We hebben 155 gasten online

Deel 5 De stijging van de gemeentelijke tarieven

Gepost in Uitgaven en inkomsten

De stijging van de kosten van levensonderhoud

Deel 5 : De stijging van de gemeentelijke tarieven

drs.J.W.Swaen

 

5a: Rioolrechten en Afvalstoffenheffing

Uit het rapport van het sociaal en cultureel planbureau Maten voor gemeenten 2004

4.12 Milieubeheer, reiniging en riolering

Inleiding

Met deze milieugerichte taakvelden was in 2001 3,1 miljard euro aan gemeentelijke bruto-uitgaven gemoeid. Hiervan had 1,7 miljard betrekking op de gemeentelijke reinigingsdiensten, 1,0 miljard op de riolering en 0,4 miljard op milieubeheer.

Reinigingsdiensten waren in dat jaar voor 92% kostendekkend, de riolering voor 84% en milieubeheer slechts voor 11%. In 1995 was de kostendekkendheid nog beduidend lager: 83% voor reinigingsdiensten en 72% voor de riolering.

Indicatoren en kengetallen

Een indicator voor het productievolume van de gemeentelijke reinigingsdiensten is het opgehaalde afval. Eventueel kan de maat worden verfijnd door rekening te houden met verschillende soorten afval (glas, papier, gft, huishoudelijk restafval, afval van bedrijven). Hier is gebruikt gemaakt van het totale door de gemeentelijke reinigingsdienstenverwerkte afval in miljoenen kilo’s.

De totale lengte van het rioleringssysteem in Nederland is 86,5 duizend kilometer met een vervangingswaarde van 46,5 miljard euro (Stichting Rioned 2002). Als indicator is gekozen voor de hoeveelheid afgeleverd drinkwater (1183 miljoen kubieke meters in het jaar 2000). Een betere maat voor de productie is de hoeveelheid gezuiverd afvalwater (1997 miljoen kubieke meters in hetzelfde jaar, een factor 1,7 hoger dan het afgeleverde drinkwater). De riolen voeren namelijk ook regenwater en in de industrie verbruikt rivierwater af. De tijdreeks voor afvalwater is echter onderhevig aan sterke fluctuaties als gevolg van regenval, terwijl de hoeveelheid verontreinigende stoffen niet navenant fluctueert.

Bij milieubeheer hebben de gemeentelijke taken betrekking op beleidsontwikkeling, voorlichting, vergunningverlening en handhaving (zie bijvoorbeeld de werklijst producten van aef 2004). Voor deze activiteiten is geen goede productindicator beschikbaar; daarom is uitgegaan van een normeringsindicator, te weten het aantal woonruimten plus vijf maal het aantal bedrijfsvestigingen. Daarmee wordt de functie ‘wonen’ twee maal zo zwaar gewogen als de functie ‘werken’.26 Figuur 4.19 geeft enkele kengetallen voor de betrokken taakvelden.

deel 56

De reële bruto-uitgaven voor reiniging houden ongeveer gelijke tred met het productievolume; beide zijn met circa 2,5% per jaar gestegen. Bij de bruto-uitgaven voor riolering is sprake van een jaarlijkse reële groei met 1,6%. Hier is de productie echter min of meer constant gebleven. Deze discrepantie heeft mogelijk te maken met een inhaalslag met betrekking op het onderhoud van rioleringen. Bij milieubeheer zou op grond van de stijging van het aantal woonruimten en bedrijfsvestigingen een toename van de bruto-uitgaven kunnen worden verwacht. De bruto-uitgaven zijn echter in reële zin constant gebleven.

Tabel 1 Rioolrechten en Afvalstoffenheffing

deel 51

Wat opvalt is natuurlijk de forse stijging van de rioolrechten. Meer dan 100% stijging sinds 1999. Tabel 2: Heffing rioolrecht Tabel 3: % stijging rioolrecht en afvalstoffenheffing deel 53

Tabel 4: Afvalstoffenheffing deel 54

In 1999 werd besloten het systeem in de gemeente kostendekkend te maken.

Per container moest er nu worden betaald. Aan de af te dragen bedragen blijkt dat het tot een aanzienlijke stijging van de afdracht heeft geleid.

Sinds 1999 een stijging met 199,9% van € 147,34 naar € 441,90. 5b De doorgifte van het radio en tv signaal

De gemeenten in de regio hebben hun eigen zendmasten verkocht aan UPC.

UPC is voornemens de tarieven verder te laten stijgen. Maar daar is verzet tegen omdat dat tegen de afspraken zou zijn. Het lijkt er echter op dat UPC landelijk tot het zelfde tarief wil komen.

Zie de grafiek voor de prijsontwikkeling tot nu toe:

deel 55

5c De Onroerend Zaak Belasting

Iedereen in Nederland dient Onroerend Zaak Belasting te betalen.

Is men eigenaar van een woning dan dient men naast het Gebruikersgedeelte ook te betalen voor het zogenaamde Eigenarengedeelte.

De tarieven zijn in elke gemeente weer anders. Daar komt bij dat de waarderingsgrondslag gewijzigd wordt.

Er zijn een aantal wijzingen in de Wet WOZ aangekondigd per 1 januari 2005. Het gaat daarbij met name om de verkorting van het waarderingstijdvak van vier jaar naar twee jaar. Verder zal de zogenaamde Zalmsnip verdwijnen. Niet in elke gemeente wordt deze op de Onroerend Zaak Belasting in mindering gebracht. De Zalm snip werd in het kader van het belastingplan 1998 in gesteld. Dat betekent dat per aanslag Onroerend Zaak Belasting € 45,38 in mindering wordt gebracht. Deze wordt nu afgeschaft en daardoor zal de Onroerend Zaak Belasting zo wie zo met 6,62% stijgen in 2005. Los nog van de door de gemeente toegepaste inflatiecorrectie + eventuele tariefsverhogingen om de gemeentefinanciën op orde te hebben. In 2004 werd een verhoging toegepast van 2,49% als inflatiecorrectie.

deel 57

Niet in elke gemeente geldt het zelfde tarief.

Als voorbeeld Gouda

KostenTarieven OZB eigenarenbelasting:
Eigenaar woning:
3,57 EUR per 2.268 EUR waarde van de onroerende zaak

Tarieven OZB gebruikersbelasting:
Gebruiker woning:
2,86 EUR per 2.269 EUR waarde van de onroerende zaak.

1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ministerie van Financiën, Persbericht ministerraad, 17 september 2004

MAXIMERING TARIEVEN OZB UITGESTELD TOT 1 JANUARI 2006

Op voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de bewindspersonen van Financiën heeft de ministerraad besloten om naast de afschaffing van het gebruikersdeel voor de onroerende zaakbelasting (OZB) op woningen, ook de maximering van tarieven uit te stellen tot 1 januari 2006. Door het uitstel is het mogelijk om het systeem van maximering beter te laten aansluiten op het nieuwe WOZ-tijdvak (2005-2009). Het uitstel komt tegemoet aan de kritiek van gemeenten en de Raad van State. Onzekerheid over een zo belangrijk onderdeel van het gemeentelijk beleid verdraagt zich naar het oordeel van de Raad niet met het belang van een zorgvuldig financieel beleid. (RVD, 17.09.2004)

 
 

drs.J.W.Swaen