We hebben 197 gasten online

De Nederlandse spaarparadox

Gepost in Uitgaven en inkomsten

   
  Nederlandse spaarparadox

Al langere tijd nemen de spaartegoeden van gezinnen sterk toe. Maar dat betekent niet dat gezinnen de hand op de knip houden. Integendeel, de laatste jaren consumeren zij juist meer dan hun beschikbare inkomen. Bij de verklaring van deze paradox speelt de verzilvering van de overwaarde op eigen woningen een belangrijke rol.

Nederland staat te boek als een land van spaarders. Door de verplichte pensioenvoorziening zijn er inderdaad hoge ‘collectieve besparingen’. Maar op vrijwillige basis zijn gezinnen al langere tijd verre van spaarzaam. Hun ‘vrije besparingen’ zijn sinds 2003 zelfs negatief; sinds dat jaar ligt het inkomen waar zij zelf over kunnen beschikken – dus na betaling van belastingen en pensioen- en andere premies – lager dan de consumptie. Zo beschouwd, houden gezinnen dus geenszins de hand op de knip.

Grafiek 1 - Individuele besparingen en spaartegoed

 

Grafiek 1 zet de vrije besparingen af tegen de toename van het tegoed van gezinnen op spaarrekeningen bij banken, beide uitgedrukt als percentage van het beschikbaar inkomen. Sinds het begin van de jaren negentig is de stijging van het spaartegoed op een hoger niveau komen te liggen, terwijl de vrije spaarquote in die periode juist trendmatig is gedaald. Tussen 2003 en 2011 ontspaarden gezinnen onafgebroken, terwijl hun spaartegoed met ruim EUR 120 mld toenam.

Ter verklaring van deze paradox is een financiële balans opgesteld voor Nederlandse gezinnen (zie tabel 1), exclusief de pensioenvermogens. Om twee redenen is er geen één-op-één-relatie tussen het spaartegoed en de vrije spaarquote.

Ten eerste staan er naast spaartegoeden nog andere liquide financiële activa op de balans, waartussen verschuivingen kunnen optreden. Indien gezinnen bijvoorbeeld aandelen verkopen en het geld op een spaarrekening bij de bank zetten, stijgt hun spaartegoed zonder dat dit enige invloed heeft op de vrije spaarquote. En als zij de aankoop van consumptieve goederen financieren uit de andere liquide activa, dan daalt de spaarquote  zonder dat het spaartegoed structureel wordt aangepast. Het belang van dit kanaal is door de sterke terugval van de aandelenkoersen in het afgelopen decennium aanzienlijk afgenomen.

Ten tweede kan extra consumptie ten opzichte van het inkomen ook worden gefinancierd via de passivakant van de balans, dat wil zeggen via een hogere hypotheekschuld of overige schuld (consumptief krediet, studieschuld). Door schuldfinanciering daalt de spaarquote, maar blijft het spaartegoed onveranderd.

 

Tabel 1. Financiële gezinsbalans exclusief pensioenvermogen in 1991, 2001 en 2011 
(in percentage beschikbaar inkomen)
Activa 1991 2001 2011 Passiva 1991 2001 2011
Spaartegoeden bij banken 72 83 126 Hypotheekschuld 58 135 235
Aandelenbezit 40 81 41 Overige schuld 21 26 35
Andere financiële bezittingen 104 92 119        
Huizenvermogen 157 351 452 Netto vermogen 293 445 468

Bron: CPB, DNB

Een vergelijking van de gezinsbalans in 1991 met die in 2011 leert dat de hypotheekschuld ongekend hard is gestegen. In de forse toename van de hypotheekschuld schuilt de belangrijkste verklaring voor de spaarparadox, te weten de verzilvering van de overwaarde op de eigen woning. In de jaren negentig vond die overwaardeverzilvering vooral plaats doordat huiseigenaren zelf extra schuld op de balans namen. Zij konden op fiscaal aantrekkelijke wijze de fors gestegen overwaarde op hun eigen woning verzilveren via oversluitingen van bestaande hypotheken en afsluitingen van tweede hypotheken. Maar na de eeuwwisseling werd dit door een aanscherping van de regels omtrent de hypotheekrenteaftrek minder aantrekkelijk. Bovendien nam de overwaarde lang niet meer zo hard toe als voorheen, doordat de prijsstijging op de huizenmarkt aanzienlijk afzwakte en na 2008 zelfs negatief werd.

Tussen 2001 en 2011 steeg het huizenvermogen sterk, maar nam niettemin het netto vermogen nauwelijks toe doordat tegelijkertijd de hypotheekschuld in omvang groeide. In deze periode ging de overwaardeverzilvering gewoon door, zij het in een andere vorm. In Nederland werden veel huizen verkocht waarvan de hypotheek (grotendeels) was afgelost. Vooral ouderen die naar een huurwoning verhuisden en de erfgenamen van overleden huizenbezitters verzilverden aldus hun overwaarde. Als een nieuwkomer op de woningmarkt een hypotheek afsluit om een huis te kopen van een uitstromer, dan neemt op zijn balans het huizenvermogen en de hypotheekschuld toe. Maar op de balans van de uitstromer daalt het huizenvermogen en stijgt, na aflossing van de restschuld, het spaartegoed. Wanneer de uitstromer die overwaarde in de loop van de tijd consumptief aanwendt, en dus inteert op het toegenomen spaartegoed, dan zal dat een neerwaarts effect op de vrije besparingen hebben. Om hier werkelijk goed zicht op te krijgen, is nader micro-onderzoek nodig.

Wat er op de geaggregeerde gezinsbalans met de vrijkomende overwaarde gebeurt, is afhankelijk van het consumptie- en spaargedrag van de oudere, ex-huizenbezitters en hun erfgenamen. In de afgelopen tien jaar deed zich Nederland een mix voor. Door de grootschalige verzilvering van de overwaarde op de eigen woning kon het spaartegoed toenemen, terwijl tegelijkertijd de vrije spaarquote afnam. Deze vorm van overwaardeverzilvering was aanzienlijk groter dan in eerdere decennia. Niet alleen lagen de huizenprijzen op een veel hoger niveau, ook nam het eigenwoningbezit onder ouderen sterk toe.   Wanneer er in de toekomst minder ouderen komen met overwaarde, doordat de prijzen zijn gedaald en latere generaties minder hebben afgelost, dan zal de overwaardeverzilvering weer afnemen.

De Nederlandse spaarparadox

Datum 5 februari 2013
Thema Economie

Bron  verschenen in DNB bulletin Nederlandse Bank