We hebben 374 gasten online

Schumpeter invloedrijker dan John Maynard Keynes

Gepost in Overige economische berichten

Schumpeter en Keynes behoren tot de grootste economen van de 20ste eeuw. Vaak wordt echter meer aandacht besteed aan Keynes maar het is juist Schumpeter die de grootste invloed zal hebben op de economische theorie en het economisch beleid.

Artikel van Peter F. Drucker, oorspronkelijk verschenen in Forbes en in Nederland uitgebracht door Elzeviers Weekblad van 4 juni 1983. Daar waar nodig door mij in de tijd bijgesteld (JSW)

schumpeter

Schumpeter en Keynes waren geen tegenstanders. Beiden stelden zich kritisch op ten opzichte van de traditionele theorieën. De opponenten van Keynes waren dezelfde "Oostenrijkers", tegen wier ideeën Schumpeter zich tijdens zijn studietijd al had verzet: de neoklassieke economen van de Oostenrijkse School. En hoewel Schumpeter alle antwoorden van Keynes fout achtte, of op zijn minst misleidend, stond hij toch open voor diens ideeën. Hij was het zelfs die ervoor heeft gezorgd, dat Keynes bekendheid kreeg in Amerika.

Toen de "General Theory" van Keynes was uitgegeven, attendeerde Schumpeter, in die tijd verbonden aan de economische faculteit van Harvard, zijn studenten op dit werk en vertelde hun dat het zijn eigen vroegere verhandelingen over geld kon vervangen: Keynes, op zijn beurt, beschouwde Schumpeter als één van de weinige eigentijdse economen, voor wie hij respect kon opbrengen. In zijn lezingen kwam hij telkens weer terug op diens werken, die waren gepubliceerd gedurende de Eerste Wereldoorlog, vooral het essay over de "Rechenpfennige". als de eerste stimulans in de vorming van zijn gedachten over geld.

Keynes' meest succesvolle beleidsvoorstel, namelijk dat Engeland en de Verenigde Staten de Tweede Wereldoorlog zouden moeten financieren via belastingen en niet met leningen, kwam rechtstreeks van Schumpeter, die in 1918 al had gewaarschuwd voor de desastreuze gevolgen, die de financiering van de Eerste Wereldoorlog met leningen zou hebben.

Vrije markt

Schumpeter en Keynes worden vaak politiek tegenover elkaar gesteld. Schumpeter wordt dan afgeschilderd als de "conservatief' en Keynes als de "radicaal". Maar het omgekeerde is eigenlijk meer het geval. Politiek gesproken waren de ideeën van Keynes vrijwel gelijk aan wat we nu "neoconservatief' zouden noemen. Zijn theorie kwam voort uit zijn sterke gehechtheid aan de vrije markt en uit zijn wens politici en regeringen daarbuiten te houden. Schumpeter daarentegen, had ernstige twijfels aangaande de vrije markt. Hij vond dat een "intelligent monopolie", zoals bijvoorbeeld het systeem van de American Bell Telephone veel voordelen bood. In zo'n systeem kan men zich planning op lange termijn veroorloven, in tegenstelling tot een van transactie tot transactie voor de korte - termijn-politiek, gebaseerd op opportuniteit. Zijn beste vriend gedurende vele jaren was één van de meest radicale en doctrinaire socialisten van Europa, de Oostenrijker Otto Bauer die, hoewel een fel tegenstander van het communisme, nog meer tegen het kapitalistische systeem gekant was.

En Schumpeter, die zelf nooit enige neiging tot het socialisme heeft gehad, was in 1919 minister van Financiën in de enige socialistische regering, die Oostenrijk tussen de twee wereldoorlogen heeft gehad. Schumpeter heeft altijd beweerd, dat Marx het met zijn oplossingen van economische vraagstukken volledig bij het verkeerde eind had, maar hij beschouwde zichzelf wel als een zoon van Marx en bewonderde hem meer dan welke andere econoom ook. Marx stelde tenminste de juiste vragen, en voor Schumpeter waren vragen altijd belangrijker dan antwoorden.

Verschillen

De verschillen tussen Schumpeter en Keynes zillen veel dieper dan economische stellingen of politieke opvattingen. Zij zagen een verschillende economische realiteit, ze hielden zich met verschillende problemen bezig en ze definieerden het begrip "economie"op een verschillende manier. Om de tegenwoordige economische wereld te kunnen begrijpen, is een goed begrip. van bovengenoemde verschillen onontbeerlijk.

Hoewel Keynes met de klassieke economische denkbeelden had gebroken, bleef hij helemaal binnen het kader ervan. Hij was eerder een "ketter" dan een "ongelovige". Voor hem was economie de economie van het evenwicht conform de theorieën van Ricardo uit 1810, die overheersend waren in de negentiende eeuw. Volgens deze theorieën is economie gevat in een gesloten en statisch systeem. Keynes' belangrijkste vraag was dan ook dezelfde, die de negentiende-eeuwse economen zich hadden gesteld: "Hoe kan men een economie in balans, statisch, houden?"

Voor Keynes waren de belangrijkste economische problemen de relatie tussen de "echte economie" van goederen en diensten en de "symbool economie" van geld en krediet; de relatie tussen individuen en ondernemingen, de "macro-economie" van de nationale staat, en tot slot de vraag of productie (aanbod) of consumptie (vraag) de drijvende kracht van de economie is. In deze zin is Keynes op één lijn te stellen met Ricardo, John Stuart MiII, de "Oostenrijkers" en AIfred Marshall. Hoezeer ook de mees- ten van deze negentiende-eeuwse economen, en hier moet Marx ook toe worden gerekend, op andere vlakken verschillen, toch hebben ze op deze vragen dezelfde antwoorden gegeven: De "echte economie" overheerst en geld is slechts een "versluierende factor"; de micro-economie van individuen en ondernemingen is bepalend, en een regering kan in het beste geval kleinere discrepanties corrigeren en in het slechtste geval ontwrichtingen veroorzaken. Het aanbod is bepalend, terwijl de vraag daarvan een functie is. Keynes stelde dezelfde vragen als Ricardo, MilI, Marx, de "Oostenrijkers" en MarshalI, maar met een ongehoorde vermetelheid heeft hij elk van hun antwoorden op zijn kop gezet. In het Keynesiaanse systeem zijn geld en krediet "echt" en zijn goederen en diensten afhankelijk en de schaduw van de "symbool-economie". De macro-economie, de economie van de nationale staat, is alles, terwijl individuen en ondernemingen noch de macht hebben de economie te beïnvloeden, noch de mogelijkheid belangrijke beslissingen door te voeren, die tegen de krachten van de macro-economie ingaan. (n het Keynesiaanse systeem zijn economische fenomenen, zoals kapitaalvorming, productiviteit en werkgelegenheid functies van de vraag.

Inmiddels weten we, zoals Schumpeter vijftig jaar geleden al wist, dat elk van deze Keynesiaanse antwoorden fout is, . althans dat ze alleen maar in speciale' gevallen geldig zijn en binnen vrij nauwe grenzen.

Neem bijvoorbeeld Keynes' belangrijkste stelling: dat monetaire gebeurtenissen - zoals begrotingstekorten, rentetarieven, kredietvolume en .het volume van geld in omloop - de vraag bepalen en daarmee de economische condities. Dit is gebaseerd op de veronderstelling, zoals Keynes zelf benadrukte, dat de omloopsnelheid van geld constant is en niet op korte termijn kan worden veranderd door individuen of ondernemingen. Vijftig jaar geleden toonde Schumpeter aan dat deze veronderstelling door alle feiten wordt ontkend. En inderdaad blijkt proefondervindelijk, dat de vormen van economisch beleid van Keynes, zowel in de originele Keynesiaanse versie als in de aangepaste versie van Friedman, altijd worden gedwarsboomd door de "micro-economie" van ondernemingen en individuen, die op onvoorstelbare wijze en zonder waarschuwing de omloopsnelheid van geld binnen zeer korte tijd kunnen veranderen.

Toèn de Keynesiaanse voorschriften voor het eerst werden getoetst - in de Verenigde Staten gedurende de eerste dagen van de "New Deal" - leken ze aanvankelijk een hele positieve uitwerking te hebben. Maar in 1935 brachten, in slechts enkele maanden, consumenten en ondernemingen plotseling de omloopsnelheid van het geld enorm terug. Dat leidde tot een vroegtijdig einde van het herstel - dat was gebaseerd op de overheidsuitgaven leidende tot begrotingstekorten en tot een tweede instorting van de beurs in 1937.

Het beste voorbeeld is echter wat in de jaren '70 van de twintigste eeuw in de VS is gebeurd. De doelgerichte poging die de Federal Reserve ondernam om de economie te beheersen, door de geldtoevoer in de hand te houden, is grotendeels mislukt, doordat consumenten en ondernemingen plotseling hun lange geld kort gingen uitzetten. Geld met een geringe omloopsnelheid kreeg nu een grote omloopsnelheid. Dat ging door tot op een punt waarop niemand meer precies kon zeggen wat het "geldaanbod" was, of zelfs wat de term betekent.

Individuen en ondernemingen die zoveel mogelijk hun eigenbelang dienen en die worden geleid door de economische realiteit, zullen altijd een manier vinden, waarop ze het systeem te slim af kunnen zijn. Of. zoals in de Oostbloklanden, door de hele economie te veranderen in één grote zwarte markt, of, zoals in de VS zevetiger jaren is gebeurd, door het financiële systeem te transformeren ondanks wetten, voorschriften of economen.

Dit wil niet zeggen dat de economische wetenschap zal terugkeren tot het pre-Keynesiaanse neoclassisisme. Keynes' kritiek op de neoklassieke antwoorden is net zo definitief als Schumpeters kritiek op Keynes. Maar omdat we nu weten dat individuen het systeem kunnen en ook zullen verslaan, hebben we de zekerheid verloren die Keynes de economische wetenschap had toebedeeld en die het Keynesiaanse systeem vijftig jaar lang tot de leid-ster" van de economische theorie en de economische politiek heeft gemaakt.

Zowel het monetarisme van Friedman als de aanbodeconomie zijn wanhopige pogingen om het Keynesiaanse systeem van de evenwichtseconomie op te lappen. Maar het is niet waarschijnlijk dat die de in zichzelf besloten en zelfbewuste economie van Keynes kunnen herstellen. Men zal geen vertrouwen meer hebben in een economische theorie of een economische politiek, waarin met één factor, of het nu de regeringsuitgaven, rentetarieven, geldaanbod of belastingverlagingen zijn, de economie op een voorspelbare wijze kan worden gestuurd.

Vanaf het begin was het voor Schumpeter duidelijk dat de Keynesiaanse antwoorden niet méér geldig zouden zijn dan de pre-Keynesiaanse, waarvoor ze in de plaats waren gesteld. Maar voor hem was dat veel minder belangrijk dan het feit dat hij vond dat de Keynesiaanse vragen - en de vragen van diens voorgangers - absoluut niet de belangrijkste waren. Volgens hem lag de fundamentele fout in het uitgangspunt van Keynes: de veronderstelling dat de gezonde, de "normale" economie, een economie in evenwichtstoestand is. Schumpeter heeft daarentegen al vanaf zijn studietijd beweerd, dat een moderne economie altijd een dynamisch gebrek aan evenwicht vertoont. Schumpeters economie is geen gesloten systeem, zoals Newtons heelal, of Keynes' "macro-economie" . Zij blijft altijd groeien en veranderen, en is eerder biologisch dan mechanistisch van aard. Als Keynes een "ketter" was, dan was Schumpeter een "ongelovige".

Innovatie

In de tijd dat Wenen het belangrijkste centrum van de economische wetenschap was, studeerde Schumpeter bij de meest vooraanstaande Oostenrijkse economen, voor wie hij zijn leven lang eerbied is blijven koesteren. Maar zijn dissertatie "De theorie van de economische ontwikkeling", die uitkwam in 1911, toen de schrijver nog maar 28 jaar oud was, begint met de bewering dat het economische kernprobleem niet het evenwicht is, maar de structurele verandering. Dit heeft geleid tot Schumpeters beroemde stelling van de "innovator" als het wezenlijke onderwerp van de economische wetenschap. Klassieke economen vonden dat innovatie buiten het systeem viel: dit geldt ook voor Keynes.

Innovatie hoorde tot de categorie van "rampen van buitenaf', net als aardbevingen, het klimaat of oorlogen, die, zoals iedereen wist, diepgaande invloed hebben op de economie, maar die geen onderdeel uitmaken van de economische wetenschap. Schumpeter bleef volhouden dat juist innovatie - dat betekent het ondernemerschap, dat niet meer blijft terugvallen op oude en in onbruik gerakende bronnen, maar juist op zoek gaat naar nieuwe mogelijkheden die meer productieve werkgelegenheid opleveren - de essentie is van de economische wetenschap en zeer zeker van een moderne economie.

Hij had dit denkbeeld ontleend - en hij was zelf de eerste die dit toegaf - aan Marx. Maar hij gebruikte het om Marx te weerleggen. De "Economische ontwikkeling" van Schumpeter doet dat, wat noch de klassieke economen noch Marx noch Keynes konden: het laat winst een economische functie vervullen. In de economie van verandering en innovatie is winst niet, in tegenstelling tot bij Marx, een "Mehrwert", een "meerwaarde" gestolen van de arbeiders. Integendeel. Het is de enige bron voor banen en inkomsten voor de arbeiders.

De theorie van de economische ontwikkeling toont aan, dat niemand behalve de vernieuwer echte "winst" maakt, en ook dat de winst van die vernieuwer altijd kortstondig is. Maar innovatie is, in Schumpeters beroemde uitlating, ook "scheppende vernietiging". Het doet de kapitaal uitrusting en kapitaalinvestering van de vorige dag verouderen. Hoe meer een economie zich ontwikkelt, hoe meer nieuwe kapitaalvorming noodzakelijk is.

Kostenfactor

Daarom is dat, wat door de klassieke economen, of door de accountants op de beurs, als "winst" wordt beschouwd, eigenlijk een heuse kostenfactor: de kosten om zaken te kunnen blijven doen, de kosten voor een toekomst waarin niets te voorspellen is, behalve dan dat de zaak die vandaag winst opbrengt, morgen een kostbaar, maar nutteloos bezit kan worden. Zo zijn kapitaalvorming en productiviteit noodzakelijk om de capaciteit van de economie in stand te houden en om de banen van vandaag te handhaven en die van morgen te scheppen.

Schumpeters "innovator" met zijn "scheppende vernietiging" is tot nu toe de enige factor op basis waarvan kan worden uitgelegd waarom er zoiets is als wat wij ,,winst" noemen. De klassieke economen wisten maar al te goed dat hun theorie geen verklaring voor het fenomeen "winst" gaf. Inderdaad is er in de evenwichtseconomie van een gesloten systeem, geen plaats voor winst, geen rechtvaardiging ervoor en geen verklaring ervan. Als winst echter een kostenfactor is, en vooral als winst de enige manier is om banen te behouden en nieuwe te creëeren, dan wordt het "kapitalisme" weer een moreel verantwoord systeem.

Moraliteit en winst. De klassieke economen hadden aangetoond dat winst een noodzakelijke prikkel is voor degene die risico draagt. Maar is in dat geval niet sprake van omkoping en is het daarom niet onmogelijk om dit fenomeen moreel te verantwoorden?

Door dit dilemma was de meest briljante economist van de negentiende eeuw, John Stuart MilI, nog op latere leeftijd socialist geworden. En het had het Marx makkelijk gemaakt een onthechte analyse van het systeem te doen samensmelten met de morele weerzin van een profeet uit het Oude Testament tegen de "uitbuiters". Winst als belangrijkste motief vond Marx van dermate morele zwakheid getuigen, dat hij daarom de "kapitalist" als verdorven en immoreel veroordeelde. Hij verklaarde "wetenschappelijk" dat men met het nastreven van winst geen, enkel doel dient, en dat daarom de snelle ondergang ervan het gevolg zal zijn. Zodra men echter van het axioma van een onveranderlijke, op zichzelf staande, gesloten economie overgaat naar de dynamische. groeiende en veranderende economie van Schumpeter, dan is wat winst. wordt genoemd niet langer immoreel. Dan wordt het juist een morele verplichting.

De belangrijkste vraag is dan niet meer die welke de klassieken - ook Keynes nog - in beroering had gebracht: Hoe kan de economie worden gestructureerd om de steekpenningen die bestaan uit het functieloze overschot "winst" en die aan de "kapitalist" moeten worden overgelaten om de economie aan de gang te houden - tot een minimum terug te brengen? In de benadering van Schumpeter is de vraag altijd: Is er voldoende winst? Is er evenredige kapitaalvorming om in de kosten van de toekomst te kunnen voorzien, de kosten om zaken te kunnen blijven doen, de kosten voor de "scheppende vernietiging"?

Centrale vraag

Alleen al dit maakt van het economische model van Schumpeter het enige dat kan worden gebruikt als uitgangspunt voor de economische politiek die wij nodig hebben. Het is duidelijk dat de Keynesiaanse - ofwel klassieke methode voor het gezondmaken van de economie niet kan worden gevolgd, als dat al ooit het geval is geweest.

De fundamentele vraag die, vooral in de hoog ontwikkelde landen, aan de economische theorie en het beleid ten grondslag ligt, is duidelijk: Hoe kunnen kapitaalvorming en productiviteit in stand worden gehouden, zodat snelle technologische ontwikkelingen alsook de werkgelegenheid behouden kunnen blijven? Met welke minimumwinst kunnen de kosten in de toekomst worden gedekt? En, bovenal: welke minimumwinst is nodig om banen te behouden en te scheppen?

Schumpeter heeft geen antwoord gegeven; hij geloofde niet zo aan antwoorden. Maar zeventig jaar geleden stelde hij zich al de vraag, welke de centrale vraag van de economische theorie en het economische beleid in de toekomst gaat worden.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog realiseerde Schumpeter zich als eerste, zo'n tien jaar voordat Keynes dat deed,dat de economische werkelijkheid aan het veranderen was. Hij realiseerde zich dat de Eerste Wereldoorlog de oorzaak was van de monetarisering van de economieën van alle oorlogvoerenden. Land na land, waaronder ook zijn relatief achterlijke vaderland Oostenrijk-Hongarije, was er in geslaagd gedurende de oorlog alle liquide rijkdom van de gemeenschap in omloop te brengen, gedeeltelijk door het heffen van belasting maar hoofdzakelijk door te lenen. Geld en krediet, veel meer dan goederen 'en diensten, maakten nu de "echte economie" uit.

In een briljant essay, dat werd gepubliceerd in een Duits economisch tijdschrift in juli 1918 - toen de wereld waarin Schumpeter was opgegroeid, in elkaar stortte - beargumenteerde hij dat van af dat moment geld en krediet de middelen waren, waarmee de economie zou worden beheerst. Wat hij wilde zeggen was, dat noch het aanbod van goederen, zoals de klassieken meenden, noch de vraag naar goederen, zoals enkele eerdere afgescheidenen hadden beweerd, de economie zouden beheersen. Monetaire factoren - tekorten, geld, krediet, belastingen - zouden de bepalende factoren voor economische activiteit worden en voor het benutten van nieuwe middelen van bestaan.

Dit is natuurlijk het zelfde inzicht als dat waarop Keynes later zijn "Algemene theorie" baseerde. Maar de conclusies van Schumpeter waren totaal anders dan die van Keynes. Keynes kwam tot de conclusie dat het verschijnen van de "symbolen-economie" van geld en krediet het bestaan van de "econoom-koning" mogelijk maakte, de wetenschappelijke econoom die door middel van een paar simpele monetaire handelingen - overheidsuitgaven, rentetarieven, kredietvolume of de circulerende hoeveelheid geld - een constant evenwicht zou kunnen behouden, met volledige werkgelegenheid, welvaart en stabiliteit. Maar de conclusie van Schumpeter was, dat het bestaan van de "symbool-economie" als de heersende economie de weg opende naar tirannie en in wezen ook tirannie uitlokte. Dat de econoom zich nu als onfeilbaar zou kunnen opstellen beschouwde hij als pure overmoed. Bovenal zag hij dat niet de economen de toekomstige machthebbers zouden zijn, maar de politici en de generaals.

 

Toverstaf

In datzelfde jaar, net voor het einde van de Eerste Wereldoorlog publiceerde Schumpeter "De fiscale staat". Ook nu weer is zijn inzicht hetzelfde als dat wat Keynes vijftien jaar later zou krijgen, en dat zoals Keynes zelf vaak heeft gezegd, dank zij Schumpeter. De moderne staat heeft via het belastingmechanisme en de mogelijkheid tot lenen de macht gekregen om inkomen te verschuiven en, door transfers, de verdeling van het nationale product te beheersen. Volgens Keynes was deze macht een toverstaf waarmee zowel sociale 'gerechtigheid als economische vooruitgang. economische stabiliteit als fiscale verantwoordelijkheid kon worden bereikt. Schumpeter was echter van mening - misschien omdat hij in tegenstelling tot Keynes zowel Marx als de geschiedenis bestudeerde - dat deze macht de deur openhield voor politieke onverantwoordelijkheid, omdat het elke economische beveiliging tegen inflatie zou elimineren.

In het verleden werd, door het onvermogen van de staat om meer belasting te heffen dan een erg klein deel van het bruto nationaal product, of om meer te lenen dan een erg klein gedeelte van de rijkdommen van het land, de inflatie automatisch beperkt. Nu zou de enige beveiliging tegen inflatie van politieke aard zijn, dat is te zeggen, zelfdiscipline. En aangaande het disciplinaire vermogen van de politici was Schumpeter niet al te optimistisch gestemd. Het werk dat Schumpeter na de Eerste Wereldoorlog als econoom heeft verricht, is van groot belang voor de economische theorie.

Maar het belangrijkste aandeel in de 32 jaar tussen het einde van de Eerste Wereldoorlog en zijn dood in 1950 leverde Schumpeter als politiek econoom. In 1942, toen iedereen bang was voor een wereldwijde deflatoire depressie, publiceerde Schumpeter zijn bekendste boek, "Kapitalisme, Socialisme en Democratie", dat nog steeds terecht veel wordt gelezen.

 

schumpeter

In dit boek stelt hij dat het kapitalisme zal worden vernietigd door zijn eigen succes. Dit zal een "nieuwe klasse" voortbrengen van bureaucraten, intellectuelen, professoren, advocaten en journalisten, die allen profijt zouden trekken van de economische vruchten van het kapitalisme en daarop zelfs parasiteren, terwijl ze toch allen tegen de ethos van het produceren van rijkdom zijn, tegen sparen en tegen het aanboren van nieuwe bronnen om de economische productiviteit te kunnen vermeerderen. In de veertig jaar sinds het verschijnen van dit boek is gebleken dat Schumpeter tot één van de belangrijkste profeten kan worden gerekend. Vervolgens stelt hij dat het kapitalisme vernietigd zal worden door de democratie, die het juist heeft helpen doen ontstaan en mogelijk heeft gemaakt. Want in een democratie zal de overheid steeds meer de functie van "belastingstaat" krijgen; zal zij steeds meer inkomen verschuiven van producent naar niet-producent; zal zij steeds meer geld, gespaard voor kapitaalvorming in de toekomst, gebruiken voor directe consumptie. De regering van een democratie komt op deze manier onder een steeds groter wordende inflatiedruk te staan. Uiteindelijk, zo stelt hij, zal de inflatie zowel de democratie als het kapitalisme vernietigen.

 

Uitgelachen

Toen hij dit in 1942 schreef, lachte bijna iedereen hem uit. Het werd voor onmogelijk gehouden dat inflatie het resultaat zou kunnen zijn van economisch succes. Nu, ruim zestig jaar later, blijkt dit het belangrijkste probleem te zijn waarmee de democratie en de vrije markteconomie hebben te kampen, precies zoals Schumpeter het had voorspeld.

De Keynesianen van de jaren veertig koesterden als ideaal het "beloofde land", waarin de "econoom-koning" het perfecte evenwicht zou garanderen in een voor altijd stabiele economie door controle over geld, krediet, uitgaven en belastingen. Schumpeter echter hield zich in toenemende mate bezig met de vraag op welke manier de openbare. sector beheerst en beperkt zou kunnen worden om politieke vrijheid en een economie te kunnen behouden, die het vermogen zou hebben te groeien en te veranderen. Toen de dood hem aan zijn bureau verraste, was hij bezig met het herzien van een toespraak die hij slechts enkele dagen ervoor had gehouden voor de "American Economic Association". De laatste zin die hij schreef was: "Zij die denken dat de economie zal stagneren hebben het bij het verkeerde eind met hun diagnose met betrekking tot de reden waarom het kapitalistische proces zou stagneren; zij zouden echter wel gelijk kunnen hebben met hun prognose dat de economie zal gaan stagneren - met voldoende hulp van de overheidssector."

De bekendste woorden van Keynes zijn: "Op lange termijn gaan we allemaal dood." Dit is wel één van de meest dwaze opmerkingen die ooit zijn gemaakt. Natuurlijk gaan we uiteindelijk allemaal dood. Maar in een helderder moment heeft Keynes de opmerking gemaakt, dat de daden van de politici van vandaag gewoonlijk zijn gebaseerd op de stellingen van economen die allang dood zijn. En het is een totale drogreden dat, zoals Keynes impliceert. door grote aandacht voor de korte termijn de lange termijn vanzelf wel in orde zal komen. Voor een groot deel is Keynes verantwoordelijk voor de extreme aandacht die de korte termijn in de huidige politiek, de huidige economie en in de huidige zakenwereld krijgt. Het gericht zijn op de korte termijn wordt nu terecht beschouwd als een grote zwakte van de Amerikaanse beleidvoerders, zowel in de regering als in het bedrijfsleven.

Inflatie

Schumpeter wist ook dat beleid moet passen in de korte termijn. Hij leerde dit door harde ondervinding als minister van Financiën van de nieuw gevormde republiek Oostenrijk, toen hij, zonder enig succes, trachtte een eind te maken aan de inflatie, voordat die uit de hand zou gaan lopen. Hij wist dat het was misgegaan. omdat zijn maatregelen op de korte termijn niet acceptabel werden geacht. Dezelfde maatregelen werden twee jaar later door een politicus en professor in de moraaltheologie toegepast om de inflatie te stoppen, maar pas nadat die de Oostenrijkse economie en de middenklasse bijna ten onder had gebracht.

Maar Schumpeter wist ook dat de korte termijnmaatregelen van vandaag invloed op de lange termijn hebben. Zij bepalen onherroepelijk de toekomst. Niet verder denken dan de korte termijn, zonder rekening te houden met de invloed van die beslissingen lang nadat "wij allemaal dood" zullen zijn, is onverantwoordelijk. Het leidt ook tot de verkeerde beslissingen. Het feit, dat Schumpeter verder doordacht over de gevolgen, die beslissingen genomen op de korte termijn, uiteindelijk zouden hebben, maakt hem een groot econoom, en een uitstekende gids in onze tijd. .

PETER F. DRUCKER

Artikel oorspronkelijk verschenen in Forbes en in Nederland uitgebracht door Elzeviers Weekblad van 4 juni 1983. Daar waar nodig door mij in de tijd bijgesteld (JSW)