We hebben 208 gasten online

De opvang van de joden na de Tweede Wereldoorlog Deel 2

Gepost in Blog

De Kleine Sjoa   Joden in naoorlogs Nederland.

In het bevrijde Nederland zijn de joden niet fysiek bedreigd. Maar andere symptomen uit het tijdperk van de sjoa vinden we er wel in terug. Het verbale antisemitisme werd scherper, de beroving van joden werd voortgezet en de joodse gemeenschap werd gekleineerd. Aan de deportatie en uitroeiing was een eind gekomen, maar het identificeren en isoleren van joden bleef voortduren. De Sjoa was een uitslaande brand. Toen in mei 1945 de vlammen werden gedoofd, bleef het nasmeulen. Een onheil dat op de grote ramp volgde. De opvang was kil, bureaucratisch, vijandig en vernederend, zo teleurstellend, dat ik de naoorlogse periode de tijd van de kleine sjoa noem (p10).

 

De uitdrukking kleine soja heeft niet alleen betrekking op de niet-joden die faalden in hun opvang van de overlevende joden, maar ook op de joden die faalden in hun aanpassing aan een nieuwe situatie.

De overheid zette de toon. Het was een valse toon. (p.11). De regering stelde zich op het standpunt dat in het naoorlogse Nederland geen verschil mocht worden gemaakt tussen joden en niet-joden. Het was een fout uitgangspunt. De joden waren immers niet als Nederlanders vervolgd; als joden, niet als Nederlanders, was hun immateriële en materiële schade toegebracht. Door dit niet te erkennen ontkende de regering de bijzondere ervaringen va de joden tijdens de bezetting (p.12).

De Nederlandse overheid maakte van stateloze, gevluchte Duitse joden, weer Duitsers waardoor deze derhalve werden gezien als vijandelijke personen. Het was de logica van een waanzinnige. Een honderdtal joden terugkerend uit het concentratiekamp Bergen-Belzen werden aan de Nederlandse grens als vijandelijke personen aangehouden. Achttien mannen uit die groep werden opgesloten in het interneringskamp Voor Galg en rad in het Zuid-Limburgse Vilt, samen met geïnterneerde NSB ´ers en gevangen genomen SS´ers, met wie zij te werk werden gesteld in een grindafgraving (p13/14).

Terugkerende joden beschrijven veelal negatieve ervaringen. G.L.  Durlacher (Verzameld werk ISBN 9789029054379)  schreef dat ze eerder als vrachtgoed dan als passagiers werden behandeld. In Eindhoven kreeg hij een groen label met een nummer om zijn nek.

Bij de wederopbouw van een joodse gemeenschap in Nederland toonde de overheid gebrek aan tact en medeleven.

De beroving van de joden door de Duitse bezetter werd in de naoorlogse jaren nog eens dunnetjes overgedaan. De Nederlandse schatkist werd gespekt met successierechten over de nalatenschappen van de vermoorde joden, onbeërfd joods vermogen kwam in de consignatiekas terecht, voor en appel en een ei maakte de overheid zich meester van de door de joodse gemeenschap betaalde kampen Westerbork en Vught.

Notarissen hebben kapitalen verdiend aan de verwering van erfenissen van vermoorde joden. Banken en verzekeringsmaatschappijen verrijkten zich ten koste van de joden.(p.20).

In het naoorlogse Nederland sprak men niet meer van ´herstel rechtsverkeer´ maar over ´rechtsherstel´. Hierdoor kregen de joden de indruk dat alles wat hen in de oorlog aan onrecht was aangedaan, recht zou worden gezet (p.52). Deze indruk was een verkeerde. Uit het rapport van de commissie-Van Kemenade wordt duidelijk dat de belangen van de beroofde joden ondergeschikt werden gemaakt aan het economisch herstel van Nederland.

Niemand werd na de oorlog automatisch in zijn eigendomsrecht hersteld. Belanghebbenden binnen het bedrijfsleven hebben zich verzet tegen het herstel van joden in hun materiële rechten uit vrees schade te zullen leiden: hypotheekbanken, levensverzekeringsmaatschappijen en vooral de effectenbeurs.

Wie als oorspronkelijke joodse eigenaar (of als zijn erfgenaam) via een gerechtelijk proces zijn recht wilde halen, moest rekening houden met een jarenlange procesgang met de bijbehorende kosten van juridische bijstand. Daarom namen veel joden genoegen met een ander middel dat in het systeem van het rechtsherstel was opgenomen: de minnelijke schikking (p60). Dit betekende een versterking van de onderhandelingspositie van de niet-joodse, naoorlogse bezitter van de goederen die tijdens de bezetting van de joden waren geroofd. De nieuwe bezitter kon rustig afwachten totdat de joodse eigenaar een voor hem gunstig aanbod als minnelijke schikking zou accepteren (62).

In het normale recht kan iemand iets wat van hem is gestolen, terugvorderen. Dit recht werd in het systeem van rechtsherstel voor joden ingeperkt door de regel die bescherming bood aan kopers die  ´te goeder trouw´ geroofd joods bezit hadden verworven. Dit alles omdat de regering het herstel van de economie belangrijker vond dan het herstel van de rechten van de joden (p.73).

Wie materiële oorlogsschade had geleden, werd achtergesteld bij degene die geen materiële oorlogsschade had geleden. De schadevergoeding kende allerlei beperkende regels die vooral joden nadelig troffen dit gold vooral ten aanzien van luxe goederen. Daarnaast was er een andere bepaling die in het nadeel van de joden werkte, dat was de beperking van de vererving tot de rechte lijn: bij de vergoeding van oorlogsschade konden alleen kinderen en kleinkinderen erven.

Wat de joden aan vergoeding van de Schade-Enquête Commissie ontvingen, is een paar jaar later voor 80 procent weer afgetrokken van de Duitse schadevergoedingen(p.100).

De joden die de oorlog hadden overleefd, moesten tien jaar wachten voordat ze hun rechten als erfgenaam konden realiseren.

De zuivering en berechting liep uit op een fiasco. De joden waren vooral woedend over het gesol met de berechting en zuiveringen en gekwetst door de relatief lage straffen die de Jodenjagers en Jodenverraders opgelegd kregen (p.160).

Treinpersoneel dat joden had vervoerd en politiemensen die joden hadden bewaakt, kregen zelfs geen berisping.

De meeste te zuiveren personen ontsprongen de dans.

Zo werden er van de 101 onderzochte notarissen maar in 27 gevallen geadviseerd hen te ontslaan. Maar in 13 gevallen was dat advies opgevolgd en waren zeven notarissen berispt zonder openbaarmaking van de berisping.

Een andere groep die, al dan niet met tegenzin, had meegewerkt aan de deportatie van joden, was de directie en personeel van de NS. Na de oorlog wees de directie van de NS iedere verantwoordelijkheid of schuld voor de Jodentransporten af. Verzet van spoorwegpersoneel tegen de transporten van joden is, op een enkele uitzondering na, niet voorgekomen. Geen enkele spoorwegman of directielid is gezuiverd voor de transporten van joden (p.163).

De politie kwam, gezien haar activiteiten tijdens de oorlog, eveneens in aanmerking voor een grondige zuivering. Slechts weinig politieagenten namen het risico - voor zichzelf en hun gezinnen - om medewerking aan de uitvoering van de anti-joodse maatregelen te weigeren. De overgrote meerderheid heeft de opgedragen taken uitgevoerd, ook als dat ten koste ging van de belangen en van de vrijheid van de joodse burgers. Van sommigen is bekend dat zij dat onderdeel van hun werk combineerden met illegale activiteiten op ander niveau (p.165).

Het gehele politieapparaat heeft zich alten inschakelen voor de organisatie en uitvoering van de deportatie. Nederlandse politiemensen bezorgden oproepen bij joden thuis, hielpen bij het ophalen van joden uit hun huizen, waren actief bij het transport van joden naar Westerbork, inventariseerden de inboedels van gedeporteerde joden.

Na de oorlog verklaarde Lages, hoofd van de SD in Amsterdam: `Zonder de Nederlandse politie zou het oppakken van joden voor nog geen tien procent in de praktijk mogelijk zijn geweest´(168).

De joden in het naoorlogse Nederland zagen met verbazing, met woede of met cynisme hoe onevenwichtig er werd berecht en gezuiverd. De politieman die joden had gearresteerd kreeg een lichtere straf dan de spoorwegman die niet had meegedaan aan de spoorwegstaking. Iemand die lid van de NSB was geweest, werd zwaarder gestraft dan iemand die joden had gearresteerd zonder te trachten de vervolgden te waarschuwen(p.169).

Tijdens de oorlogsjaren had het Nederlandse Rode Kruis zich niets gelegen laten liggen aan het lot van de gedeporteerde joden.

De joodse gemeenschap had na de oorlog mogen verwachten dat de joodse minderjarigen die de oorlog hadden overleefd, maar van wie de ouders waren vermoord, aan haar zorg zouden worden toevertrouwd. De manier waarop de zaak van de joodse minderjarige oorlogswezen van niet-joodse zijde is behandeld, was schokkend en maakt deel uit van de kleine sjoa (p.179). Het ging in de strijd om de joodse oorlogswees hard tegen hard. Voor de rechtbank is om iedere voogdijtoewijzing gevochten. Er zijn toen merkwaardige beslissingen genomen (p.183).

Schokkend voor de overlevende joden was het verbaal antisemitisme. Het verbaal antisemitisme bestond al voor de oorlog maar de oorlogsgebeurtenissen hebben het verbale antisemitisme versterkt(p.193).

Verreweg de meest niet-joodse Nederlanders hebben tijdens de bezetting aan de zijlijn gestaan toen de joden werden geïdentificeerd, geïsoleerd en gedeporteerd. Ze stonden erbij en keken ernaar (p.197).

Zie voor De opvang van de joden na de Tweede Wereldoorlog Deel 3