We hebben 422 gasten online

Geschiedenis

Recensie 'Breuklijnen' Harry Stroeken (red)
25 aug 2018 09:24

De ondertitel van het boek 'Breuklijnen' vermeldt Priesters in overgangstijd. In 'Breuklijnen'vertellen negen (ex-) priesters hun verhaal. Zij hebben het grootseminarie veelal gedaan in de jaren vijft [ ... ]

GeschiedenisVerder lezen
Recensie 'Victoria Koningin' Julia Baird
05 feb 2018 14:25

Het is geen wonder dat deze biografie een vuistdik boek is. Een biografie van iemand die meer dan 60 jaar op de Britse troon zou zitten. En dat in een periode waarin Groot Brittanië bijna de zeggensc [ ... ]

GeschiedenisVerder lezen
Recensie 'De tolk van Java' Alfred Birney
02 juni 2017 08:52

Huiveringwekkend, autobiografische mokerslag, beschrijvingen die ten volle bij dit boek passen. De clichés over Nederlands-Indië worden verpulferd en hoe. Pas op 65 jarige leeftijd heeft Alfred Birn [ ... ]

GeschiedenisVerder lezen
Recensie 'Juliana' Vorstin in een mannenwereld Jol...
08 dec 2016 13:27

Deze biografie van Juliana is het lezen alleszins waard. Wat een prestatie eigenlijk. Want ga er maar even aanstaan om van deze Oranjetelg, die nadat haar moeder Wilhelmina vijftig jaar lang van 1898  [ ... ]

GeschiedenisVerder lezen
Recensie 'Wat kan ons gebeuren' Gerrit Hoogstraate...
17 nov 2016 12:58

In deze roman staat centraal het leven van een Amsterdamse politieman en is voor een deel gebaseerd op de familiegeschiedenis van de auteur. De roman speelt vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog en sc [ ... ]

Vervolging JodenVerder lezen

CSE De VS 1787-1914 Deel 2

Gepost in V.S.

2) Groeiende tegenstellingen

1812 situatie

In de jaren 1787-1830 schoof de westgrens van de VS voortdurend op. Het aantal deelstaten nam toe van 13 tot 24, terwijl het bewoonde gebied ruim verdubbelde en de bevolkingsomvang zelfs meer dan drie keer zo groot werd. De frontier liep in 1830 van Indiana en Illinois in het Noorden naar Arkansas en de deelstaat Louisiana in het Zuiden. Met 13 miljoen inwoners hadden de VS Engeland ingehaald. Wel was de VS, anders dan Engeland, een agrarische natie gebleven. Nog altijd woonde en werkte 90 procent van de Amerikanen op het platteland.

In de jaren 1830-1861 bleven de VS in een ontzag­wekkend tempo groeien. De bevolking nam toe van 13 tot 31 miljoen inwoners. De nog geen hon­derd jaar jonge natie had in 1861 bijna evenveel inwoners als Frankrijk en tienmaal zoveel als Nederland. Het aantal deelstaten steeg tot 33. De frontier schoof op tot over de helft van het conti­nent. Bovendien werd de wildernis na 1848 van twee kanten opgeslokt. Nadat in 1848 aan de Westkust goud was ontdekt, trokken de gelukzoe­kers met honderdduizenden tegelijk over de Oregon Trail en de Santa Fé Trail, naar Califor­nië. Dankzij deze Gold Rush werd daar in twee jaar een nieuwe deelstaat uit de grond gestampt. De meeste avonturiers zagen hun gretigheid niet beloond. Velen hadden echter geen geld om de terugtocht te betalen en bleven hangen. Een paar jaar eerder waren ook de Amerikaanse noord- en zuidgrens vastgelegd. De VS hadden met Groot-Brittannië een akkoord gesloten over de grens met Canada en had na een oorlog met Mexico Texas en Californië in handen gekregen.

In de jaren 1830-1860 groeide de Amerikaanse samenleving niet alleen, zij veranderde ook van karakter. Naast het agrarische Amerika, was het stedelijke Amerika in opkomst. In 1860 woonde ruim twintig procent van de bevolking in de ste­den. Het aantal steden met meer dan 100 000 inwoners was in dertig jaar opgelopen van één tot negen en New York was de eerste miljoenenstad geworden. Een andere verandering werd veroor­zaakt door de immigratie. Tot 1830 waren de VS een protestantse natie. Het overgrote deel van de blanken had Engelse of Schotse voorouders. Na 1830 kwamen echter grote aantallen katholieke Ieren en Duitsers naar de VS. Terwijl er in de jaren 1820-1830 slechts 150 000 binnenkwamen, arri­veerden er in de drie daaropvolgende decennia achtereenvolgens 600 000, 1,7 miljoen en 2,6 mil­joen. Het meest ingrijpend was de komst van 2 miljoen Ieren. Ierland was in 1830 het dichtst­bevolkte land van Europa, maar extreme armoede dreef steeds meer Ieren de oceaan over. Het hoogtepunt van deze uittocht werd bereikt aan het eind van de jaren 1840, toen een hongersnood in Ierland een miljoen mensen het leven kostte. Degenen die daartoe nog in staat waren, vluchtten in paniek naar de VS, een ontvolkt land achterla­tend.

europese emigratie 1820-1920

Sociaal-economische ontwikkelingen

Ook op sociaal-economisch gebied veranderden de VS in de jaren 1830-1860 ingrijpend. Ook hier raakten ontwikkelingen die al rond de eeuwwisse­ling zichtbaar waren in een stroomversnelling. De diverse aspecten van de economische ontwikkeling — de technische vooruitgang, de verbetering van het vervoersstelsel, de groei van landbouw en industrie — versterkten elkaar. Dankzij de tech­nische vooruitgang kon het vervoer verbeterd en de produktie opgevoerd worden. En door betere vervoermiddelen konden produkten goedkoper, in grotere hoeveelheden en over grotere afstanden getransporteerd worden. Daardoor groeiden de afzetmarkten, wat specialisatie en produktieverho­ging in de landbouw en industrie aantrekkelijk maakten. Omgekeerd stimuleerden die speciali­satie en die produktieverhoging natuurlijk weer het vervoer. Ook de groei in de landbouw en de industrie versterkten elkaar. De produktiviteits­stijging in de landbouw maakte arbeidskrachten vrij voor de industrie en de groei van de industrie leverde de boeren grotere afzetmarkten op. En dat alles stimuleerde weer de technische vooruitgang. Zo kwam de economie in een zelfversterkend pro­ces dat het dagelijks leven op den duur onherken­baar veranderde.

Natie op de rails

De technische vooruitgang werd gesteund door een groeiend aantal uitvindingen. Het jaarlijkse aantal patenten liep op van 500 in de jaren twintig tot 2000 in de jaren vijftig. De Amerikaanse tech­niek kreeg wereldfaam. Op de wereldtentoonstelling in Londen in 1851 baarden de VS opzien met uitvindingen als de revolver, waarop Samuel Colt in 1835 patent had gekregen, en de mecha­nische maaimachine van Cyrus McCornick. Een van de belangrijkste staaltjes van techniek was de stoomlocomotief. De trein ontketende in de jaren 1830-1860, na de doorbraak van het stoomschip, een tweede vervoersrevolutie. In 1830 werden in Baltimore de eerste Amerikaanse locomotief en spoorlijn in gebruik genomen. De dertien mijl lan­ge Baltimore and Ohio Railroad werd al snel gevolgd door tientallen andere lijnen. Nog vóór het midden van de eeuw verdrong de trein het stoomschip als belangrijkste vervoer- en bind­middel van de natie. Terwijl de bouw van kanalen aan het eind van de jaren dertig stagneerde, ging de aanleg van spoorlijnen in steeds hoger tempo door. In 1860 lag er al 30 000 mijl spoor. De trein was succesvol doordat spoorlijnen veel makkelijker en goedkoper waren aan te leggen dan kanalen, vooral in moeilijk, bergachtig terrein. Maar bovenal was de trein superieur door zijn snelheid. In 1800 kostte het met paard en wagen vier weken om de afstand New York-Detroit af te leggen. Dertig jaar later hadden het Ene-kanaal en het stoomschip de reistijd gehalveerd tot twee weken. Weer dertig jaar later legde de trein het traject in één nacht af: twintig keer zo snel als het schip dus! De trein was ook heel goedkoop. Het vervoer van een ton graan tussen Chicago en New York kostte in 1860 nog maar een vijftigste van wat het in 1810 had gekost.

De daling van de vervoersprij­zen betekende een enorme stimulans voor de landbouw. De commercialisering en specialisering van de agrarische sector konden zich nu goed doorzet­ten. Halverwege de eeuw was nog maar een derde van de produktie van de boeren voor eigen gebruik bestemd. Vooral de graanboeren in het Westen profiteerden. Zij hadden de meeste baat bij de technische vernieuwingen. De nieuwe maaimachines van McCornick waren veel geschik­ter voor hun uitgestrekte en vlakke landerijen dan voor de kleine, rots- en heuvelachtige percelen in het Noordoosten. Ook de stalen ploeg, in 1837 op de markt gebracht door de smit John Deere, bewees in het Westen zijn nut. Het nieuwe werk­tuig kon de taaie wortels van het prairiegras veel beter breken dan de oude ijzeren ploeg. De over­heid droeg eveneens haar steentje bij aan de bloei van het Westen. Zij halveerde de prijzen voor woeste grond en ging speculatie tegen, zodat meer boeren land konden kopen. Door al deze factoren — de aanleg van spoorlijnen, de verbetering van landbouwwerktuigen en de stimulering door de overheid — bleef de stroom pioniers naar het Westen toenemen. Het Westen werd de graan­schuur van waaruit de hele natie gevoed werd.

Een nijver volk

Ook de nijverheid ontwikkelde zich. Zoals je in het vorige hoofdstuk kon lezen, had deze zich voor 1830 al geconcentreerd in New England en de raid-Atlantic. Na 1830 zette de industrialisatie van het Noordoosten zich versneld door. De textiel- en schoenenindustrie breidden zich uit en de ontdek­king van grote reservoirs ijzer en steenkool maakte de opkomst van de zware industrie mogelijk. Het aantal grote fabrieken steeg, al bleven de meeste bedrijven klein. Nog in 1860 hadden de fabrieken gemiddeld minder dan tien mensen in dienst. De verhoudingen in de bedrijven veranderden wél sterk. Tot 1830 werkten werkgevers en werk­nemers over het algemeen harmonieus samen. Op het eerste gezicht waren de arbeidsomstandighe­den ook toen al slecht. Er was veel vrouwen- en kinderarbeid, de lonen waren laag en de werkda­gen lang en nauwelijks afgebakend. Er werd zes dagen per week gewerkt zo lang het kon: van de vroege ochtend tot het `s avonds donker werd. Maar dat werd als heel normaal en zelfs als posi­tief ervaren. De Amerikanen zagen zichzelf graag als een nijver volk dat in het zweet zijns aanschijns een eerlijke boterham verdiende. Iedereen werkte zo lang.

Ook op de boerderij duurde de werkweek zo'n zeventig uur. Niemand deed daar moeilijk over omdat ook de werknemers zich bij hun be­drijf betrokken voelden. De meeste onderne­mingen waren familiebedrijfjes en de eigenaren gedroegen zich als vaders voor hun personeel. Dit was zelfs zo in grote fabriekscomplexen zoals die in Waltham en Lowell. Omdat die bedrijven moei­lijk aan arbeiders konden komen, boden ze aan­trekkelijke arbeidsvoorwaarden. In Waltham en Lowell werd gewerkt met boerendochters die thuis op de boerderij gemist konden worden. De fabrie­ken waren voor deze meisjes een soort tweede `thuis'; plaatsvervangende gezinnen en scholen tegelijk. De ondernemers boden gratis huisvesting en voedsel in een gezonde omgeving, organiseer­den culturele avondjes en andere vrijetijdsactivi­teiten, en probeerden de opvoeding te voltooien. Ze waren er trots op dat de mensonterende uitbui­ting van de Britse industrie in Amerika niet voor­kwam.

Arm en rijk

Na 1830 werden de verhoudingen harder en onpersoonlijker. De discipline werd strakker en de nadruk kwam op produktieverhoging te liggen. Wat was daar de oorzaak van? De ondernemers hoefden de arbeiders niet meer te lokken met aan­trekkelijke voorwaarden, want door de veran­deringen in de landbouw en de komst van hon­derdduizenden ongeschoolde immigranten groeide het aantal beschikbare arbeidskrachten gigantisch. Arbeiders mochten al blij zijn als ze werk hadden. Niet alleen de arbeidsomstandigheden verslechter­den, ook de levensomstandigheden gingen achter­uit. De traditionele plattelandsarbeiders waren nog half boer. Ze hadden een eigen huisje met wat grond waarop ze een moestuin hadden en een paar stuks vee hielden. De nieuwe arbeiders woonden in armzalige krottenwijken en waren voor hun levensonderhoud geheel van hun loon afhankelijk. De werkloosheid lag bovendien voortdurend op de loer. De band tussen het bedrijf en zijn werkne­mers verslapte. Bedrijven hadden er steeds minder moeite mee arbeiders te ontslaan zodra het slecht ging. En van tijd tot tijd ging het slecht. Perioden van groei en teruggang wisselden elkaar af. De oorzaak daarvan was de opkomst van de markt­economie, waarin bedrijven niet meer produceer­den op verzoek, maar om te voldoen aan de vraag op een anonieme markt. In tijden van groei nam de vraag toe. Dat leidde tot prijs- en produktiestijging, tot de produktie de vraag begon te over­treffen. Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. Produkten bleven onverkocht liggen, de prijzen daalden, de produktie stortte in, bedrijven gingen met honderden tegelijk failliet en de arbei­ders werden ontslagen of kregen loonsverlaging. Zodra het dieptepunt bereikt was en de voorraden op waren, begon deze economische cyclus op­nieuw. De vraag steeg, de produktie nam toe, enzovoort. In crisistijd werd het stadsproletariaat in diepe ellende gedompeld. In de magere jaren 1837 en 1857 slenterden in steden als New York en Philadelphia tienduizenden werklozen langs de straten. Deze ongelukkigen zaten volledig aan de grond. Enige vorm van sociale zekerheid ontbrak. Dames uit de betere kringen probeerden met liefdadigheid de nood wat te verlichten. Zij deel­den soep en brood uit om de ergste honger te stil­len.

De markteconomie bracht op den duur grote wel­vaartsgroei. Elk hoogtepunt lag weer hoger dan het vorige. In de eerste helft van de negentiende eeuw verdubbelde het gemiddelde inkomen van de Amerikanen, terwijl de prijzen daalden. Maar de rijkdom was ongelijk verdeeld. De verschillen tus­sen arm en rijk namen snel toe. In het Zuiden ont­stonden schrijnende welvaartstegenstellingen tus­sen grote plantagehouders en arme boeren. In het Noorden groeide de kloof tussen kapitalisten en arbeiders. De rijken lieten imposante villa's bouwen aan de rand van verpauperde sloppen­wijken. Vooral in New York was het contrast tus­sen de steenrijke bovenlaag en het straatarme lompenproletariaat hemeltergend. De woningen in de slechte buurten waren miserabel. Er was geen waterleiding en geen riolering, er waren geen verharde straten en geen vuilnisdienst. De water­putten waren haarden van besmetting en de stank was bijna ondraaglijk doordat overal vuil lag te rotten en de bewoners hun uitwerpselen gewoon op straat achterlieten.

Het Zuiden

De industriële groei bleef grotendeels beperkt tot het Noorden. Ook in het Zuiden steeg de produk­tie, maar dat was uitsluitend te danken aan de katoenteelt. Die breidde zich daar snel naar het Westen uit, doordat kleine boeren en plantage-houders telkens op zoek waren naar nieuwe gron­den om de produktie op te voeren en hun door roofbouw uitgeputte gronden te vervangen. Zo zette de tegenstelling tussen Noord en Zuid zich ook in het Westen voort. Het Zuiden werd steeds  afhankelijker van de katoenteelt. Zelfs het vervoer van ruwe katoen naar de noordelijke textielcentra kwam in handen van noorderlijke ondernemers. Doordat de katoen de kurk bleef waarop de zuide­lijke economie dreef, bleef het Zuiden afhankelijk van de slavernij. Uit angst voor verzet werden de zwarten steeds harder onderdrukt. Vooral een sla­venopstand in Virginia veroorzaakte paniek. In de vroege morgen van 22 augustus 1831 trokken zwarten daar onder leiding van de zwarte evange­list Nat Turner langs de huizen van de blanken en richtten een gruwelijk bloedbad aan. Ze sneden lichaamsdelen van hun slachtoffers af en verbrij­zelden hun schedels. Toen ze aangehouden wer­den, waren er zestig blanken vermoord. Die namen keiharde tegenmaatregelen. Tweehonderd zwarten werden ter dood gebracht, het werd verboden slaven te leren lezen en alle blanken wer­den verplicht regelmatig te patrouilleren.

1777-1858 the abolution of slaverny 1777 1858

 

Omstreeks diezelfde tijd groeide in het Noorden de afschuw van de slavernij. Al in de jaren twintig bepleitten sommigen geleidelijke afschaffing. Maar de beweging voor abolitionisme werd pas massaal toen zij onder invloed van William Lloyd Garrison radicaliseerde. Garrison noemde de sla­vernij een zonde en een misdaad, waarover geen compromis gesloten mocht worden en hij eiste onmiddellijke afgeschaffing. In 1831 begon hij zijn ideeën te propageren in zijn blad The Liberator en in 1833 richtte hij een landelijke beweging op, de American Anti-Slavery Society. Binnen een paar jaar had deze tweeduizend afdelingen en 200 000 leden. Maar Garrison kreeg in het Zuiden, dat volgens hem `één groot Sodom' was, geen voet aan de grond. Zijn geestverwanten werden er geïntimi­deerd, weggepest en vermoord. Men verdacht de abolitionisten ervan via een underground railroad massaal slaven naar het Noorden te laten ontsnap­pen. In feite was het aantal ontsnappingen echter betrekkelijk gering en werden de meeste door zwarten georganiseerd.

Manifest destiny

Hoe ervoeren de Amerikanen de omvorming van hun samenleving? De veranderingen maakten die­pe indruk. Meer dan ooit raakten de Amerikanen ervan overtuigd dat ze hun lot in eigen hand had­den. Natuurlijk zagen ze dat niet iedereen het goed had. Maar dat maakte op deze door een self help-mentaliteit gekenmerkte mensen weinig indruk. Zij meenden dat de armen hun misère aan zichzelf te wijten hadden. De algemene opvatting was dat wie hard werkte onbeperkte mogelijkheden had. Het begrip arbeid werd bijna heilig verklaard. Het leek de onfeilbare sleutel tot rijkdom en succes. Het optimisme en zelfvertrouwen kwamen ook tot uiting in een groeiend nationalisme. Veel blanke Amerikanen geloofden dat God zelf hen bestemd had het hele Noordamerikaanse continent te beheersen. Ook de nog lege gebieden in het Westen lagen op hen te wachten. Het was, zoals de journalist John O'Sullivan het in 1845 uitdruk­te, hun manifest destiny om in heel Amerika vrij­heid, beschaving en democratie te brengen. Dit idee inspireerde zowel individuele Amerikanen als de natie als geheel tot een onverwoestbaar geloof in een prachtige toekomst.

De economische dynamiek leidde ook tot angst en onzekerheid. Velen voelden zich onbehaaglijk bij de veranderingen waardoor ze overspoeld werden. Grote groepen handwerkslieden, arbeiders en boe­ren waren bang dat ze niet mee konden komen. Er waren niet alleen winnaars, maar ook verliezers; boeren die failliet gingen, handwerkslieden die hun zelfstandigheid kwijtraakten, arbeiders die ont­slagen werden.

Christenen en hervormers

Veel Amerikanen vonden in deze onzekere tijden houvast in het geloof. Waar in Europa de kerken invloed verloren, nam in Amerika de godsdien­stigheid enorm toe, ook aan de frontier en in de steden. Overal verrezen nieuwe kerken. De Franse reiziger Alexis de Tocqueville merkte op dat er `geen land ter wereld was waar de ziel van de mensen zozeer werd geraakt door het christelijk ge­loof'. Predikanten maakten met evangelische revi­vals de mensen enthousiast. Bij deze massale samenkomsten werden de gelovigen in hun hart geraakt en konden ze hun gevoelens de vrije loop laten. Ze zaten niet, zoals in Europa vaak het geval was, verveeld te luisteren naar een saaie preek, maar werden door de dominees getroost, gesterkt en tot tranen toe bewogen. Diensten waarbij gelovigen dansten en kronkelden van emo­tie waren geen uitzondering. Ook de inhoud van hun geloof was heel anders dan dat van de Euro­peanen. Europese protestanten geloofden vaak dat de mens van nature slecht was en alleen door God uit de hel gered kon worden. De Amerikaanse dominees leerden dat het individu zijn redding in eigen hand had: you can do it if you want. Door het kwaad te vermijden en goed te doen, kon iedereen in de hemel komen én maatschappelijk succes hebben. God hielp wie zichzelf hielp.

Zo sloot het Amerikaanse christendom goed aan bij de self help-mentaliteit van het kapitalisme. De maatschappelijke kwalen leidden ook tot de opkomst van hervormingsbewegingen, die vaak een religieus karakter hadden. Na 1830 ontston­den duizenden groepen en groepjes wereldverbete­raars met de meest uiteenlopende doeleinden. De hervormers richtten zich op bestrijding van mis­standen als armoede, prostitutie, gokverslaving en slavernij. Er werden soms opmerkelijke successen geboekt. Zo wist de anti-drankbeweging het alco­holgebruik met meer dan de helft te verminderen. Honderdduizenden Amerikanen zwoeren plechtig nooit meer een druppel te drinken en sommige sta­ten besloten de verkoop van alcohol te verbieden.

Vrouwen

Hoe speelden de vrouwen in op de gevolgen van de maatschappelijke ontwikkelingen? De groei van de markteconomie bracht met zich mee dat vrou­wen meer dan voorheen een eigen leefwereld, ge­scheiden van die van de mannen, kregen. Op het traditionele boerenbedrijf werkte het hele gezin mee, maar de wereld van de moderne handel en industrie was een mannenwereld. Mannen werk­ten in toenemende mate buitenshuis, terwijl hun vrouwen thuis de kinderen opvoedden. De onze­kerheid en hardheid van de moderne economie leidde tot verheerlijking van het huisgezin. Een domestic ideology idealiseerde het gezin als oase van rust en harmonie in een jachtige en bedreigen­de wereld. Vrouwen werden in de moderne ego­stische mannenwereld gezien als toonbeelden van zelfopoffering en beschermsters van de moraal. Volgens deze ook door vrouwen gedeelde opvat­ting waren ze echter niet alleen superieure, maar ook weerloze wezens, die beschermd moesten wor­den en niet aan het maatschappelijk leven konden deelnemen. Vooral gehuwde vrouwen waren bijna rechteloos. Ze mochten geen eigen bezit hebben en geen wilsbeschikkingen maken. In het Zuiden mochten ze niet eens zonder man reizen. Geen enkele vrouw bezat het kiesrecht, terwijl rond 1830 al bijna alle blanke mannen dat hadden. Tot 1807 mochten welgestelde ongehuwde vrouwen en weduwen stemmen in New Yersey. Maar ook daar was het vrouwenkiesrecht afgeschaft, met als argu­ment dat vrouwen geen verstand van politiek hadden.

In feite was de full-time huismoeder alleen ken­merkend voor de stedelijke middengroepen en de gegoede burgerij. Boerinnen, arbeidersvrouwen en veel vrouwen aan de frontier werkten wél. Voor arbeidersvrouwen was dat pure noodzaak. Zij moesten slechtbetaalde baantjes als dienstmeid of fabrieksarbeidster aannemen om het hoofd boven water te houden. Aan de frontier was de situatie heel anders. Daar maakten vrouwen slechts 15 procent van de bevolking uit. Velen hadden het in die harde mannenwereld zwaar te verduren. Maar omdat `vrouwelijke kwaliteiten' er schaars waren, waren er ook ongekende mogelijkheden om economische zelfstandigheid op te bouwen, bij­voorbeeld als pensionhoudster.

Ook veel welgestelde vrouwen lieten zich trou­wens niet in huis opsluiten. Ze deden liefdadig­heidswerk of waren lid van een hervormings­beweging: daar kwamen de aan hen toegeschreven morele kwaliteiten net zo goed tot hun recht als in het gezin. In de strijd tegen prostitutie, drankmis­bruik en slavernij waren meer vrouwen dan man­nen actief. Sommigen speelden een hoofdrol. Zo bekeerde Harriet Beecher Stowe met haar roman `Uncle Tom's Cabin' (1852), dat een zeer negatief beeld van de slavernij gaf, duizenden tot het aboli­tionisme.

Toch werden vrouwen ook in de hervormingsbe­wegingen uit leidende posities geweerd. Onder meer uit verontwaardiging hierover ontstond een vrouwenbeweging die meer rechten voor vrouwen eiste. Deze bereikte in 1848 een hoogtepunt met de Seneca Falls Convention, waarop een beroemd geworden verklaring over de rechten van de vrouw werd aangenomen. `Wij beschouwen', stelde dit door de Onafhankelijkheidsverklaring geïnspireer­de document, `deze waarheid als vanzelfsprekend dat alle mannen en vrouwen als gelijken geschapen zijn'. Er moest daarom een eind komen aan alle vrouwendiscriminatie. Zo moesten vrouwen kies­recht krijgen, opdat ze hun taak als morele leid­sters van de natie waar konden maken. De wette­lijke gelijkstelling van mannen en vrouwen was echter nog ver weg. Mannen, en ook de meeste vrouwen, stonden er vijandig of op zijn best onverschillig tegenover.

Indianen

veldslagen indianen

De groei van de VS was een grote ramp voor de Indianen. Terwijl de blanke en zwarte bevolking groeiden, nam het aantal Indianen snel af, onder meer door ziekten. Door het contact met blanken liepen Indianen ziekten op, zoals waterpokken, waartegen ze geen afweerstoffen hadden en waar­aan ze massaal stierven. Bovendien werden de Indianen steeds verder teruggedreven. In het vorige hoofdstuk kon je lezen hoe ze uit het Noordwest Territorium verjaagd werden. In het Zuiden hand­haafden ze zich toen nog, maar in de jaren dertig moesten ze ook daar weg. De blanken wilden tel­kens nieuwe gronden. Om die te verkrijgen sloot de nationale regering met de Indianenstammen verdragen over de verdeling van de grond. Formeel werden de stammen daarbij als gelijkwaardige en soevereine naties behandeld. De stamhoofden wer­den met pracht en praal in Washington ontvangen en de verdragen werden plechtig ondertekend. Maar zodra het erop aankwam bleken deze prach­tige documenten waardeloze vodjes papier. De Indianen stonden machteloos tegenover de blanke opmars. Dat was onder meer het gevolg van hun onderlinge verdeeldheid. Ze hadden wel rasverwantschap (vermoedelijk waren ze in de pre­historie vanuit Noord-Azië Amerika binnengetrok­ken), maar waren niet één volk. Er waren hon­derden stammen en volkeren, met sterk verschil­lende talen en culturen, die elkaar soms op leven en dood bestreden. Sommigen werkten samen met de blanken om hun aartsvijanden te verslaan. Anderen vochten wel tegen de blanken, maar na de nederlaag in het Noordwest Territorium waren de ze niet meer tot een grote oorlog in staat. Verder dan wat incidentele verzetsacties kwamen ze niet. Velen zagen de zinloosheid van verzet in, en pasten zich aan om te redden wat er te redden viel. Als blanken verdragen met hen schonden, zochten ze steun bij het Hooggerechtshof. Maar ook dat bleek vergeefs.

De blanken beschouwden de Indianen als barba­ren. Ze waren het erover eens dat Amerika voor henzelf was. De meer welwillenden gunden de Indianen wel een plekje, maar alleen als die net zo `beschaafd' werden als zijzelf. Dat probeerden ze te bereiken door

1 hen over te halen tot vrijwillige verdragen over verdeling van de grond

2 hen in te passen in de blanke economie door handel met hen te drijven en hen net als blanke boeren te laten leven

3 hen via onderwijs en zending te bekeren tot het christendom.

De verwijdering van de Indianen

het Zuiden naar reservaten achter de Mississippi. Ook nu werd de schijn van vrijwilligheid opge­houden. Onder Jackson werden negentig verdra­gen met stammen gesloten waarin hun verplaat­sing geregeld werd. De een na de ander trokken de stammen langs de Trail of Tears, het pad der tra­nen, naar de reservaten, sommige onder begelei­ding van het leger, andere zogenaamd vrijwillig. Een kwart stierf aan ziekte, uitputting en verdriet. De rest kwijnde weg in de reservaten. Met de ver­huizing van de Indianen ten oosten van de Mississippi, kwam een einde aan hun cultuur. Op de kale prairies konden ze niet aarden. Hun kennis van de jacht en de landbouw was in die nieuwe omgeving nutteloos, zodat ze afhankelijk werden van regeringssteun.

States' Rights versus het American System

In het politieke debat over de Amerikaanse natie waren rond 1830 twee discussies van belang. In de eerste plaats werd het debat over de macht van de nationale overheid voortgezet. Het Noorden voel­de als vanouds voor een sterk centraal gezag dat de nationale economie stimuleerde; het Zuiden hield vast aan de States' Rights traditie: men vrees­de dat de bemoeienis van Washington ten koste ging van de deelstaten. De centralistische traditie van Hamilton werd krachtig uitgedragen door de invloedrijke politicus Henry Clay, die zijn programma het American System noemde. Volgens Clay moest de nationale overheid de welvaart stimuleren en Amerika economisch zelfvoor­zienend maken. Het belangrijkste middel waren hoge invoerrechten. Deze tariefmuren moesten de handel en industrie beschermen en de staatskas vullen. De nationale overheid moest volgens Clay meebetalen aan de bouw van een nationaal wegen­net. Een nationale bank moest de economische ontwikkeling begeleiden. Tot 1828 hadden Clays opvattingen de overhand. Eerst steunden ook de zuidelijke deelstaten de tariefmuren. Toen bleek dat hun industrie niet van de grond kwam, veran­derde de stemming. De invoerrechten bleken voor hen ongewilde effecten te hebben. Doordat ze zelf geen afgewerkte produkten vervaardigden, moes­ten ze die kopen. Door de tarieven was dat echter onnodig duur. Ook van het nieuwe vervoersnet profiteerde het Zuiden nauwelijks. Zuidelijke poli­tici eisten daarom afschaffing van de tarieven en verzetten zich tegen financiële bijdragen van de nationale overheid aan Internal Improvements. Volgens hen waren federale uitgaven voor wegen in deelstaten in strijd met de grondwet. Deelstaten moesten hun wegen zelf maar betalen.

De vertegenwoordigers van de States' Rights-tradi­tie kwamen in 1828 aan de macht, toen hun favo­riet Andrew Jackson president werd. Jackson zette de bouw van een aantal wegen stil, hief de centrale bank op en verlaagde de importtarieven.

Wankel evenwicht tussen Noord en Zuid

Het tweede nationale politieke debat was dat over de slavernij. Deze kwestie speelde ook in het debat over de States' Rights op de achtergrond mee. Een van de redenen dat het Zuiden tegen een sterke nationale overheid was, was de vrees dat een ster­ke regering de slavernij zou verbieden.

De slavernij hield de natie meer en meer verdeeld. In 1819 ontstond een politieke crisis, toen Mis­souri toelating als deelstaat aanvroeg. Het Noor­den vond toelating onaanvaardbaar omdat Missouri een slavenstaat wilde worden en ten noorden van de lijn lag die tot dan toe de grens was tussen de slavenvrije staten en de slavenstaten. Kreeg Missouri zijn zin, dan rukte de slavernij naar het noorden op. Dat zou bovendien het even­wicht in de Senaat, waar Noord en Zuid evenveel zetels hadden, verstoren. De zuidelijken op hun beurt wilden absoluut voorkomen dat Missouri slavenrij werd. Dan zouden zij een minderheid in de Senaat worden, terwijl zij dat door hun geringe­re bevolkingsomvang ook in het Huis van Afge­vaardigden al waren. Noord en Zuid stonden als kemphanen tegenover elkaar tot ze in 1820 het Missouri Compromise overeenkwamen. Missouri  werd een slavenstaat, maar verder zou de slavernij boven de 36°30'ste breedtegraad (de zuidgrens van Missouri) verboden blijven. Bovendien zouden voortaan telkens twee staten tegelijk toegelaten worden: één met en één zonder slaven. Als compensatie voor de slavernij in Missouri mocht het Noorden een nieuwe slavenvrije staat creëren door Massachusetts in tweeën te delen.

1820-1821 missouricompromise

Dankzij het Missouri Compromise konden de poli­tici de kwestie van de slavernij jarenlang voor zich uitschuiven. Op den duur drong het steeds feller wordende maatschappelijke debat echter toch weer tot het Congres door. In 1849 stonden Noord en Zuid tegenover elkaar toen Californië een slavenvrije staat wilde worden. Het Zuiden was daar fel op tegen omdat dat het evenwicht in de Senaat zou verstoren en de 36°30'ste breedte­graad dwars door Californië liep. De discussie liep zo hoog op dat zuidelijke politici met afscheiding dreigden. Met het Compromise of 1850 werd deze nationale ramp ten slotte voorkomen. Californië werd een slavenvrije staat, maar de Fugetive Slave Act werd verscherpt. Noordelijke deelstaten zou­den voortaan zwarten die volgens zuidelijke recht­banken slaaf waren, linea recta terugsturen. Hun eigenaren hoefden hun eigendomsrechten niet lan­ger voor noordelijke rechters te bewijzen. Een der­de onderdeel van het compromis was dat nieuwe staten voortaan zelf mochten bepalen of ze slaver­nij zouden toestaan.

De Burgeroorlog

De VS waren in de eerste helft van de negentiende eeuw steeds meer verdeeld geraakt. De economi­sche dynamiek had de eenheid zwaar onder druk gezet. De verschillen tussen arm en rijk, tussen werkgevers en arbeiders en tussen mannen en vrouwen waren groter geworden. De positie van vrouwen, Indianen en zwarten was verslechterd. Maar bovenal was de tegenstelling tussen Noord en Zuid toegenomen. Het evenwicht was ver­stoord door de groeiende macht van het Noorden. Niet alleen was het Zuiden economisch achterop geraakt, ook de bevolkingsgroei was er achter­gebleven. Terwijl Noord en Zuid in 1787 evenveel inwoners hadden, had het Noorden er in 1850 anderhalf maal zoveel.

groei vs in 1860

De natie werd nog lang bijeengehouden met politieke compromissen en optimistische denkbeelden over blanke suprematie, zoals de Manifest destiny. Maar in de jaren vijftig werkte dat niet meer. Het conflict over de slavernij bleek niet meer bij te leggen. Het Compromise of 1850 werd een flop doordat noordelijke staten in strijd met de afspraken gevluchte slaven niet terug­stuurden. Bovendien had het besluit dat nieuwe staten zelf over de slavernij beslisten, rampzalige gevolgen. Toen Kansas in 1854 deelstaat wilde worden, braken daar bloedige gevechten uit. Uit de hele VS trokken fanatieke voor- en tegenstan­ders van de slavernij naar bleeding Kansas om elkaar een lesje te leren. De presidentsverkiezingen van 1860 stonden geheel in het teken van de slavernij. Toen een tegenstander van de slavernij, Abraham Lincoln. won, scheidden de zuidelijke staten zich af. Hoewel dat volgens de grondwet hun goed recht was, stortte het de natie in een burgeroorlog. Het werd de bloedigste episode uit de Amerikaanse geschiedenis.

union in advance 1861-1865

Toen het Noorden in 1865 na vier jaar de oorlog gewonnen had, waren 650 000 Amerikanen gesneuveld.

 

Zie verder deel 3