We hebben 290 gasten online

Geschiedenis

Recensie 'Zwarte trots, witte schaamte? Over kolon...
20 juli 2020 09:29

Dit boek gaat over kolonialisme en het hedendaags racisme, over de botsing tussen de zwarte trots en de witte schaamte en is gebaseerd op meer dan dertig jaar persoonlijke ervaringen en studiewerk.   [ ... ]

GeschiedenisVerder lezen
Recensie 'Breuklijnen' Harry Stroeken (red)
25 aug 2018 09:24

De ondertitel van het boek 'Breuklijnen' vermeldt Priesters in overgangstijd. In 'Breuklijnen'vertellen negen (ex-) priesters hun verhaal. Zij hebben het grootseminarie veelal gedaan in de jaren vijft [ ... ]

GeschiedenisVerder lezen
Recensie 'Victoria Koningin' Julia Baird
05 feb 2018 14:25

Het is geen wonder dat deze biografie een vuistdik boek is. Een biografie van iemand die meer dan 60 jaar op de Britse troon zou zitten. En dat in een periode waarin Groot Brittanië bijna de zeggensc [ ... ]

GeschiedenisVerder lezen

CSE Nederland 1948-1973 Naar een modern-industriële samenleving Deel 2

Gepost in Nederland

Deel 2

4 Wonen

Massale woningbouw en de rol van de lokale en centrale overheid

Er was in Nederland in de jaren vijftig en zestig een schreeu­wend tekort aan woningen. De regering beschouwde sinds 1950 de woningnood als volksvijand nummer één. Hoe was dit tekort ontstaan? In de jaren dertig. de crisisjaren, was de woningbouw vrijwel geheel tot stilstand gekomen. Verder waren door het oorlogsgeweld in de periode 1940-1945 90.000 woningen verwoest: 50.000 waren ernstig beschadigd. En direct na de oorlog vond men het herstel van havens, fabrieken, wegen en spoorverbindingen belangrijker dan het bouwen van veel nieuwe woningen. Behalve aan het herstel van de infrastructuur werd ook aan de industrialisatie een hogere prioriteit toegekend dan aan de volkshuisvesting. Maar al gauw bleek dat men het probleem van de woning­nood had onderschat. Een huwelijks- en geboortengolf na de oorlog maakten dat er in 1950 al 250 000 woningen te weinig waren. En de 'babi--boorra' hield, net als in andere Westeuropese landen. aan. De bevolking bleef snel groeien: van 9 miljoen in 1945 tot 12 miljoen in 1963. (Na 1965 nam de groei sterk af: in 1973 telde Nederland ruim 13 miljoen inwoners.) Het overheidsbeleid was er daarom vanaf 1950 op gericht zo snel mogelijk zoveel mogelijk woningen te laten bouwen. Jaarlijks subsidieerde de overheid de bouw van tien­duizenden woningwetwoningen volgens de bepalingen van de Woningwet van 1901. Maar ondanks de grootscheepse bouw­activiteiten hield de schaarste op de woningmarkt aan. De snelle bevolkingsgroei was daar een oorzaak van, evenals de `gezinsverdunning'. Dat wil zeggen, dat er een voortdurende daling was van het gemiddeld aantal personen per huishou­den. En daarmee hing samen dat ook de gemiddelde woning­bezetting voortdurend daalde. Meer woningzoekenden en minder bewoners per woning — daar viel haast niet tegenop te bouwen.

Het volkshuisvestingsbeleid kende dus jarenlang maar één doel: massale woningbouw. Aan de hand van een lange lijst `Voorschriften en Wenken' bepaalde de overheid aan welke eisen de sociale woningbouw moest voldoen. Goed, maar vooral ook goedkoop moest er worden gebouwd. De haast waarmee aan de vraag naar woonruimte moest worden vol­daan en het gebrek aan visie bij de meeste architecten lever­den eentonige, lelijke nieuwbouwwijken op, `van een dodelij­ke saaiheid', zoals je overal in Nederland nog kunt zien. Het inlopen van de kwantitatieve achterstand stond tot 1965 voor­op. Na 1965 gingen ook kwalitatieve eisen een grote rol spe­len. Men besteedde meer aandacht aan het comfort, en hield meer rekening met de individuele behoeftes van de bewoners. In de loop der tijd traden er wel duidelijke accentverschuivin­gen op in het overheidsbeleid ten aanzien van de woningbouw en de ruimtelijke ordening. In de eerste jaren na 1945 lag de nadruk op de wederopbouw in de steden. De oorlogsschade moest worden hersteld. Na 1955 werden er in hoog tempo nieuwbouwwijken opgetrokken, nu vooral in de randgebieden van de grote steden. De Woonruimtewet uit 1947 gaf de lokale overheid verregaande bevoegdheden bij het verdelen van het schaarste-artikel `woonruimte'. Wie in een huis wilde gaan wonen, moest eerst bij de gemeente een 'woonvergun­ning' aanvragen. Zo'n vergunning kreeg je alleen als je aan bepaalde, door de overheid vastgestelde criteria voldeed. En via het huur- en subsidiebeleid stimuleerde ze de nieuw­bouw. In de jaren vijftig betaalde de overheid aan 97% van het totaal gebouwde woningen mee, door aan gemeenten en woningbouwverenigingen subsidies te verstrekken. Aanvan­kelijk nam de lokale overheid zelf vaak het initiatief bij het bouwen van woningen; vanaf 1965 liet ze dat over aan de woningbouwcorporaties. Alleen als de corporaties verstek lie­ten gaan, ging de gemeente zelf bouwen.

Overal verrezen aan de rand van grote en van kleine steden, en zelfs van dorpen de nieuwbouwwijken. Met name in het westen van het land gebeurde dat op grote schaal. Omdat daar de economische groei het sterkst was, vestigden zich in de jaren vijftig alleen al meer dan 70 000 mensen uit Groningen en Friesland in de Randstad. Die moesten allemaal gehuisvest worden. Meer nog dan andere regio's dreigde het westen door de bouw van nieuwe woonwijken, de suburbanisatie, dicht te groeien. Het landschap versnipperde, dorpen verloren hun eigen karakter, verkeersproblemen namen toe, waardevolle natuurgebieden gingen verloren. Om deze ongebreidelde sub­urbanisatie tegen te gaan, kwam de overheid met een samen­hangend beleid voor de ruimtelijke ordening. Buiten de grote steden werden vanaf 1965 bepaalde gemeenten aangewezen als groeigemeenten: daar moest de woningbouw zich concen­treren. In andere gemeenten diende de suburbane groei te worden afgeremd. Als groeikern werden meestal grote dorpen of kleine steden gekozen, die niet te ver van een grote stad lagen, zoals Purmerend, Zoetermeer en Nieuwegein.

De sterke suburbanisatie leidde tot een leegloop van de oude steden. Vooral gezinnen met een middelbaar of hoger inko­men verhuisden massaal naar de nieuwe woongebieden. Naast leegloop bepaalde verval het beeld van de binnenstad; verpau­pering en verkrotting tastten de leefbaarheid steeds verder aan. In de jaren zeventig probeerde men dit proces te stoppen. De gemeenten gingen meer aandacht schenken aan stadsver­nieuwing en herstel van de woonfunctie in de oude buurten. In dezelfde tijd deden er zich ook veranderingen in het huis­vestingsbeleid voor. Zo werd in 1969, toen de ergste woning­nood voorbij was, de Woonruimtewet voor grote delen van het land opgeheven. Alleen waar de woningmarkt gespannen bleef, in de Randstad en in enkele grote gemeenten, bleef de wet van kracht. De overheid ging zich minder bemoeien met het bouwen en met de hoogte van de huren.

Problemen van de toenemende verstedelijking

Tegelijkertijd met het wegtrekken van veel gezinnen uit de binnenstad kwam in de jaren zestig een proces van cityvor­ming op gang. De oude buurten werden gesaneerd: oude woningen werden gesloopt en vervangen door kantoren, wegen en winkels. De oude bebouwing had haar beste tijd wel gehad en schaadde eigenlijk het aanzien van een welva­rende, groeiende stad, zo redeneerde men. Bovendien moest het centrum worden ontsloten. Afbraak van de oude huizen maakte de expansie van de stadskern mogelijk. Aldus werd de woonfunctie opgeofferd aan de bouw van bedrijfspanden en winkelcentra; smalle, niet op massaal autoverkeer berekende straten maakten plaats voor brede, soms zelfs vierbaans ver­keerswegen. Hoog Catharijne in Utrecht is een markant voor­beeld van deze cityvorming: een enorm kantoorcomplex, één kilometer snelweg midden in de stad, parkeergarages, en een groot overdekt en verwarmd winkelcentrum met restaurants en een bioscoop. Een `uniek winkelhart', of `een armoedig surrogaat, patserige nep met kitschfonteinen en bakken met grind'?

Voor zover ze niet werden weggesaneerd, verkrotten de oude volksbuurten. Aangezien de gezinnen met de (iets) betere inkomens naar de nieuwe buitenwijken of de groeikernen ver­huisden, werd de bevolkingsstructuur eenzijdiger. Over ble­ven mensen met lagere inkomens, bejaarden, studenten en andere jongeren. Daarbij voegden zich een groeiend aantal mensen uit andere culturen, vooral gastarbeiders en hun gezinnen. Door de opeenhoping van zoveel verschillende cul­turen verdween het homogene karakter van deze wijken. Het werden multiculturele wijken. Deze bevolkingssamenstelling en de dikwijls slechte toestand van de woningen veroorzaak­ten spanningen. Rond 1970 ontstond er bij de buurtbewoners verzet tegen de grootschalige plannen tot cityvorming. Ze hadden geen zin om te verhuizen. Er vormden zich buurtco­mités. De mensen wilden geen sanering meer van de wijk, ze eisten renovatie van hun woningen. Ook verschenen er kra­kers. Huiseigenaren lieten hun panden soms lang leeg staan en verkrotten, met het oogmerk na de sloop de grond duur te verkopen voor de bouw van kantoren. Jongeren die nog steeds slachtoffer van de woningnood waren, braken deze panden open en gingen ze bewonen.

Intussen was ook de kritiek op de nieuwbouwwijken toegeno­men. Deze wijken waren ontworpen naar het concept van de tuinstad uit de jaren dertig. Dit was het idee om een nieuwe buurt aan de rand van de stad met veel groen in te richten. Wonen, werken en recreëren werden strikt gescheiden. In de tuinstad werd alleen gewoond, gewerkt werd er in de oude stad of op apart gelegen industrieterreinen. Groen, licht, lucht en ruimte — in zo'n omgeving zou men goed en gezond kun­nen leven. `Een gezellig huis en natuurgenot zijn één vleuge­lenpaar, dat de mens opheft tot een sfeer van blijmoedigheid, van reinheid, gezondheid en levensmoed', aldus een pleitbe­zorgster van het tuinstadidee rond de eeuwwisseling. In de loop van de jaren zestig taande echter het enthousiasme. Er kwam kritiek op de sterke scheiding tussen wonen, werken en recreëren. De nieuwbouwwijken werden tot slaapsteden, waar de kostwinners, de mannen, bij wijze van spreken alleen kwa­men om te slapen. Overdag waren het `reservaten' voor huis­vrouwen en kinderen. Door gebrek aan contact vereenzaam­den en verpieterden de huisvrouwen in hun doorzonwoningen en in hun flats. Ze gingen zich groene weduwen voelen. Ook hadden de bewoners kritiek op het ontbreken van centrale ontmoetingspunten (cafés en dergelijke) en op de vele auto­wegen die hun wijk als het ware in eilandjes opdeelden. De overheid moest bovendien vaststellen dat er minder mensen in de nieuwbouwwijken kwamen wonen vanwege de veelge­hoorde klachten over gebrek aan veiligheid en over flatneuro­se. Na 1965 kreeg dan ook laagbouw meer en meer de voor­keur boven hoogbouw. Daarnaast trachtte men met het bouwen beter rekening te houden met de individuele wensen van de bewoners.

Het veranderende leven in de plattelandskern

Op het eerste gezicht stak het leven op het platteland gunstig af tegen het leven in de stad. In een dorp, ook plattelands­kern genoemd, leefde men veel minder geïsoleerd dan in met name de nieuwbouwwijken van de steden. De dorpsbewoners waren sterk bij elkaar betrokken en de bereidheid de ander te helpen was groot. Alle onderlinge betrokkenheid en wederzijdse hulpverlening ten spijt ervoeren steeds meer bewoners echter het leven als te besloten. De sociale controle op - het platteland was groot. Wie zich niet net zo gedroeg als de anderen werd al gauw met de nek aangekeken. En van. ouds­her voltrokken veranderingen zich op het platteland maar langzaam. Tot in het begin van de jaren zestig lag het tempo van de modernisering er veel lager dan in de steden.

Maar uiteindelijk ontkwam ook het leven in de dorpsgemeen­schappen niet aan de invloeden van de nieuwe tijd. Door de opmars van de moderne communicatie- en verkeersmiddelen werden veel plattelandskernen opengebroken. De snelle toe­name van het aantal autos en als gevolg daarvan de uitbrei­ding en verbetering van het wegennet haalden het platteland uit zijn beslotenheid. Ook de verbreiding van de telefoon en van de televisie (en andere massamedia) maakte intensief contact met de wereld buiten de eigen kleine gemeenschap mogelijk. Door het overheidsbeleid werd het platteland bij de ontwikkeling van het gehele land betrokken. De politiek ten aanzien van landbouw. industrialisatie. verkeer, woningbouw en ruimtelijke ordening liet duidelijke sporen achter. Schaalvergroting en mechanisatie zorgden, zoals we al zagen, voor grote veranderingen in de agrarische sector. Het aantal mannelijke beroepspersonen dat in de landbouw werkzaam was, daalde van 533.000 in l947 tot ongeveer 200.000 in 1973. In veel plattelandskernen werden de nadelige gevolgen van deze dalende werkgelegenheid in de agrarische sector gevoeld. Ook talrijke kleine bedrijven in de plattelandsindustrie en in de detailhandel werden door de schaalvergroting getroffen. Veel kleine zuivelfabrieken, coöperatieve vereni­gingen, bakkers. schoenmakers. smeden en dergelijke ver­dwenen uit de dorpen. Anderzijds liet de industrialisatiegolf van de jaren vijftig en zestig ook het platteland niet onbe­roerd. Industrievestigingen brachten nieuwe werkgelegenheid en nieuwe woonrijken voor van elders komende werkne­mers. Tevens kwamen steeds meer mensen die in de grote of middelgrote steden werkten. ba onen in de dorpen. Door de vele woningen die voor deze forenzen gebouwd werden, nam de urbanisatie. de verstedelijking_ van het platteland toe. En dorpen die dicht bij de stadsrand lagen. werden vaak door de tomeloos groeiende steden opgeslokt. Een behoorlijk aantal kleine gemeenten werd om deze en andere redenen opgehe­ven.) Verder zorgde de sterk toenemende recreatiedruk, denk aan campings, toeristische routes, terreinen voor dagjesmen­sen enzovoort, voor allerlei ingrijpende veranderingen. Tenslotte dachten veel stadsmensen heel romantisch over het `leven op het land', zodat menigeen die het betalen kon een tweede woning kocht in een dorpje. Of ze verhuisden hele­maal naar het platteland.

Al deze ontwikkelingen leidden tot ingrijpende veranderingen in het leven op het platteland. In de niet-groeiende kernen vielen dorpsgebonden voorzieningen (de lagere school, hetgemeentehuis, dorpswinkels) weg. In de snel groeiende ker­nen ging vaak het oorspronkelijke plattelandskarakter verlo­ren. Er konden sociale spanningen ontstaan tussen de oor­spronkelijke bewoners en de nieuwkomers; laatstgenoemden hadden andere denkbeelden en een afwijkende levensstijl, en verwierven niet zelden grote invloed in de plaatselijke verenigingen. En ook natuur en landschap hadden door de genoemde ontwikkelingen ernstig te lijden. Ruilverkaveling, rationalise­ring van de landbouw, industrialisatie, urbanisatie, toename van het verkeer en intensief gebruik van chemische bestrij­dingsmiddelen eisten hun tol. Eeuwenoud en waardevol cul­tuurlandschap verkommerde of verdween geheel; lucht, water en bodem raakten verontreinigd; tientallen planten- en dier­soorten verdwenen uit ons land, terwijl nog veel meer soorten sterk in aantal afnamen. Het besef groeide, dat de prijs die voor de welvaart en vooruitgang betaald moest worden erg hoog was. Het `milieu' werd ontdekt. Aan het eind van de jaren zestig ontstonden strijdvaardige organisaties, die actie voerden tegen de milieuvervuiling en voor het behoud van landschap en natuur.

Woningbouw en de veranderde opvatting over het gezin

Tabel 1. Enkele demografische maten, 1947 en 1960

provincie
gem. grootte huish.
% gehuwden
% alleenwonende alleenstaanden
 
1947
1960
1947
1960
1947
1960
Groningen 3,8 3,6 62,0 67,0 10,3 15,4
Friesland 4,0 3,8 60,8 65,3 9,4 12,6
Drenthe 4,3 3,9 60,7 67,4 5,2 7,9
Overijssel 4,2 4,0 58,6 64,9 5,5 8,3
Gelderland 4,2 4,0 57,4 63,8 7,8 10,9
Utrecht 4,0 3,9 58,2 63,2 13,6 17,1
Noord-Holland 3,7 3,6 60,7 64,9 13,6 19,1
Zuid-Holland 3,8 3,6 60,2 65,5 12,6 17,7
Zeeland 3,8 3,6 60,6 66,6 8,5 13,0
Noord-Brabant 4,7 4,4 53,6 61,2 5,6 7,5
Limburg 4,6 4,2 54,4 62,8 5,9 7,2
NEDERLAND 4,0 3,9 58,8 64,5 10,1 13,9

Bron: de gegevens met betrekking tot de huishoudens: 1947: 12e Volkstelling, annex woningtelling, 31 Mei 1947. Serie A. Rijksen provinciale cijfers, Deel 3. Woning en gezinstelling(Utrecht 1954) 82; 1960: 13e Algemene volkstelling, 31 mei 1960, deel 5. Huishoudens, gezinnen en woningen, B. Voornaamste cijfers per gemeente, 22; de cijfers over de nuptialiteit uit: Volkstelling 1960, Deel 4. Geslacht, leeftijd en burgerlijke staat, 28; de aantallen alleenwonende alleenstaanden uit: Volkstelling 1947, Serie A. Deel 3, 112-113, en Volkstelling 1960, Deel 5. A., 74

De betekenis van het gezonde gezin is zo centraal voor onze volksgemeenschap, dat in onze politiek het gezin in het alge­meen een centrale plaats moet innemen. (...) Wanneer ons daarbij een zekere felheid bevangt, dan moet niemand ons dat kwalijk nemen. Die felheid is dan de weerslag van ons inzicht in de fundamentele betekenis van het gezonde gezin voor een gezond volk.' Aldus KVP-fractievoorzitter Romme tijdens een debat in de Tweede Kamer in 1949. In de jaren veertig en vijftig werd dit `gezonde gezin' met zijn specifieke taakverde­ling tussen man en vrouw beschouwd als de hoeksteen van de samenleving. Het buitenshuis werken van de gehuwde vrouw bleef taboe; een opvatting waarvoor de in de jaren vijftig en zestig immens populaire moederschapsideologie nog extra argumenten leverde. In de boeken van de Amerikaanse opvoedkundige Benjamin Spock en van zijn Britse collega John Bowlby werd het belang van de moeder voor het welzijn en geluk van de kinderen sterk benadrukt. Moeders moesten zoveel mogelijk aandacht en liefde aan hun kinderen geven. Bowlby's attachment-theorie ging ervan uit, dat door de gehechtheid van het jonge kind aan de moeder de basis werd gelegd voor een gezonde, sterke persoonlijkheid. Als het jonge kind de moederlijke zorg zou moeten missen, kon het zich later niet goed ontwikkelen.

Net als bij de opbouw van de verzorgingsstaat voerde de overheid ook in de woningbouw een actieve sekse- en gezinspolitiek. Zowel bij het plannen van nieuwbouwwijken als bij de inrichting van de woning werd uitgegaan van het gezin. Met andersoortige huishoudens en met alleenstaanden werd bij het bouwen niet of nauwelijks rekening gehouden. De bestaande subsidieregeling maakte het ook voor gemeen­ten en woningbouwcorporaties zeer onvoordelig om woningen voor alleenstaanden te bouwen. Bij de meeste gemeenten konden ongehuwden zich of pas op middelbare leeftijd of helemaal niet als woningzoekende laten inschrijven. De inde­ling van de nieuwbouwwoningen was in de `Voorschriften en Wenken' vastgelegd. Ook hierbij was het gezin de norm: een woonkamer als hoofdvertrek, een grotere slaapkamer voor de ouders, en twee kleinere slaapkamers voor de kinderen (naast een keuken en een badkamer).

Tabel 2. Huwelijksleeftijd en percentage gehuwden

periode
gemiddelde huw. lftd.
gehuwd op lftd. 25
gehuwd op lftd. 50
 
M
V
M
V
M
V
1948-49 28,4 25,9 23,8 48,8 89,1 88,4
1950-55 27,7 25,4 28,8 55,3 90,0 90,4
1956-60 27,1 24,8 35,9 64,8 91,5 92,9
1961-65 26,2 23,9 45,1 72,0 91,0 93,8

Bron: percentage ‘eerst-gehuwden voor nog nimmer gehuwd geweest zijnde personen’ op de leeftijd 25 en 50: Huwelijks- en bertrouwtafels voor Nederland. Afgeleid uit waarnemingen over de perioden 1948-1949, 1950-1955, 1955-1960 en 1961-1965. CBS ('s-Gravenhage 1970) 36; gemiddelde huwelijksleeftijd berekend op basis van: Kooy,Sexualiteit, huwelijk en gezin, 171.

In de jaren zestig en zeventig bleef het gezin beschouwd wor­den als de ideale samenlevingsvorm, al begonnen zich wel veranderingen af te tekenen. De relatie tussen ouders en kin­deren wijzigde zich. Jongeren werden financieel eerder onaf­hankelijk, een geldelijke bijdrage van hen-aan het huishouden (kostgeld) werd minder noodzakelijk, dus gingen ze eerder en meer op zichzelf wonen. Vrouwen beperkten zich minder tot de moederrol; hun opleidingsniveau steeg, gehuwde vrouwen gingen nu meer buitenshuis werken (het huishouden was door de mechanisatie ook minder zwaar en tijdrovend geworden), en mede onder invloed van de tweede feministische golf ver­anderde de traditionele rolverdeling tussen de seksen in het gezin. Kinderopvang buiten het gezin (crèches) werd alge­mener. Bovendien hadden demografische factoren invloed op de samenstelling en omvang van de huishoudens. De naoor­logse geboortengolf leidde tot een piek in de huishoudensvor­ming in de tweede helft van de jaren zestig; de gevolgen van de daling van het geboortencijfer sinds 1965 werden in de jaren zeventig merkbaar. Het aantal huwelijkssluitingen nam af, het aantal echtscheidingen nam toe. Er kwamen meer alleenstaanden. En de levensverwachting werd hoger, wat meer bejaarden betekende.

illustratie

Afbeelding 3. Aantal echtschiedingen per 10.000 gehuwde mannen.

Al deze ontwikkelingen beïnvloedden de woningmarkt. Behalve voor het traditionele gezin moesten er ook voor het toenemend aantal eenpersoonshuishoudens woningen komen. Nieuwe samenlevingsvormen als commune, woongroep en LAT-relatie (Living Apart Together) verlangden aangepaste woonruimte. Speciale groepen als studenten en bejaarden eis­ten eveneens op hun behoeften afgestemde huisvesting. Het beleid van de overheid, de woningbouwcorporaties en archi­tecten liep echter achter bij de veranderende woonwensen. Deze wensen golden ook voor de indeling van het huis. Zo was er een groeiende behoefte aan aparte ruimten voor indivi­duele gezinsleden; werkende vrouwen bijvoorbeeld wensten een eigen werkkamer. Geëmancipeerde vrouwen gaven dui­delijk aan inspraak te willen hebben bij het bouwen van woningen. Doordat de huishoudens kleiner werden en tegelij­kertijd de behoefte aan individuele woonvormen steeg, bleef ook aan het eind van de jaren zestig en in de jaren zeventig de vraag naar woningen onverkort groot. De woningnood veran­derde van karakter, maar bleef voor veel Nederlanders een akelige realiteit.

illustratie

Afbeelding 4. Aantal buitenechtelijke geboorten per 1000 niet-gehuwde vrouwen van 15 tot 49 jaar.

5 Onderwijs, vrije tijd en jeugdcultuur

Massificatie en vernieuwing van het onderwijs

Lange tijd waren afkomst en de stand waartoe je behoorde bepalend geweest voor je plaats op de sociale ladder. In deze eeuw, en met name na de oorlog, werd het beroep steeds meer doorslaggevend voor je plaats in de samenleving. Je baan en het bijbehorende inkomen werden beslissend voor de macht die je in de samenleving kon uitoefenen. Het voortgezet onderwijs, vroeger alleen weggelegd voor mensen uit de hoogste maatschappelijke kringen, stond nu voor iedereen open als voorbereiding op een beroep. En de alsmaar groeien­de economie zorgde voor een toenemende vraag naar geschoolde arbeidskrachten, vooral in de industrie en de dien­stensector. Onderwijs werd een vorm van investeren in men­sen, in wat economen 'human capital ' noemen. Daarnaast veroorzaakte de geboortengolf een stijgende vraag naar onderwijs. Bovendien wilden steeds meer mensen een hogere levensstandaard, en leidde de democratisering van de samen­leving ertoe dat mensen uit alle sociale milieus toegang kre­gen tot alle vormen van onderwijs. Vanwege de enorme toe­loop naar het voortgezet onderwijs sprak men van een `onderwijsexplosie' .

Nu was het bestaande onderwijsstelsel erg verbrokkeld: de verschillende schooltypes stonden geheel los van elkaar, doorstroming was vrijwel niet mogelijk. Tevens was er op een aantal niveaus nog gescheiden meisjes- en jongensonderwijs, onder andere in het beroepsonderwijs. Speciaal voor meisjes was er de MMS: de Middelbare Meisjes School. Met name in katholieke kring bleef men lang tegenstander van coëducatie, het gezamenlijk onderwijs voor jongens en meisjes. In 1963 werd de Mammoetwet van minister Cals aangenomen, die vanaf 1968 in werking trad. Met deze wet werd het gehele voortgezet onderwijs op nieuwe leest geschoeid; het huidige stelsel was ervan het resultaat. De verschillende schooltypes sloten nu beter op elkaar aan, zodat de leerlingen konden doorstromen van het ene type naar het andere. De wens van de overheid, politieke partijen, vakbonden en andere belan­gengroeperingen naar betere ontplooiingskansen ging hiermee in vervulling. Evenals de wens van de werkgevers dat het onderwijs zich soepeler kon aanpassen aan de arbeidsmarkt, dus aan de behoeften van het bedrijfsleven.

Maar ondanks de vele verbeteringen voldeed het nieuwe stel­sel niet aan alle verwachtingen. Zo bleken nog steeds de schoolkeuze en schoolloopbaan van leerlingen in sterke mate te worden bepaald door het sociale milieu waaruit ze afkom­stig waren. Voor arbeiderskinderen bleek het moeilijker naar hogere vormen van voortgezet onderwijs (en naar universitair onderwijs) door te stromen dan voor kinderen uit middelbare en hogere milieus. In de hoop dit probleem te ondervangen, ging de overheid vanaf 1975 experimenteren met de midden­school. Alle twaalf- tot vijftienjarigen zouden hierbij eenzelf­de programma doorlopen; pas met zestien jaar zou voor een bepaalde richting behoeven te worden gekozen. Het experi­ment met de middenschool werd echter geen succes. Verder was met de invoering van de Mammoetwet het aparte meis­jes- en jongensonderwijs afgeschaft. (De bezwaren van onder andere de katholieken tegen de coëducatie waren in de jaren zestig sterk afgenomen.) Maar in de praktijk bleef dit sek­sespecifieke onderwijs voor een belangrijk deel voortbestaan. In het lager beroepsonderwijs (lbo) bijvoorbeeld werd het huishoud- en nijverheidsonderwijs nog altijd alleen door meisjes bezocht, terwijl de lts vrijwel alleen jongens trok. En in het algemeen voortgezet onderwijs (mavo, havo) en het vwo kozen meisjes veel vaker dan jongens een vakkenpakket zonder exacte vakken, waardoor de mogelijkheden voor ver­volgopleidingen en op de arbeidsmarkt geringer waren. Rond 1970 wezen de feministen er al op dat van de traditionele rol­verdeling tussen de seksen ook in de scholen nog heel wat gehandhaafd bleef. Zo gaven leraressen vooral `vrouwelijke' vakken (zoals talen), en werden ze meer ingezet in de onder­bouw dan in de bovenbouw. Vrouwen maakten ook slechts bij uitzondering deel uit van de schoolleiding. Leerkrachten beschouwden meisjes ook vaak nog als ijveriger, volgzamer, kwetsbaarder en dommer dan jongens. En in de leermiddelen (taal- en geschiedenisboeken) werden de bestaande rolpatro­nen nog steeds bevestigd.

Uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt hoe sterk de deelname aan het onderwijs toenam. Tussen 1950 en 1968 steeg het aantal leerlingen in het alge­meen vormend onderwijs van 252 000 tot 587 000, en in het beroepsonderwijs van 257 000 tot 369 000. Het aantal studen­ten nam in deze periode toe van bijna 30 000 tot ruim 85 000. Je begrijpt dat deze enorme toename een behoorlijke rol speelde bij de grote veranderingen die zich in de jaren zestig op cultureel en mentaal gebied voordeden. Steeds meer men­sen werden mondiger, en het waren vooral de studenten en andere goed opgeleide jongeren die de eisen betreffende democratisering, inspraak en medezeggenschap stelden.

Verschuivingen in vrijetijdsbesteding

Naast behoud van werkgelegenheid en verhoging van de lonen vormde ook verkorting van de arbeidstijd een centraal punt van actie voor de vakcentrales. Ze voerden een langduri­ge strijd om de in ons land naar verhouding lange werkweek te bekorten. De Nederlandse arbeider moest meer vrije tijd krijgen. Het begrip `vrije tijd' was aanvankelijk dan ook geheel verbonden met de groep van mannelijke fabrieksarbei­ders. Vrije tijd werd omschreven als `niet-betaalde arbeid'. Door deze beperkte omschrijving werd het begrip op andere bevolkingsgroepen vooralsnog niet toegepast. Over het recht op vrije tijd voor bijvoorbeeld scholieren en vrouwen sprak men in de jaren vijftig nog niet.

In de jaren veertig en vijftig probeerden de leiders van de zuilen zoveel mogelijk greep te houden op de vrijetijdsbesteding van hun achterban. Vrije tijd zagen ze als voorbereiding op de arbeidstijd, niet als doel op zich. De vrije tijd moest nuttig en zinvol besteed worden en toch ontspanning bieden, zodat tij­dens de arbeidsuren met nieuwe energie aan de opbouw van onze economie gewerkt kon worden. De verantwoorde vrije­tijdsbesteding diende — uiteraard — plaats te vinden binnen het gezin, in de beslotenheid van de eigen buurt en in de verzuil­de verenigingen. De jeugdverenigingen van de verschillende zuilen deden hun best ook de werkende jongeren aan zich te binden. De autoriteiten in de zuilen maakten zich zorgen over de verschillende vormen van het moderne amusement. De bioscoop, de dancing, maar ook het nieuwe fenomeen televi­sie oefende een `verontrustend' grote aantrekkingskracht uit op met name de jeugd. Oppervlakkig vermaak, zonder opvoedkundige waarde, waarbij de normen en idealen van de zuilen werden genegeerd, zo oordeelde men hoofdschuddend. Maar het tij bleek niet te keren.

Tussen 1955 en 1965 beleefde Nederland de komst van de verzorgingsstaat, het begin van de ontzuiling en het ontstaan van de consumptiemaatschappij. Deze ontwikkelingen hadden grote invloed op het denken over vrije tijd, het vrijetijdsaan­bod en de vrijetijdsbesteding. Door de succesvolle acties voor arbeidstijdverkorting en de loonsverhogingen kregen de men­sen meer vrije tijd, en meer geld om in die tijd te besteden. Vrije tijd werd al snel gelijkgesteld met plezier maken en je lekker ontspannen. De kerken en de leiders van de zuilen ver­loren in hoog tempo de controle over de vrijetijdsbesteding van hun gelovigen en hun achterban. Over de vraag of de vrije tijd wel op een zedelijk verantwoorde wijze werd door­gebracht, of de activiteiten wel een opvoedkundig doel dien­den, werd steeds minder nagedacht. Door de ontzuiling verlo­ren de oude strikte normen en waarden voor de vrijetijdsbesteding aan betekenis. Je zou kunnen zeggen dat de leidinggevende rol van de autoriteiten van de zuilen op dit gebied werd overgenomen door de vrijetijdsindustrie.

Omdat steeds meer mensen steeds meer geld aan hun vrije tijd gingen besteden, werd het voor bedrijven interessanter zich op deze markt te richten. Horecabedrijven, discotheken, pla­tenfirma's, sportartikelen- en vrijetijdskledingzaken, reisbu­reaus enzovoort schoten als paddestoelen uit de grond. Er was in deze branche goed te verdienen. Het aanbod van de vrije­tijdsindustrie werd bepaald door de koopkracht en door de smaak van het grote publiek. Reclamemakers deden hun best de vraag naar produkten te beïnvloeden. Jongeren vormden door hun toenemende koopkracht een steeds belangrijkere groep consumenten. Het gevolg van deze ontwikkelingen was dat de oude afhankelijkheid van de normen en waarden van de zuilen plaats maakte voor een nieuwe afhankelijkheid: die van de markt. Om `erbij te horen', om aan een bepaalde stijl te voldoen, of een specifieke status te verwerven, schikten veel mensen zich nu naar de nieuwe waarden en normen van de consumptiemaatschappij. Door naar een bepaald soort muziek te luisteren, door een bepaalde manier van kleden en een bepaalde haardracht kon je duidelijk maken tot welke maatschappelijke groep of subcultuur je behoorde. Ook uit de inrichting van de woning of uit de aanleg van het tuintje in de nieuwbouwwijk kon zo'n nieuwe groepsbinding blijken. Jongeren bleken erg gevoelig voor nieuwe groepsnormen.

Nog op zoek naar de eigen identiteit was het voor hen prettig zich te kunnen conformeren aan de opvattingen en levensstijl van een of andere groep. De jeugdculturen die na 1955 ont­stonden, toonden dit aan.

inkomen per hoofd van de bevolking

Tussen 1945 en 1958 werkte de Nederlander gemiddeld 49 uur per week. Dit was meer dan in alle andere Westeuropese landen. Maar de strijd van de vakbonden bleef niet zonder resultaat. Het aantal arbeidsuren nam langzaam af. Vanaf 1960 werd de vrije zaterdag ingevoerd. Van nu af werd er vijf dagen en gemiddeld 45 uur in de week gewerkt. Geleidelijk daalde de arbeidsduur verder tot 40 uur per week aan het einde van de jaren zeventig. Ook steeg het aantal vrije dagen. Het recht op vakantie met behoud van loon was rond 1963 al voor 82% van de werknemers in de CAO vastgelegd; in 1966 werd dit recht wettelijk geregeld. De Nederlanders kregen meer vrije tijd en gingen meer op vakantie. Maar uit cijfers van het CBS bleek dat de hoeveelheid vrije tijd per sekse nogal verschilde. Vrouwen en meisjes besteedden een naar verhouding groot deel van hun tijd aan het huishouden. Zij beschikten over minder vrije tijd dan mannen en jongens. En gingen ze buitenshuis werken, dan moesten ze daarnaast nog thuis het leeuwendeel van het huishoudelijk werk blijven doen. Voor werkende vrouwen en meisjes betekende dit een dubbe­le belasting.

In de eerste jaren na de oorlog kende ons land een bloeiend uitgaansleven. De bioscoop, de schouwburg, het concertge­bouw, de dancing en de sportwedstrijd waren zeer in trek. Na 1949 liep echter het bioscoop-, toneel- en concertbezoek terug. Ook voor het (verzuilde) verenigingsleven werd de animo geringer. (Alleen de sportclubs leden niet onder afne­mende belangstelling.)

Hoe bracht de Nederlander in de jaren vijftig en zestig dan wel zijn vrije tijd door?

Enerzijds trok hij er massaal op uit. De mobiliteit nam sterk toe. We zagen al dat het aantal auto's snel groeide. En wie zich om financiële redenen nog geen auto kon veroorloven of nog te jong was voor het behalen van het rijbewijs schafte zich vaak een bromfiets aan. Reden er in 1950 in ons land niet meer dan 4000 bromfietsen, in 1965 waren dat er al anderhalf miljoen. In 1963 was 20% van de Nederlanders (vooral arbei­ders, boeren en jongeren) de trotse eigenaar van een brom­mer. Dankzij de auto en de bromfiets werd de vrije tijd steeds verder van de eigen woonplaats doorgebracht. Het `toeren' op de zondagmiddag werd zeer populair. De genoegelijke tochtjes naar het mooie platteland leidden niet zelden tot bermen vol geparkeerde auto's en verstopte polderwegen. Nederland maakte kennis met de verschijnselen bermtoerisme en file. Anderzijds hokte de Nederlander graag thuis bij de buis. De televisie werd vooral in de jaren zestig de favoriete dagelijkse vrijetijdsbesteding. In 1962 werd maar liefst 22% van alle vrije tijd voor het tv-toestel doorgebracht. Met name bij arbei­ders en jongeren was het televisie-kijken snel een geliefde bezigheid. Intellectuelen en welgestelden, boeren en landar­beiders, en gereformeerden moesten er aanvankelijk weinig van hebben. Door de massale verspreiding van tv's werd er meer vrije tijd binnen het gezin doorgebracht. Het afnemende bezoek aan `openbare vermakelijkheden' als film, concert en toneel was vooral uit dit proces van verhuiselijking te verkla­ren.

Na 1965 werd de vrijetijdsbesteding weer in toenemende mate buiten het gezinsverband gezocht. De individualisering, een steeds duidelijker kenmerk van de samenleving sinds de tweede helft van de jaren zestig, zag je ook terug in de vrije­tijdsbesteding. Mensen gingen nu op individuele basis deelne­men aan vrijetijdsorganisaties. Vooral de amateursport profi­teerde hiervan. De populariteit van individuele sporten, zoals tennis, nam ten koste van die van de teamsporten toe.

Veranderend beeld van de jeugd

In de jaren na de oorlog was de angst voor de 'zedenverwilde­ring' in de samenleving erg groot. Tot ongevèer 1955 waren de overheid en de elites van de zuilen met name bezorgd over het vermeende morele verval bij de niet-georganiseerde jeugd, de zogenoemde `massajeugd'. Deze vrees leidde tot grootscheepse onderzoeken naar het gedrag van jongeren en naar de mogelijkheden tot opvang van de jeugd via het onder­wijs en het jeugdwerk. Naast de opvoeding in het gezin en de school werd het verzuilde jeugdwerk gezien als een noodza­kelijke aanvullende vorming voor de jongere. Jeugdorgani­saties als de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ), de socialisti­sche Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) en vele andere moesten de jeugd helpen een zedelijk hoogstaand leven te leiden en de idealen van de eigen zuil hoog te houden.

Maar na 1955 bleek dat de verzuilde jeugdorganisaties hun beste tijd gehad hadden. Was in 1952 25% van de jeugd van 8 tot 25 jaar lid van een jeugdorganisatie, in 1959 was dat nog maar 20% en in 1963 17%. Vooral de jeugd boven de zestien jaar keerde de organisaties de rug toe. Een nieuwe, 'scepti­sche generatie' jongeren ging haar eigen weg. Ze oriënteerde zich sterker op de op Amerikaanse leest geschoeide commer­ciële jeugdcultuur. Ze had geen boodschap meer aan hoge geestelijke idealen. De ouderen, gewend als ze waren aan een idealistische jeugdbeweging, wisten zich niet goed raad met deze sceptische, op consumptie gerichte jeugd. De oude angst voor zedenverwildering was inmiddels wel grotendeels ver­dwenen (het was feitelijk allemaal erg meegevallen), maar er bleef genoeg reden tot bezorgdheid. Om toch de greep op de jongeren niet geheel te verliezen, koos de overheid voor de subsidiëring van een nieuw beleid: het open jeugdwerk. De verzuilde jeugdverenigingen gingen nu dansavonden, vor­mingsavonden, instuiven, jeugdsosen en andere activiteiten organiseren, die voor iedere jongere vrij toegankelijk waren. Je hoefde niet langer lid van zo'n vereniging te zijn. Het open jeugdwerk maakte een stormachtige groei door; het voorzag kennelijk in een behoefte. De oude doeleinden: het aankwe­ken van moreel besef en van verantwoordelijkheid voor de samenleving, bleven gehandhaafd, maar waren voor de jonge­ren minder zichtbaar. Naast het open jeugdwerk namen ook sportorganisaties, het onderwijs en, voor de bedrijfsjeugd, het vormingswerk taken van de oude jeugdorganisaties over. Het vormingswerk had als doel diegenen die slechts een minimale scholing hadden genoten, zoals veel werkende jongeren, gees­telijk en zedelijk op een hoger peil te brengen. Zij konden deze persoonlijke vorming bereiken door het volgen van aller­lei cursussen, die door volksuniversiteiten, vormingsinstituten en dergelijke werden georganiseerd.

In de jaren zestig werd de ontzuiling ook in het jeugd- en vor­mingswerk zichtbaar. Het werd opener. vrijer, minder bevoogdend. De traditionele verzuilde jeugdorganisaties lie­pen verder in aanhang terug. De concurrentie van de nieuwe vrijetijdsindustrie en van de vele nieuwe vormen van amuse­ment bleek erg groot. De pedagogische opvattingen van oude­ren veranderden nu definitief. Bij steeds meer mensen maakte verontrusting over de jeugd plaats voor een zekere waarde­ring: de zelfbewuste en kritische houding van de jongeren werd als iets positiefs ervaren. En de betutteling nam af. Zo mocht in het open jeugdwerk de jeugd voortaan de toon aan­geven.

Het ontstaan van nieuwe jeugdculturen

Rond 1955 maakte Nederland kennis met een nieuw feno­meen: specifieke jeugdculturen. Jongeren gingen vooral in hun vrije tijd een 'duidelijke eigen, van die van de ouderen afwijkende levensstijl ontplooien. Welke factoren bevorder­den het ontstaan van deze jeugdculturen? Ten eerste gingen de jongeren over meer geld beschikken. Het werd steeds min­der gebruikelijk dat werkende jongeren het gehele verdiende loon aan hun ouders gaven. In plaats daarvan konden ze vol­staan met het betalen van kostgeld. In de tweede plaats kwa­men er meer en meer consumptiegoederen op de markt. Met haar toegenomen koopkracht kon de jeugd zich gemakkelijker een brommer, een transistorradio, een pick-up, speciale kleding veroorloven. Ten derde speelde de grotere mobiliteit en de toenemende communicatie een belangrijke rol. De ver­spreiding van de bromfiets, de televisie, de grammofoonplaat vergrootte de contactmogelijkheden met andere culturen. Verder was het meer open klimaat dat in de gezinnen ont­stond van belang. De minder hiërarchische verhouding tussen ouders en kinderen maakte het ontwikkelen van een eigen levensstijl gemakkelijker. En ook de verlenging van de schoolperiode had grote gevolgen. In 1945 stroomde minder dan de helft van de jeugd door naar het voortgezet onderwijs, in 1963 was dat ruim 90%. Tevens steeg het aantal jongens en meisjes van zestien tot achttien jaar dat volledig dagonderwijs volgde flink. De schooltijd werd een steeds belangrijker deel van het leven van de jeugd. Van een overgangsfase werd de schooltijd een eigen levensfase, waarin wezenlijke ervaringen werden opgedaan. Op school kon men `samen jong zijn' en met leeftijdgenoten een eigen identiteit zoeken. Tenslotte oefenden de jeugdculturen uit de Verenigde Staten grote invloed uit. De Nederlandse jeugdculturen namen veel over van de Amerikaanse voorbeelden, die via films, populaire literatuur, platen, radio en reclame ons land bereikten.

Rond 1955 werd keurig Nederland opgeschrikt door groepen jongens die op gestroomlijnde brommers luidruchtig bezit namen van de straat. Ze waren gekleed in een zwart leren jack, geruit hemd, zwarte werkbroek en motorlaarzen. Daarboven een vetkuif, door brillantine in vorm gehouden. En ze droegen, zodra die vanaf het eind van de jaren vijftig beschikbaar was, een transistorradio bij zich. Deze nozems, zoals ze werden genoemd, behoorden tot de vaak ongeschool­de, maar nu aardig verdienende arbeidersjeugd. Hun nieuwe cultuur was een genotscultuur. In de ongebonden jaren tussen de schooltijd en het gesettelde bestaan van de volwassene wil­den ze zoveel mogelijk van het leven genieten: Ze legden de nadruk op mannelijkheid en lichamelijkheid. Maar de meisjes, in wijde rokken met een brede ceintuur en met hoog opgestoken getoupeerd haar, speelden in hun cultuur een ondergeschikte rol. De nozemstijl ontleende veel aan de Amerikaanse massacultuur. Filmsterren als Marlon Brando en James Dean, die de rol van de rebelse jongere speelden, waren zeer populair. Maar ook de rockzangers Bill Haley en bovenal Elvis Presley waren voorbeeldfiguren voor de nozems. Rock 'n roll, de muziek van de Amerikaanse arbei­dersjeugd, werd ook hun favoriete muziek. De manier van dansen op deze muziek sloeg de volwassenen de schrik om het hart: '... schokken met het lichaam, rollen met het hoofd, stuiptrekkend, voetgetrappel ... jonge dames raakten zo over­stuur dat ze elkaar met de schoenen om de oren sloegen, ze klommen op stoelen klappend en stampend...'

De politie greep hard in, het kwam geregeld tot opstootjes, onder andere bij de vertoning van de film `Rock around the Clock'. Om de open­bare orde niet in gevaar te brengen. gelastte de burgemeester van Gouda zelfs dat de film alleen zonder geluid mocht wor­den vertoond... De eerste rock 'n roll van Nederlandse bodem werd gemaakt door jonge Indische Nederlanders en Molukkers. De gitaar was een vertrouwd element in hun cul­tuur en ze waren in Nederlands-Indië al met de Amerikaanse muziek in aanraking gekomen. Bands als de Tielman Brothers en de Blue Diamonds (die met 'Ramona' een wereldhit had­den) waren een sensatie. De periode van de Indo-rock (1958-1965) vormde het begin van de Nederlandse popmu­ziek.

Jongeren uit de middenklasse ontwikkelden in het midden van de jaren vijftig ook een eigen jeugdcultuur. Kunstenaars, stu­denten en scholieren troffen elkaar in cafés op het Leidseplein in Amsterdam. Deze `artistiekelingen' of `pleiners' waren ook antiburgerlijk, maar minder agressief dan de nozems. Ze werden beïnvloed door het Franse existentialisme (Sartre en anderen) en de Amerikaanse `beatnik'-cultuur. Net als de Franse existentialisten droegen ze zwarte kleding; jazz was hun muziek. Ze waren romantisch en anarchistisch en zetten zich af tegen de heersende bevoogdende moraal. En er werd hevig gediscussieerd over moderne kunst en literatuur; de COBRA-groep (onder anderen Karel Appel), de Vijftigers (Lucebert, Schierbeek, Kouwenaar en anderen) en Simon Vinkenoog werden bewonderd. Later werd er ook met drugs geëxperimenteerd. Deze jeugdcultuur bleef niet tot Amsterdam beperkt: in andere steden verschenen eveneens groepjes artistiekelingen.

Beide jeugdculturen liepen terug in het begin van de jaren zestig, maar oefenden toch invloed uit op de vorm en stijl van de jongerengroepen die vanaf 1965 Nederland in beroering brachten. Op vele nieuwe wijzen rebelleerde de jeugd tegen het gezag en de bestaande verhoudingen in de maatschappij. Jongeren gingen actie voeren, demonstreren, protesteren bin­nen politieke partijen (Nieuw Links), nieuwe partijen oprich­ten (D66 en PPR). Ook de manier van kleden kon een vorm van verzet zijn. Zo gingen meisjes lange broeken en truien dragen, waarmee ze bewust het traditionele kledingpatroon van hun sekse doorbraken. Pogingen van schoolleidingen dit te verbieden of gedeeltelijk tegen te gaan (meisjes mochten alleen een broek dragen als ze er een rok overheen aantrok­ken), liepen op niets uit. Nog meer door hun gedrag dan door hun kleding gaven de hippies en, in de jaren zeventig, de kabouters uiting aan hun rebelse opvattingen. Maar vooral in de muziek werd de geest van vernieuwing en protest overge­bracht. Met de opkomst van de popmuziek in het begin van de jaren zestig kreeg de jeugd een eigen geluid. De Britse beat-muziek werd snel ontzaglijk populair: groepen als The Beatles en The Rolling Stones vertolkten in hun muziek en hun teksten de gevoelens van ontelbare jongeren. Veel jon­gens lieten in navolging van de Beatles hun haar groeien - alweer een bron van conflicten met de volwassenen. Vanaf 1965 begon, hevig gepromoot door de media, de vaderlandse variant van de beatmuziek, de Nederbeat, aan haar zegetocht. Ook de protestmuziek werd een belangrijk genre. Zangers en groepen als Bob Dylan, The Doors, en — in Nederland - Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot hekelden het establishment, de misstanden in de maatschappij en de Amerikaanse deelname aan de Vietnam-oorlog.

Studerende en werkende jongeren stellen nieuwe eisen

Tussen 1964 en 1967 was Amsterdam in de ban van provo. Het begon allemaal met de `happenings' van `anti-rookma­giër' Robert Jasper Grootveld rond het beeld van het Lieverdje op het Spui. Die trokken steeds meer publiek en leidden regelmatig tot botsingen met de politie. Uit de deelne­mers aan de happenings werd de kern van provo gevormd. De uit de Ban de Bom-beweging afkomstige student Roel van Duyn was de initiatiefnemer. Provo presenteerde zich als een verzameling van alle toen bestaande jeugdstijlen, maar was toch vooral de erfgenaam van de pleiners. Anarchistisch inge­stelde jongeren, studenten en kunstenaars bekritiseerden via `ludieke aksies' de moderne consumptiemaatschappij, het kapitalistische stelsel, de burgerlijke cultuur en de gevestigde orde. De provo's richtten zich tegen de regentenmentaliteit; ze eisten democratisering en inspraak. Wit werd de kleur van provo. Er werden witte spijkerpakken gedragen; er werden `witte plannen' gelanceerd. Zo kwam provo Luud Schimmelpenninck met het `witte-fietsenplan', waarin werd voorgesteld de auto (het symbool van de consumptiemaat­schappij) in de Amsterdamse binnenstad te vervangen door de collectieve witte fiets. Politie en autoriteiten wisten zich geen raad met de ludieke acties en als provocaties opgevatte witte plannen, en traden steeds harder op. Er waren rellen bij het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg in maart 1966, en daarna nam het geweld snel verder toe. Uiteindelijk moesten de burgemeester van Amsterdam en de hoofdcom­missaris van politie aftreden. Provo hief zich in mei 1967 op. Provo vond een vervolg in de hippie- en flower-power-cul­tuur, maar vooral in de studentenbeweging. Begonnen als belangengroep werd de studentenbeweging steeds radicaler. Ze eiste hervorming van de maatschappij, het einde van de oorlog in Vietnam, en democratisering en vernieuwing van het hoger onderwijs. Studenten en protestbeweging werden haast synoniem. Ook onder scholieren groeide de afkeer van autoriteit; de roep om inspraak en een andere, meer democra­tische verhouding tussen de leerlingen en de schoolleiding en docenten nam toe. De werkende jongeren lieten zich evenmin onbetuigd. Op een grote bijeenkomst in 1969 in Den Haag eisten ze meer inspraak en bovenal het recht een dag in de week onderwijs te mogen volgen. Dit part-time onderwijs naast het werk werd participatie-onderwijs genoemd. De in 1969 opgerichte organisatie Dolle Mina tenslotte bediende zich net als provo van ludieke acties. Zo streden de Dolle Mina's voor legalisering van abortus ('baas in eigen buik'), voor vrije verkrijgbaarheid van `de pil' en voor meer openba­re toiletten voor vrouwen. Ook hadden ze kritiek op de bescheiden rol die meisjes binnen de studenten- en jeugdbe­wegingen speelden.