We hebben 227 gasten online

De rol van burgemeesters tijdens de Tweede Wereldoorlog

Gepost in Blog

Wat was de rol van de´eerste burgers´ in hun stad tijdens de Duitse bezetting?  De meeste historici zijn van mening dat de bezettingstijd niet moet functioneren als het absolute ijkpunt van goed en kwaad, maar de samenleving keek daar toch anders naar. De vraag of een burgemeester al dan niet gefaald heeft wordt vaak beantwoord op grond van naoorlogse beeldvorming en wijsheid achteraf.  Ze moesten op zoek naar een manier om er ‘het beste van te maken’. Maar daarmee werden ze, vaak onbedoeld, een instrument van de Duitse bezettingspolitiek.

 

Prof. Romijn gaat het in zijn boek ´Burgemeesters in Oorlogstijd´ Besturen onder Duitse bezetting hierom, de burgemeesters in oorlogstijd tot hun historische dimensies terug te brengen en hun daartoe los te maken van de zichzelf reproducerende waardeoordelen. Het gaat er Romijn om de meest sprekende gevallen te signaleren en geen encyclopedie van het Nederlandse gemeentebestuur tijdens de bezetting te schrijven.

In het onderzoek staan drie grote thema´s centraal: de functie van de burgemeester en het lokaal bestuur; de dynamiek in de bezettingsgeschiedenis van uit bestuurlijk oogpunt; en de botsing tussen staat en maatschappij als gevolg van de ´geïmporteerde revolutie´van het nationaalsocialisme.

Het al veel eerder verschenen boek van J.J.G. Boot´Burgemeester in bezettingstijd´, waarin burgemeester Boot zijn ervaringen als burgemeester van de Gelderse gemeente Wisch en Terborg tijdens de Tweede Wereldoorlog beschreef, was zijn beschrijving van de ambtelijke zoektocht naar een juiste houding tegenover de bezettingsmacht.

Het is de verdienste van Romijn dat hij met zijn studie de bestuurlijke dilemma´s van de bezetting voor de burgemeesters in oorlogstijd onderkend. De dagelijkse leiding over het Ministerie van Binnenlandse Zaken ligt bij de hoogste Nederlandse ambtenaar, secretaris-generaal mr. K.J. Frederiks. Als waarnemer van de Nederlandse minister in ballingschap moet Frederiks de ruim duizend Nederlandse burgemeesters aansturen en hun beleid zo goed mogelijk coördineren.

Frederiks denkt dat de bezetting snel voorbij zal zijn en richt zijn hele beleid op het aanblijven van de burgemeesters. Hij probeerde daarmee de benoeming van NSB -burgemeesters te voorkomen. De meeste burgers proberen het vertrouwen van de Duitsers te winnen door de openbare orde te handhaven en hun bevolking op te roepen tot kalmte. Een aantal van hen kiest er echter voor om zich wel openlijk tegen de Duitsers te verzetten. Zij worden ontslagen en in hun plaats worden NSB-ers benoemd.

Het was de burgemeester van Zwolle die zich als eerste van de burgemeesters werd ontslagen.Van meet af aan verzette hij zich tegen de Duitse maatregelen. Als hij tot twee keer toe weigert inzage te geven in het bevolkingsregister omdat hij bang is voor mogelijke consequenties voor zijn Joodse burgers, is voor de Duitsers de maat vol en arresteren hem. Van Walsum wordt op 26 juni 1940 vrijgelaten. Diezelfde dag nog wordt hij door secretaris generaal Frederiks van Binnenlandse zaken, in opdracht van de Duitsers, ontslagen.

Door de door de Duitsers toegepaste ´Gleichschaltung´kwamen burgemeesters steeds vaker voor de vraag te staan of ze naar eer en geweten hun werk konden blijven doen. Steeds meer moeten ze gaan schipperen tussen de eisen van de bezetter en het belang van de bevolking. Steeds vaker komen ze te staan voor politieke en morele dilemma’s; de keuze tussen toch maar aanblijven of ontslag nemen en vervangen worden door een NSB’er. Volgens Romijn werd het steeds moeilijker om die positieve rol ook echt vol te houden. Uiteindelijk hebben heel veel burgemeesters tegen wil en dank maar niettemin meegewerkt aan wat je zou kunnen noemen de nazificatie van Nederland.

Steeds meer burgemeesters kwamen in gewetensnood. Sommigen stapten op of worden door de Duitsers ontslagen. De meeste burgemeesters werken in het begin van de bezetting nog openlijk mee aan de registratie en discriminatie van hun Joodse inwoners, omdat ze deze maatregelen tolerabel en tijdelijk van aard beschouwen. Moeilijker krijgen ze het ze tijdens de april/mei stakingen in 1943 en het harde optreden van de Duitsers. Steeds meer burgemeesters nemen dan ontslag. Volgens Romijn hadden de meeste burgemeesters de brutaliteit en de radicaliteit van de Duitsers onderschat. Ze hebben niet in hun volle omvang doorgehad wat er gebeurde en toen ze het doorhadden was het vaak te laat. Toch zullen zo´n 500 burgemeesters (van de 1.000 burgemeesters in het begin van de oorlog) aanblijven.

Maakte het nu verschil of er een NSB-er burgemeester was of een niet NSB-er?

Romijn vindt van niet omdat uiteindelijk de bezettingspolitiek gewoon werd uitgevoerd.

Na de oorlog wordt de zuivering van het overheidsapparaat meteen ter hand genomen. De Nederlandse regering in ballingsschap besluit al in 1944 dat alle NSB-burgemeesters en anderen die ontrouw aan de zaak van het Koninkrijk waren geweest na de bevrijding oneervol worden ontslagen. Dat gebeurt ook. In totaal worden vijfhonderd en negen burgemeesters ontslagen; in grote meerderheid NSB’ers. De NSB-burgemeesters worden na de bevrijding gearresteerd en strafrechtelijk vervolgd in het kader van de bijzondere rechtspleging. Het simpele feit dat NSB’ers het burgemeesterschap van de bezetter hadden aanvaard wordt hen als misdrijf ten laste gelegd. De hoogte van de straf is afhankelijk van de manier waarop de NSB’ers het Duitse beleid hebben doorgevoerd en hun verantwoordelijkheid bij eventuele excessen in hun gemeente. De burgemeester van Velsen wordt als enige NSB-burgemeester ter dood veroordeeld, vele anderen krijgen lange gevangenisstraffen.

Maar de zuiveringscommissie kijkt vooral of de burgemeesters zich hebben gehouden aan de in 1937 door de Nederlandse regering opgestelde richtlijn. Die bepaalde waar bestuurders zich wel of niet aan moesten houden. Medewerking aan de Jodenvervolging kwam niet voor in deze richtlijn en speelt daarom nauwelijks een rol in de naoorlogse zuivering. Romijn vindt dat heel navrant, want we praten uiteindelijk over de grootste misdaad die er ooit op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden. In de vroege fase van de bezetting is door de meeste burgemeesters een zekere mate van medewerking aan de anti-joodse maatregelen verleend. Als dat een criterium was geweest, dan hadden bijna alle burgemeesters ontslagen moeten worden. Vierenzeventig oorlogsburgemeesters die niet tot de NSB behoorden moeten na de zuivering het veld ruimen.

De zuivering en berechting van het lokaal bestuur riepen vragen op van schuld en verantwoordelijkheid. Het was de historicus F. Ankersmit die daarbij twee vormen van schuld onderscheidde: ´Causale schuld´, waarbij in het bijzonder een bepaalde handeling wordt toegerekend, en ´incrementele schuld´, waarbij uitvoerders steeds meer worden bezoedeld als gevolg van de overmachtige situatie waarin zij moeten opereren. In het laatste geval zou men achteraf, volgens Romijn, uit kunnen gaan van goede bedoelingen zonder het zicht op het ongewenste resultaat van handelingen te verliezen. Meer fundamenteel wordt daarmee het probleem van de schuldtoekenning niet opgelost, omdat de beeldvorming steeds in de tijd verschuift.

Volgens Romijn werden de burgemeesters ´een instrument van de bezettingsmacht, die hun gebruikte om de maatschappij te controleren, nazificeren en exploiteren. De zorg om het dagelijkse werd de vijand van de zorg voor het principiële. Hier ligt een zware collectieve verantwoordelijkheid en het is van geval tot geval de vraag of de verdiensten hebben opgewogen tegen de nadelige gevolgen. Allen die hebben meegemaakt wat het betekende om ´burgemeester in oorlogstijd´ te zijn, ervoeren dat de legitimiteit van hun positie voortdurend op het spel stond. De hardhandige les die ze leerden was dat de Duitse bezetting en het nationaalsocialisme het onmogelijk maakten in uiterste consequentie vast te houden aan het concept van ´redden wat er te redden valt´ zonder principieel aan respect en aan zelfrespect te verliezen.´

Jo Swaen 24 mei 2013