We hebben 430 gasten online

Vermogensbeheerder Wilfred Aalders deel 9a

Gepost in De belegger bedrogen

Celstraffen en werkstraffen voor beleggingsfraude en deelname criminele organisatie

’s-Hertogenbosch, 22 november 2010 - De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft vijf mannen veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en het plegen van fraude met beleggingen. Twee verdachten kregen gevangenisstraffen opgelegd van vier jaar en negen maanden en drie anderen zijn veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke celstraffen. Ook moet er ruim een miljoen euro aan schadevergoedingen worden betaald aan gedupeerde beleggers.

De twee hoofdverdachten zijn een 47-jarige man uit Doesburg en een 61-jarige man uit Maastricht. De mannen gaven samen leiding aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting, valsheid in geschrifte en gewoontewitwassen. Zij waren de initiatiefnemers en jarenlang actief betrokken bij het plegen van de strafbare feiten. De mannen maakten zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig aan oplichting en een poging daartoe met betrekking tot een aantal beleggingsprojecten. Ook probeerden ze een verzekeringsmaatschappij op te lichten. Naast de misdrijven die in georganiseerd verband zijn gepleegd, pleegden de twee mannen meineed en faillissementsfraude.

Het door beleggers beschikbaar gestelde vermogen is in risicovolle projecten geïnvesteerd. De twee verdachten brachten in verschillende projecten forse bedragen in rekening in de vorm van persoonlijke beloningen en zeer aanzienlijke vergoedingen. Met de oplichtingen hebben de mannen tientallen beleggers voor miljoenen euro’s gedupeerd. De beleggers zijn hun investering en daardoor (een belangrijk deel van) hun vermogen kwijtgeraakt. Een aantal beleggers is in meer dan een project benadeeld. De beleggers hadden een groot vertrouwen in de professionaliteit en deskundigheid van beide mannen, vooral in de 47-jarige eigenaar van het vermogensbeheerbedrijf. Hij had zijn sporen verdiend in het vermogensbeheer en in de bankwereld. De 61-jarige hoofdverdachte maakte zich naar de investeerders toe bekend als advocaat. Verschillende investeerders hebben gezegd dat hun vertrouwen in de projecten werd versterkt doordat er een advocaat bij de beleggingsprojecten was betrokken. De beide mannen hebben, ieder op een eigen manier, dit vertrouwen in ernstige mate beschaamd.

Bij vermogensbeheer door een professionele partij moeten investeerders kunnen vertrouwen op de volstrekte integriteit van hun vermogensbeheerder en de andere daarbij betrokken professionals. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ten nadele van de verdachten zwaar meegewogen dat het vertrouwen van de beleggers in ernstige mate is geschaad door het handelen van de verdachten. Dat geldt ook voor het aanzien van de beroepsgroepen vermogensbeheer en advocatuur. Bovendien is strafverzwarend dat de mannen zich schuldig hebben gemaakt aan faillissementsfraude en meineed (in verband met een eerder opgezet en mislukt investeringsproject).

De hoofdverdachten hebben anderen meegetrokken in het strafbare handelen. Drie mannen van 34, 53 en 56 jaar zijn veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en enkele andere met fraude samenhangende delicten. Zij hadden binnen het vermogensbeheerbedrijf echter een duidelijk ondergeschikte rol. Deze verdachten kregen straffen opgelegd van respectievelijk 240 uur werkstraf en twaalf maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, 180 uur werkstraf en zes maanden voorwaardelijke celstraf en 240 uur werkstraf en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Een aantal benadeelde partijen heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De rechtbank heeft een deel van deze vorderingen toegewezen, tot in totaal een bedrag van 1.075.000 euro. De omstandigheid dat van de 47-jarige man het faillissement is uitgesproken, staat eraan in de weg om in zijn geval vorderingen tot schadevergoeding in de strafzaak mee te nemen.

De nadere motivering van de beslissingen in deze zaak is zo uitgebreid dat voor meer detailinformatie wordt verwezen naar de verkorte uitspraak inzake de 47-jarige hoofdverdachte.

LJ Nummer

LJN: BO4539, Rechtbank 's-Hertogenbosch , 01/889002-07  
Datum uitspraak: 22-11-2010
Datum publicatie: 22-11-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft vijf mannen veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en het plegen van fraude met beleggingen. Twee verdachten kregen gevangenisstraffen opgelegd van vier jaar en negen maanden en drie anderen zijn veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke celstraffen. Ook moet er ruim een miljoen euro aan schadevergoedingen worden betaald aan gedupeerde beleggers.

De twee hoofdverdachten zijn een 47-jarige man uit Doesburg en een 61-jarige man uit Maastricht. Het vonnis van laatstgenoemde is hier in verkorte vorm (merendeels zonder bewijsmiddelen) weergegeven.

De mannen gaven samen leiding aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting, valsheid in geschrifte en gewoontewitwassen. Zij waren de initiatiefnemers en jarenlang actief betrokken bij het plegen van de strafbare feiten. De mannen maakten zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig aan oplichting en een poging daartoe met betrekking tot een aantal beleggingsprojecten. Ook probeerden ze een verzekeringsmaatschappij op te lichten. Naast de misdrijven die in georganiseerd verband zijn gepleegd, pleegden de twee mannen meineed en faillissementsfraude.

Het door beleggers beschikbaar gestelde vermogen is in risicovolle projecten geïnvesteerd. De twee verdachten brachten in verschillende projecten forse bedragen in rekening in de vorm van persoonlijke beloningen en zeer aanzienlijke vergoedingen. Met de oplichtingen hebben de mannen tientallen beleggers voor miljoenen euro’s gedupeerd. De beleggers zijn hun investering en daardoor (een belangrijk deel van) hun vermogen kwijtgeraakt. Een aantal beleggers is in meer dan een project benadeeld. De beleggers hadden een groot vertrouwen in de professionaliteit en deskundigheid van beide mannen, vooral in de 47-jarige eigenaar van het vermogensbeheerbedrijf. Hij had zijn sporen verdiend in het vermogensbeheer en in de bankwereld. De 61-jarige hoofdverdachte maakte zich naar de investeerders toe bekend als advocaat. Verschillende investeerders hebben gezegd dat hun vertrouwen in de projecten werd versterkt doordat er een advocaat bij de beleggingsprojecten was betrokken. De beide mannen hebben, ieder op een eigen manier, dit vertrouwen in ernstige mate beschaamd.

Bij vermogensbeheer door een professionele partij moeten investeerders kunnen vertrouwen op de volstrekte integriteit van hun vermogensbeheerder en de andere daarbij betrokken professionals. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ten nadele van de verdachten zwaar meegewogen dat het vertrouwen van de beleggers in ernstige mate is geschaad door het handelen van de verdachten. Dat geldt ook voor het aanzien van de beroepsgroepen vermogensbeheer en advocatuur. Bovendien is strafverzwarend dat de mannen zich schuldig hebben gemaakt aan faillissementsfraude en meineed (in verband met een eerder opgezet en mislukt investeringsproject).

De hoofdverdachten hebben anderen meegetrokken in het strafbare handelen. Drie mannen van 34, 53 en 56 jaar zijn veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en enkele andere met fraude samenhangende delicten. Zij hadden binnen het vermogensbeheerbedrijf echter een duidelijk ondergeschikte rol. Deze verdachten kregen straffen opgelegd van respectievelijk 240 uur werkstraf en twaalf maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, 180 uur werkstraf en zes maanden voorwaardelijke celstraf en 240 uur werkstraf en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Een aantal benadeelde partijen heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De rechtbank heeft een deel van deze vorderingen toegewezen, tot in totaal een bedrag van 1.075.000 euro. De omstandigheid dat van de 47-jarige man het faillissement is uitgesproken, staat eraan in de weg om in zijn geval vorderingen tot schadevergoeding in de strafzaak mee te nemen.

 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/889002-07
Datum uitspraak: 22 november 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 april 2008, 5 en 30 juni 2008, 11 september 2008, 19 januari 2009, 6 april 2009, 26 juni 2009, 14 juli 2009 (samenstelling mrs. Kooijmans-Dunnewijk-Damen), 21, 24, 28 en 29 september 2009, 2, 5, 6 en 9 oktober 2009, 30 maart 2010, 13, 14, 15, 17, 20, 21 en 23 september 2010, 1, 7, 8, 11 en 15 oktober 2010 en 8 november 2010 (samenstelling mrs. Kooijmans-Damen-Raeijmaekers).

De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 april 2008. In de dagvaarding zijn feiten omschreven overeenkomstig artikel 261, derde lid, Sv. Op 16 mei 2008 is een concept tenlastelegging aan de verdediging verzonden. De tenlastelegging is na vordering van de officier van justitie op de zitting van 5 juni 2008 overeenkomstig artikel 314a Sv. aangepast en op de zittingen van 24 september 2009 en 13 en 21 september 2010 op vordering van de officier van justitie vervolgens gewijzigd. Aan dit vonnis is gehecht een [investeerder 2]age waarop de tekst van de tenlastelegging, met inbegrip van die wijzigingen, integraal is weergegeven. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De tenlastelegging, die bestaat uit 8 feiten waarvan enkele in cumulatieve vorm, komt er kort gezegd op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 1998 tot en met 7 januari 2008 al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachten 38 investeerders heeft opgelicht. Die oplichting zou hebben plaatsgevonden met betrekking tot een achttal beleggingsprojecten/ investeringsprojecten, te weten: P.I.M. Associates Ltd./[Hong Kong holding], Brand Names, [BEDRIJFSNAAM], Radiant Pictures B.V., Bioblue, Bucephalus, TTS B.V. en EOS.
Verder heeft verdachte zich volgens de officier van justitie schuldig gemaakt aan meineed, poging tot oplichting, (een gewoonte maken van) witwassen, bedrieglijke bankbreuk in het kader van faillissement, valsheid in geschrift en deelnemen aan een criminele organisatie.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke omissies en/of taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

In het vonnis zullen allereerst de geldigheid van de dagvaarding en de niet-ontvankelijkheidverweren worden besproken. Vervolgens zal de rechtbank de verweten feiten 2 tot en met 8 beoordelen en ten slotte feit 1, de deelname aan de criminele organisatie.

De formele voorvragen.

Geldigheid van de dagvaarding.

Namens verdachte is met betrekking tot feit 2 aangevoerd dat de algemene opmerkingen die in alle ten laste gelegde oplichtingen in deze vorm voorkomen, leiden tot een nietige dagvaarding. Het gaat daarbij om o.m. het nalaten belangen te melden, het geven van een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot de risico's en het maken van misbruik van vertrouwen.

De rechtbank verwerpt het verweer. Naar haar oordeel zijn de gedragingen, mede gelet op de inhoud van het dossier, voldoende feitelijk beschreven en voldoet de tenlastelegging op voornoemde punten aan de eisen van artikel 261 Sv. De rechtbank heeft in haar oordeel daarnaast rekening gehouden met de wijze waarop de ten laste gelegde oplichting ter terechtzitting zijn besproken.

Ten aanzien van feit 1 zal de rechtbank de geldigheid van de dagvaarding bespreken in haar overige overwegingen over feit 1 (de criminele organisatie).

De dagvaarding is geldig wat betreft feiten 2 tot en met 8.

Bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.


De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Verjaring
De verdediging acht de officier van justitie niet-ontvankelijk voor alle feiten gepleegd voor 19 mei 2002. De verdediging gaat daarbij uit van een verjaringstermijn van 6 jaar en aanvang van de vervolging op 19 mei 2008, de dag waarop de definitieve tenlastelegging bekend is gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt.
Het delict oplichting kende tot 1 februari 2006 een maximale strafbedreiging van 3 jaar, vanaf die datum is de maximum straf 4 jaar.
Op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht bedraagt de verjaringstermijn zes jaar voor misdrijven met een maximum strafbedreiging van ten hoogste drie jaar en twaalf jaar bij een maximum strafbedreiging hoger dan drie en niet meer dan tien jaar.

Na een wetswijziging die tot gevolg heeft dat de verjaringstermijnen worden verlengd (i.c.) doordat het wettelijk strafmaximum wordt verhoogd, worden lopende verjaringen verlengd met de extra termijn die het gevolg daarvan is. Feiten die eenmaal zijn verjaard, blijven verjaard. (zie o.a. HR 29 januari 2010, LJN BK1998)

Toegepast op deze strafzaak betekent dit het volgende. Omdat het delict oplichting voor 1 februari 2006 een verjaringstermijn kende van zes jaar zijn feiten gepleegd vóór 1 februari 2000 verjaard. De rechtbank zal het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijk verklaren. Vanaf 1 februari 2000 geldt een verjaringstermijn van twaalf jaar. Voor de feiten gepleegd na 1 februari 2000 is de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Vormverzuimen
De verdediging heeft een aantal vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek genoemd die afzonderlijk dan wel in onderling verband bezien dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat verdachte door (dat samenstel van) vormverzuim(en) op ernstige wijze in zijn verdediging en zijn strafvorderlijke rechten is geschaad.
Het betreft de volgende verzuimen (zakelijk weergegeven):
1) [verdachte] bemerkte in de loop van 2007 dat hij mogelijk object was van strafrechtelijk onderzoek. Namens hem is met de teamleider in het lopend onderzoek gecorrespondeerd over praktische zaken met betrekking tot het onderzoek. [verdachte] heeft de politie medegedeeld dat hij volledige medewerking zou verlenen aan het onderzoek. De teamleider, [verbalisant], heeft daarop in een brief van 11 juli 2007 aan mr. Pen geschreven (o.a.): "Indien er op enig moment behoefte ontstaat om uw cliënt over een of meer aangelegenheden te horen, zal ik mij met u in verbinding stellen teneinde daarvoor een afspraak te maken".
Ondanks deze berichtgeving is verdachte op 8 januari 2008 zonder enig voorafgaand overleg en buiten heterdaad aangehouden.
2) Door de onzorgvuldige dossiervorming is [verdachte] ernstig in zijn belangen geschaad.
Niet alleen ontbrak (deels) een paginanummering, maar ook inhoudelijk miste het aangeleverde dossier relevante informatie en was in beslag genomen materiaal niet goed onderzocht. Het dossier schetste een beeld van TPC en [verdachte] dat volstrekt bezijden de realiteit was. Het dossier ging alleen over die informele projecten die niet succesvol waren gelopen, terwijl 85% van de bedrijfsvoering formele projecten bevatte en overige informele projecten succesvol waren. De administratie van TPC gaf volledig inzicht in het bedrijf en de bedrijfsvoering.
Door deze wijze van dossiervorming werden de rechter-commissaris, de raadkamer en de zittingsrechter aanvankelijk op het verkeerde been gezet en was [verdachte] kansloos bij zijn voorgeleiding en later in raadkamer.
3) Door de voorlopige hechtenis was [verdachte] niet in de gelegenheid om het materiaal goed te onderzoeken en het dossier aan te vullen. Tijdens zijn voorlopige hechtenis heeft [verdachte] aanvankelijk slechts zeer beperkt de gelegenheid gehad de omvangrijke cliënten- en projectfiles in te zien. Daarna kreeg [verdachte] de beschikking over de schijf van de TPC-server met vele documenten die hij, door gebrek aan faciliteiten in het huis van bewaring, pas tijdens zijn schorsing heeft kunnen lezen. Pas daarna heeft hij een selectie kunnen maken en toevoegen aan het dossier. Het onderzoek van [verdachte] zelf heeft er toe geleid dat de officier van justitie de verduistering van de tenlastelegging heeft verwijderd. [verdachte] heeft dan echter reeds imagoschade opgelopen vanwege onjuiste uitlatingen in de pers over de grote geldbedragen die in rook zijn opgegaan en een wirwar aan vennootschapsrechtelijke constructies. Ook is op basis van het onjuiste beeld verkeerde informatie in rechtshulpverzoeken terechtgekomen.
De verdediging acht het hoogstwaarschijnlijk dat de rechters anders beslist zouden hebben wanneer zij over een beter dossier hadden beschikt. De verdediging stelt dat door het handelen als genoemd politie en justitie de verdedigingsrechten van [verdachte] op ernstige en onherstelbare wijze hebben geschonden.
4) De verhoren van de investeerders en andere getuigen zijn door de politie op suggestieve wijze afgenomen. Zij waren niet gericht op waarheidsvinding, maar op het verkrijgen van aangifte(n) en/of anderszins belastende verklaringen tegen verdachte.
De verhoren van medeverdachten zijn niet betrouwbaar omdat verdachten werden ondervraagd over onderwerpen en gebeurtenissen die in een wat verder verleden hebben plaatsgevonden en werden geconfronteerd met een selectie uit het hoofdzakelijk belastende materiaal.
5) Er is veel ontlastend materiaal aan het dossier onthouden.
- de cliënten- en projectfiles zijn al genoemd.
- de in China (Hong Kong) in beslag genomen stukken blijken een volledig en compleet financieel overzicht te geven, terwijl door en namens het O.M. een beeld was gegeven dat in China niet was na te gaan wat er met de gelden was gebeurd;
- tussen de in China in beslag genomen stukken heeft [verdachte] een overboeking van € 30.000,- met een geschreven toelichting aangetroffen waaruit blijkt dat de overboeking is geschied op verzoek van [medeverdachte 1] naar [Belgisch bedrijf]/[betrokkene 1]. Het stuk is relevant voor de bewijsvoering in de vermeende faillissementsfraude en is niet aan [betrokkene 1] getoond toen hij in België werd gehoord, zodat hij zijn geheugen niet heeft kunnen opfrissen en uit het hoofd heeft moeten verklaren;
- tussen de in België in beslag genomen stukken bevinden zich ontlastende stukken over de rol van [verdachte] in EOS en Bioblue; zij tonen de leidinggevende rol van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en bevatten de bijlagen bij de EOS-brochure
- materiaal over de licentieovereenkomst en over de vraag of het Greenpeace-project winst had gemaakt bevindt zich in het archief van [medeverdachte 1] in Hong Kong; [medeverdachte 1] is niet in de gelegenheid gesteld om dat archief te bezoeken, die stukken op te zoeken en deze vervolgens over te leggen aan de rechtbank.
6) Het strafdossier bevat geen informatie over de aard en omvang van de contacten tussen de Nederlandse en Belgische justitie en politie. De Nederlandse opsporingsambtenaren hebben niet onmiddellijk proces-verbaal opgemaakt van hun verrichtingen in België zodat artikel 152 Sv is geschonden.
7) De informatie van de Nederlandse autoriteiten is sturend geweest voor de vervolgingsbeslissing van de Belgische autoriteiten. Het ne bis in idem-beginsel is daardoor mede door toedoen van de Nederlandse justitie geschonden.
8) Justitie heeft door onzorgvuldige perscontacten een foutief beeld van de zaak doen ontstaan waardoor verdachte in zijn belangen is geschaad. De verdediging noemt als bronnen met deze foutieve informatie:
a- het jaarverslag van het Bovenregionaal Rechercheoverleg 2007 dat op internet is gepubliceerd;
b- een Eindhovens persbericht van 7 januari 2008;
c- een uitzending van Nova van 21 september 2009;
d- het boek "Beleggen in gebakken lucht";
e- een krantenartikel in het Eindhovens dagblad van 12 september 2008.
9) Het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat personen die een prominente rol vervulden binnen de projecten en van wie verdachte de relevante informatie kreeg of moest krijgen (bijvoorbeeld [betrokkene 4], [betrokkene 3], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10]) niet zijn vervolgd en verdachte wel.

De officier van justitie heeft gerepliceerd tot verwerping van de verweren:
Ad 1) De brief van [verbalisant] betrof geen toezegging dat er geen aanhouding zou plaatsvinden. De inzet van dwangmiddelen en de afwegingen daaromtrent betreffen het exclusieve domein van het O.M..
Ad 2 en 5)Ten tijde van de voorgeleiding was het dossier betrekkelijk beperkt in omvang, maar het beeld dat gepresenteerd werd was niet onzorgvuldig en niemand is op het verkeerde been gezet. Het dossier is omvangrijker geworden, maar het beeld is niet anders geworden. Het O.M. stelt vast dat het voorgeleidingsdossier slecht toegankelijk was en beter had gekund.
Het O.M. heeft zich niet verzet tegen toevoeging van stukken die door de verdediging zijn ingebracht.
Ad 3) Verdachte had "derden" kunnen inschakelen om (ontlastende) stukken/archieven op te halen.
Ad 4) De getuigen zijn in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord en op een enkeling na hebben zij verklaringen afgelegd die overeenkomen met hetgeen zij reeds bij de politie hadden verklaard.
Ad 5, 6,7 )Inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken zijn gemeld in het algemeen dossier. Vermeld is tevens wanneer Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig waren bij Belgische onderzoekshandelingen. Nederlandse opsporingsambtenaren hebben geen opsporingshandelingen verricht en hebben aldus artikel 152 Sv niet geschonden. Het is in het kader van internationale rechtshulp gebruikelijk dat onderling stukken worden uitgewisseld. De beslissing over de vervolging van verdachte in Belgie ligt buiten de rechtsmacht van de Nederlandse overheid.
Tegen de toevoeging van de "Belgische stukken" door [verdachte] heeft het O.M. zich niet verzet, ofschoon deze in de visie van het O.M. irrelevant zijn voor de beoordeling van de verwijten aan verdachte.
Ad 8) Het O.M. is uiterst terughoudend geweest met berichtgeving in de richting van de media en heeft niet onzorgvuldig gehandeld. In een kort geding is beslist dat het O.M. niet onrechtmatig heeft gehandeld. De schrijvers van het boek "Beleggen in gebakken lucht" hebben hun gegevens gebaseerd op openbare bronnen. Het BRO-jaarverslag is primair bedoeld ter interne verantwoording.
Ad 9) Van schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. De verdediging heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank overweegt in reactie op het verweer van de verdediging.
Ad 1) De inzet van dwangmiddelen, in casu de aanhouding, is ter beoordeling van de officier van justitie (artikel 54 Sv) en kan slechts in (zeer) uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld indien door gebruikmaking van het dwangmiddel de beginselen van een behoorlijke procesorde worden geschonden, consequenties hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Uit de brief van [verbalisant] kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat hij namens de officier van justitie spreekt. De brief bevat bovendien geen toezegging dat geen aanhouding zou plaatsvinden.
Verdachte is op 8 januari 2008, gelijktijdig met de medeverdachten, aangehouden en doorzoekingen hebben plaatsgevonden.
De rechtbank is van oordeel dat het optreden van politie en O.M., dat overigens ook reeds is in het kader van de voorlopige hechtenis is getoetst door de rechter-commissaris en de raadkamer, niet in strijd met de wet en/of beginselen van een behoorlijke procesorde is geweest. Dat de aanhouding in de privésfeer voor verdachte en zijn gezin een ingrijpende ervaring is geweest onderkent de rechtbank, maar maakt haar oordeel niet anders.

Ad 2 en 3) De verdediging heeft aangevoerd dat de dossiervorming onevenwichtig is geweest, mede omdat het incompleet was en ontlastende bewijsmiddelen niet zijn opgenomen in het aanvankelijke voorgeleidings- en einddossier.

Een voorgeleidingsdossier dient binnen beperkte tijd na de aanhouding opgemaakt te worden. Het is veelal opgebouwd uit aangiften, een aantal getuigenverklaringen, de (voorlopige) bevindingen van de politie en de eerste verhoren van de verdachten en is meestal nog niet volledig. In de loop van onderhavig strafrechtelijk onderzoek zijn zeer grote hoeveelheden administratie verzameld, in beslag genomen en onderzocht.
Op basis van een "tussen"dossier dient te worden bezien of er tegen verdachten ernstige bezwaren bestaan en of er gronden zijn om voorlopige hechtenis toe te kunnen passen. Achtereenvolgens zijn de rechter-commissaris en de raadkamer steeds van oordeel geweest dat ter zake de omschreven feiten ernstige bezwaren bestonden tegen verdachte. De rechtbank heeft tijdens de daarop volgende pro forma zittingen een zelfde standpunt ingenomen op basis van de op dat moment beschikbare onderzoeksgegevens.

De politie heeft uiteindelijk een eindproces-verbaal dossier opgemaakt waarin slechts een deel van de in beslag genomen stukken was opgenomen. Het O.M. heeft als aanvullende stukken nog bijlagen ingebracht die bij de verhoren van getuigen (investeerders) waren gebruikt maar waarvan was verzuimd deze aan het dossier toe te voegen.
De verdediging is door het O.M. in de gelegenheid gesteld om alle niet aan het dossier toegevoegde stukken die in beslag waren genomen zelfstandig te onderzoeken en te verzoeken geselecteerde stukken aan het dossier toe te voegen. Ook is de verdediging in staat gesteld stukken die niet in beslag waren genomen, zoals de stukken bij de curator ([verdachte]) en die in een archief in [plaats] ([medeverdachte 1]) op gelijke wijze te onderzoeken en ook hier bestond de mogelijkheid het dossier aan te laten vullen met relevante resultaten van dit onderzoek . De verdediging in de zaken [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft van deze mogelijkheid ruim gebruik gemaakt. Deze stukken hebben naar het oordeel van de rechtbank voornamelijk een aanvullende en verduidelijkende rol gespeeld.
De rechtbank heeft zelf ook geconstateerd dat het politieproces-verbaal gebreken vertoonde. Het was deels niet genummerd en niet overal logisch van opbouw (de rechtbank noemt de projecten [HONG KONG HOLDING] en Bucephalus). Echter, het eindresultaat van deze werkwijze, waarbij het door de rechtbank aan de verdediging ruimhartig is toegestaan om stukken aan het dossier toe te voegen en daarnaast ook getuigen te doen horen door de rechter-commissaris, is dat het dossier ten tijde van de inhoudelijke behandeling van de feiten ter zitting volledig was. Er is derhalve geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Ad 4)
Zowel de investeerders, medewerkers van TPC, andere betrokkenen en de verdachten zijn door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord. Tijdens die verhoren heeft de verdediging uitgebreid de gelegenheid al hetgeen van belang werd geacht aan de orde te stellen.

Ad 5) Van de stukken die afkomstig zijn uit het "Belgische dossier" stelt de rechtbank vast dat deze geen nieuw licht werpen op de betrokkenheid van [verdachte] bij Bioblue en EOS maar aanvullende van aard. Zijn. Veel stukken bevinden zich al in het eindpv, zoals het proces verbaal van de Belgische politie over de € 30.000,- (zie faillissementsdossier) en de verklaring van [betrokkene 11]. De rol van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] blijkt al genoegzaam uit het politiedossier. De bijlagen bij de EOS-brochure zijn lezenswaardig, maar raken niet de kern van het verwijt.
Ook de geselecteerde stukken uit de zogeheten Hong Kong stukken bevatten geen ontlastend materiaal. Voor de genoemde bankafschrijving van € 30.000,- wordt eveneens verwezen naar het faillissementsdossier.

Ad 6)
Reeds ter terechtzitting heeft de rechtbank zich over dit vraagstuk gebogen. De rechtbank herhaalt haar overwegingen (zittingsproces-verbaal 13 september 2010). In het dossier is in het algemeen proces-verbaal onder 4.4 een overzicht gegeven van welke rechtshulpverzoeken zijn gedaan en wat de rechtshulpverzoeken inhielden. Die informatie was al bekend vanaf april 2008, toen het dossier verspreid is. In het algemeen proces-verbaal is aangegeven dat die rechtshulpdossiers op het parket ter inzage aanwezig zijn. De verdediging heeft van de mogelijkheid om deze dossiers in te zien geen gebruik gemaakt.
In de processen-verbaal van de verhoren en de doorzoekingen, zoals het verhoor van [betrokkene 1] en [betrokkene 11] in België in het Bioblue-dossier, staat vermeld welke Nederlandse verbalisanten bij de verhoren en de doorzoekingen aanwezig waren. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk op welke wijze de verhoren in het kader van de internationale rechtshulp zijn uitgevoerd. Niet is gebleken dat er zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die een meer uitgebreide verslaglegging noodzakelijk maakte.

Ad 7)
Anders dan de verdediging aanvoert, heeft de (staats)autonomie van de twee betrokken landen tot gevolg dat een officier van justitie zijn Belgische collega en/of de Belgische onderzoeksrechter geen opdrachten kan geven of anderszins kan inperken bij het wederzijds afstemmen van een vervolging in beide betrokken landen in geval van mogelijk (nauw) verwante strafbare feiten. Voor de officier van justitie is op dit onderdeel niet meer mogelijk dan een oriënterend overleg met de bevoegde Belgische justitiële autoriteiten. Een eventueel latere -in de visie van de verdediging- dubbele vervolging als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht dient in België in het kader van een eventueel later strafproces aldaar naar voren te worden gebracht. Op dit punt is dus niet gebleken van enig vormverzuim aan de zijde van het openbaar ministerie of van een (dreigende) schending van art. 6 van het EVRM door de Nederlandse autoriteiten.

Ad 8) Ten aanzien van het verweer betreffende de berichtgeving in de media wordt het volgende overwogen.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte noodzakelijk is dat er door het openbaar ministerie, zeker in de fase dat er nog sprake is van verdenking, zorgvuldig wordt omgegaan met de berichtgeving in de verschillende media. Dat wil echter niet zeggen dat het openbaar ministerie geen enkele mededeling zou mogen doen.

Bij beoordeling van de vraag of de berichtgeving voldoende zorgvuldig is geweest is de volgende berichtgeving van belang.
- a: Op 7 januari 2008 is in een persbericht medegedeeld dat de Nederlandse en Belgische politie in totaal zeven personen hebben aangehouden die worden verdacht van een grote internationale beleggingsfraude. De verdachten vormden volgens de recherche een criminele organisatie die de afgelopen 10 jaar voor tientallen miljoenen euro's heeft gefraudeerd.
- b: De persofficier is op 21 september 2009, de eerste dag van de inhoudelijke behandeling van de zaak, op uitnodiging van Nova door Nova geïnterviewd. Zij heeft verklaard dat de verdachten voor meerdere projecten geld hebben verworven en dat niet al het geld is terecht gekomen bij die projecten, gedeeltelijk wel, maar geld is ook voor andere doeleinden besteed. Verder heeft zij op de vraag om hoeveel geld het gaat niet, zoals de verdediging heeft aangevoerd, verklaard dat het om 100 miljoen zou gaan. Zij heeft geantwoord dat dat niet precies te zeggen is, omdat het om een constructie van een wirwar van vennootschappen zou gaan en geldstromen door allerlei landen. Zij verklaarde verder dat het O.M. is gestopt met het doen van onderzoek naar het geld, omdat het te ingewikkeld was.
-c: Op internet zijn de jaarverslagen van 2007 en 2008 van het Bovenregionaal Rechercheoverleg (BRO) geplaatst. In 2007 wordt volstaan met de mededeling dat een grote beleggingsfraude zaak is gestart. In 2008 wordt als volgt verslag gedaan van het onderzoek. "Zeven verdachten zijn aangehouden. Uit het onderzoek bleek dat de twee hoofdverdachten voor tientallen miljoenen euro's hebben gefraudeerd. Ze spoorden beleggers aan te investeren in bedrijven waarvan zij deels eigenaar waren en lieten daarna deze ondernemingen failliet gaan. De BRZN toonde aan dat deze groep zich op grote schaal schuldig had gemaakt aan oplichting, verduistering, valsheid in geschrifte, witwassen en deelnemen aan een criminele organisatie."
- d: In het boek "Beleggen in gebakken lucht" wordt de onderhavige zaak besproken. De rechtbank zal hier verder geen aandacht aan besteden omdat niet aannemelijk is geworden dat de informatie die in het boek is opgenomen afkomstig is van het openbaar ministerie.
- e: Verder is er nog overgelegd een krantenartikel uit het Eindhovens Dagblad van 12 september 2008, waarin de toen op zitting aanwezige officier van justitie, niet zijnde de zaaksofficier, wordt geciteerd. De beide hoofdverdachten wordt verweten dat zij tien jaar lang bezig zijn geweest mensen op te lichten, waarbij tientallen miljoenen zijn verduisterd en waarbij verdachte [medeverdachte 1] financieel over lijken is gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat bij de berichten onder a en b genoemd geen sprake is van onzorgvuldige berichtgeving. Uit de tekst volgt dat het hier om een verdenking gaat en er wordt door de persofficier genuanceerd gereageerd op vragen van de medewerker van Nova. Het jaarverslag van het BRO uit 2008 bevat conclusies over de verdachten die stelliger geformuleerd zijn dan zou passen bij de status van het verdachte zijn. Het betreft hier echter geen mededeling van de officier van justitie met als doel de media te voorzien van informatie, maar een intern stuk van de BRO. Daar staat tegenover dat, omdat het stuk op internet is geplaatst, het daarmee voor een ieder toegankelijk is. Een meer terughoudende tekst was daarom op zijn plaats geweest. Dit laatste geldt ook voor de mededelingen van de officier van justitie op de pro forma zitting van 11 september 2008. Verduistering is uit de tenlastelegging geschrapt. Het is onder die omstandigheid onzorgvuldig om op zitting in aanwezigheid van de pers verdachte de verduistering van tientallen miljoenen euro te verwijten en genoemde ongenuanceerde uitlatingen te doen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door deze ongenuanceerde uitlatingen niet zodanig in zijn belang is geschaad dat van een eerlijke behandeling van zijn zaak geen sprake meer is. De rechtbank betrekt daarbij dat er ook toen ernstige bezwaren tegen verdachte waren ter zake de oplichting van investeerders die daardoor grote geldbedragen hadden verloren. De rechtbank zal dan ook het beroep op niet-ontvankelijk vanwege onzorgvuldige berichtgeving verwerpen.

Ad 9)
Vooropgesteld wordt dat het opportuniteitsbeginsel, neergelegd in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering, het O.M. het recht geeft om na een gebleken wetsovertreding al dan niet over te gaan tot vervolging van een verdachte. De rechtbank kan de beslissingen van de officier van justitie slechts in beperkte mate toetsen, in essentie of er sprake is van een rechtmatig gebruik van de bevoegdheid. Schending van het gelijkheidsbeginsel kan die rechtmatigheid aantasten. Van een dergelijke schending zou sprake kunnen zijn indien de officier van justitie bij een aantal gelijke gevallen deze verdachte wel zou vervolgen en een of meer ander(en) niet. De enkele omstandigheid dat derden van wie de gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging zouden kunnen zijn niet worden vervolgd, maakt niet dat er sprake is schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank zal nog afzonderlijk ingaan op de rol van verdachte binnen de ten laste gelegde projecten, maar voorafgaand daarop overweegt zij nu reeds dat de door de verdediging genoemde personen allen een andere betrokkenheid hebben bij de delicten dan verdachte. Daarom is er niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat het beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet worden verworpen.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering en dat bij het onderzoek ter terechtzitting voorts geen gronden zijn gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen, de beoordeling daarvan en de bewezenverklaring.

Opmerking vooraf.
In een bijlage bij dit vonnis zal de rechtbank een overzicht geven van de bronnen voor de bewijsmiddelen en de gebruikte afkortingen.

TPC International B.V.

TPC International B.V. (hierna verder te noemen TPC) was een bedrijf in vermogensbeheer en bedrijfsadvisering dat door [verdachte] in 1995 is opgericht. Het bedrijf stond onder toezicht van de AFM en DNB.
TPC hield zich bezig met formele beleggingen, in aandelen en obligaties, en informele beleggingen. De formele beleggingen maakten ongeveer 85% uit van het door TPC geadministreerde vermogen, de informele beleggingen ongeveer 15%. De investeerders waren over het algemeen tevreden over de resultaten van de formele beleggingen. De informele beleggingsprojecten zijn gedeeltelijk niet succesvol geweest.
De verdenkingen in deze strafzaak zijn gericht op deze informele projecten.

De inkomsten van TPC waren afkomstig van de vergoeding van 1% van het door TPC beheerde vermogen.

TPC kon met de formele beleggingen zelfstandig aan- en verkooptransacties verrichten binnen het kader van de in het vermogensbeheercontract gemaakte afspraken. Informele beleggingen konden alleen met tussenkomst van de cliënt gekocht en verkocht worden. De cliënt ging een overeenkomst aan met het desbetreffende bedrijf en de cliënt maakte zelf het geld over, ofwel rechtstreeks naar het bedrijf, ofwel naar een derdenrekening.
Alle afspraken met de cliënten werden schriftelijk vastgelegd. Bij de aanvang werd een cliëntenprofiel gemaakt waarin het beleid en de afspraken vastlagen en de cliënten ontvingen 4 keer per jaar een kwartaalrapportage. De profielen werden regelmatig bijgesteld, in overleg met de cliënten. Bij het begin van de relatie met cliënt werd een vermogensbeheercontract getekend met bijlagen. Zowel de overeenkomst als de bijlagen werden apart getekend. In de bijlagen ging het met name om het vastleggen van de soorten beleggingen en risico's.

Per 31 mei 2005 is TPC gestopt met alle vermogensbeheeractiviteiten en is TPC doorgegaan met het verzorgen van effectenadministraties1. Op 25 januari 2006 is TPC failliet verklaard.

De rechtspersoon TPC:
[holding van verdachte]was sinds 3 september 2004 enig aandeelhouder van TPC.
[verdachte] was directeur van TPC.
De volgende gevolmachtigde bestuurders zijn bij TPC betrokken geweest:
[betrokkene 12] van 1 november 1999 tot 14 april 2004;
[betrokkene 13] van 1 januari 2003 tot 31 augustus 2004;
[betrokkene 14] van 1 januari 2003 tot 28 april 2004;
[medeverdachte 2] van 1 juni 2003 tot 30 november 2005;
[medeverdachte 3] van 1 juni 2003 tot 1 juni 2005;
[medeverdachte 4] van 1 juli 1999 tot 30 november 20052.

[betrokkene 12], [betrokkene 13], [betrokkene 14] en daarnaast ook [betrokkene 15] en [betrokkene 16] fungeerden binnen TPC als vermogensbeheerders/klanten- of relatiebeheerders/accountmanagers3.

De rollen van [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zullen hierna worden besproken. Datzelfde geldt voor de rol van [medeverdachte 1] die tot op heden onbesproken is gebleven.
Hun betrokkenheid bij de strafbare feiten en hun rol binnen de informele projecten zullen bij de bewijsoverwegingen nog aanvullend worden behandeld.

Binnen TPC waren als werknemers verder o.a. [getuige 1] en [getuige 2] in dienst. [getuige 1] deed de effectenadministratie en correspondentie voor de vermogensbeheerders en werkte direct onder [medeverdachte 3]. [getuige 2] was gedurende een half jaar de chauffeur van [verdachte]4.

Om gezamenlijke informele projecten te begeleiden (o.a. Radiant Pictures B.V., Bioblue en TTS) is Advantis Holding B.V. (hierna Advantis) opgericht.
[medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [verdachte], [betrokkene 4] en [betrokkene 3] participeerden via hun holdingen in Advantis5.
[betrokkene 4] heeft als administrateur en belastingadviseur werkzaamheden voor TPC verricht en is via Advantis betrokken geraakt bij informele projecten. Ditzelfde geldt voor [betrokkene 3].




De rolverdeling:
[verdachte] was eigenaar directeur en enig aandeelhouder van [holding van verdachte] en deze holding was 100% aandeelhouder van TPC. [verdachte] was directeur van TPC. Daarnaast had [verdachte] via zijn holding een belang van 30% in Advantis Group Holding B.V6.
[verdachte] heeft zelf verklaard dat hij algemeen manager was binnen TPC en dat in het algemeen de macht bij de algemene vergadering van aandeelhouders ligt dus in het geval van TPC bij [holding verdachte], dus bij hemzelf7.
Over de feitelijke rol van [verdachte] binnen TPC hebben ook voornoemde personen verklaringen afgelegd. Zo heeft [medeverdachte 2] verklaard dat [verdachte] algemeen directeur was van TPC, dat [verdachte] het woord deed en alles van [verdachte] af kwam8. [betrokkene 4] heeft verklaard dat binnen TPC [verdachte] de baas was9. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] de dirigent was van het geheel; [verdachte] was vermogensbeheerder, verkoper en projectmanager10.

[medeverdachte 3] is in september 1999 in dienst getreden van TPC en hij is vanaf 1 juni 2003 middels [holding medeverdachte 3] aldaar werkzaam geweest; hij was vanaf die datum ook statutair directeur van TPC. Via zijn holding had [medeverdachte 3] aandelen in Advantis Group Holding en was daarvan directeur11.
[medeverdachte 3] is op 1 september 1999 bij TPC begonnen als junior relationship manager. In het begin heeft hij zich alleen bezig gehouden met het voeren van de beleggingsadministratie voor de klanten van TPC. Vanaf 2001 is hij met [verdachte] geleidelijk ook meegegaan naar klanten en maakte hij de verslagen van die bezoeken. Hij gaf daarnaast leiding aan de (vrouwelijke) medewerkers belast met de beleggingsadministratie.
[medeverdachte 3] heeft tot 31 mei 2005 voor TPC gewerkt12.
Over de rol van [medeverdachte 3] heeft [getuige 1] verklaard dat [medeverdachte 3] de schakel was tussen de backoffice en [verdachte], dat [medeverdachte 3] overzicht had over de projecten en prospectussen maakte op basis van informatie die [verdachte] aanleverde13.

[medeverdachte 4] is in 1996 in dienst getreden bij TPC en hij is daar vanaf 2003 door middel van [holding medeverdachte 4] tot 1 december 2005 werkzaam geweest. Hij was vanaf 1 juni 2003 ook statutair directeur van TPC. Daarnaast had [medeverdachte 4] via zijn holding een deelneming in de Advantis Group B.V. en was daarvan directeur14.
[medeverdachte 4] was office manager en deed de interne boekhouding van het bedrijf en de bedrijfsadministratie. Ook hield hij klantendossiers bij15.
Hij verzorgde samen met [medeverdachte 3] daarnaast administratieve werkzaamheden voor de informele projecten, zoals het maken van prospectussen16.

[medeverdachte 2] is op 1 juni 2003 voor TPC gaan werken. Hij was vermogensbeheerder voor de klanten die hij uit hoofde van een eerdere functie zelf reeds had. Hij heeft aan zijn klanten ook informele projecten aangeboden17.[medeverdachte 2] is op verzoek van [verdachte] en [medeverdachte 1] bestuurder van het informele project Bucephalus geworden18. Bij de bespreking van de oplichting van [aangever 1] zal de rechtbank nader op die rol ingaan.

Voor de volledigheid merkt de rechtbank over TPC nog op dat het O.M. in zijn requisitoir TPC als kernlid van de criminele organisatie heeft bestempeld, maar dat het O.M. TPC uitdrukkelijk niet als de criminele organisatie beschouwt.

De rol van [medeverdachte 1].
[medeverdachte 1], van beroep advocaat, verrichtte werkzaamheden voor TPC en Advantis. Dit werk bestond onder meer uit juridische advisering19.
Daarnaast was [medeverdachte 1] ofwel als natuurlijke persoon ofwel via een van zijn rechtspersonen betrokken bij de informele projecten20. De rechtbank zal bij de bespreking van het door de verdediging gevoerde verweer over diens rol en voorts in de bewijsoverwegingen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten nader ingaan op de rol van [medeverdachte 1].
Voor de volledigheid overweegt de rechtbank nog dat [medeverdachte 1] per 16 oktober 2006 op eigen verzoek is uitgeschreven als advocaat21.

Bespreking van feit 2, de ten laste gelegde oplichtingen.
De rechtbank zal verdachte op een onderdeel vrijspreken en zal enkele verweren over de oplichtingen in het algemeen bespreken. Daarna zullen de afzonderlijke ten laste gelegde oplichtingen per informeel project worden besproken en zullen conclusies worden getrokken.

Partiële vrijspraak feit 2 (belangenvermelding).
Verdachten wordt in de projecten [HONG KONG HOLDING], [BEDRIJFSNAAM], Radiant, Bioblue en TTS verweten dat zij hebben nagelaten te vermelden dat zij financiële belangen hadden in het project. Bij het onderzoek ter terechtzitting hebben de verdachten verklaard dat aan de investeerders is medegedeeld dat [verdachte] en [medeverdachte 1] via hun persoonlijke vennootschappen belangen hadden in de informele projecten. Hierin werd niet een belangentegenstelling gezien, maar men zag het zoals [verdachte] heeft verklaard als een parallel belang. Door een belang te hebben in de onderneming werd de betrokkenheid bij de onderneming getoond. Het was op deze manier mogelijk om controle te houden op de gang van zaken binnen het project en dat was in het belang van de investeerders. Verschillende investeerders hebben verklaard dat ze het positief vonden dat [verdachte] en [medeverdachte 1] belangen hadden in de onderneming. In hun geval is er geen verband tussen het bewegen van investeerders tot de investering en het niet vermelden van de belangen. Enkele investeerders hebben verklaard dat zij er niet van op de hoogte waren dat [verdachte] en [medeverdachte 1] belangen hadden in Radiant. De rechtbank is er echter niet van overtuigd dat de verdachten in die gevallen deze melding hebben nagelaten omdat zij wilden voorkomen dat de investeerders om die reden niet zouden deelnemen in het project. Daarom zullen verdachten in de genoemde projecten worden vrijgesproken van het verwijt dat zij hun belangen niet hebben vermeld.

Verweer eigen verantwoordelijkheid van de investeerder.
Door de verdediging is aangevoerd dat de aangevers/benadeelden zelf een onderzoeksplicht hadden en niet zonder meer konden vertrouwen op de informatie die hen schriftelijk en mondeling is gegeven. De meeste investeerders hebben een goede opleiding genoten, verschillende investeerders zijn zelfs financieel goed onderlegd. Zij moeten dan ook in staat worden geacht om de aangeboden informatie zelf kritisch te beoordelen.

De rechtbank overweegt als volgt.
Een vermogensbeheerder dient zijn cliënt op passende wijze te informeren over inhoud en risico's van de aangeboden beleggingen/investeringsmogelijkheden. De bij de aanbieder aanwezige relevante informatie dient beschikbaar te worden gesteld aan de aspirant-beleggers. De overgedragen informatie dient dus volledig en juist te zijn. Ook dient een adequaat beeld geschetst te worden van de aan de investering verbonden risico's. Deze uitgangspunten/normen komen terug en zijn verder uitgewerkt in de nadere regelgeving van de AFM.
Aan deze informatievoorziening kunnen hogere eisen worden gesteld indien, zoals in een aantal projecten in deze strafzaak, verdachten tevens de bedenkers/initiatiefnemers zijn van het project waar de investering betrekking op heeft, dan wel werkzaam zijn bij het bedrijf dat die investeringen aanbiedt. Vooral bij aanvullende fondsverwerving binnen een project, waarbij er dus bij verdachten al kennis is van het verloop van het project tot dan toe, dient de voorlichting een volledig en reëel beeld te geven van het project, ook waar dat betreft de eventuele verliezen tot dan toe.
Indien dergelijke informatie niet wordt gegeven, of door het geven van onjuiste en/of onvolledige informatie een te positief beeld wordt geschetst van de investeringsmogelijkheid kan sprake zijn van oplichting indien de aanbieder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de feitelijk verstrekte informatie onjuist en onvolledig is. Daarbij kan tevens acht worden geslagen op hetgeen door verdachte of zijn mededader(s) mondeling is medegedeeld.

De rechtbank deelt de mening dat de investeerders een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het beoordelen van het beleggingsproject niet in de gevallen dat door de verstrekte informatie aantoonbaar een onjuiste en/of onvolledig beeld wordt geschetst.

Verweer wederrechtelijke bevoordeling.
De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het oogmerk heeft gehad op wederrechtelijke bevoordeling.

De rechtbank deelt dit standpunt van de verdediging niet maar volgt de officier van justitie in hetgeen door hem in repliek is aangevoerd.
Door beleggers zijn op voorspraak van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) miljoenen euro's geïnvesteerd in projecten als BioBlue, Brand Names, Bucephalus, Radiant, [HONG KONG HOLDING] en TTS. Deze ondernemingen hebben met die kapitaalinjecties voordeel genoten.
Daarnaast ontving TPC International B.V. 1% van het geïnvesteerde bedrag als vergoeding. [verdachte] en [medeverdachte 1] ontvingen inkomsten of vergoedingen uit de verschillende projecten in de vorm van managementfee's, vergoeding voor de infrastructuur, commissievergoeding of declaratie voor gewerkte uren. In sommige projecten hadden zij de mogelijkheid om op gunstiger voorwaarden dan de overige beleggers aandelen te verkrijgen.
In de bewijsoverwegingen met betrekking tot de afzonderlijke projecten zal de rechtbank per project de bewijsmiddelen voor het bestanddeel van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling behandelen.
Omdat [verdachte] en [medeverdachte 1] deze inkomsten niet zouden hebben verkregen indien zij de investeerders niet hadden opgelicht beschouwt de rechtbank deze inkomsten als wederechtelijk verkregen voordeel.

Projecten P.I.M. Associates Ltd. en/of [Hong Kong holding]

De tenlastelegging in verkorte vorm weergeven:

(Feit 2A)
Met betrekking tot de projecten P.I.M. Associates Ltd. en/of [Hong Kong holding] heeft verdachte volgens de officier van justitie al dan niet samen met zijn mededader(s) met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 april 2005 in Venlo, en/of in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, en/of China en/of Hong Kong [aangever 2], [aangever 3], [aangever 4], [aangever 5], [aangever 6]en anderen bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid:
- niet te vermelden dat verdachte en zijn mededaders financiële belangen hadden in genoemde projecten;
- het geven van een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot de risico's verbonden aan het verstrekken van een lening aan/het kopen van een aandelenbelang/het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in genoemde ondernemingen;
- misbruik te maken van bij genoemde beleggers/investeerder opgewekt vertrouwen;
- mee te delen/de indruk te wekken dat P.I.M. Associates Ltd. en de (rechts)opvolger [Hong Kong holding] de vrije beschikking zouden hebben over een licentie- overeenkomst voor onbepaalde tijd voor de productie, distributie en verkoop van kleding voorzien van het Greenpeace logo;
- mee te delen/de indruk te wekken dat P.I.M. Associates Ltd., mede dankzij het Greenpeace-project, winst had gemaakt en dat investeerders in P.I.M. Associates Ltd. hun oorspronkelijke inleg vermeerderd met een rendement van 25% hadden ontvangen/zouden ontvangen.

De rechtbank zal hierna eerst de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergeven.
Aansluitend zal een zakelijke weergave van de bewijsmiddelen worden gegeven.
Allereerst zullen daarbij de beleggingen/investeringen van de in de dagvaarding genoemde personen worden beschreven. Naast het bedrag zal tevens worden aangegeven op welke datum het geld beschikbaar is gesteld. Vervolgens zal worden vermeld wat de aangevers/getuigen hebben verklaard over de informatie die zij hebben ontvangen van de zijde van TPC, wie die informatie heeft verschaft, en wanneer dit heeft plaats gehad.
Dan zal worden aangeven welke schriftelijke informatie van de zijde van TPC is opgesteld. Bij die bespreking zullen met name die passages genoemd worden die later in het vonnis aan de orde zullen komen. Vervolgens zullen de jaarstukken van PIM (1998-1999) en [HONG KONG HOLDING] (1998 tot en met 2003) zakelijk worden weergegeven. In het daarop volgende deel zal een aantal aspecten uit de schriftelijke informatie nader worden besproken, waarbij de rechtbank zal aangeven waarom zij die bepaalde uitlatingen voor de beleggers/investeerders onjuist en/of misleidend acht. Om de eventuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van [verdachte] en/of [medeverdachte 1] in dit feitencomplex vast te stellen is het nodig om vast te stellen of hij/zij wist(en) van de werkelijke situatie binnen [HONG KONG HOLDING] en of hij/zij op basis van zijn/hun formele en materiële positie hij/zij heeft/hebben ingenomen binnen de [HONG KONG HOLDING]-structuur zelf handelden of anderszins de feitelijk zeggenschap hadden. Om die reden zal een aantal bewijsmiddelen worden vermeld die naast de formele ook de feitelijke gang van zaken beschrijven rond [verdachte] en [medeverdachte 1] vanaf de start van het Greenpeace-project tot de laatste (directe) investeringsronde voor [HONG KONG HOLDING] in de periode april - augustus 2003. Tenslotte zal worden bezien of en zo ja welk wederrechtelijk voordeel [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of derde(n) heeft/hebben gehad door het handelen van [medeverdachte 1] en/of [verdachte].
Gelet op de complexiteit van het [HONG KONG HOLDING]-dossier, zal de rechtbank op een aantal punten al afsluiten met haar oordeel op dit punt. De rechtbank zal vervolgens afsluiten met haar beslissingen en de motivering ervan.

(Standpunten.......)

Geldigheid dagvaarding
Het antwoord op de vraag of de tekst van de dagvaarding voldoende feitelijke informatie bevat, dient naast de tekst van de tenlastelegging zelf te worden beoordeeld op basis van de inhoud van het dossier en van de bespreking van de feiten ter terechtzitting. Uit de tekst van de dagvaarding blijkt niet alleen op welke personen de officier van justitie zijn verwijt toe heeft gesneden, maar blijkt ook welke concrete aspecten van het gedrag en de uitlatingen van verdachten het openbaar ministerie aan de rechter ter beoordeling wilde voorleggen.
Ook uit de behandeling ter zitting blijkt dat [verdachte] heeft begrepen welke gedragingen aan hem worden verweten.
Onder deze omstandigheden voldoet de dagvaarding aan de eisen die art. 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de gestelde eisen.

Voor een goed begrip van het verdere subdossier [HONG KONG HOLDING] volgt hier een beknopte uiteenzetting van de in dit subdossier voorkomende bedrijfsnamen en hun onderlinge verhouding.
[Hong Kong holding] (verder [HONG KONG HOLDING]) fungeert als Pagina: 15
[0] Holding met dochters in Nederland en Sjanghai. Kewl is in de loop van het jaar 2000 ingebracht in [HONG KONG HOLDING]
Nederlandse [HONG KONG HOLDING]-bedrijven: betreffen [HONG KONG HOLDING] Retail BV (kledingwinkels), ACC BV (groothandel, import en verkoop van o.a. Duncan Jeans en Leopard sportkleding), voorheen Kewl Clothing. De productie-eenheid in Shanghai, een joint venture waarvan het overgrote deel van de aandelen aan [HONG KONG HOLDING] ltd. toebehoort in de ten laste gelegde periode, staat bekend als [Shanghai vennootschap], afgekort tot [SHANGHAI VENNOOTSCHAP].

(.........)

Beoordeling

Partiële vrijspraak.
Uit de door [medeverdachte 1] overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat Greenpeace geen bezwaar heeft gemaakt tegen de het feit dat de licentieovereenkomst werd uitgevoerd door PIM. Greenpeace heeft uitdrukkelijk de eerder gedane bestelling bevestigd richting PIM. Of de licentieovereenkomst daarmee vrij overdraagbaar was, valt te bezien. Een dergelijke wijziging kan immers niet zonder instemming van de wederpartij, in casu Greenpeace. Van misleiding van de investeerders is echter een sprake omdat Greenpeace de rechten uit de licentieovereenkomst kon uitoefenen, zodat vrijspraak op dit onderdeel dient te volgen.

Overige beoordelingen.
Alle investeerders hebben verklaard dat door [verdachte] en soms ook [medeverdachte 1] mondeling is aangegeven dat de risico's beperkt dan wel (nagenoeg) afwezig waren. Ook hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] nagelaten de investeerders juiste informatie te verschaffen. In de brochures uit juni 2000, januari 2001 en juli 2001 over de mogelijkheid tot beleggen in [HONG KONG HOLDING] staan aantoonbare onjuiste, onvolledige en misleidende teksten. Ook bij gelegenheid van de bijeenkomst in Cuijk op 12 april 2003 is onjuiste en anderszins misleidende informatie verstrekt aan de daar aanwezige beleggers/investeerders in [HONG KONG HOLDING] . De rechtbank doelt dat met name op de volgende gedeelten uit die brochures/presentatie. In de brochures uit 2000 en 2001, maar ook tijdens de bijeenkomst op 12 april 2003 werd niet vermeld dat [HONG KONG HOLDING] en P.I.M. vanaf de oprichting 1998/1999 structureel verliesgevend waren geweest In de brochure van juni 2000 wordt verder ten onrechte vermeld dat de fabriek in Shanghai nagenoeg vanaf het begin winstgevend is geweest. Uit de beschikbare jaarstukken van de fabriek in Shanghai en de verklaring van [betrokkene 17], [betrokkene 8] en [betrokkene 18] volgt dat de fabriek in Shanghai geen winst heeft gemaakt in de periode tot en met 2003. De rechtbank verwijst voor de financiële situatie bij de fabriek naar hetgeen hierover bij het project Bucephalus wordt besproken. In ditzelfde stuk van juni 2000 wordt gesteld dat de investeerders in het Greenpeace-project "het ingelegde geld + 25 % werd uitgekeerd". Dit laatste is waar voor wat betreft de hoogte van het geldbedrag, maar uit onderzoek van de politie blijkt dat deze uitkeringen plaatsvonden vanaf de rekening van [HONG KONG HOLDING] en pas nadat beleggers (op)nieuw geld hadden geïnvesteerd in [HONG KONG HOLDING], en niet uit de zakelijke resultaten van PIM.
In de brochure van januari 2001 wordt opnieuw op misleidende wijze verwezen naar het Greenpeace-project. Door in een tekst de zinsnede "de eerste onderneming, die werd gefinancierd door achtergestelde, hoogrentende leningen met een bedrijfswinstafhankelijke component "(cursivering door rb) te combineren met de zinsnede (...looptijd van iets meer dan een jaar en in april werd aan alle investeerders hun originele inleg terugbetaald, vermeerderd met maar liefst 25%. (cursivering door rb) Hierboven is reeds aangegeven waarom deze mededeling onvolledig en misleidend is. Hetzelfde is het geval met de mededeling ter zake de fabriek in Shanghai: die was (in elk geval) toen niet winstgevend.

[medeverdachte 1] en [verdachte] waren van de onjuistheden en het misleidende karakter van die mededelingen en teksten op de hoogte. Zij droegen niet alleen kennis van de financiële situatie binnen [HONG KONG HOLDING], maar waren uiteraard ook op de hoogte van de winst- en verliesrekeningen van PIM en [HONG KONG HOLDING]. Verder waren zij -aanvankelijk als directeur, maar ook daarna (al dan niet als directeur en/of lid van de supervisory board) feitelijk in staat om beslissingen te nemen en deden dat ook. De rechtbank leidt dit af uit de verklaringen van de getuigen [betrokkene 8], [getuige 1], [getuige 3], [betrokkene 17], [getuige 4], [getuige 5] en [betrokkene 19]. Dit beeld wordt bevestigd door schriftelijke stukken, zowel op het gebied van de gezamenlijke besluitvorming binnen de (feitelijke) aansturing van [HONG KONG HOLDING] als voor wat betreft de wetenschap over de financiële situatie van [HONG KONG HOLDING]. Uit die verklaringen en schriftelijke stukken volgt ondubbelzinnig dat [medeverdachte 1] en [verdachte] gedurende de gehele periode 2000 - 2003, de periode waarin er geld werd geïnvesteerd door beleggers door tussenkomst van [verdachte]/TPC, feitelijk de zeggenschap hadden binnen [HONG KONG HOLDING]. De rol van zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] is op grond van de geciteerde verklaringen en stukken gedurende de gehele periode niet veranderd ook al zijn [medeverdachte 1] in de loop van 2001 en [verdachte] per 1 augustus 2002 formeel teruggetreden als directeur van [HONG KONG HOLDING]. In de brochures van januari 2001 en juli 2001 staat overigens vermeld dat [medeverdachte 1] bestuurder is van [HONG KONG HOLDING]. (p. 7 brochure januari 2001, p. 9 brochure juli 2001).
De hierboven genoemde getuigen bevestigen deze rol van [medeverdachte 1], maar ook [verdachte] bevestigt in zijn hierboven geciteerde verklaring als getuige bij de rechter-commissaris dat [medeverdachte 1] mede-ondernemer was in het [HONG KONG HOLDING]-project.

Tijdens de bijeenkomst op 12 april 2003 is naar de aanwezige investeerders toe ten onrechte de indruk gewekt dat het kapitaalverlies binnen [HONG KONG HOLDING] is veroorzaakt door [betrokkene 8] en dat deze problemen voor [medeverdachte 1] en [verdachte] in februari 2003 als een verrassing kwamen. Uit de verklaring van [betrokkene 8], maar met name uit de hierboven genoemde stukken uit de periode 2001 tot en met najaar 2002 volgt dat [medeverdachte 1], [verdachte] en [betrokkene 8] gezamenlijk hebben besloten overnames te doen en dat zij daar alle drie nauw en intensief bij betrokken waren. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 1] zich tegenover derden heeft opgesteld als de advocaat van [HONG KONG HOLDING], maakt dat niet anders.
Verdachten hebben, ondanks deze kennis van de werkelijke toestand, schriftelijk maar ook mondeling in 2000 en 2001 mededelingen gedaan die er op neerkwamen dat beleggen in [HONG KONG HOLDING] een weinig risicovolle, veilige en zeer winstgevende belegging was. De getuigenverklaringen van de beleggers/investeerders over deze mededelingen geven een min of meer eenduidig beeld. Ook tijdens de bijeenkomst op 12 april 2003 is de ware gang van zaken niet verteld aan de investeerders. Met name de eigen betrokkenheid bij de tegenvallende resultaten werd bewust verzwegen.
De cliënten hadden een groot (persoonlijk) vertrouwen in [verdachte] en mochten dat ook hebben, gelet op zijn staat van dienst als bankier en (nadien) zijn positie als vermogensbeheerder. De (positieve) resultaten binnen het formele vermogensbeheer door TPC/[verdachte] zullen ongetwijfeld het vertrouwen van deze beleggers/investeerders in [verdachte] hebben vergroot. Daardoor waren de beleggers/investeerders nog meer geneigd om te vertrouwen op de inhoud van de adviezen van [verdachte] en de brochures van [HONG KONG HOLDING] Ook op 12 april 2003 werd ten onrechte het beeld geschetst dat [verdachte] en [medeverdachte 1] "schone handen"hadden met betrekking tot de problemen van [HONG KONG HOLDING] en daarmee werd de investeerders geen eerlijk beeld gegeven inzake de risico's van verder investeren in [HONG KONG HOLDING].
Omdat, zoals hiervoor al is vastgesteld, [verdachte] en [medeverdachte 1] wisten dat hetgeen dat werd verteld tegen investeerders en/of werd opgenomen in de brochures en de presentatie onjuist en onvolledig was, hebben zij beiden opzettelijk gehandeld bij het verstrekken van deze onjuiste en onvolledige gegevens .
Beiden waren volledig geïnformeerd over de financiële werkelijkheid binnen [HONG KONG HOLDING] en beiden kenden de inhoud van de brochures en presentatie. [medeverdachte 1] bleef gedurende de ten laste gelegde periode -in nauwe en volledige samenwerking met [verdachte]- de aansturende kracht binnen [HONG KONG HOLDING] en hij en [verdachte] bepaalden de koers van [HONG KONG HOLDING]. Beiden hadden een gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Dit is voldoende om te kunnen spreken van medeplegen.

Het begrip "zichzelf of een ander te bevoordelen" is niet alleen van toepassing indien niet verdachte voor zichzelf of een mededader direct persoonlijk geldelijk voordeel behaalt, maar kan er ook in bestaan dat derden, zoals in deze zaak de beleggers/investeerders door toepassing van oplichtingsmiddelen worden overgehaald om hun geld toe te vertrouwen aan verdachten ten behoeve van het [HONG KONG HOLDING]-project en/of daaraan gelieerde dochtervennootschappen. Beide verdachten hebben bovendien in de periode 2000 tot en met 2003 ook rechtstreeks geldelijke voordeel gehad. [verdachte] ontving via zijn bedrijf TPC van alle beheerde gelden de algemene beheervergoeding van (doorgaans) 1% TPC. TPC en/of [verdachte] ontvingen bovendien aanvullende fee's. Zo kreeg [verdachte]/TPC een fee van 3% bij een aantal investeringsronden ten behoeve van [HONG KONG HOLDING], zoals onder meer een bedrag van
f. 880.000,-- zoals blijkt uit de geciteerde jaarstukken over 2001. Voor zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] geldt bovendien dat zij in het project [HONG KONG HOLDING] een aanzienlijk aandelenbelang tegen nominale waarde hebben verkregen, terwijl andere beleggers/investeerders (zeer) veel meer per aandeel hebben betaald. [medeverdachte 1] en [verdachte] behielden in 2000 aldus een wezenlijk belang in [HONG KONG HOLDING], terwijl de andere beleggers (het overgrote deel van) het geld bijeenbrachten waarmee het hele project werd uitgevoerd. [betrokkene 8], [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben in 1998 hun aandelen tegen de nominale waarde van 1 HK $ per aandeel (ongeveer f 0,25) verkregen, terwijl door de andere, latere, aandeelhouders (eind 2000) ruim f 107,-- per aandeel is betaald.

Door de raadslieden is aangevoerd dat de resultaten zoals weergegeven in de jaarlijkse winst-en verliesrekeningen van PIM en/of [HONG KONG HOLDING] niet te vergelijken zijn met een Nederlandse winst- en verliesrekening. De rechtbank merkt daarbij op dat er -kennelijk met instemming van [verdachte] en [medeverdachte 1] zelf - door de Chinese accountant in eerdere jaarstukken wel acht is geslagen op de resultaten van de Nederlandse dochter-vennootschappen en dat deze zijn betrokken in de winst- en verliesrekening van [HONG KONG HOLDING]. Verder is niet onderbouwd , noch anderszins aannemelijk geworden, op welke wijze de winst- en verliesrekening van [HONG KONG HOLDING] blijvend negatief zou zijn beïnvloed door de in de jaarrekening gebruikte waarderingsgrondslagen. Zelfs indien het verwerken van bepaalde financiële gevolgen van bedrijfsmatige activiteiten in een ander boekhoudkundig systeem pas op een later tijdstip mogelijk is, bij voorbeeld pas na daadwerkelijk verkoop of levering van goederen en/of betaling daarvan, dan leidt dat nog niet tot een (blijvend) lager resultaat. Een winstgevende bedrijfsactiviteit zal dan hooguit pas later blijken in de boekhouding. In elk geval zal ook het Chinese boekhoudkundig systeem niet leiden tot blijvend verliesgevende en/of structureel lagere bedrijfsresultaten dan de werkelijke. De omstandigheid dat ook in Hong Kong en China een vorm van belastingheffing is gebaseerd op bedrijfsresultaten, zie immers de winst- en verliesrekeningen, maakt het meer dan aannemelijk dat ook daar een volledige en betrouwbare vastlegging van bedrijfsresultaten in een boekhouding verplicht is.

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 februari 2000 tot en met 31 augustus 2003 in Nederland en China en Hong Kong tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,
mevrouw [aangever 2] en mevrouw [aangever 3] en [aangever 4] en mevrouw [aangever 5] en de heer [aangever 6]heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedragen, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan en/of het kopen van een aandelenbelang en/of het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in genoemde onderneming [Hong Kong holding] en
- misbruik gemaakt van het bij die beleggers/investeerders opgewekte vertrouwen en
- de indruk gewekt dat P.I.M. Associates Ltd., mede dankzij het Greenpeace-project, winst had gemaakt en dat dientengevolge de investeerders in P.I.M. Associates Ltd. hun
oorspronkelijke inleg (de door hen verstrekte lening) vermeerderd met een rendement van 25% (bestaande uit 12% rente en 13% winstrecht) hadden ontvangen;


Zie verder Vermogensbeheerder Wilfred Aalders deel 9b