We hebben 175 gasten online

Verkeerde plaats, verkeerde tijd. Herziening van de Zaak Olaf H?

Gepost in Blog

Olaf H. is een van de veroordeelden in Nederland die een levenslange gevangenisstraf uitzit.

Waarom werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld?

De 31 jarige vrachtwagenchauffeur O.H. uit Sittard krijgt van de rechtbank in Maastricht levenslang voor de moord op het echtpaar Jo en Ine Zwakhalen. De slachtoffers, beide 59 jaar oud, werden op 12 juli 2003 door het hoofd geschoten in hun woning in Sittard. Hun 9 jarig kleinkind kreeg eveneens een kogel door haar hoofd, maar overleefde de aanslag. Jo Zwakhalen was autohandelaar. Waarschijnlijk was roof het motief.

Motivering opleggen levenslange gevangenisstraf

De advocaat van Olaf H. vroeg vrijspraak maar de rechtbank in Maastricht veroordeelde op 8 april 2004 Olaf Hamers tot levenslange gevangenisstraf. De rechtbank gaf de volgende redengeving van de op te leggen straf

 

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming.

Bij de straftoemeting zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de hiernavolgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van de verdachte.

Op klaarlichte dag wordt door de verdachte een man, die gewoon zijn werk doet en hem zojuist een auto heeft verkocht, neergeschoten en aldus van het leven beroofd. Zijn kleindochter, die op dat moment toevallig bij haar grootvader aanwezig is, wordt door de verdachte door het hoofd geschoten en zodanig gewond, dat zij daarvan nooit meer geheel zal herstellen. Zijn vrouw, die gewoon in huis is, en, zoals de rechtbank bij gelegenheid van de schouw heeft kunnen constateren, hoogstwaarschijnlijk van de schietpartij in het kantoortje getuige is geweest, moet dit met de dood bekopen, want haar heeft de verdachte door onder meer een nekschot definitief het zwijgen opgelegd.
Het gaat in alle drie gevallen om laffe misdaden, gepleegd jegens slachtoffers die in hun eigen omgeving nietsvermoedend hun dagelijkse bezigheden uitoefenden.

Het behoeft geen betoog dat de verdachte door zijn handelen de nabestaanden van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2], [slachtoffer 3] zelf, haar ouders en haar verdere familie, veel leed heeft aangedaan. Daarnaast hebben de feiten, die ook nog eens in een woonwijk hebben plaatsgevonden, de rechtsorde ernstig geschokt en grote gevoelens van angst en onveiligheid bij de burgers teweeggebracht.
De verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect op te brengen voor het leven van zijn medemensen. De juiste toedracht van de gebeurtenissen is de rechtbank niet bekend en naar de motieven van de verdachte om op deze drie mensen te schieten kan de rechtbank enkel gissen. Onder deze omstandigheden moet de rechtbank er rekening mee houden dat de verdachte op enig moment nogmaals een soortgelijk feit zal begaan.

Gelet op deze omstandigheden en de uitzonderlijke ernst van de feiten komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte geen andere straf dan een levenslange gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

Gezien het feit dat de verdediging om vrijspraak had gevraagd bestond er geen twijfel of men tegen de beslissing van de rechtbank van Maastricht in beroep zou gaan.

Olaf Hamers ging tegen dit vonnis in beroep bij het gerechtshof in Den Bosch.

Op 14 juli 2005 werd deze zaak in hoger beroep afgesloten en opnieuw werd Olaf H. tot levenslang veroordeeld.

Hoger beroep Gerechtshof Den Bosch

Op donderdag 30 juni 2005 heeft de Advocaat-generaal ter zitting van het Gerechtshof te Den Bosch opnieuw namens het OM wederom een levenslange gevangenisstraf geëist, omdat hij bewezen achtte dat Olaf Hamers wel degelijk de verdachte is geweest die de koelbloedige liquidatie heeft uitgevoerd.

De verdediging van Olaf Hamers heeft in de pleitnota in hoger beroep aangegeven dat het OM niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte op een eerlijke proces is gehandeld. Hoewel de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep dit verweer niet verbaal heeft voorgedragen, zal het hof - teneinde mogelijke discussie hierover te vermijden - op dit verweer, zoals het in de pleitnotities is vermeld, responderen.
Het verweer komt er - kort gezegd - op neer dat de verdachte vanaf het tiende politieverhoor door het nieuwe verhoorkoppel is verhoord in strijd met het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op het vervolgens in de pleitnota aangevoerde gaat het hof er vanuit dat de raadsman bedoelt te betogen dat de verhorende ambtenaren zich niet hebben onthouden van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd, hetgeen in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald....

...Het hof is van oordeel dat vier van de door de raadsman genoemde fragmenten inderdaad op gespannen voet staan met artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten´Het verhoorkoppel zegt tegen de verdachte dat zij ervan overtuigd zijn dat hij het feit waarvan hij verdacht wordt, gepleegd heeft (...)´(pagina 1585);
- ´(...) dat er gewoon geen andere man is en dat dit een heel dik probleem is waar hij mee zit en dat hij daarover moet nadenken en moet redden wat er te redden is´(pagina 1597);
- ´verbalisanten zeggen dat ze eerlijk zijn en 200 % overtuigd zijn dat de verdachte het feit gepleegd heeft. (...) Verbalisanten geven aan dat zij zaken hebben gedraaid waar er veel minder tegen de verdachte lag en waar deze toch veroordeeld is´ (pagina 1631);
en
- ´de mening van de verbalisanten is dat de strop al om zijn nek zit, alleen de rechters hoeven hem nog aan te trekken´(pagina 1637).
Anders dan de raadsman betoogt, leiden deze verzuimen - ieder voor zich dan wel in onderling verband beschouwd - volgens het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. Niet kan immers worden gezegd dat hier sprake is van een zodanig ernstig verzuim of van zodanige ernstige verzuimen waardoor niet langer sprake kan zijn van een behandeling van een zaak die aan beginselen van behoorlijke procesorde voldoet. Evenmin is aannemelijk dat de verhorende ambtenaren doelbewust of met grove veronachtzaming van hun verhoorbevoegdheden gebruik hebben gemaakt.

Het hof komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden. 

Allereerst stelt het hof vast dat in het licht van het totale aantal verhoren van de verdachte dat heeft plaatsgevonden de betreffende passages slechts zien op incidenten, waarbij nog vermelding verdient dat de feiten waarover de verdenking zich uitstrekt tot de meest ernstige delicten uit het Wetboek van Strafrecht behoren en begrijpelijk is dat verhorende ambtenaren dan met enige klem die gegevens die tegen de onschuld van de verdachte pleiten onder diens aandacht brengen. Daarnaast merkt het hof nog op dat de op verdachte uitgeoefende druk van de zijde van het verhoorkoppel niet tot een bekentenis heeft geleid, zodat de verdachte door de gebezigde handelwijze niet in zijn belangen is geschaad. 
Gelet op het voorgaande ziet het hof dan ook geen aanleiding om - behoudens deze constatering - gevolgen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering aan de genoemde handelwijze te verbinden.

Verklaring kleindochter; heeft geheugen gedeeltelijk teruggekregen

Het Gerechtshof kan bij het bewijs gebruik maken van de verklaring van de kleindochter, die ondanks haar verwondingen haar geheugen aan de gebeurtenissen gedeeltelijk heeft teruggekregen.

Dat de kleindochter zou zijn  ´voorgeprogrammeer`, zoals door de verdediging werd gesteld,  wijst het Hof af. Het Hof deelt, niet de visie van [deskundige 1] (prof. dr. H.F.M. Crombag JSW.), zoals verwoord in diens rapport (pagina 4) van 31 maart 2005, dat [slachtoffer 3] wist wat van haar verwacht werd, namelijk het identificeren van de persoon die op haar opa had geschoten.
Evenmin volgt het hof [deskundige 1] in de door hem op bladzijde 5 van dat rapport geuite scepsis ten aanzien van de authenticiteit van een deel van [slachtoffer 3]´s herinnering. Het hof overweegt in dit verband als volgt.

De verklaring van [slachtoffer 3] is naar het oordeel van het hof op (voor de bewijsvoering essentiële) onderdelen zonder twijfel wél authentiek te noemen. In die gevallen verklaart [slachtoffer 3] bijvoorbeeld ´ dat het ineens in mij opkomt´. Bij het bestuderen van de op DVD opgeslagen videobeelden van het studioverhoor, waarvan ook de advocaat-generaal en de raadslieden van de verdachte kennis hebben genomen, heeft het hof de overtuiging bekomen dat [slachtoffer 3] in die gevallen oprecht en spontaan vertelt wat haar plotseling te binnen schiet.

Het hof is bekend met het verschijnsel dat bekend staat als de Wet van Ribot en dat inhoudt dat met het verloop van de tijd de omvang van een gat in de herinnering voor gebeurtenissen rond het oplopen van een hersentrauma kleiner wordt, waardoor het slachtoffer van een trauma in de loop van de tijd weer herinneringen terugkrijgt, die eerder verloren leken. Dit verklaart dat [slachtoffer 3] op 8 december 2004 zich plotseling fragmenten van het gebeurde op 12 juli 2003 herinnerde en het verklaart ook dat pas in de loop van het studioverhoor, mogelijk door de herbeleving van het gebeurde op 12 juli 2003, in [slachtoffer 3]´s herinnering is teruggekomen dat zij een stukje van het pistool in de rechterbroekzak van de verdachte heeft gezien en dat zij zich de details omtrent het model en de grootte van het pistool kan herinneren.

Het Hof is van mening dat Olaf Hamers met voorbedachte rade heeft gehandeld.

De omstandigheid dat verdachte ter plaatse over dit vuurwapen beschikte, leidt tot de conclusie dat verdachte het wapen naar dat adres heeft meegenomen. Gelet op het onderzoek ter terechtzitting was daarvoor geen legale reden aannemelijk te achten. Reeds uit het gegeven dat verdachte het vuurwapen heeft meegenomen naar een adres waar hij een personenauto wilde verwerven, leidt het hof af dat sprake is geweest van een periode van kalm beraad en rustig overleg.

De omstandigheid dat verdachte niettemin met het hem ter beschikking staande vuurwapen heeft geschoten, wettigt de gevolgtrekking van het door verdachte bedaard nadenken voorafgaand aan dat schieten. Daar komt nog bij, dat de twee schoten in genoemd kantoor zeer kort na elkaar zijn afgevuurd. Gelet hierop, en nu verdachte er niet voor is teruggedeinsd om door het hoofd van een 9-jarig kind te schieten, is het hof van oordeel dat verdachte zich in het kantoor handelingsbewust en vastberaden heeft gedragen. 
Ook de wijze waarop [slachtoffer 2] van het leven is beroofd is veelzeggend voor die vastberadenheid. Op haar zijn immers twee schoten gelost, waarvan één haar in het achterhoofd trof, terwijl het andere schot op een afstand van vrijwel nul centimeter tot de nek is afgevuurd.

Olaf Hamers hield ook voor het Hof zijn onschuld vol. Het Hof stelt dat het daderschap van Hamers ook blijkt uit zijn gedragingen nadat hij zijn schietpartij heeft uitgevoerd.

De gedragingen van de verdachte na afloop van de schietpartij - uit de verklaringen van onder meer de verdachte zelf, de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] blijkt dat de verdachte na de schietpartij hardlopend de oprit van de woning van de familie [familienaam slachtoffers] af kwam, naar de auto op het parkeerterrein van [bedrijf van slachtoffer 1] liep, instapte en hard weg reed - kunnen op het eerste gezicht nog worden geduid als gedragingen van iemand die zojuist getuige is geweest van een schietpartij en daardoor in grote paniek is geraakt. Maar in het licht van de volgende feiten en omstandigheden zijn deze gedragingen redelijkerwijs niet als zodanig te duiden. 
Zo heeft de verdachte de getuigen [getuige 3] en [getuige 4], die op het tegenover de woning van de familie [familienaam slachtoffers] gelegen parkeerterrein van [bedrijf van slachtoffer 1] een auto aan het bekijken waren en die de verdachte naar eigen zeggen wel heeft gezien, niet gewaarschuwd dat zich in de woning aan de overzijde een man met een vuurwapen ophield. Evenmin heeft de verdachte de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] gevraagd de politie te waarschuwen en medische hulp in te roepen, terwijl hij toch begrepen moet hebben dat er bij de schietpartij in ieder geval gewonden konden zijn gevallen. Ook zelf heeft de verdachte de hulpdiensten niet gewaarschuwd, zelfs niet toen hij zich in de auto van de plaats van het misdrijf had verwijderd en voor hemzelf het gevaar geweken was. Daarentegen is de verdachte naar zijn woning gereden, maar ook daar heeft hij de hulpdiensten niet verwittigd. Evenmin heeft hij de politie of zijn vriendin en haar broer geïnformeerd omtrent hetgeen waarvan hij kort daarvoor getuige was geweest. Wel heeft de verdachte de bagage van zijn vriendin en haar broer in de auto geladen, waarna zij onmiddellijk naar Roemenië zijn vertrokken.

Naar het oordeel van het hof passen deze gedragingen bij een dader, die tracht aan zichzelf de straffeloosheid te verzekeren, en niet bij een getuige die in paniek verkeert naar aanleiding van hetgeen hem is overkomen. Dit oordeel wordt versterkt door het gedrag van de verdachte gedurende de dagen na de schietpartij. In dit verband noemt het hof:
- het gegeven dat de verdachte zijn beste vriend, [betrokkene 2], een dag te vroeg opbelt om hem te feliciteren met zijn verjaardag ([betrokkene 2] is geboren op 13 juli) en het gegeven dat de verdachte met een betrekkelijk onnozele vraag - in ieder geval afgezet tegen de ernst van hetgeen hem korte tijd daarvoor was overkomen - over het aantal PK´s van de auto telefonisch contact opneemt met een vriend/collega, [betrokkene 3]. Naar het oordeel van het hof kan de verdachte met deze telefoongesprekken geen andere bedoeling hebben gehad dan zich op slinkse wijze via [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te laten informeren omtrent de ontwikkelingen in Sittard;
- het gegeven dat de verdachte, wanneer hij in de loop van de middag en avond van 12 juli 2003 wordt opgebeld door [betrokkene 4], [betrokkene 3], en [betrokkene 5], zich volstrekt van den domme houdt met betrekking tot de schietpartij. Zelfs zegt de verdachte tegen zijn werkgever, [betrokkene 5] (zie telefoontap op dossierpagina´s 305 en 306) dat de schietpartij moet hebben plaatsgevonden nadat hij, verdachte, bij [bedrijf van slachtoffer 1] was weggegaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door zich op deze manier uit te laten slechts ten doel gehad te voorkomen dat hij in verband werd gebracht met de schietpartij;
- het gegeven dat de verdachte, hoewel hij zijn vriendin en haar broer in Wenen heeft achtergelaten met de bedoeling aanstonds naar Nederland terug te keren en zich bij de politie te melden, eerst nog twee dagen in Recklinghausen (Duitsland) bij [betrokkene 6] blijft bivakkeren. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voor deze vertraging geen redelijke uitleg gegeven, hoewel hij begrepen moet hebben - ook als zijn lezing zou worden gevolgd dat hij van de schietpartij slechts getuige was geweest - dat de politie in Nederland hem dringend wilde spreken. Niet uitgesloten moet worden geacht dat de verdachte deze tijd nodig heeft gehad om sporen uit te wissen (zoals het [laten] uitwassen van het T-shirt, dat hij ten tijde van de schietpartij droeg; zie in dit verband de verklaring van [betrokkene 6] op dossierpagina 1548) en om het verhaal te bedenken dat hij vanaf dat moment als de waarheid is gaan presenteren.

Het Hof besluit Olaf Hamers op 14 juli 2005 schuldig te verklaren en te veroordelen tot levenslange gevangenisstraf:

´Voor hetgeen door de rechtbank is bewezen verklaard is reeds de in eerste aanleg opgelegde levenslange gevangenisstraf passend te achten. Nu het hof tot een bewezenverklaring komt van feiten van een nog grotere ernst kan geen andere sanctie worden opgelegd dan de hierna te melden straf. In dit verband overweegt het hof, dat de feiten van 12 juli 2003 getuigen van een grote doelgerichtheid van verdachte. Verdachte heeft voorts geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden genomen. 

Gelet op de hierboven genoemde onvoorspelbaarheid van het gedrag van verdachte en gezien de meedogenloosheid waarmee verdachte op 12 juli 2003 heeft gehandeld, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte in staat is om in de toekomst een soortgelijk feit te begaan. De ernst van met name de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten en de onvoorspelbaarheid van het gedrag van verdachte vorderen een reactie die voor de toekomst moet uitsluiten dat verdachte ooit nog de gelegenheid krijgt om een ander van het leven te beroven. 

De hierboven genoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het opleggen van een levenslange gevangenisstraf´.

Cassatie Hoge Raad

Door de verdediging werd beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad deed op 21 november 2006 uitspraak en heeft het beroep in cassatie verworpen.

Het hof heeft voor het bewijs gebezigd de op 23-12-04 door het minderjarige slachtoffer X tijdens een studioverhoor bij de politie afgelegde verklaring. Dit t.t.v. de gepleegde feiten 9-jarige slachtoffer heeft a.g.v. een schot in haar hoofd ernstig hersenletsel opgelopen. In het pv van de terechtzitting in appel van 22-9-04 is opgenomen dat de moeder van X toen heeft verklaard dat haar dochtertje tot dan toe had aangegeven zich niets meer van de gebeurtenissen op 12-7-03 te kunnen herinneren. In eerste aanleg was dan ook nog geen verklaring van X beschikbaar. De klacht dat het hof de verklaring van X ten onrechte voor het bewijs heeft gebruikt omdat art. 360.1 Sv niet is nageleefd faalt. Ingevolge het ook in appel toepasselijke art. 360.1 Sv dient voor het gebruik als bewijsmiddel van het pv van een verhoor bij de RC, houdende de verklaring van een minderjarige getuige die op de wijze als geregeld in art. 216.2 Sv is gehoord, in het vonnis de bijzondere reden te worden opgegeven. In het onderhavige geval gaat het echter om een door een minderjarige getuige bij de politie afgelegde verklaring, zodat art. 360.1 Sv niet van toepassing is (HR DD 96.186). Nu evenwel, naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen, door de verdediging uitdrukkelijk en gemotiveerd het standpunt is ingenomen dat bedoelde verklaring niet tot het bewijs mocht worden gebezigd, was het hof ex art. 359.2 Sv gehouden voor de afwijking van dat standpunt i.h.b. de redenen op te geven. Het hof heeft aan die motiveringseis voldaan. Zijn overwegingen m.b.t. de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaring kunnen gelet op de aan de feitenrechter voorbehouden vrijheid in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst. ‘s Hofs oordeel dat de verklaring voor het bewijs kon worden gebezigd is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

De Advocaat-generaal bij de Hoge Raad onder 3.10:

´Ten aanzien van de aanwijzingen dat de getuige [slachtoffer 1] ´voorgeprogrammeerd´ zou zijn geweest toen zij haar verklaringen ten overstaan van de politie aflegde, kan ik kort zijn. Zowel het Hof als het OM als de verdediging heeft kennis kunnen nemen van de videobeelden van het studioverhoor. De verdediging heeft alle kanttekeningen die het bij dat verhoor had, kunnen plaatsen en heeft dat ook gedaan. Het Hof heeft zich voorts rekenschap gegeven van de bevindingen van een deskundig rechtspsycholoog en heeft mede naar aanleiding daarvan uitgelegd waarom het niet meent dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen zijn voorgeprogrammeerd. Het Hof is dan vervolgens vrij om de bewijskracht van de verklaringen te beoordelen en is daarbij dus niet gebonden aan enig ander (deskundig) oordeel.(7) In cassatie kan dit oordeel van het Hof slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst en die toets is vanwege de aard van het oordeel marginaal. Afgaande op de overwegingen van het Hof vanaf onderaan blz. 7 tot en met blz. 9 van het arrest, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het Hof waarde heeft gehecht aan de verklaringen van de getuige. 
In het rapport van de deskundige vind ik overigens ook geen aanknopingspunten voor de stelling dat de getuige zou zijn ´voorgeprogrammeerd´. Weliswaar schrijft de deskundige dat [slachtoffer 1] weet wat er van haar verwacht wordt: het identificeren van de persoon die op haar opa geschoten heeft, maar dat leidt toch niet noodzakelijk tot de conclusie dat het kind is bewerkt om in ieder geval verdachte toch maar aan te wijzen. Als iedere getuige aan wie iets wordt gevraagd in het kader van de opheldering van strafbare feiten voorgeprogrammeerd zou zijn, omdat de getuige weet in welk kader de vragen gesteld worden, zou zelfs al de oproeping van een getuige om ter terechtzitting te verschijnen zo een getuige wellicht kunnen besmetten. Dat gaat volgens mij wel erg ver´.

Olaf H. heeft altijd volgehouden dat hij onschuldig veroordeeld is tot levenslange gevangenisstraf.

De advocaten van Olaf H. menen dat er sprake is van een nieuw feit en dienen een aanvraag tot herziening in bij de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) Blijkens publicaties heeft de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS)geen aanleiding gevonden om de veroordeling van Olaf Hamers voor te dragen voor herziening.

Op donderdag 7 april 2011 zond de VPRO op Nederland II, een uniek interview uit in de serie ´Langgestraft´.

Met toestemming van de Minister van Veiligheid en Justitie hebben mr. John Peters en mr. Wim Anker diverse langgestraften kunnen spreken. In deze laatste aflevering kwam Olaf H. aan het woord. Hij is in verband met een veroordeling wegens tweemaal moord en eenmaal poging tot moord veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Hij spreekt hierin over zijn verleden, het heden en het ontbreken van een toekomst. Ook geeft hij een schets van het leven in de gevangenis van een levenslang gestrafte. Op youtube is deze uitzending nog te zien

Ook in deze uitzending houdt Olaf Hamers vol dat hij onschuldig is en ten onrechte is veroordeeld. Bijna tien jaar zit hij nu vast, voor een dubbele moord die hij tot op de dag van vandaag ontkent.

Naar aanleiding van de veroordeling van Olaf H. boog Ton Derksen zich over deze zaak. In een aantal eerdere publicaties heeft Derksen zich al eerder beziggehouden met waarheidsvinding in de strafrechtcontext. Zie daarvoor Ton Derksen en het perspectief op waarheidsvinding in de strafrechtspraak.

 

Naar aanleiding van zijn onderzoek in deze zaak publiceerde hij het boek ´Verkeerde plaats, verkeerde tijd´. De zaak Olaf H.

Derksen stelt dat het hof spreekt over ´drie gruwelijke daden die op klaarlichte dag zijn gepleegd jegens niets vermoedende en weerloze mensen´. De rechtbank spreekt over ´laffe misdaden´en de politie ziet een koelbloedige killer. Die kwalificaties blijven overeind staan zegt Derksen.

Maar zijn vraag is dan ook niet: ´Is er een gruwelijke misdaad gepleegd? Zijn vraag is: Wie heeft die gruwelijke misdaden gepleegd? Is dat Olaf, of is dat iemand anders? [...]. Olaf heeft alles gedaan wat hij zou kunnen doen om zijn onschuld te bewijzen. Het enige manco is dat hij volgens Derksen de dader niet kan aanwijzen. (maar dat kan de politie ook niet)´.

Voorwoord

De eerste vraag is waarom de CEAS de zaak ter herziening heeft afgewezen. De CEAS heeft de zaak afgewezen omdat ze geen novum in de zaak zag en ook omdat Olaf wel de enige is die op de juiste tijd op de PD (Plaats delict) is gezien.

Derksen besloot er iets aan te doen. De situatie is complex omdat er geen direct bewijsmateriaal is. Wel lagen er vele belastende argumenten tegen Olaf op tafel. Derksen heeft naar al die argumenten gekeken en naar zijn idee waren ze geen van alle steekhoudend. Hij bemerkte ook dat er bij nadere analyse ook twee, niet in het proces gebruikte, sterke en zeer ontlastende argumenten voor Olaf waren.

De zaak trok de aandacht van Derksen omdat Olaf een kwartier voordat de tweedehandsautohandelaar was vermoord, met de autohandelaar op het postkantoor de auto had laten overschrijven en bij die gelegenheid zijn naam en adres had laten registreren. Ook werd in een bureaula van de autohandelaar de getekende verkoopbon gevonden. Is dat niet ontlastend? Hoe zou een moordenaar zo stom kunnen zijn?

Derksen stelde zich de vraag als wetenschapsfilosoof: ´Wat kun je nog als argument aanvoeren als je als enige op de PD bent gezien en er van de vermeende dader geen sporen zijn gevonden? De beantwoording van die vraag drong, omdat een antwoord direct relevant is voor de beantwoording van een andere praktische vraag: Heeft Olaf de moord gepleegd of was hij als koper van een auto op de verkeerde plaats op de verkeerde tijd? Het boek beoogt op beide vragen een antwoord te geven.

Hoofdstuk 1 Het verhaal van Olaf en het ongeloof van de politie en het OM

Daar is in het bovenstaande al uitvoerig aandacht besteed

Ondanks al het harde bewijsmateriaal wilde Olaf in drieëndertig verhoren zijn daderschap niet bekennen. Ook niet tijdens de behandeling van zijn zaak voor de rechtbank in Maastricht en het hof te Den Bosch blijft hij ontkennen iets met de moorden te maken te hebben.

Derksen besluit het bewijsmateriaal en de argumenten nader te bekijken.

In Hoofdstuk 2 laat Derksen zien dat een mystery schutter ongezien voorlangs kan zijn binnengekomen en ongezien achterlangs kan zijn vertrokken, waardoor het argument van de rechtbank dat het uitgesloten is dat een ander dan de verdachte na de schietpartij en voor de komst van de politie het perceel heeft verlaten, kan vervallen.

In Hoofdstuk 3 wordt nader onderzocht of Olaf H. een pistool in zijn hand heeft gehad de dag voor de moorden. De compagnons Cor en Rob hadden dit verklaard en hun verklaring speelde voor het hof een grote rol.

De conclusie van Derksen is:

´De argumenten van het hof ten faveure van het gewetensnood-scenario faalden. De vier argumenten van de politie bleken evenmin stand te houden. Het hof nog  de politie slagen erin het gewetensnood-scenario met argumenten te onderbouwen. Het arrest van het hof vertrouwt Cor en Rob. Voor dat vertrouwen is nog geen argument gevonden.

Het hoofdstuk heeft laten zien dat het hof ten onrechte van de verklaringen van Cor en Rob is uitgegaan. Daarmee vervalt een van de twee bewijsmiddelen van het hof.

In hoofdstuk 4 staat de vraag centraal of het meisje Audrey een pistool heeft gezien in Olafs broekzak.

In hoeverre kon Audrey van de gebeurtenissen op 12 juli 2003 zich nog iets herinneren? Twee dagen voordat Audrey´s nieuwe herinnering opdook schreef Poettgens van de GGD Oostelijk-Zuid-Limburg op 6 december 2004 dat ´verondersteld moet worden dat de geheugenfunctie van Audrey voor hetgeen er is gebeurd op 12 junli 2003 volledig uitgewist is.´

In dit geval wijs ik ook nog eens naar het hof en wel dit in het bijzonder:

 ´ Verklaring kleindochter; heeft geheugen gedeeltelijk teruggekregen´

Het Gerechtshof kan bij het bewijs gebruik maken van de verklaring van de kleindochter, die ondanks haar verwondingen haar geheugen aan de gebeurtenissen gedeeltelijk heeft teruggekregen.

Dat de kleindochter zou zijn  ´voorgeprogrammeerd´, zoals door de verdediging werd gesteld,  wijst het Hof af. Het Hof deelt, niet de visie van [deskundige 1] (prof. dr. H.F.M. Crombag JSW.), zoals verwoord in diens rapport (pagina 4) van 31 maart 2005, dat [slachtoffer 3] wist wat van haar verwacht werd, namelijk het identificeren van de persoon die op haar opa had geschoten´.

Derksen gaat dieper in op de betrouwbaarheid van herinneringen

1)  ten eerste gaat het om een gebeurtenis van één jaar en vijf maanden geleden. Dat is een lange tijd om je een gebeurtenis gedetailleerd en betrouwbaar te herinneren.

2) Audrey is in de tussentijd wel door anderen over die gebeurtenis ingelicht, en we weten dat op basis van zulke informatie ´herinneringen´ gevormd worden.

3) een derde probleem met de betrouwbaarheid van de nieuwe herinneringen is dat bij het opnemen en ophalen van autobiografische gegevens zoals het schietincident verschillende geheugengebieden zijn betrokken, waaronder de frontaalschors, en vooral de hippocampus en aangrenzende corticale gebiedjes, en dat gezien het traject van de kogel het waarschijnlijk is dat enkele van de genoemde geheugengebieden geraakt zijn.

Hersenletsel in zulke gebieden leidt er vaak toe dat de persoon de herinnering mist aan datgene wat enige tijd voor het incident heeft plaatsgevonden. Dit wordt retrograde amnesie genoemd. De psycholoog die haar behandelde was zeer stellig: ´Haargeheugen over het incident is echt weg en komt niet terug´. En hij voegt toe: ´Uit zichzelf weet ze niets. Ze herhaalt wat tegen haar verteld is´.

4) de wetenschap geeft ook aan waar zo´n vermende herinnering dan vandaan komt: door confabulatie, door het opvullen van de gaten door het brein zelf, op basis van wat het weet. Confabulatie is aldus de vierde bron van wantrouwen in de waarheid van Audreys herinnering aan het schietincident.

Opmerking: de persoon zelf is geen fantast, maar het is zijn brein dat ongemerkt gaten opvult in het verleden. De persoon gelooft zelf oprecht in de nieuwe herinnering.

Wanneer het hof oprechtheid en authenticiteit bij Audrey opmerkt, dan zegt dat dus nog niets. Derksen vindt het daarom onverantwoord om - zoals het hof doet - ervan uit gaan dat Audrey een pistool heeft gezien, om dat ze dat zegt, en deze aanname is onverantwoord, zelfs als we terzijde laten dat ze die waarneming zelf later expliciet terugneemt.

5) Naast deze vier algemene redenen tot ernstige zorg ten aanzien van de waarheid van Audreys nieuwe herinneringen toetste Derksen ook nog inhoudelijk en specifiek haar nieuwe herinneringen op waarheidsgehalte. De toetsing bevestigde dat er geen reden was om in de waarheid van Audreys nieuwe herinneringen te geloven.

Hoofdstuk 5 Andere belastende argumenten

Derksen gaat uitvoerig, zoals we van hem gewend zijn op de andere belastende argumenten in.

1) Olaf had geen cash om te betalen.

2) Hij had een motief om te moorden.

3) Het feit dat hij zich liet insluiten in de Gamma is een stap op weg naar moord.

4) Hij vertoond verdacht gedrag.

5) Een mystery schutter is wel erg toevallig.

6) Olaf wc-verzoek aan Jo is een smoes

7) Hij zou een weerloos doelwit geweest zijn en is dus ongeloofwaardig.

Geen enkele van de argumenten houdt volgens Derksen bij nadere analyse stand.

Het falen van alle belastende argumenten kunnen we niet afdoen als irrelevant voor de waarheidsvraag. Dat is op zichzelf ontlastend.

Hoofdstuk 6

Ontlastende argumenten

De politie besefte dat er, om de rechter te overtuigen, meer belastend bewijsmateriaal nodig was, en dáár heeft de politie naar gezocht. Mogelijk ontlastend onderzoek is als irrelevant voor deze vraag achterwege gelaten. Maar zoeken naar belastend bewijsmateriaal is niet risicoloos. Want een mislukte poging om aan te tonen dat Olaf de moordenaar is, is voor je het weet een ontlastend argument dat Olaf niet de moordenaar is.

Derksen onderzoekt de gegevens over de mystery schutter en komt tot de conclusie dat slechts een van diens eigenschappen bij Olaf past. Namelijk dat Olaf op het kritieke moment op de PD aanwezig is. Ook kunnen we niet bewijzen dat Olaf geen pistool had en het is waarschijnlijker dat hij geen pistool had en waarschijnlijker dat hij niet de schutter is. Daarnaast had de schutter zeven eigenschappen van de negen eigenschappen die Olaf waarschijnlijk tot hoogstwaarschijnlijk niet bezat. Dat maakt het nagenoeg onmogelijk dat Olaf de dader is.

Derksen concludeert verder dat Olaf hoogstwaarschijnlijk qua psychische constitutie niet in staat was om in koelen bloede van dicht bij drie mensen door het hoofd te schieten, waaronder het kind. De dader was wel tot zulke wreedheden in staat.

Derksen verwijst nog eens naar het arrest van het hof Den Bosch omdat het een soortgelijke conclusie impliceert. Het hof was van zijn daderschap overtuigd geraakt op basis van de door het hof aangehaalde bewijsmiddelen en voegt daar aan toe ´hoe onvoorstelbaar dat op grond van de persoonlijkheid van de verdachte wellicht ook moge zijn´.

Indien die bewijsmiddelen ten onrechte als bewijsmiddelen zijn gezien, blijft over dat op grond van de persoonlijkheid van de verdachte de moord onvoorstelbaar is

Welke bewijsmiddelen waren dat ook al weer:  het vermeende pistool zoals beweerd door Cor en Rob (zie hoofdstuk 2) en Audreys vermeende herinnering (hoofdstuk 4).

Nu deze bewijsmiddelen zijn komen te vervallen, stelt Derksen, mogen we het hof aan zijn argumentatie houden: een moord door Olaf is vanwege zijn persoonlijkheid onvoorstelbaar.

Derksen  is van mening dat het gedrag van Olaf het gedrag is van een onschuldig iemand. Dat gedrag resulteert in een gunstige likelihood verhouding ten gunste van het onschuld -scenario. Want het postkantoorbezoek is zeer ontlastend voor Olaf.

Je hoeft niets van de waarschijnlijkheidstheorie af te weten, om te begrijpen, aldus Derksen, dat het bezoek aan het postkantoor waarbij naam en adres worden geregistreerd, hoogst onaannemelijk gedrag is voor iemand die al met een pistool op zak loopt met het oog op de komende moorden, terwijl zo´n bezoek gangbaar gedrag voor een onschuldige koper is, en dat gegeven ontlastend moet zijn voor Olaf.

Mislukte pogingen om belastende argumenten te onderbouwen sloegen in een aantal gevallen om in sterke ontlastende argumenten.

Afrondende beschouwing

De vraag van Derksen was niet ´Is er een gruwelijke misdaad gepleegd? Zijn vraag was: Wie heeft die gruwelijke misdaden gepleegd? Is dat Olaf, of is dat iemand anders? [...].

Derksen heeft laten zien in zijn boek ´De ware toedracht´ dat het niet gaat om passend bewijsmateriaal, maar om discriminerend bewijsmateriaal.

Als enige op de PD gezien is zeker belastend en de verdachte, indien onschuldig, is hiermee serieus in de problemenwant hij kan het niet uitleggen, zo lijkt het. Hij was op de verkeerde plaats op de verkeerde tijd.

De komst van een mystery schutter is weliswaar vaak toevallig, maar daarom is die komst nog niet te toevallig, in de zin van: niet geloofwaardig.

Er zijn twee manieren om twijfel hier weg te nemen:

1) toon aan dat de mystery schutter niet kan bestaan

2) toon direct aan dat Olaf wel de schutter is.

De rechtbank: als die schutter had bestaan, had hij op zijn vlucht gezien moeten worden. Maar niemand is gezien. Dus bestaat de schutter niet.

Derksen toont in Hoofdstuk 2 aan dat er wel degelijk sprake was van een onbewaakte entree en een onbewaakte uitweg, meerdere zelfs, waarlangs een mystery schutter ongemerkt binnen kon komen en ongemerkt weer kon vertrekken. De twijfel blijft bestaan dus de mystery schutter blijft mogelijk. Zijn bestaan is niet bij voorbaat uitgesloten.

Het hof probeert direct te bewijzen dat Olaf wel degelijk bij de zaak betrokken is. En gebruikt daarbij de verklaring van Olaf compagnons Rob en Cor, dat ze een vuurwapen bij Olaf hebben gezien, en dat werd in hoofdstuk 3 als ongeloofwaardig gezien.  En de verklaring van Audrey dat Olaf een pistool uit zijn zak haalde. Ook die herinnering is onbetrouwbaar, hoe oprecht Derksen ook vind dat Audrey hierbij is. De twijfel blijft dus.

Ook de andere argumenten bleken niet steekhoudend.

Hoe kan het zijn dat Olaf ooit is veroordeeld?

Volgens Derksen is de grote boosdoener de OMkering; in plaats van naar feiten te kijken zoals ze er lagen, werden de feiten vanuit de veronderstelling dat Olaf de dader was, geherinterpreteerd. In het proces was Olafs daderschap voor de politie en het OM niet iets wat ter discussie stond, het was een gegeven, een 200%zekerheid.

Alles wat Olaf te zijner ontlasting aanvoerde, werd vanuit het scenario van politie en OM, het Olaf-schutter-scenario, geherinterpreteerd, en in het licht van die vaste overtuiging ligt dan steeds de schuld bij hem.

Het doet me denken aan de zaak Lucia de Berk. Lucia ontkende dat ze patiënten had omgebracht. Juist haar ontkenning werd door de rechtbank gezien als een feit dat ze schuldig was.

Als enige gezien en toch onschuldig

Hoe kun je in zo´n situatie waar je als enige op de PD bent gezien en de mystery schutter geen sporen heeft nagelaten, je onschuld verdedigen.

Derksen onderscheidde negen eigenschappen van de dader en vergeleek die met Olaf en stelde darabij vast dat Olaf de schutter niet kon zijn.

De gedragingen van Olaf op 12 juli 2003 en die van de volgende dagen tonen volgens hem aan dat aannemelijker is het onschuld-scenario.

De politie ondernam pogingen om belastende argumenten te ontwikkelen. De pogingen produceerden in feite ontlastende argumenten.

Een  vierde argumentatiebron kon zijn dat er een mystery schutter geweest kan zijn.

Er zijn twee inzichten die de verdediging kunnen helpen.

1) De politie en rechters gebruiken systhematisch de term ´motief´ ambigu. Misschien was er sprake van een financieel situatie-motief, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat hij een financieel daad-motief had.

2) De politie en de OM, gedreven door hun vaste overtuiging, al het ontlastend materiaal OMkeren tot belastend materiaal.

Dat Olaf het gedaan zou kunnen hebben , is in die situatie geen reden om te denken dat hij het toch misschien wel in werkelijkheid gedaan heeft.

Wat kan een verdachte nog verder aanvoeren om zijn onschuld te bewijzen? Op welk punt schiet zijn argumentatie tekort?

Op geen enkel punt! Hij heeft alles gedaan wat hij zou kunnen doen om zijn onschuld te bewijzen. Het enige punt is dat hij de dader niet kan aanwijzen. (maar dat kan de politie ook niet).

Dat manco is frustrerend, maar dat maakt de man volgens Derksen, die op alle mogelijke punten heeft aangetoond dat hij niet de dader is, toch niet een beetje de dader.

 

Dinsdag  4 juni 2013

Jo Swaen