en in het wicht door haar ter wereld gebracht de vrucht van liederlijkheid en ontucht, welke zij in koelen bloede getracht heeft te vernielen. [...] Echter er zijn slechts hoogstzeldzame gevallen waarin de moeder kindermoord kan worden toegerekend, omdat zij meestal [ou] op het oogenblik toen zij denzelven beging, verkeerde in een ziekelijke zielstoestand. [...] Zoo iemand doodt niet om te dooden..haar te straffen is wreed en onrechtvaardig, is doelloos en nutteloos.´

De weerstand tegen uitvoering van de wet van 1811 leidde ertoe dat de rechtbank tot 1854 opvallend vaak tot vrijspraak besloot. Van de vierenveertig rechtszaken over kindermoord die besproken werden in het Weekblad van het Regteindigden tussen 1839 en 1854 achttien in vrijspraak, tegenover negen tussen 1854 en 1869. (Ermers)) 

In Amsterdam besloot de rechtbank tussen 1839 en1854 in tweederde van de rechtszaken over kindermoord tot vrijspraak, tegenover een kwart in de vijftien jaren daarna. 

Neonaticide heette vroeger ook wel het dienstbodendelict, omdat dienstmeisjes nogal eens ongewenst zwanger werden van de heer of zoon des huizes. Uit angst hun naam en reputatie te verliezen, hielden veel dienstmeisjes hun zwangerschap geheim. Nadat het was geboren, doodden ze het kind.

Hervormingen in 1854 en 1886

In het ideologisch debat voorafgaand aan de wetswijziging van 1854 werd sterk de nadruk gelegd op de angst voor de schande van het ongehuwd moederschap als motief voor kindermoord. Aan andere sociaal-economische motieven werd nauwelijks gerefereerd. Kindermoord werd primair benaderd als een zedendelict.

In de wet van 1854 werd de doodstraf afgeschaft voor ´kindermoord voor de eerste maal door de ongehuwde moeder gepleegd´ en vervangen door een tuchthuisstraf van vijf tot tien jaar. Met de afschaffing van de doodstraf en de maatschappelijke erkenning van het schandemotief bij ongehuwde moeders, werd de aanzet gegeven tot een decriminalisering van kindermoord. In 1886 werd met de introductie van het nieuwe Wetboek van Strafrecht de wetgeving over kindermoord weer gewijzigd. De doodstraf werd in het algemeen afgeschaft. Een toegenomen erkenning van de invloed van hevige angsten op de toerekeningsvatbaarheid van een kraamvrouw leidde tot een meer psychologiserende benadering van infanticide. Het delict werd hierdoor verder gedecriminaliseerd. Krachtens de wet was een vrouw die uit vrees voor de ontdekking van haar bevalling haar kind tijdens of kort na de geboorte opzettelijk het leven benam, strafbaar met een gevangenisstraf van zes jaar. Het onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde vrouwen die infanticide begingen, kwam te vervallen.(Ermers)

De frequentie van kindermoord nam in de loop van de 19de eeuw niet beduidend af. Later dan in de ons omringende landen raakte in Nederland in de 20ste eeuw een medisch-pathologische interpretatie van infanticide in gebruik. .

Twintigste eeuw

Een belangrijk verschil tussen aard van de kinderdoding in de twintigste eeuw vergeleken met de tijd daarvoor is de opkomst van de veilige, medisch verantwoorde abortus.

Hoe vaak komt in Nederland kindermoord voor?

In Nederland gaat het om 12 tot 16 kinderen per jaar tot de leeftijd van ongeveer 12 jaar. Tussen nul en twaalf jaar zijn er twee miljoen kinderen in Nederland. 

Niet alle gevallen van moord of doodslag worden bekend. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de meeste gevallen nooit bij politie en justitie bekend worden. Voor Nederland zou dat kunnen gaan om enkele tientallen kinderen per jaar. Lang niet altijd is er reden om te vermoeden dat het kind een niet natuurlijke dood is gestorven en als het gaat om pasgeborenen, is het bij anderen meestal niet eens bekend dat er een kind is. Er wordt al langer voor gepleit bij de dood van een kind altijd een onderzoek in te laten stellen om zeker te zijn dat er geen misdrijf heeft plaatsgevonden.

De vraag die daarbij gesteld wordt is dan: Wie doet nu zoiets ? Houden deze mensen dan niet van hun kinderen? 

Verheugt gebruik in zijn boek een classificatieschema van Wilczynski (p.71)

Motieven kinderdoders:

1) uit wraak

2) uit jaloezie op of afwijzing door het slachtoffer (waarbij meestal de vader de dader is)

3) van het ongewenste kind (meestal de basis van neonaticide)

4) als gevolg van staf (lijfstraf voor huilen of ongehoorzaamheid)

5) uit Altruïstische motieven

a) primair: ´genadedoding´van ernstig ziek of achtergebleven kind

b) secundair ten gevolge van bijvoorbeeld een postpartum depressie

6) psychotische ouder (bevoorbeeld waanvoorstellingen omtrent het kind)

7) doding als gevolg van Münchausen by Proxy

8) doding secundair aan seksueel of ritueel misbruik

9) onbedoelde doding (verwaarlozing zonder ´criminele intensie´.

10) motief onbekend

 Verheugt onderzocht de kinderdoding in Nederland in de periode  1994-2003.  Het onderzoeksmateriaal bestond uit de gegevens die door het Openbaar Ministerie tussen 1994 en 2003 zijn vastgelegd over de verdachten van (eigen) kindermoord c.q. doodslag of dood door schuld. Verheugt onderzocht 53 gevallen van kinderdoding door ouders tussen 1994 en 2003. 

Het zijn in twee op de drie gevallen vrouwen die van kinderdoding verdacht worden, vaak nog heel jong. Vrouwen die hun kind meteen na de geboorte doden, zijn bijna nog meisjes, gemiddeld 22 jaar oud. Ze zijn relatief laag opgeleid en meestal nog zonder vaste partner. Niemand van hen is gehuwd, tegenover 69% van de vrouwen die hun kind (vooral jongens zijn het slachtoffer) in het eerste jaar van zijn leven ombrengen. Bij de wat oudere kinderen is het in meer dan de helft van de gevallen de vader of in ieder geval de mannelijke partner die het misdrijf pleegt.

Waarom doodt iemand zijn eigen kind?

Moeders blijken dat te doen omdat het kind ongewenst is, ze niet weten hoe ze het zelf groot moeten brengen of bijvoorbeeld stemmen horen die hen vertellen dat ze een duivelskind hebben voortgebracht. Mannen blijken nogal eens veel te ruw en te hard te straffen, maar doden ook uit wraak of uit wanhoop omdat ze niet weten hoe het verder moet. Vrouwen verstikken het kind vooral, mannen zijn meer geneigd te wurgen of een wapen te gebruiken. Een op de drie mannelijke kinderdoders is ook al eerder met justitie in aanraking geweest. Mannen worden gemiddeld ook veel zwaarder gestraft dan vrouwen. Als het tot een veroordeling komt, krijgen ze gemiddeld een gevangenisstraf van bijna zesenhalf jaar, vrouwen gemiddeld ruim anderhalf jaar. 

Overigens eindigt een groot aantal gevallen van neonaticide in een sepot. Redenen daarvoor kunnen zijn: gebrek aan bewijs, de gezondheidstoestand van de verdachte, of de te beperkte kring waarin het delict zich heeft afgespeeld.

In zijn proefschrift zegt Verheugt dat mannen - een derde van de kinderdoders - vooral handelen uit wraak en jaloezie en om te straffen. Veel kinderdoders hebben een traumatische jeugdervaring gehad. Circa 85 procent heeft op jonge leeftijd een dierbare verloren en ruim twee derde is in de jeugd geestelijk of lichamelijk mishandeld. Ze komen vaak uit grote gezinnen met een slechte emotionele band tussen kinderen en ouders.

Woensdag 22 mei 2013

Infanticide:  het vermoorden van een kind binnen 24 uur na de geboorte

Neonaticide: het doden van een kind niet ouder dan een maand

Gebruikte bronnen:

Ermers, Jolanda M. in Spiegel Historael nummer 6 Maandblad voor Geschiedenis en Archeologie Jaargang 30 nummer 6 juni 1995

Verheugt, A.J.: Moordouders Kinderdoding in Nederland ISBN 9789023243663 € 31,50

www.blikopdewereld.nl familiedrama´s

www.blikopdewereld.nl familiedrama´s kinderdoding

www.blikopdewereld.nl familidrama´s gezinsdoding