We hebben 288 gasten online

Risico 's voor de wereldeconomie

Gepost in Overige economische berichten

Een nadere analyse met betrekking tot het Amerikaanse begrotingstekort en de daaraan gekoppelde depreciatie van de dollar

IMF wijst op risico koersval dollar


Maarten Schinkel in NRC 18 april 2005

 


Op de financiële markten groeit het risico van een ,,abrupte correctie'' als er niets wordt gedaan aan de onevenwichtigheid in de wereldeconomie. Dit heeft Rodrigo de Rato, de directeur van het Internationaal Monetair Fonds dit weekeinde gezegd na de voorjaarsvergadering van het IMF in Washington.

In de regel wordt met deze 'correctie' een koersval bedoeld van de Amerikaanse dollar of van Amerikaanse staatsobligaties, waardoor de effectieve rente in de Verenigde Staten en - vaak als gevolg daarvan - ook in veel andere landen sterk stijgt. Vorige week zakten op Wall Street de aandelenkoersen naar hun laagste peil sinds de herverkiezing van George Bush in november 2004.

De Rato onderstreepte dat de economische vooruitzichten wereldwijd ,,extreem positief'' zijn, maar zei ook dat de balans op dit moment zoek is. De VS hebben een fors tekort op de betalingsbalans, Europa en Japan blijven achter met hun economische groei en de Aziatische landen hebben juist grote overschotten maar houden hun valuta's laag ten opzichte van de Amerikaanse dollar. De Rato riep op tot een gezamenlijke aanpak om deze onevenwichtigheden te bestrijden. ,,Als het beleid zich niet aanpast, dan lopen we het risico van een abrupte correctie op de financiële markten wanneer het vertrouwen daar om welke reden dan ook verdampt of vermindert'', zei de IMF-topman.

De Verenigde Staten hebben er, op de bijeenkomst van de groep van zeven grootste industrielanden (G7) die aan de IMF-vergadering voorafging, ongebruikelijk sterk op aangedrongen dat China zijn munt, de renminbi, vrij laat zweven of op zijn minst revalueert, waardoor de Chinese exportproducten duurder worden. ,,China kan nu een flexibeler wisselkoers invoeren'', aldus de Amerikaanse minister van Financiën Snow.

De industrielanden kwamen niet tot een besluit om de schulden van de allerarmste landen aan de Wereldbank te verminderen.

Scheefgroei

Redactioneel commentaar NRC 18 april 2005

De top van het Internationaal Monetair Fonds, de instelling die monetaire samenwerking in de wereld bevordert en stabiliteit van de wisselkoersen bewaakt, heeft het afgelopen weekeinde met recht gewaarschuwd dat onevenwichtigheden in de wereldeconomie kunnen leiden tot een 'abrupte correctie' op de financiële markten. Dat schrikbeeld is reëel en wordt in kort bestek veroorzaakt door het feit dat Amerika meer consumeert dan het spaart. De betalingbalans met het buitenland vertoont een adembenemend tekort van 5,6 procent van het bruto binnenlands product, waarvan wordt verwacht dat het verder zal oplopen. Veel Aziatische landen, waaronder met name China, hebben juist een groeiend overschot, maar verhinderen dat hun munten in waarde winnen tegenover de Amerikaanse dollar. Daartoe hebben zij massaal dollars ingekocht bij wijze van koerssteun voor de Amerikaanse munt. De reserves van honderden miljarden dollars hopen zich op in hun schatkist. Zij zijn de moderne financiers van de VS, die op hun beurt weer hun belangrijkste buitenlandse afzetmarkt zijn. Europa en Japan groeien te weinig om de wereldeconomie van een impuls te kunnen voorzien.

De diagnose is dat sprake is van scheefgroei tussen het lethargische Europa en Japan enerzijds en de dynamische VS en China, India en de rest van de Derde Wereld anderzijds. Maar de diagnose omvat ook een toenemende financiële onevenwichtigheid tussen de VS, die buitenlandse schulden opbouwen, en Azië, dat deze dollarschulden inkoopt en snel de grootste crediteur van de VS aan het worden is.

Deze situatie bestaat al een paar jaar - en verslechtert. Dat geldt ook voor de verhoudingen tussen de grootste spelers. De VS dringen er ongekend hard op aan dat China zijn vaste koppeling van de renminbi (de basis van de Chinese yuan) met de dollar opgeeft en zijn munt laat zweven of flink revalueert. Er staat in het Amerikaanse Congres een wetsvoorstel op stapel om als straf alle import uit China met een tarief van 27,5 procent te belasten. De rest van de wereld wijst naar de veel te lage Amerikaanse besparingen, die ten grondslag liggen aan het enorme tekort op de betalingsbalans. Dat de VS hun begrotingstekort beloven te halveren, wordt afgedaan als te weinig en te laat. Europa en Japan wordt al tijdenlang aanbevolen structurele hervormingen door te voeren, die moeten bewerkstelligen dat de groeivoet van hun economie duurzaam verbetert. De Europeanen lieten dit weekeinde weten daar wat moe van te worden. Volgens hen zijn hervormingen wel nodig, maar maken die geen deel uit van de oplossing van de onevenwichtigheden in de wereldeconomie. Bovendien wijst men op de sterk gestegen koers van de euro tegenover de dollar en de Aziatische munten. Europa, zo klinkt het, heeft zijn plicht wel gedaan.

Afgelopen weekeinde luidde tijdens vergaderingen van de groep van zeven grootste industrielanden en het IMF de conclusie dat de wereldeconomie in onbalans verkeert. Als het op handelen aankomt, wijst men evenwel naar elkaar. Dat is een gevaarlijke situatie. Zoals gezegd: de gevreesde 'abrupte correcties' op de financiële markten zijn geen hersenschim. Maar de autoriteit om handelen af te dwingen ontbreekt. Economisch en financieel mag de wereld dan vergaand zijn geglobaliseerd, politiek is dat niet het geval. Ook dat is een zorgwekkende scheefgroei.

Amerika leeft op de pof en dreigt een harde landing te maken

Door Paul A. Volcker

Paul A. Volcker was van 1979 tot 1987 voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve. Dit is een bewerking van een toespraak die hij hield op een door het Stanford Institute for Economic Policy Research georganiseerde conferentie. (C) LA Times-Washington Post.

De expansie van de Verenigde Staten lijkt op schema te liggen. Met Europa en Japan gaat het misschien niet zo geweldig, maar hun economieën zitten tenminste in de zwarte cijfers. China en India - samen goed voor bijna veertig procent van de wereldbevolking - hebben een stabiele groei, met cijfers die nog niet lang geleden zo niet onmogelijk, dan toch wel hoogst onwaarschijnlijk hadden geleken.

Maar onder het stille oppervlak doen zich verontrustende ontwikkelingen voor: reusachtige wanverhoudingen, onevenwichtigheden, risico's - hoe je het ook noemt. Al met al is het de gevaarlijkste en lastigste situatie die ik me kan herinneren, en ik heb er heel wat meegemaakt. Wat wij het meest zorgen baart is dat er zo weinig bereidheid of bekwaamheid lijkt te zijn om er wat aan te doen.

Wij worden in beslag genomen door een debat over hoe wij de sociale voorzieningen - en, belangrijker nog, de ziektekostenverzekeringen - in stand kunnen houden wanneer de babyboomers met pensioen gaan. Maar op dit moment consumeren diezelfde babyboomers erop los of het niet óp kan. Als de cijfers kloppen, dan zijn de privé-spaartegoeden in de VS vrijwel verdwenen.

Zeker, het bedrijfsleven bouwt weer reserves op. Maar die bron van binnenlandse spaartegoeden is binnen enkele jaren ongedaan gemaakt door het federale tekort. Wij kopen veel huizen, tegen stijgende prijzen, maar het huizenbezit is evenzeer een middel geworden om geld te lenen als een bron van financiële zekerheid. Landelijk bezien consumeren en investeren wij zo'n zes procent meer dan wij produceren.

Het wordt allemaal overeind gehouden door een reusachtige, groeiende stroom kapitaal uit het buitenland, die per werkdag nu al meer dan twee miljard dollar bedraagt. Er lijkt geen druk op de ketel te staan. Als natie zijn wij niet bewust aan het lenen of bedelen geslagen. Wij bieden niet eens aantrekkelijke rentetarieven, en evenmin kunnen wij onze crediteuren enige bescherming bieden tegen het gevaar van een inzakkende dollar.

Het meeste geld dat uit het buitenland zo gul onze markten is binnengestroomd was privé-kapitaal - want waar, zo zei men elkaar na, kun je in een onzekere wereld nu beter investeren dan in de VS? Recentelijk zijn wij sterker afhankelijk geworden van buitenlandse centrale banken, vooral in China en Japan en elders in Oost-Azië.

Voor ons, Amerikanen, is het allemaal heel makkelijk. Wij vullen onze winkels en onze garages met spullen uit het buitenland, en de concurrentie heeft onze binnenlandse prijzen flink binnen de perken gehouden. Ze heeft er in elk geval toe bijgedragen dat ondanks ons slinkende spaargeld en de snelle groei de rente uitzonderlijk laag is gebleven.

Het is ook makkelijk voor onze handelspartners en voor de kapitaalverschaffers. Sommige, zoals China, zijn erg afhankelijk van onze groeiende binnenlandse markten. En de meeste centrale banken van de landen in opkomst waren steeds bereid om meer en meer dollars op te slaan, die immers in heel de wereld nog het meest in de buurt van een waarlijk internationale valuta komen.

Het probleem is dat dit ogenschijnlijk zo gemakkelijke patroon niet eindeloos kan doorgaan. Ik ken geen land dat het lang heeft volgehouden om zes procent meer te consumeren en te investeren dan het produceert. Ongeveer tachtig procent van de netto internationale kapitaalstroom gaat naar de VS. Ooit komt er een moment dat zowel de centrale banken als de privé-instellingen geen dollars meer willen.

Ik weet niet met hoeveel spektakel de verandering gepaard zal gaan, en of ze spoedig of later zal plaatsvinden. Maar zoals het er nu voorstaat, is het waarschijnlijker dat de verandering zal worden afgedwongen door financiële crises dan door vooruitziend beleid.

Het is helemaal niet zo moeilijk om een scenario voor een `zachte landing' en duurzame groei te bedenken. De gezaghebbende economen zijn het in grote lijnen eens over hoe het volgens het boekje zou moeten gaan: China en andere economieën op het Aziatische vasteland zouden een substantiële opwaardering van hun valuta tegenover de dollar moeten toelaten en stimuleren. Japan en Europa zouden met spoed en doortastend aan de slag moeten gaan om hun binnenlandse economie te stimuleren, en zouden structurele obstakels voor de groei doeltreffender en sneller uit de weg moeten ruimen. En de VS zouden met een of andere combinatie van maatregelen een stijging van de binnenlandse spaartegoeden moeten afdwingen, en zo de vraag naar importgoederen doen dalen.

Maar kunnen wij op dit moment met enig vertrouwen tegemoetzien dat ook maar iets van dergelijk beleid - laat staan een combinatie van alle maatregelen - spoedig wordt gerealiseerd?

Het antwoord is nee. Daarom vind ik dat onze grondslag steeds wankeler wordt. Gaan wij zo door, dan zullen de tekorten en wanverhoudingen ernstiger worden. Er komt een punt waarop het vertrouwen in de kapitaalmarkten dat thans zo soepeltjes de stroom van kapitaal naar de VS en de groeiende wereldeconomie ondersteunt, zou kunnen verflauwen. Dan zou er een gebeurtenis, of een combinatie van gebeurtenissen, kunnen plaatsvinden die de markten verstoort, met als gevolg dat zowel de valutamarkten als de rentetarieven op een gevaarlijke manier onberekenbaar worden. Daarvan hebben wij een voorproefje gehad met de stagflatie van de jaren zeventig - een wispelturige, laag gewaardeerde dollar, inflationaire druk, een plotselinge stijging van de rente, en een paar zware recessies.

Hieruit trek ik de conclusie dat het van groot belang is om te doen wat wij kunnen om de risico's zo klein mogelijk te maken en te zorgen dat er tijd genoeg is voor een soepele harmonisering. Ik vraag helemaal niet om onorthodoxe of exotische maatregelen. Nodig is de bereidheid om nu op te treden - en volgend jaar en het jaar daarop - en om ook op te treden nu alles nog zo gladjes en gunstig lijkt te verlopen.

Het komt in feite neer op de oudste regel in de politieke economie: handhaaf een strenge monetaire en begrotingsdiscipline. Dit is niet het moment voor ideologische starheid of door partijpolitiek ingegeven standpunten over de begroting met als gevolg dat het tekort nog meer stijgt. Natuurlijk zou het voor iedereen beter zijn als de andere landen ook hun bijdrage leverden. Maar als zij dat niet doen, mag dat ons er niet van weerhouden te doen wat wij kunnen, in ons eigen belang.

Een wijze waarnemer van het economisch gebeuren heeft eens gezegd dat ,,wat kán worden uitgesteld, meestal wórdt uitgesteld - en dan is het jammer genoeg te laat''. Dat zou ik niet graag als grafschrift zien voor een tijdperk van ongekende successen van de Amerikaanse economie en van geweldige mogelijkheden voor de wereld als geheel.

NRC 12 april 2005

Crash van dollar lijkt kwestie van tijd

Niemand vindt het prettig dat alles afhangt van één valuta

Door Fareed Zakaria in NRC van 14 maart 2005 Copyright Newsweek

In het verleden is in moeilijke tijden de dollar altijd de toevlucht bij uitstek geweest. Maar de twijfel slaat nu bij velen toe. De VS hebben geen beleidsinstrumenten meer om de dollar te redden, meent Fareed Zakaria.

Het economisch functioneren van de dollar is zo logisch als wat.

Naarmate andere landen - vooral in Azië - rijker worden, moeten zij hun geld ergens onderbrengen. Amerikaanse overheidsfondsen liggen voor de hand. Zó blijft de Amerikaanse rente laag, en daardoor kunnen de Amerikanen lenen en geld uitgeven - aan Aziatische waar. Kortom: zij sparen, wij consumeren, hun en onze economie groeit en iedereen is gelukkig. (Behalve de Europeanen. Hun valuta stijgt en hun export wordt duurder. Maar daar kunnen zij weinig tegen doen.)

Zo bekijkt de regering-Bush het. Als de dollar mertertijd daalt is dat prima. Dan wordt de Amerikaanse uitvoer goedkoper en de invoer uit Azië duurder, zodat de Amerikanen minder uitgeven en de Aziaten meer - een natuurlijke marktaanpassing, die zal leiden tot een nieuw evenwicht. Mgelopen donderdag sloot Alan Greenspan, in een toespraak tot de Raad voor de Buitenlandse Betrekkingen, zich aan bij de 'don'tworry, be happy'-school.

Het is allemaal logisch, en het maakt quidelijk waarom er nog geen dollarcrash is geweest. Maar de wereld draait niet om rationeel economisch handelen alleen. Politiek en psychologie spelen een grote rol, en op dat gebied is er reden tot zorg.

De huidige situatie is niet het resultaat van de krachten van de markt. De meeste Aziatische valuta's bewegen zich niet vrijelijk, maar zijn kunstmatig laag genouden, om de Aziatische waren goedkoop te houden op de wereldmarkt. Dat kan niet eindeloos zo doorgaan.

Ook kunnen de Aziatische banken niet eindeloos dollars blijven oppotten, zeker niet als die steeds minder waard worden. De Bank van Japan heeft nu 840 miljard dollar in voorraad. Door steun aan de dollar heeft deze bank de afgelopen twee jaar tientallen miljarden dollars verloren. Dat is de reden waarom Zuid-Korea en Japan onlangs hebben laten doorschemeren dat zij denken over valutadiversiticatie - meteen trok er een huivering door de markt.

Niemand vindt het prettig dat alles van één valuta afhangt. In de euro beschikt de wereld nu over een belangrijke waarde buiten de dollar. Japanse functionarissen praten serieus over een behoefte aan een Aziatisch valutablok, dat als alternatief voor de dollar zou kunnen fungeren.

Iedereen gaat er dus van uit dat de huidige regeling, waarbij de dollar de portefeuilles van alle centrale banken volkomen domineert, niet eeuwig zo kan doorgaan.

Daar loert het gevaar. Als iedereen denkt dat over een poosje de dollars van de hand zullen worden gedaan, is er een sterke prikkel dat iemand - een klein land daarmee begint, voordat de prijs inzakt. De econoom Barry Eichengreen heeft in een fascinerend essay geconstateerd dat het monetaire stelsel van de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw is bezweken als gevolg van een soortgelijke 'desertie' van Frankrijk in 1968.

Het belangrijkste is misschien wel het toenemende onbehagen op de wereldmarkt over de toestand van de Amerikaanse overheidsfinanciën. Ik heb een aantal fondsbeheerders gevraagd of een politieke crisis - bijvoorbeeld een zware terroristische aanslag - het geld naar de dollar toe of weg van de dollar zou jagen. De opvattingen waren verrassend verdeeld. Historisch gezien is in moeilijke tijden de dollar altijd de toevlucht bij uitstek geweest. Maar nu twijfelen velen of dat nog wel opgaat.

"Als de consumentenuitgaven door een crisis worden verstoord en slinken, wat kan de Amerikaanse regering dan doen?", vroeg Mohammed EI-Erian van PIMCO, één van de meest gerenommeerde fondsbeheerders ter wereld. "Het begrotingstekort is hoog, dus de regering kan zich niet redden door de uitgaven op te voeren. Wij weten nu al dat de uitgaven voor uitkeringen de komende decennia enorm zullen stijgen. De VS raken door hun beleidsinstrumenten heen." Daarom richt Greenspan de laatste tijd eindelijk zijn aandacht op het begrotingstekort - aan de late kant, gezien zijn steun aan alle belastingverlagingen die ertoe hebben geleid.

In zijn toespraak van afgelopen donderdag heeft hij erop gewezen dat "de neiging van mensen tot grillig, veelal irrationeel gedrag" soepele economische overgangen "in de weg staat". Laten we hopen dat de komende Paar jaar niemand al te grillig gaat doen.

Fareed Zakaria is columnist voor Newsweek. @Newsweek '

10 oktober 2004 drs. J.W. Swaen In de Economist van 9 september 2004 verscheen een artikel van de hand van C. Fred Bergstein :“ The Risks Ahead for the World Economy” waarin Bergstein vijf grote risico’s opsomt: Drie van die risico’s hebben direct met de Verenigde Staten te maken:

1) Een opnieuw scherpe toename van het begrotingstekort dat zou kunnen leiden tot een crash van de dollar.

2) Een overheidsbudget dat niet meer in handen te houden is

3) Het toepassen van protectionistische maatregelen

4) Een vierde risico is gerelateerd aan China dat door de oververhitte groei van de economie te maken kan krijgen met een ‘harde landing’. Het vijfde risico door Bergstein genoemd is de eventuele stijging van de olieprijs tot $ 60 á $ 70 per vat zonder dat er een politieke aardverschuiving of terroristische gebeurtenis plaatsvindt, en zelfs hoger mocht die zich wel voordoen

Met betrekking tot risico 1 hield het Instituut for International Economics op 25 mei 2004 een conferentie met als titel Dollar Adjustment: How Far? Against What?

 

 

 

The primary goal of the Institute’s conference on dollar adjustment, was to assess

the progress that has been made in correcting the sizable misalignments of key

national currencies that had developed in the late 1990s and early 2000s. It also

sought to aid understanding of the needed adjustment process and contribute to

its promotion. To further these objectives, the conference drew on a number of

recent analyses from around the world.

De volgende conclusies werden door C. Fred Bergsten en John Williamson geformuleerd

In summing up the conference, C. Fred Bergsten pointed to the stalemate that the system has reached. There is general agreement that the United States needs to curb quite substantially the size of its current account de.cit. Most observers acknowledge that doing this will require a siz-able depreciation of the dollar. That implies a need for other currencies to appreciate against the dollar. Some currencies have already done so: the euro, the pound, the Swiss franc, the Canadian dollar, and the Australian and New Zealand dollars. (Indeed, some participants felt that several of these currencies might have overshot, although it is hard to believe that this remains true after the renewed strengthening of the dollar in early 2004.) Despite these corrections, the US dollar remains substantially overvalued.

One thing the conference did not reach agreement on is the magnitude of the current dollar overvaluation. Wren-Lewis went straight to estimates of equilibrium bilateral exchange rates, but if one weights and averages these, one would estimate on his measure that the dollar was overvalued by a little under 10 percent at the time of the conference. The .gure of Bénassy-Quéré and her colleagues would seem to be about 4 percent, if one looks at their estimate of the dollar’s real effective overvaluation, although weighting their estimates of bilateral misalignments with the Federal Reserve’s weighting system would suggest a rather larger .gure, again approaching 10 percent. O’Neill’s preferred estimate would also seem to be about 10 percent.

Mussa, conversely, asserted that a further dollar depreciation of about 20 percent or more would be needed to complete the adjustment process. Mann (2004) is even more alarmist, predicting that an immediate adjust-ment of close to 20 percent (enough to bring the Fed’s broad real index down to an index value of 85, as against its July 2004 value of 101.5) would do little more than stabilize the size of the US current account de.cit. And to prevent the de.cit from growing again in future years, the initial depre-ciation would need to be followed by a secular depreciation of about 10 percent a year (to offset the Houthakker-Magee asymmetry in the import elasticities and the growing de.cit on the investment income account as the United States piles up foreign indebtedness, and to allow for an initial situation in which the value of imports vastly exceeds that of exports). What one can conclude is that the dollar is currently overvalued by at least 10 percent or so, and possibly by substantially more.

Yet the world has run out of volunteers for currency appreciation. Japan has already undertaken some appreciation, and its authorities fear that much more might derail the incipient recovery that looks as though it may .nally be under way. China has a .xed nominal exchange rate with the dollar, and its of.cials parrot phrases about “keeping the yuan stable around a rational and balanced level” (ignoring the facts that stability in the bilateral rate against the dollar implies instability in what really mat-ters, the effective exchange rate, and that the present rate is by no stretch of the imagination reasonable and balanced). Other Asian countries resist substantial appreciation, even when their exchange rates are nominally .oating, when this would also mean losing competitiveness against China. Canada and the eurozone are both relieved that the full appreciation of 2003 did not stick. Latin American countries seem determined not to re-peat their past mistake of acquiescing in overvalued exchange rates, and they may well be tempted to err in the opposite direction.

In this situation, there is an acute need to reach some measure of inter-national understanding about a consistent set of balance of payments ob-jectives and the resulting policy implications. Yet this is one responsibility that the IMF, the institution that is supposed to be in charge of supervising

the adjustment process, seems singularly reluctant to ful.ll. The G-7 and G-20 should tell the IMF that it is high time for it to accept its responsibility to negotiate an agreed-on and mutually consistent set of current account objectives. Unless the Institute’s conference was chronically mistaken, these objectives will have as a corollary an obligation to orchestrate a concerted Asian appreciation against the dollar and to encourage coun-tries with both de.cits and surpluses to make the needed complementary adjustments in their policies regarding domestic demand.

No one doubts that adjustment will eventually happen. The sooner it starts, the less the chance that it will take a catastrophic form. If and when the worst happens, the world will surely not look back forgivingly at the present generation of of.cials who told themselves reassuring sto-ries about the omniscience of markets while allowing the disequilibria to explode.

Maar ook het IMF in de laatst verschenen World Economic Outlook waarschuwde “voor de global imbalances, notably gaping deficits in the United States still pose a key risk” bij de voorspelling van het IMF dat de wereldeconomie in 2005 zou kunnen groeien met 5%, vooral door China. Met betrekking tot het eerste risico genoemd door Bergstein formuleerde het IMF het aldus:

“ A US current account deficit that if corrected too abruptly could spark a sharp fall in the dollar followed by higher US interest rates and dampened growth in the United States and elsewhere.

"Even an orderly adjustment carries risks, given the central role that the United States has played in supporting global growth in recent years," the report said”.

Met andere woorden het IMF is het met Bergstein eens.

Hoe staat het dan met het tekort van de Verenigde Staten? In mijn column: “Het Amerikaans begrotingsbeleid van Truman tot Bush jr. plaatste ik de volgende grafiek afkomstig van The White House zelf afdeling budget: Grafiek 1

deficits as a percent gdp

De beschrijving onder de grafiek geeft al aan waarom men uitgaat van een teruggang van het tekort gerelateerd aan de groei van het GDP: “With continued pro-growth economic policies and spending restraint reflected in the Budget, deficits fall sharply. Hierbij wordt dus duidelijk gerefereerd aan de belastingpolitiek van President Bush. Nog eens duidelijk aangegeven in grafiek 2

controbutions to growth

Als groei werd het volgende geprognosticeerd:

Grafiek 3

combined efects of three tax bills

Letterlijk staat er onder deze grafiek: “Powerful and timely tax stimulus helped to turn the economy around”.

Het in grafiek 1 voorspelde tekort van 4,5% blijkt volgens een artikel in de NRC van 9 oktober 2004 “Alen Greenspans laatste vondst” al opgelopen te zijn tot meer dan 5,5% van het Bruto Binnenlands product.

Niet minder dan 2 miljard dollar per dag leent de Verenigde Staten om het begrotingstekort te financieren.

De oud minister van Financiën onder president Clinton Summers voorspelt zelfs dat het tekort zal oplopen naar 6,5% van het bruto binnenlands product in 2006 naar 7,8 % in 2008.

Grafiek 1 in ziet er dan wel heel anders uit:

Grafiek 4

deficits as a percent of gdp

Mocht Summers met zijn voorspelling gelijk krijgen dan kan de conclusie worden getrokken dat het overheidsbudget echt uit de hand is gelopen.

Kijken we nog eens naar het overzicht van Truman tot en met Clnton dan zien we dat de ontwikkeling onder Bush echt zorgen baart. Het surplus onder Clinton is totaal verdwenen

Grafiek 5:

federal budget

Een van de grote boosdoeners is natuurlijk de uit de hand gelopen uitgaven voor de oorlog in Irak. Zoals ik al eerder duidelijk maakte was in de begroting over 2005 maar een klein gedeelte van de daadwerkelijke kosten opgenomen. Gezien de ontwikkeling in Irak zullen de kosten die moeten worden opgebracht nog veel meer zijn als eerder gedacht. Voor 2005 bijvoorbeeld heeft men pas een bedrag van 25 miljard ten laste van de begroting gebracht terwijl bij het maken van de begroting die kosten te samen met de kosten in Afghanistan al 65 miljard bedroegen en inmiddels al meer dan 100 miljard. De overwaardering van de dollar Gezien het tekort op de begroting is er eigenlijk sprake van een overwaardering van de dollar. De dollar heeft op dit moment een waarde die 10% hoger is in reële termen dan in het midden van de jaren negentig.

De investeringen in de VS zijn relatief laag te noemen waardoor beleggers in dollargerelateerde zekerheden zenuwachtiger worden en zich zorgen maken over hun investeringen. Gaan deze beleggers, lees fondsbeheerders, hun beleggingen verkopen dan zijn de gevolgen ernstig. De dollar zal dan nog meer onder druk komen staan en misschien wel de oorzaak worden van de eerste financiële crisis in de 21e eeuw

De vraag is dan hoe ver de dollar zal dalen?

Uit de geschiedenis weten we dat een 1% daling van de dollar van het bruto nationaal product kan leiden tot een daling van 10% van de waarde van de dollar. De geschiedenis leert verder dat geldeenheden de tendens hebben in zo’n situatie in de daling door te schieten vooral ook door speculanten op de valuta markten.

Rudiger Dornbusch, onderkende 5 achtereenvolgende gevolgen voor overgewaardeerde geldeenheden: 1) Korte termijn speculanten zoeken hogere opbrengsten, of investeerders , angstig geworden, zoeken veiligheid en daardoor drijven ze de waarde van geldeenheden tot ongeloofwaardige hoogte 2) Trend volgers blijven kopen omdat de investeringsopbrengsten goed waren in het recente verleden, en zodoende drijven ze de overwaardering nog verder omhoog. Zover zelfs dat economen er geen verklaring meer voor hebben 3) Wetenschappelijke economisten, die de overwaardering bestuderen, ontwikkelen theorieën waarom de zaken nu anders zijn dan voorheen, en komen tot de overtuiging dat de overwaardering achteraf toch niet zo blijkt te zijn. 4) Mensen die een groeide markt zien, door ideeën over een nieuwe economie, ontlenen aan die nieuwe economie de recente goede ‘return on investements’ en laten zich verleiden om opnieuw in de markt te stappen waardoor de waarde van de geldeenheid nog meer stijgt. 5) De steeds toenemende golf van makkelijke kopende en trendvolgende investeerders komt tot een einde, waardoor een crash ontstaat die vergelijkbaar is met het in elkaar storten van een piramidespel, ook wel ‘Ponzi schemes’ genoemd. Zie voor uitleg: http://www.sec.gov/answers/ponzi.htm
Algemeen wordt gesteld dat we nu in fase drie zijn aangeland.

Alles zal afhangen van het feit of het tekort op een geleidelijke manier wordt teruggebracht en natuurlijk ook de uitslag van de Amerikaanse Presidentsverkiezingen spelen een rol.

the economy turns a corner

Dat brengt ons bij het derde probleem wat werd geschetst:

Het nemen van protectionistische maatregelen door de VS

De leidende indicator daarvoor is niet de hoogte van de werkeloosheid maar overwaardering van de dollar en de daaraan gekoppelde externe schulden die van invloed kunnen zijn op de handelspolitiek. Het was interne politieke druk en geen internationale financiële druk die er toe leidde dat zowel Nixon en Reagan er toe over gingen de waarde van de dollar aggressief deprecieerden. De huidige imbalances van het budget kunnen niet veel langer blijven bestaan, hoewel buitenlandse investeerders en centrale banken nog steeds bereid zijn om voorlopig de tekorten te investeren. De geschiedenis leert dat de VS, ter bescherming van de eigen economie, wel eerder protectionistische maatregelen nam. (denk maar eens aan de bescherming van de eigen staalindustrie) Er is sprake van een ‘co-depent dependent relationship’ tussen de VS en haar handelspartners betoogde Catherine Mann in The New York Times dat voorlopig nog zal blijven bestaan omdat die landen, China en Japan, belang hebben bij de Status Quo. Japan, China en andere Oost Aziatische economieën doen er alles aan om de waarde van de dollar relatief hoog te houden omdat de centrale banken grote hoeveelheden dollar-assets in depot hebben.

Voorbeeld is China.

kaart china

Grafiek 6

chinas foreign exchanges reserves

Grafiek 7

bond debts

Als men grafiek 6 en 7 met elkaar vergelijkt dan is de correlatie te zien tussen de stijging van de Amerikaanse schuldenlast en de toename van de reserves van China. Het door Bergstein en het IMF genoemde risico van een oververhitting van de Chinese Economie wordt door de regering van China onderkend en inmiddels heeft de regering maatregelen genomen om dat risico tegen te gaan. Het vijfde risico: de stijging van de olieprijzen tot $60 á $70 per vat lijkt onmogelijk maar wie had een prijs van $53 voor mogelijk gehouden in oktober 2004? Tenslotte: Buiten al deze risicofactoren is het risico van een terroristische aanslag in Europa misschien nog wel een groter risico.

Het 9/11 rapport van de commissie van de Amerikaanse Senaat laat een ding duidelijk zien: “we zijn er niet op voorbereid”. Dat zo’n aanslag duidelijk zijn invloed zal laten gelden op de effectenbeurzen mag duidelijk zijn.

Maar misschien moeten we daar ook in deze wereld mee leren leven. Kortom we leven in een risicovolle wereld en dat zal wellicht altijd wel zo blijven.

Kwam na het schrijven nog deze pdf file tegen Aanbevolen:

The Sustainability of the US External Imbalances (pdf)
Nouriel Roubini and Brad Setser Research Associate, Global Economic Governance Programme, University College, Oxford
First Draft: September 2004

Nouriel Roubini's Global Macroeconomic and Financial Policy Site (ranked as the #1 Web Site in Economics in the world by The Economist Magazine)

Introduction

This paper analyzes the sustainability of U.S. external deficits6 and the "Bretton Woods

Two" international monetary system that is integral to their financing. It therefore

examines the sustainability of what Larry Summers has called the "balance of financial terror"7 – a system whose stability hinges on the willingness of Asian central banks to both hold enormous amounts of US Treasuries (and other US fixed income securities) and to add to their already enormous stocks to provide the ongoing financial flows needed to sustain the U.S. current account deficit and the Bretton Woods Two system.

Our analysis suggests that the Bretton Woods Two system is fragile, and likely will prove unstable. Even if the United States continues to maintain a privileged place in the international monetary system and thus remains able to borrow on terms that other, comparable, debtors could not imagine, our analysis suggests that the U.S. is on an unsustainable and dangerous path.

Geraadpleegde bronnen:

Bernstein, C.Fred: In The Economist 9 september 2004 :’ The Risks Ahead for the World Economy

Bradford DeLong, j is Professor of Economics at the University of California at Berkeley and was Assistant US Treasury Secretary during the Clinton Presidency.

China’s Daily news Grandfathers Economic Report Institute for International Economics Schinkel Maarten ; NRC 9 oktober 2004 ; Alan Greenspans laatste vondst Swaen,J.W.: Amerikaans begrotingsbeleid van Truman tot Bush jr. in Economie: www.blikopdewereld.nl http://english.peopledaily.com.cn/ http://www.dailytimes.com.

http://www.whitehouse.gov/omb/budget/fy2005/budget.html