We hebben 122 gasten online

Ton Derksen en het perspectief van waarheidsvinding in de strafrechtspraak

Gepost in Blog

      

Zelf heb ik persoonlijk Ton Derksen leren kennen, als lid van de groep ´Lucia moet vrij´, tijdens de pogingen om Lucia de Berk, die hoewel onschuldig tot levenslang was veroordeeld,  zonder direct bewijs, weer vrij te krijgen door middel van een herzieningsverzoek. Ton Derksen besloot naar aanleiding van de veroordeling van Lucia de Berk, en de wijze waarop die veroordeling tot stand kwam, de zaak nader te onderzoeken.  Hoe had de waarheidsvinding in de praktijk  plaatsgevonden?  Hij publiceerde dat onderzoek in zijn boek ´Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling´.

 

Uit zijn studie bleek dat er van  waarheidsvinding geen sprake was en er sprake was van een gerechtelijke dwaling. De commissie Postumus II (commissie herziening strafzaken) concludeerde dat er grote fouten waren gemaakt. Zijn onderzoek leidde uiteindelijk tot de vrijlating en vrijspraak van Lucia de Berk, nadat de Hoge Raad de zaak ter herziening had geaccepteerd en had doorgeleid naar het gerechtshof te Arnhem. Het O.M. en de minister van justitie boden Lucia de Berk uiteindelijk excuus aan en er werd met haar een financiële regeling getroffen. Zie voor alle achtergronden  De zaak Lucia de Berk

Al eerder was door de Schiedamse Parkmoord de vraag gesteld of gerechtelijke dwalingen vaker voorkwamen. Derksen had met zijn onderzoek in de zaak Lucia de B. in feite aangetoond dat gerechtelijke dwalingen vaker moesten voorkomen.

Dat leidde er toe dat van zijn hand het boek ´Het O.M. in de fout verscheen´, waarin hij 94 structurele missers beschreef. Derksen analyseert het optreden van het OM in de Schiedammer Parkmoord, de zaak Lucia de B., de zaak Sweeny, de zaak Henk H. en de Deventer moordzaak. Derksen beschrijft zeven Mega-Manco´s aan voor een waarheidsvinder:

1) Onwaarheid spreken

2) Informatie Achterhouden

3) Misleidende formulering

4) Willekeur

5) Cruciale Argumentatiefouten

6) Geslotenheid voor Kritiek

7) Het Magisch Oog: het heilig geloof in het eigen vermogen om rechtstreeks de waarheid te zien.

Door deze fouten bestaat ernstige twijfel over de juistheid van de onderzochte veroordelingen. 

In 2010 verscheen ´De ware toedracht´ Praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidszoekers. In dat boek beschrijft Ton Derksen de tekortkomingen en valkuilen van de alledaagse praktijk van waarheidsvinding. Hij doet dat aan de hand van voorbeelden ontleend aan het leven van alledag, aan de wetenschap en aan de strafrechtcontext. Hij laat zien hoe onbegrip van die valkuilen de waarheidsvinding in vele rechtszaken tot loterij heeft gemaakt.

In zijn inleiding stelt Derksen:

 ´het zou mooi zijn om bij al je overwegingen alle informatie te betrekken en altijd consistent te zijn, maar we hebben er noch de capaciteit noch de tijd voor´. En ´ons brein kan veel, maar binnen ons tijdframe kan het maar een fractie doen van wat het volgens strikte normen van rationaliteit zou moeten doen´.

De effectiviteit van alledaagse waarheidsvinding is volgens Derksen mede te danken aan een mix van diverse cognitieve instincten die we hebben meegekregen. We geloven onmiddellijk wat we zien, we gaan af op de eerste indrukken en we leren selectief. En het loopt meestal goed af. Onze alledaagse waarheidsvinding is door het evolutieproces uitgeselecteerd en daardoor effectief.

Ware kennis helpt, maar snelheid is ook essentieel. Maar snelheid en eisen van veiligheid concurreren met waarheid. In dat selectieproces is er dus een premie op breinen die het principe  ´better safe than sorry´ volgen. Dit noemt Derksen dus nog een reden waarom we qua waarheidsvinding tekortkomingen mogen verwachten.

Het alledaagse proces van waarheidsvinding komt ongemerkt in grote moeilijkheden wanneer het ontgereflecteerd in niet-alledaagse situaties wordt toegepast. Juist daar ligt voor het strafrechtcontext het probleem: de situatie is daar verre van alledaags.

1) Elk strafrechtproces is een nieuwe situatie en we moeten constateren dat een aantal van de daar gebruikte theorieën niet juist is.

2) Fouten in het dagelijkse leven worden juist aan den lijve ondervonden. Maar dat geldt niet voor fouten van de politie, officier van justitie en de rechters. Maken zij een fout dan gaat de onschuldige het gevang in of de misdadiger keert terug in de maatschappij.

3) Binnen de strafrechtcultuur is er nauwelijks sprake van negatieve feedback. Hoger beroep en een herzieningsprocedure kunnen tot een ander feitelijk oordeel leiden, maar reflectie waarom het fout ging, zien we niet veel.

Alledaagse waarheidsvinding is opmerkelijk effectief, maar is dat dankzij de afstemming van onze cognitieve instincten op die alledaagse toestand. Zonder besef van tekortkomingen van onze cognitieve instincten lopen we in de vreemde omgeving van de strafcontext een risico van onopgemerkte grote fouten.

Een waarheidsvinder zonder empirische opleiding zal ongemerkt de alledaagse praktijk van waarheidsvinding volgen. Buiten de alledaagse context gaat het zonder empirische opleiding en zonder oog voor de methodologische problemen volgens Derksen dubbel fout: de cognitieve instincten zijn daar onbetrouwbaar en de methodologische valkuilen die aan alledaagse waarheidsvinding kleven worden niet omzeild.

Om aan waarheidsvinding te doen heb je een theorie nodig , dan is het  ´vooroordeel´van en theorie onvermijdelijk. Je kunt het vooroordeel van de gebruikte theorie alleen doorbreken door een alternatieve theorie, door een alternatief scenario.

Het fundamentele idee is dat we de waarheid zullen vinden als we onbevooroordeeld te werk gaan.

Zoek onbevangen naar de feiten, registreer ze passief, laat de feiten voor zichzelf spreken en weeg ze vervolgens objectief. Maar waar deze alledaagse conceptie aan voorbijgaat,  is de onvermijdelijke theorieafhankelijkheid. Wanneer we zoeken, zien, duiden of wegen, dan doen we dat onvermijdelijk vanuit een bepaald perspectief.

Twee scenario´s zijn in de strafrechtcontext vanzelfsprekend.

Heeft de verdachte het gedaan of heeft hij het niet gedaan?

Derksen is van mening dat indien niet naar de situatie wordt gekeken vanuit de twee scenario´s en indien niet de theorieafhankelijkheid van alle vier kernoperaties van waarheidsvinding- zoeken, zien, duiden of wegen - expliciet worden onderkend, er veel mis kan gaan in het proces van waarheidsvinding.

Hoe groot het zelfvertrouwen ook is, in de context van waarheidsvinding vormt de onvermijdelijke inperking van de zoekvraag een risico. De consequentie van deze beperkte keuze is dat in alle vrijwel grote zaken die Derksen onderzocht, sporen op de plaats delict opsporingskansen boden die werden gemist.

Deel 1 van ´De ware toedracht´ kijkt naar alle vier kernoperaties en hun theorie-afhankelijkheid.

Hebben foute conclusies ernstige consequenties, dan zit er niets anders op dan met meerdere scenario´s te werken. Deze leveren volgens Derksen andere zoekvragen en daarmee wellicht  relevante andere gegevens.

De vraagstelling en het daaropvolgende zoeken zijn dus onvermijdelijk ´bevooroordeeld´.Tegen onze natuurlijke uitrusting in moeten we daarom bewust naar de inbreng van alternatieve scenario´s streven.

Waarneming

Waarneming is afhankelijk van kennis die aan de waarneming voorafgaat. Ons waarnemingsapparaat zal daarom nagenoeg onvermijdelijk qua waarheid ook onbetrouwbare elementen bevatten.

Theorieën in het zien.

De theorieën die ons brein gebruikt vallen in twee groepen uiteen. Die uit de eerste groep zijn niet vervangbaar zoals vormconstantheid (de manier waarop ons brein omgaat met de informatie die het over vormen krijgt), grootte-constantheid (we blijven een voorwerp over een grote afstand als nagenoeg even groot zien, ook al wordt het netvliesbeeld van dat voorwerp bij een grote afstand veel kleiner) en onze neiging om overal oorzaken te zien. Daarnaast zijn er theorieën die wel vervangbaar zijn.

Voor waarheidsvinding nu  is het volgende cruciaal: het hangt van de waarheid of onwaarheid van de gehanteerde theorie en kennis af of wat we waarnemen de ware toedracht is.

Betere theorieën resulteren in een meer betrouwbare waarneming, slechtere theorieën in een minder betrouwbare waarneming. Qua waarheid is dus winst te boeken door de juiste theorie te gebruiken. Voor de waarheidzoeker ligt hier een verantwoordelijkheid.

Mind-set alleen is al voldoende voor een andere waarneming. Dit heeft serieuze consequenties in de strafrechtcontext.

Kennis en theorie doen ons dingen zien. Verschillende mind-sets doen ons verschillende dingen zien. En we kunnen wel degelijk argumenteren vóór en argumenten tegen theorieën. Een analyse kan vaak aangeven welke van de twee theorieën de betere is . En zo´n analyse kan aldus ook aangeven welke van de waarnemingen betrouwbaar en welke van de waarnemingen onbetrouwbaar zijn.

Ten slotte kan de theorie ons ook te veel doen zien: de door de theorie gewekte verwachtingen laten ons niet-bestaande dingen zien.

Daarnaast bestaat er nog ´inattentional blindness´. Wat we niet verwachten zien we maar met moeite als we ons moeten concentreren op iets anders. Wanneer we op iets geconcentreerd zijn, zien we soms andere dingen niet die zich recht voor onze ogen afspelen.

Naast de dingen die we zien vanwege onze theorie en de dingen die we niet zien vanwege onze theorie is er nog een andere reden waarom we dingen missen als we een bepaalde theorie aanhangen:onze aandacht wordt door iets anders opgeëist.

Feiten in het strafrecht

In plaats van specifiek  kunnen feiten ook algemeen zijn, en behalve actualiteiten ook mogelijkheden en onmogelijkheden, wenselijkheden en noodzakelijkheden, etc betreffen.

Wanneer we op zoek zijn naar de waarheid in het strafrecht dan willen we weten wat de feiten zijn.

Een feit kan een teken zijn van een ander feit, maar is dat alleen in het licht van een achterliggende theorie en de achterliggende kennis.

Juist omdat de theorie voor ons vanzelfsprekend is, ontgaat ons de interpretatie die in al onze feiten schuilt. Zien we de interpretatie niet, dan zijn we in feite blind voor mogelijke alternatieve interpretaties.

Een nieuwe interpretatie betekent niet dat die interpretatie altijd de juiste is. Het betekent wel dat er naast de gangbare interpretatie een andere interpretatie ten tonele verschijnt en dat daarmee de vanzelfsprekendheid van de gangbare interpretatie(s) doorbroken is. De betekenis van de feiten kan geheel anders zijn dan we dachten. De waarheid of onwaarheid van de achterliggende theorie bepaalt welke van de interpretaties waar dan wel onwaar zijn. Derksen noemt dat de interpretatiefunctie van alternatieve theorieën en juist in de strafrechtcontext hebben alternatieve scenario´s deze functie.

Een feit is dus pas voor ons bewijsmateriaal wanneer het in het licht van een specifieke theorie wordt beschouwd. De theorie bepaalt welke bewijswaarde dat feit voor ons heeft. Met een andere theorie kan die bewijswaarde voor ons veranderen en ook omslaan.

Of een feit echt een bewijs (een teken) voor iets anders is, hangt uiteindelijk van de werkelijkheid af.

Dus enerzijds is een bewijs altijd een bewijs voor ons in het licht van de beste theorieën, en beter hebben wij niet. Maar dit is geen relativisme, alleen de erkenning van feilbaarheid. Anderzijds moeten we de beste theorieën voortdurend toetsen , of althans openhouden voor kritiek, omdat het in de waarheidsvinding uiteindelijk gaat om de ware toedracht.

 Maar stelt Derksen: ´We blijven evenwel altijd op een afstand, omdat er altijd een afstand tussen onze beste theorieën (niveau van kennis) en de werkelijkheid is´,  en: ´die afstand geeft aan dat we nooit met zekerheid iets weten en dat onze beste theorieën in het licht van de eeuwigheid altijd een gissing blijven.´

Op afstand zijn betekent niet: onwetend zijn. Het betekent dat we een slag om de arm moeten houden.  De echte bewijswaarde van een feit wordt dus door de werkelijkheid bepaalt. Noem dit de  Bewijsfunctie van alternatieve theorieën, en van alternatieve scenario´s waartoe die theorie behoort.

Bewijswaarde van bekentenissen

Wanneer de achterliggende theorie vanzelfsprekend is, kan het ons gemakkelijk ontgaan dat een bepaald feit niet uit zichzelf bewijswaarde heeft, maar alleen dankzij de achterliggende theorie. Is die theorie onjuist, hoe vanzelfsprekend ook, dan gaan we er ten onrechte vanuit dat het gebruikte bewijsmateriaal bewijswaarde heeft. Derksen illustreert een en ander met de Eigenbelang Theorie en de Geen Lekkage Theorie. Het stilzwijgend aannemen van deze theorieën heeft heel praktische gevolgen. Het gaat in feite er alleen om een bekentenis te verkrijgen, want dan is de zaak in feite rond.

Afrondend

De kwaliteit van de bewijswaarde is afhankelijk van de kwaliteit van de achterliggende theorie. Een achterliggende theorie geeft dus in feite alleen de potentiële bewijswaarde van een feit aan. Hoe goed de actuele bewijswaarde van een feit voor een bepaald scenario is, hangt af van de kwaliteit van de theorie, maar ook van hoe goed alternatieve scenario´s overweg kunnen met het feit. Zijn ze even goed met dat feit te rijmen, dan wordt geen van de scenario´s waarschijnlijker door het feit, ondanks zijn potentiële bewijswaarde.

Deel 2 van het boek keert terug naar de cognitieve instincten die ons buiten het alledaagse parten spelen.

We zien wel degelijk causale verbanden, maar we zien nu en dan ook oorzaken waar ze niet zijn, met alle gevaren van dien. We hebben in feite een drang tot het zien van oorzaken. Met andere woorden er is een reëel gevaar dat we allerlei causale verbanden zien die er niet zijn. Aan de hand van een aantal voorbeelden stelt Derksen dat we te veel regelmatigheid, te veel oorzakelijke verbanden zien. Dat wil zeggen dat we denkbeeldige oorzaken zien. Voor een waarheidzoeker ligt hier een groot gevaar op de loer.

Eerste grote bron van cognitieve geslotenheid: onze biologisch-genetisch bepaalde aandrang om causale regelmatigheden te zien.

Een tweede grote bron van cognitieve geslotenheid: onze biologisch-genetisch bepaalde aandrang om menselijk gedrag te duiden in termen van bedoelingen van de persoon.

Het bijkomende gevaar is dat wij de situationele factoren niet in een verklaring van het gedrag van iemand anders meenemen, waardoor de persoon zelf voor iets verantwoordelijk wordt gehouden terwijl de omstandigheden de bepalende factor waren.

Een derde bron van cognitieve geslotenheid: onze drang tot het duiden van coïncidenties.

Wanneer we overal oorzaken en bedoelingen zien, en deze ook nog voor ons aantrekkelijk zijn omdat ze de situatie inzichtelijk maken, dan maakt een coïncidentie nauwelijks kans om als coïncidentie te overleven. Dingen gebeuren niet zomaar, er zit altijd iets achter. We zien de achterliggende oorzaak of bedoeling en begrijpen nu hoe het zit.

Toch komen coïncidenties vaak voor. Er gebeuren zoveel dingen, dat het onvermijdelijk is dat er regelmatig dingen gebeuren die vanuit een bepaald perspectief gezien zeer uitzonderlijk zijn. Het vergt veel koelbloedigheid om je tegen de verleiding van een coïncidentie te verzetten.

Omdat we een sterke drang hebben oorzaken en bedoelingen te zien, zijn we zeer snel geneigd om een coïncidentie als betekenisvol te zien. In plaats van toevalligheid zien we een diepere betekenis. De coïncidentie wordt geduid en het gevoel ontstaat dat, nu we de coïncidentie begrijpen, de zaak is opgelost. Het gevaar is dan levensgroot dat een onschuldige niet een behoorlijke kans krijgt zich te verdedigen. In de ban van coïncidentie worden door politie en OM feiten zo aangeduid en aangepast dat het onschuld-scenario als volstrekt onwaarschijnlijk werd afgevoerd (zie zaak Lucia de Berk. Ze was aanwezig dus moest ze er de hand in hebben gehad).

Al in zijn boek ´Het O.M. in de fout´ spreekt Derksen in Manco VII al over het Magisch Oog.

In onze onbewaakte ogenblikken menen we te kunnen zien dat iemand liegt. ´Dat kun je toch zien, die man zit gewoon te liegen´. Derksen noemt dit vermeende intuïtieve vermogen het Magisch Oog.

Het Magische Oog werkt ook in het strafrechtcircuit. Maar hoe betrouwbaar is het Magische Oog eigenlijk? Maar in de wetenschappelijke literatuur is nergens een Magisch Oog te vinden.

Het Magisch Oog is volgens Derksen een groot gevaar in het proces van waarheidsvinding in het algemeen, en voor de onschuldige verdachte in het bijzonder.

1) We komen te snel en met veel te groot vertrouwen tot een oordeel.

2) Het stellige geloof in het reeds kennen van de waarheid doet de noodzaak tot nader potentieel ontlastend onderzoek minder gevoelen.

3) Het stellige geloof in het reeds kennen van de waarheid doet ons gemakkelijk voorbijgaan aan het bewijsmateriaal dat niet past.

Het Magische Oog is daarmee een geduchte interne kracht die de noodzakelijke openheid in het waarheidsproces tegengaat.

Geloofsperikelen

Waarheidsvinding gaat dus over bewijsmateriaal en de waarde daarvan en over goede redenen, en niet over geloof en de mate van ons vertrouwen. Dat is wat waarheidsvinding moet zijn, maar in de praktijk laten waarheidszoekers zich vaak leiden door hun eigen geloof, door hun eigen overtuigingen en de mate van vertrouwen daarin. Dat brengt complicaties met zich mee die het proces van waarheidsvinding ernstig kunnen schaden.

We zijn van nature lichtgelovig. Geloven komt vanzelf, het overkomt ons. Onthouding van een oordeel en de verwerping van een opvatting vergen inspanning. We maken ongetwijfeld fouten, maar deze zijn doorgaans zonder grote praktische consequenties. Als er iets misgaat zijn we zelf de dupe. In de strafrechtcontext ligt dat precies anders om. Fouten hebben daar grote consequenties en het zijn vooral anderen die daar de dupe van zijn.

Eerste indrukken

Er zijn twee omgevingsfactoren die bijna onvermijdelijk voor een verdachte  tot een eerste indruk van onbetrouwbaarheid leiden.

1) De politie pakt niet zo maar iemand op, een officier vervolgt iemand niet zomaar en de verdachte behoort tot een groep mensen waarvan de meesten uiteindelijk veroordeeld worden.

2) De betrouwbaarheid wordt op basis van de verkeerde criteria beoordeeld.

Uit onderzoek uit de sociale psychologie blijkt dat qua waarheidsvinding er nog andere streken zijn die het brein ons levert. Enkel het je voorstellen en het overwegen van een scenario doet mensen al neigen tot geloof in dat scenario. Het doet ons de gebeurtenis waarschijnlijker voorkomen. Daarnaast zijn er ook nog eens speciale eigenschappen in de strafrechtcontext die de invloed van het je-voorstellen-van -scenario-vergroten.

De kritische houding zwakt verder af, als het verhaal meer impact op de lezer heeft, naarmate de lezer meer het gevoel krijgt zelf deel uit te maken van het verhaal. Hoe plausibeler een verhaal is, des te meer invloed heeft het op de opvattingen van de lezer. Het onheil voor de strafrechtcontext is hier dat wanneer interne plausibiliteit van een scenario de politie overtuigt, het eventuele gebrek aan de externe correspondentie van een scenario met de ware toedracht onderbelicht blijft.

Daarbij komt dat als een verhaal meer invloed heeft naarmate het emotioneler reacties oproept.

Scenario´s zijn noodzakelijk voor goed onderzoek. Maar we moeten wel beseffen dat alleen al het opstellen van een overtuigend scenario tot enig geloof in dat scenario kan leiden, ook als er niets voor dat scenario pleit. We weten niet in welke mate de opvattingen van mensen door fictie,verhalen en scenario´s veranderen, maar uit onderzoek is aangetoond dat individuen regelmatig hun opvattingen over de werkelijke wereld in reactie op fictieve verhalen veranderen.

Geloven doet meer geloven

1) We vinden eerder bewijsmateriaal-vóór dan bewijsmateriaal-tegen.

2) Geloof in een scenario leidt tot bevooroordeelde duiding van het bewijsmateriaal ten gunste van dat scenario.

Een scenario geeft ons een referentiekader en bepaalt hoe we naar de werkelijkheid kijken, met welke begrippen we die werkelijkheid analyseren en wat we gaan zoeken. Tevens behaalt het wat in een specifiek geval als bewijsmateriaal geldt en wat de relevantie daarvan is. Zie de theoriegeladenheid van de vier basisoperaties : zoeken,zien, duiden en wegen. Het aanwezige bewijsmateriaal wordt als vanzelf in termen van het scenario geduid. Dit ´vooroordeel´ is onontkoombaar en is het gevolg van de theorieafhankelijkheid van het proces van waarheidsvinding.

- Door de positieve zoekhouding missen we gemakkelijk cruciaal discriminerend bewijsmateriaal. Door die positieve insteek mist een onschuldige verdachte een kans zijn onschuld te bewijzen.

- Negatief bewijsmateriaal ontsnapt aan onze aandacht omdat het niet in het scenario vermeld wordt, maar ook omdat de ontdekking ervan extra denkwerk vergt.

We herinneren eerder passend dan niet-passend bewijsmateriaal

Bij het opslaan wordt een herinnering geconstrueerd en bij het terughalen van informatie uit het geheugen wordt het verleden gereconstrueerd, waarbij gebruikt wordt gemaakt van de huidige informatie. Het resultaat van het herinneringsproces wordt dan ook door onze huidige opvattingen beïnvloed, en wel zodanig dat de informatie die bij ons scenario past eerder in het geheugen wordt gevonden.

In het zoekproces naar passende herinneringen worden nieuwe passende - en als het zo uit komt - herinneringen gecreëerd. Dat komt door  onze behoefte aan consistentie. Ons brein poogt tussen wat we nu geloven en wat we vroeger geloofden consistentie te bewaren, ook al verschillen die opvattingen in feite.

Het resultaat is dat we om consistentie te bereiken een persoonlijke draai aan onze herinneringen geven. Bewijsmateriaal wordt niet alleen geselecteerd, het wordt ook op basis van het eigen scenario aangemaakt.

Afrondend:

1) we zoeken naar positief bewijsmateriaal,

2) dat soort bewijsmateriaal valt op,

3) we herinneren ons eerder passend bewijsmateriaal,

4) we creëren passend bewijsmateriaal in ons herinneringsproces.

Deze bevoordeling van redenen-vóór wordt ook wel ´my-side bias´ genoemd. Ons brein werkt zo van nature. Dat houdt in dat bewijsmateriaal zich kan opstapelen alleen omdat ooit met een scenario is begonnen en het brein vervolgens selectief en creatief het passende bewijsmateriaal heeft aangereikt.

Geloof leidt tot een bevooroordeelde benadering

We hebben een sterke neiging het aanwezige bewijsmateriaal ten gunste van het eigen scenario te interpreteren. Dat wordt een vooroordeel genoemd, maar vaak is dat in het alledaagse leven op zichzelf alleen maar wijs gedrag.

Zo blijkt dat alleen al het benoemen van iemand als een verdachte voldoende is om de verdachte schuldig te doen lijken. En ervaren rechercheurs achtten belastende getuigen betrouwbaarder dan ontlastende getuigen.

Veel meer vertrouwen in eigenscenario leidt tot acceptatie van dat scenario

Wanneer we veel meer vertrouwen hebben in ons scenario dan in een alternatief scenario, dan komt ons brein tot acceptatie van dat scenario. De persoon met dat brein gelooft dan in het scenario. Derksen noemt dat:  ´the winner takes all´. Waarom?

Ons brein kan slecht tegen twijfel. Twijfel is een irritatie waar we vanaf willen. Wetenschap  bestrijdt de twijfel via wetenschappelijk onderzoek. In het dagelijks leven gaat het eenvoudiger: de twijfel wordt vanaf het eerste begin niet toegelaten of ze wordt binnen de kortste keren simpelweg uitgebannen. Niet omdat we meer bewijsmateriaal hebben gekregen, maar puur omdat we aan de overtuiging wennen en vergeten dat er nog enige twijfel resteerde.

Derksen stelt dat het natuurlijk niet betekent dat het in de strafrechtcontext zo moet gaan. Wanneer politie en officier van justitie via het winner takes all- mechanisme van ons brein geheel en al overtuigd raken van het daderschap van de verdachte, is dat geheel en al begrijpelijk, maar ook geheel en al verwerpelijk.

De zekerschap over het daderschap is niet verkregen door argumenten maar door natuurlijke processen. De opvatting is alleen maar gebaseerd op een natuurlijk proces dat niets met waarheidsvinding te maken heeft en is het dus hoogstwaarschijnlijk dat onze opvatting onwaar is.

Een beangstigend idee in de strafcontext waar anderen te leiden hebben onder het feit dat ook de breinen van rechercheurs en officieren van justitie niet tegen de irritatie van twijfel kunnen.

Cognitieve afsluiting door de persoon

In de praktijk is de overtuigingsgroei tot volledig geloof ook te zien in het verschijnsel van cognitieve afsluiting. Hier is het de persoon, en niet het brein, die het onderzoek naar de waarheid van een scenario afsluit. Het proces van waarheidsvinding is genoeg uitgekristalliseerd om het scenario voluit te aanvaarden en de alternatieven af te schrijven. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen met een grote besluitvaardigheid tot een snelle cognitieve afsluiting neigen. Vroege afsluiters houden niet van tegenspraak en afwijkende meningen. Kortom, de vroege afsluiters zijn besluitvaardig maar het besluit is qua waarheidsvinding hoogst problematisch.

Derksen noemt dat een onthutsende consequentie voor de strafrechtcontext omdat een van de belangrijkste sollicitatiecriteria waarop officieren van justitie worden uitgekozen juist hun besluitvaardigheid is.

Afrondend

Het verschijnsel van vroege afsluiting van het waarheidsvindingproces, óf door een breinproces van the winner takes all óf door een beslissing van de persoon, voegt op de weg naar de waarheid een nieuw obstakel toe.

Geloofsvolharding of ´belief perseverance´

Maar opnieuw speelt een nieuw denkproces een rol geloofsvolharding. Dat is onze neiging om te blijven geloven in een eenmaal ingenomen standpunt, ook al krijgen we sterk bewijs-tegen onder ogen+ o erger, ook al vervalt ons totale bewijsmateriaal-voor.

Derksen verwijst naar het onderzoek van Festiger die spreekt over de theorie van cognitieve dissonantie reductie. Als er tussen wat iemand wenst en wat hij krijgt een discrepantie zit, wordt de persoon na verloop van tijd tevreden met wat hij kreeg.

Geloofsvolharding is uiteindelijk een alledaags verschijnsel en verklaren doet meer geloven. Dat houdt in dat er voor negatief bewijsmateriaal bijna geen doorkomen meer aan is.

Maar geloofsovertuiging is binnen de strafrechtcontext geen excuus. Derksen noemt dat een gevaarlijk instinct. Niet alleen aanklagers lijden aan geloofsvolharding ( ze moeten wel haast in de schuld van de veroordeelde blijven geloven, ook als er later ontlastend materiaal verschijnt, omdat ze niet kunnen verdragen dat ze een onschuldige hebben aangeklaagd) ook deskundigen lijden daar aan (de deskundige over de acute digoxinevergiftiging in de zaak Lucia de Berk is daar een goed voorbeeld van waardoor Lucia langer in de gevangenis verbleef).

In de strafprocescontext dient men dus zich bewust te zijn van de geloofsvolharding. Zonder alertheid gaat het volgens Derksen gegarandeerd mis.

Als schuld en onschuld beide als reële opties worden behandeld, dan valt de schade wellicht mee. Maar wanneer het schuld-scenario de uitgangspositie is, is de ellende die de eerder genoemde cognitieve instincten aanrichten niet te overzien.

In principe zouden het OM en de politie moeten starten met de presumptie van onschuld, maar in de praktijk ligt dat anders. Derksen noemt dat het ´verdenkingssyndroom´ waar de politie en het OM aan lijden. Belastend bewijsmateriaal wordt aanmerkelijk serieuzer genomen dan ontlastend bewijsmateriaal.

Uitgaan van de schuld van de verdachte wordt in de meeste politietrainings - handboeken als een wenselijke eigenschap van politiemensen gezien. Praktijkonderzoek wijst uit dat de politie doorgaans ook uitgaat van de schuld van de verdachte.

Verdachte zijn is dus niet neutraal, het is de eerste ferme stap op weg naar een veroordeling. Derksen citeert daarbij Crombag die aangeeft dat ook het OM aan het verdenkingssyndroom lijdt.  Nadat een officier eenmaal zijn besluit tot vervolgen heeft genomen , hij ´in dat stadium in ieder geval niet meer neutraal is ten aanzien van de uitkomst´.

Derksen erkent dat de presumptie van onschuld moeilijk is vol te houden omdat een persoon verdachte is geworden vanwege verdachte omstandigheden die wijzen op zijn schuld. De presumptie van onschuld gaat daartegen in, maar zonder die presumptie is de race al bijna gelopen.

Voorzichtig uitgedrukt stelt Derksen: ´wanneer het schuld-scenario in feite de uitgangspositie is bij politie en OM, is de onschuldige verdachte dankzij de werking van genoemde cognitieve instincten in een benarde situatie.

Cognitieve blindheid

Er is sprake van cognitieve blindheid. Ze kunnen het gevolg zijn van onbegrip over het belang van bepaalde factoren bij waarheidsvinding (ontlastend bewijsmateriaal, potentieel ontlastend onderzoek).

Ze kunnen ook onbegrip verraden van redeneervormen die fataal kunnen uitwerken.

1) immunisering: je scenario zo aanpassen dat het immuun is tegen weerlegging. Het is door je eigen ingreep, en niet door het bewijsmateriaal, dat je scenario gered is.

2) cirkelredenering: Een cirkelredenering is in feite geen redenering, het is uitgaan van je eigen gelijk. Treffend voorbeeld te vinden in de zaak Lucia de Berk.

3) dichotomieën: we zijn geneigd in tweedelingen te denken. Vervalt de ene optie, dan is de andere juist. We vergeten dat er vaak een derde mogelijkheid is.

Derksen noemt voor de volledigheid nog eens de in zijn boek genoemde drie verleidingen en voegt er nog een vierde aan toe:

1) De verleiding van passend bewijsmateriaal.

2) De verleiding van een verklaring.

3) De verleiding van ene goed verhaal.

4) De verleiding van waar rook is, is vuur.

Deel 3 Waarheid

Waarheid is niet een eenduidig begrip. Afhankelijk van wat we met waarheid bedoelen, verschilt ook de taak van waarheidsvinding. Wat is waarheid?

Binnen het strafrechtssysteem  spelen ten minste drie waarheidsconcepties:

1) waarheid als overeenstemming (correspondentie) tussen wat er over een toestand verteld wordt en de toestand zoals die echt is.

Wat iemand vertelt is waar wanneer de werkelijkheid in feite zo is als de persoon vertelt.

- Als iets in het verleden gebeurd is, is er nu, terwijl ik over het verleden spreek, niets in de werkelijkheid dat met zijn bewering over dat verleden kan overeenstemmen.

- De correspondentietheorie geeft in feite geen analyse van waarheid, ze geeft alleen een herhaling

- Wat er bij het bepalen van de waarheid in feite gebeurt, is het vergelijken van beweringen met andere beweringen.

2) waarheid als samenhang (coherentie) tussen iemands beweringen onderling.

- Waarheid is hier een kwestie van het op samenhang beoordelen van beweringen, in het licht van je eigen voor waargehouden opvattingen. Een bewering is waar als ze past bij andere beweringen die we aanvaarden. Ze is niet waar als ze niet past bij die beweringen. En deze andere beweringen aanvaarden we omdat die als netwerk bij elkaar passen. De waarheid wordt hier subjectief en persoonsgebonden en lijkt een kwestie van toeval.

- De coherentie tussen beweringen is onze reden om iets te geloven, die coherentie is niet de waarheid zelf. De werkelijkheid wordt uiteindelijk door ons, met onze begrippen en onze onderlinge discussies, vormgegeven. De werkelijkheid is onze werkelijkheid.

- Er is geen objectieve wereld waarmee een bewering kan overeenstemmen en er zijn geen objectieve criteria die uitsluitsel kunnen geven.

- Waarheid als coherentie leidt aldus tot het idee dat er geen algemene waarheid te bereiken valt. Er is alleen waarheid voor bepaalde groepen met bepaalde conceptuele systemen.

3) waarheid als constructie door een bevoegde instantie.

 De bevoegde instantie neemt de beslissing volgens zorgvuldig vastgelegde regels. De waarheid is namelijk wat aan het einde van het proces besloten wordt in een beschaafde samenleving door de rechtelijke macht. Niet omdat de beslissing zogenaamd met de werkelijkheid overeenkomt, maar omdat de werkelijkheid in die beslissing door de samenleving waarvan we deel uitmaken, wordt vastgelegd. De waarheid is aldus een maatschappelijke constructie die de samenleving als totaal een verhaal geeft waarmee zij voort kan.

Er is waarheid gemaakt met sociale conventies. Waarheid is een sociale constructie. objectieve waarheid bestaat niet. En zijn we gekomen bij de constructivistische waarheidstheorie:

Waarheid = het geconstrueerde verhaal van een samenleving.

Deze waarheidsconceptie past prima binnen de context van onze strafrechtspraak. De beslissing van de rechter is in dubbele zin de sluitsteen van een proces. Ten eerste sluit die beslissing het proces in de tijd, onherroepelijk afgesloten. Maar de beslissing sluit ook het proces af in de zin dat waarheid is gesproken: de ware toedracht is geconstrueerd, en gewaarmerkt met het gezag van gewijsde, met het bindend gezag van een rechtelijke beslissing.

De concrete maatschappelijke functie van het recht vergt een constructivistische waarheidsvisie.

Tegenwerping 1: We kunnen niet meer inhoudelijk vragen: Was de beslissing juist?

Voor de constructivist bepaalt een beslissing volgens de geldende regels door de bevoegde instantie automatisch de waarheid. In dit doorgedraaid constructivisme is diegene schuldig die schuldig wordt bevonden.

Tegenwerping 2: De constructivistische benadering is een gevaar voor de rechtstaat

Derksen draait dit argument om: de constructivistische benadering zelf is een gevaar voor de rechtstaat, én voor ons allen. Niet alleen worden volgens deze benadering onschuldige burgers door een veroordeling moordenaar, ook - en dit is tegenwerping 2 -  en worden niet-veroordeelde moordenaars moordenaar-af.

- De constructivist beklemtoont de noodzaak van afsluiting, van beslissen, maar hij verwaarloost het wikken en wegen dat aan een beslissing voorafgaat.

- De constructivist houdt zich alleen bezig met de noodzaak van het beslissen. Hij gaat eraan voorbij dat de beslissing ergens over gaat., namelijk over wie de moordenaar was.

Derksen stelt dat we inderdaad vaak niet met zekerheid kunnen vaststellen  wat de ware toedracht is geweest, maar er ligt nog wel iets tussen met-zekerheid-vaststellen en puur-volgens-procentuele regels-beslissen: op basis van goede regels kunnen we aangeven dat het waarschijnlijk is dat zo-en-zo de ware toedracht is.

De ware toedracht

In het Nederlands strafrechtsysteem is voor gemaakte fouten expliciet ruimte gemaakt zodat deze herzien kunnen worden. De veroordeelde kan dan een verzoek richten tot de Hoge Raad, maar dan moet er sprake zijn van een novum, een nieuw feit, dat als het de rechter eerder bekend zou zijn, de rechter waarschijnlijk een andere beslissing had genomen.

De laatste jaren wordt de mogelijkheid van een fout onderkend en er zijn ook enkele echte fouten erkend.

Hoewel constructivistische geluiden doorklinken in de Nederlandse strafrechtliteratuur, gaat de praktijk uiteindelijk (en met zekere tegenzin) uit van waarheid als ware toedracht in plaats van als constructie. Met de erkenning van de (mogelijkheid van) fouten wordt de ware toedracht de toetssteen van waarheid, en niet de beslissing van de rechter, hoe essentieel die ook is voor de vereiste afsluiting van processen.

Bij een verkeerde afsluiting van processen wint het recht niet. Dat is gebaad met een vonnis conform de ware toedracht.

Hoe kennen we waarheid als de ware toedracht?

Hoe stellen we vast dat een uitspraak waar is? Hoe stellen we die overeenkomst met de werkelijkheid vast, zeker wat betreft een uitspraak over het verleden?

Coherentisten en constructivisten menen dat dit vaststellen van de overeenkomst in principe onmogelijk is en hebben daarom voor een ander waarheidsbegrip gekozen (coherentie tussen uitspraken, waarheid als constructie).

In vel gevallen blijken we echter wel degelijk met een redelijke mate van betrouwbaarheid te kunnen vaststellen hoe de werkelijkheid in elkaar steekt. Maar dat impliceert meteen ook onze feilbaarheid in de vorm van onvermijdelijke fouten die aan dat kenapparaat kleven en daarmee ook het belang voor openstaan-voor -kritiek.  Die geïmpliceerde feilbaarheid maant ons tot bescheidenheid: er zullen vele gevallen zijn waarin we niet weten hoe de werkelijkheid er voorstond.

Alleen wanneer we argumentatie, eigen feilbaarheid en openstaan voor kritiek als noodzakelijke elementen in het waarheidsvindingsproces aanvaarden, kunnen we aan verantwoorde waarheidsvinding doen, namelijk als een immer riskante maar ook succesvolle onderneming om de ware toedracht te leren kennen.

Welke lessen kunnen we volgens Derksen trekken:

1) Afsluiting is geen waarheid.

2) Waarheid betreft de ware toedracht.

3) Coherentie van beweringen is niet een argument voor waarheid.

4) Mensen en menselijke kennis zijn feilbaar.

5) Waarheidsclaims zijn ´herroepelijk´.

6) Feilbaarheid van menselijke kennis vereist openstaan voor kritiek.

7) Maak onderscheid tussen niveau van werkelijkheid en dat van kennis.

8) Waarheid-zoeken wordt: waarschijnlijkheden beoordelen van de nog mogelijke scenario´s.

9) De vraag naar de ware toedracht is een empirische vraag.

Deel 4 waarschijnlijkheid begrippen en valkuilen.

Derksen geeft hier al aan dat het zware kost is. Inderdaad, ondanks de voorbeelden die voor verteerbaarheid moeten zorgen.

Ik gebruik de afsluiting die Derksen zelf geeft.

Begrip van statistiek is binnen het proces van waarheidsvinding ongetwijfeld nuttig, maar eerst moeten de basisprincipes van waarschijnlijkheidsredeneren begrepen worden. Het goede nieuws is dat er niet zo veel zijn. het slechte nieuws is dat ze tezamen alle gelegenheid geven tot misverstanden en drogredeneringen bieden. Uit de voorbeelden die Derksen in zijn boek geeft blijkt helaas dat binnen de strafrechtcontext deze gelegenheid minimaal met beide handen wordt aangegrepen ( denk aan onjuist gebruik in de zaak Lucia de Berk), en niet alleen door officieren en rechters maar ook door advocaten. In zo´n gezelschap is het slecht verdachte te zijn.

In 2011 verscheen van de hand van Ton Derksen ´Leugens over Louwens´waarin Ton Derksen uitvoerig op de Deventer moordzaak ingaat.

De rechtsgang rond deze ´Deventer Moordzaak´ kenmerkt zich door een brei van leugens, verborgen argumentatiefouten, en onjuiste interpretaties. Derksen zet deze gebreken schematisch op een rij. Net als in zijn eerdere boeken draagt Ton Derksen ook nu weer opzienbarende nieuwe feiten aan. Zo blijkt uit eigen onderzoek dat het alibi van Louwes wel degelijk aannemelijk is.´. Zelf heb ik dat boek niet gelezen.

Ton Derksen heeft opnieuw een lijvig onderzoek gepubliceerd:  ´Verkeerde plaats, verkeerde tijd´ De zaak Olaf H., waarin hij opnieuw meent dat er sprake is van een gerechtelijke dwaling. Zie voor de bespreking van dit boek Verkeerde plaats, verkeerde tijd. Herziening van de zaak Olaf H.

Maandag 3 juni 2013

Jo Swaen