We hebben 140 gasten online

Er is geen leidende munt meer in de wereld

Gepost in Overige economische berichten

Kredietcrisis Economische visies als van Keynes herwinnen nooit meer hun oorspronkelijke glans

Harold James. in Opinie NRC van woensdag 6 januari 2010

Niet alleen Wall Street en de verzorgingsstaat zijn door de crisis aan slijtage onderhevig, ook valuta. Er is inmiddels geen leidende munt meer, betoogtHarold James.

De negentiende eeuw was gebiologeerd door het cyclische gedrag van het bedrijfsleven. De Franse econoom Clément Juglar werd beroemd met zijn vaststelling dat conjunctuurcycli zon negen à tien jaar omvatten. Zelf hebben wij de laatste tijd ook onze cycli van overvloed en verval gehad. Maar die zijn heel anders.

In de negentiende-eeuwse wereld krabbelde iedereen na een malaise snel weer op en ging over tot de orde van de dag. In die zin leek het verschijnsel van de conjunctuurcyclus nogal blijvend en onveranderlijk. Maar tegenwoordig komt een een periode van laagconjunctuur als een grote verrassing. Is die voorbij, dan herzien wij opeens onze kijk op de economie. Zo om de tien jaar menen we dat een bepaald groeimodel zo versleten is dat het niet meer kan worden opgelapt. De wereld moest worden herzien in 1979, 1989, 1998 en 2008.

Het keynesianisme kwam voorgoed ten einde in 1979, na de tweede schok van de olieprijs in dat decennium. Met de toevallige combinatie van de verkiezing van Margaret Thatcher in Groot-Brittannië en de abrupte rente-ingreep van oktober 1979 door Fed-voorzitter Paul Volcker, eindigde een tijdperk waarin de inflatie als een oplossing voor sociale problemen was beschouwd. Overheidsingrijpen en monetaire expansie als middelen om onvrede af te kopen raakten in diskrediet, evenals de West-Europese verzorgingsstaat.

De associatie van Europa - en van de Europese sociaal-democratie - met de keynesiaanse vraagstimulans was in die zin nogal oneerlijk omdat de grootste voorstander van de keynesiaanse visie de Republikeinse Amerikaanse president Richard Nixon was. Maar de politieke verschuiving van 1979-1980, die culmineerde in de verkiezing van Ronald Reagan, leidde tot een nieuwe tegenstelling van vrije markt en innovatie tegenover sociaal-democratisch corporatisme en centrisme.

Tien jaar later, in 1989, raakte het Sovjetmodel van de planeconomie en de modernisering door centraal geleide groei in diskrediet. In de laatste stadia waren grote hoeveelheden buitenlandse schuld opgebouwd en deze overmatige schuldenlast had ten slotte een model te gronde gericht dat in wezen al lang daarvoor was mislukt.

Het volgende mooie idee dat mislukte, in 1997-1998, was het concept van een speciaal Aziatisch wonder (zoals het was aangeduid in de titel van een publicatie van de Wereldbank). De Aziatische economieën zouden beter gecoördineerd zijn dankzij strategische overheidsingrepen in de geest van de aanvankelijke naoorlogse praktijken van het Japanse MITI. Maar evenals de Sovjet-Unie en haar satellieten hadden de kleinere en dynamische Aziatische economieën zich te diep in de schulden gestoken.

Het antwoord op de economische crisis van eind jaren 90 in Thailand en Korea was een preek over de inherente superioriteit van het zogeheten Angelsaksische economische model. Maar ook deze visie werd problematisch, en raakte in 2007-2008 in diskrediet, onder een massale uitbarsting van Europees en Aziatisch leedvermaak.

Toen duidelijk werd dat de rest van de wereld zwaar door de gevolgen van de financiële crisis werd getroffen, raakte een onheilspellender uitleg in zwang. Veel mensen in veel landen zagen in de crisis die onmiskenbaar begon in de Verenigde Staten maar die sommige andere landen nog harder trof, het bewijs van een fundamenteel kwaadaardig Amerikaans plan. De Chinese zoektocht naar vervanging van de dollar door een synthetische reservemunt is ingegeven door politiek verzet tegen de vermeende onbillijkheden van de Amerikaanse financiële en economische superioriteit.

De omloopsnelheid van cycli waarin politieke modellen naar de prullenmand kunnen worden verwezen, lijkt steeds groter te worden.

De hausse van de opkomende markten lijkt alweer de volgende die op de schroothoop van de geschiedenis zal worden gegooid.

De kredietbeoordelaar Moodys bereidt waarschuwingen voor inzake de omvang en de kwaliteit van de Indiase schulden in de particuliere sector. De Chinese beleggers zijn bezorgd over inflatoire oververhitting.

Het stadium van de afkeer en afwijzing is nooit definitief, maar de gedurfde visies herwinnen nooit meer hun oorspronkelijke schittering. Het Europese sociaal-democratische model overleefde de jaren 70 in een sjofele vorm. Het idee van een sterke Aziatische economische groei als blijvend onderdeel van de wereldeconomie was binnen een paar jaar na de Aziatische crisis alweer in alle hevigheid terug. Als de grote Engelstalige economieën open blijven en zich niet voor handel en immigratie afsluiten, zullen ook zij een terugkeer naar groei beleven.

Maar elke golf van malaise leidt tot een grotere ontgoocheling over bepaalde instellingen die de schuld van het resultaat krijgen. Of het nu de verzorgingsstaat in de jaren 70 was, het Communistische Partij-apparaat in de jaren 80, de Aziatische ministeries van Handel en Industrie in de jaren 90 of de tandem van het Amerikaanse ministerie van Financiën en Wall Street in de jaren na 2000.

Naarmate al deze instellingen slijtage vertonen, blijven er steeds minder alternatieven over. Dit geldt ook voor valuta. De dollar is door de crisis van zijn voetstuk gestoten, maar elk mogelijk alternatief is overduidelijk nog gebrekkiger en problematischer. De euro is de compositiemunt van een gebied met een pover groeicijfer en een ontoereikend antwoord op de economische crisis. De Chinese yuan is nog niet omwisselbaar. Er is dus in het geheel geen leidende munt meer.

De dissidente Chinese kunstenaar Ai Weiwei vat de nieuwe sfeer van algeheel en onvervalst cynisme samen. Om te beklemtonen dat alle instellingen even verdacht zijn, maakte hij een tentoonstelling onder de titel Fuck off, waarin hij fotos van zichzelf met een schunnig handgebaar voor beroemde monumenten laat zien: het dogepaleis in Venetië, eens de handelshoofdstad van de wereld, de Eiffeltoren, het Witte Huis en de Verboden Stad in Peking. De titel van zijn laatste tentoonstelling drijft de spot met de bijna algemene neiging die overheden tegenwoordig hebben om loze excuses voor gemaakte fouten aan te bieden: de titel luidt So sorry.

Info: Harold James is hoogleraar geschiedenis en internationale betrekkingen aan de universiteit van Princeton en bekleedt de Marie Curie-leerstoel aan het Europees Universitair Instituut te Florence. De titel van zijn laatste boek luidt: The Creation and Destruction of Value: The Globalization Cycle