We hebben 180 gasten online

Weimar revisted: Over het belang van cultuur in de moderne Duitse geschiedenis

Gepost in Duitsland

 

Oratie prof dr.F Boterman

Hoogleraar moderne Duitse geschiedenis van Duitsland na 1750

 

 Mijnheer de Rector Magnificus, waarde toehoorders

 

Duitsland is niet alleen het meest historische land, maar wellicht ook het meest culturele land van Europa. Toen Wolfgang Goethe, zesentwintig jaar oud, in een Landauer op 7 november 1775 in de “Residenzstadt” Weimar arriveerde, kon hij niet bevroeden dat hij aan het begin stond van een lange en gecompliceerde traditie van “Kultur” en “Bildung”. Aan het eind van de achttiende eeuw ontstonden in deze provincieplaats in Thüringen met niet meer dan zesduizend inwoners literaire en filosofische meesterwerken die Duitsland een wereldnaam zouden bezorgen. Niet alleen Goethe, die later zijn Faust zou voltooien, maar ook Schiller, Herder, Wieland, Von Humboldt e.a. waren er neergestreken of doceerden aan de naburige universiteit van Jena. Weimar zou de heilige plaats van het Duitse “Bildungsbürgertum” worden en de vriendschap tussen Goethe en Schiller zou symbool staan voor de klassiek-humanistische erfenis.

 

Hier zou een mythe ontstaan die daarna telkens weer gebruikt en misbruikt zou worden voor culturele en politieke doeleinden. In 1919 zou Weimar door betrekkelijk toevallige omstandigheden zijn naam lenen aan de “Verfassung”, geschreven door de liberale rechtsgeleerde Hugo Preuss. Vanwege de gespannen revolutionaire situatie in de politieke hoofdstad Berlijn moest men uitwijken naar de cultuurstad Weimar om over de nieuwe democratische grondwet te stemmen die de basis zou vormen van de republiek. Friedrich Ebert als “Volksbeauftragte” en latere rijkspresident verwees in zijn beroemde rede in het Deutsche Nationaltheater bij de opening van de Nationalversammlung op 6 februari 1919 naar de Bildungstraditie van Weimar die hij met de jonge democratische republiek wilde verbinden. In deze rustige “humanistische Enklave” riep hij op, met een nadrukkelijk beroep op Goethe, het imperialisme van het keizerrijk in te ruilen voor het republikeins humanistisch idealisme. Maar de antidemocraten zouden zich door de militaire nederlaag, het dictaat van Versailles, de hyperinflatie en de bloei van de moderne kunst en cultuur, van de democratische republiek en het Westen afkeren. In Weimar zou in 1919 ook het belangrijkste voorbeeld van de modernistische Weimar-cultuur gevestigd worden. Het Bauhaus zou vier jaar later, in 1923, door een conservatief stadsbestuur naar Dessau verdreven worden en in 1933 definitief gedwongen worden zijn poorten in Berlijn te sluiten. Dit instituut met veel internationaal befaamde kopstukken werd opgericht door Walter Gropius. Hij probeerde de klassieke Bildungstraditie en techniek met elkaar te combineren en alle kunsten onder het dak van de architectuur te verenigen. Het was geen toeval dat de strijd tussen avant-gardisten en traditionalisten in dit bolwerk van de “Deutsche Klassik” het eerst en het scherpst werd uitgevochten. Deze strijd was in wezen een keuze voor of tegen de republiek van Weimar. De radicale avant-gardistische stromingen en de vernieuwende onderwijsmethodes en technieken werden door hun conservatieve en “völkische” tegenstanders beschouwd als een aanslag op de Duitse “Kultur” en “Bildung”, als “cultuurbolsjewisme”. Hiermee is het dubbele probleem van de Republiek van Weimar in een notendop weergegeven: de januskop van de moderniteit en de strijd tussen enthousiaste aanhangers en felle tegenstanders van de democratie. Maar dit was nog niet alles: Revolutionair-rechts was in deze periode succesvoller dan gematigd links in het claimen van de Goethe-erfenis. In de loop van de negentiende eeuw was deze steeds meer in handen gekomen van een nationalistisch-conservatieve ideologie die in de jaren twintig agressiever werd en zich tegen de republiek keerde. Het mag geen verbazing wekken dat het in Weimar tot de “Vermischung von Hitlerismus und Goethe” kwam, aldus Thomas Mann in 1932 bij de herdenking van de honderdste sterfdag van Goethe. De nazi-beweging kreeg in Weimar een sterke aanhang. Niet alleen werd de Hitlerjugend hier opgericht, maar ook was het Nietzsche-archief er gevestigd dat beheerd werd door de zuster van de filosoof, Elisabeth Förster-Nietzsche. Zij vulgariseerde het gedachtegoed van haar broer en maakte het salonfähig voor de nazi’s. Zij riep de filosoof uit tot de profeet van het Germaanse “Herrenrasse” en kondigde de komst aan van een grote Duitse leider die de “Wille zur Macht” zonder scrupules zou uitvoeren. Het waren dezelfde nazi’s die in de buurt van Weimar op de Ettersberg in 1937 het concentratiekamp Buchenwald bouwden, en een jaar later, tijdens de pogrom van 9/10 november 1938, bijna tienduizend joden afvoerden. Na de oorlog kwam Weimar in de Russische zone, en later in de DDR te liggen. De klassiek-humanistische erfenis van Goethe zou worden ingelijfd in de marxistisch-leninistische ideologie en ingezet worden voor de legimitatie van deze “eerste boeren- en arbeidersstaat” op Duitse bodem. De Kulturbund zur demokratischen Erneuerung Deutschlands onder leiding van de communistische schrijver Johannes R. Becher wijdde zich aan de revival van de ware Duitse culturele waarden, die door het humanisme van Goethe, Schiller en Lessing werden vertegenwoordigd. Nietzsche werd om begrijpelijke redenen genegeerd en de idealen van het Bauhaus kwamen in de DDR nauwelijks van de grond, maar werden vooral in de Verenigde Staten verwezenlijkt. Goethe werd ook in de literatuur gebruikt om een stem te geven aan het verzet tegen de paternalistische en autoritaire DDR-staat. Na 1990 zijn al deze tradities in Weimar samengekomen. Weimar staat met de Ettersberg voor de herinnering aan twee totalitaire regimes, en tegelijkertijd voor de hoogste cultuurprestaties: het is nu als ‘Kulturstadt Europas” een trekpleister voor het massatoerisme. Deze hoogst ambivalente klassiek-humanistische erfenis roept de vraag op, wat is de relatie tussen geest en macht, tussen cultuur en politiek, waarom is deze in Duitsland zo belangrijk? In Weimar zijn de lagen van de geschiedenis als het ware op elkaar en door elkaar gestapeld. Hier laat de geschiedenis zich niet gemakkelijk schematiseren of in zwart-wit tinten schilderen. Het voorbeeld van Weimar laat zien hoe moeilijk het is om de Duitse geschiedenis van de laatste twee eeuwen als één rechte lijn van een cultureel hoogtepunt naar een moreel dieptepunt te beschrijven. Om deze archeologische zoektocht in de geschiedenis te kunnen uitvoeren, is het van belang zich te realiseren wat men wil begrijpen, welke laag men wil opgraven. In Weimar komen zoveel wisselende facetten en verschillende interpretaties van de Duitse politieke en culturele geschiedenis samen, dat een eenduidig beeld moeilijk valt te schilderen. Het beeld dat Weimar geeft, is er een van complexiteit en pluriformiteit, van een eindeloze strijd tussen modern en antimodern, tussen geest en macht, tussen geestelijke vrijheid en genadeloze repressie. Weimar was zeker niet het enige culturele centrum; er waren vele van zulke centra in Duitsland. Er was geen Academie française. Dit rijkgeschakeerde palet vol wisselende stemmingen roept de vraag op of men de Duitse cultuurgeschiedenis diachroon van het ene punt naar het andere punt moet of kan beschrijven, of dat men een andere manier moet zien te vinden om de onontwarbare knoop van de moderne Duitse geschiedenis enigszins te ontrafelen. Elke tijd vereist zijn interpretaties; alleen op die manier is er een verband tussen heden en verleden te leggen. Zes jaar geleden sprak ik in de openingszin van mijn eerste oratie in Groningen van revolutionaire tijden, nu is het beter te spreken van zeer onzekere tijden waarin oude paradigma’s en denkpatronen hun waarde hebben verloren en links-rechts-schema’s zijn achterhaald. We zijn getuige van de overgang van een bipolaire wereldorde naar een andere meer pluriforme wereld, waar alle bakens worden verzet en onverwachte gevaren opdoemen. De dreiging van religieus en politiek fundamentalisme dient zich aan op het moment dat onze samenleving sterk geïndividualiseerd is. De voortgeschreden transnationaliteit, de globalisering, de uitbreiding van de EU, de Balkanoorlogen en de recente Irak-oorlog relativeren de positie van Duitsland. Andere delen van de wereld, bijvoorbeeld Oost- en Midden-Europa, zijn belangrijker aan het worden. De paradox van de Europese integratie is de renationalisering en de terugkeer van culturele mentaliteiten die lange tijd onder het ijs van de Koude Oorlog verborgen lagen. Het midden van Europa is meer in het oosten komen te liggen. Gerhard Schröder spreekt openlijk van een “Deutsche Weg” en distantieert zich van de Atlantische wereld, maar vervreemdt zich daarmee tegelijkertijd van Oost-Europa, met name van Polen. De Duitse kwestie is in feite opgelost en tegelijkertijd niet. Duitsland bevindt zich in een spagaat tussen zijn status als grootmacht en zijn onwil daaraan te voldoen en de cultuurverschillen tussen het oosten en het westen van Duitsland blijven groot.

 

Het einde van de “Deutsche Sonderweg

 

In 1990 zijn in Duitsland staat en natie samengevallen. Gedurende het grootste deel van de laatste twee eeuwen bestond er in Duitsland geen nationale eenheid; politieke verdeeldheid is een grotere continuïteit. De periode van ruim (74) vierenzeventig jaar Duits Rijk, van 1871 tot 1945, staat sinds de jaren zestig en zeventig model voor de “Deutsche Sonderweg”. Doel van de historici van de kritische “Gesellschaftsgeschichte”, het sociaal-wetenschappelijke verklaringsmodel, was om het nationaal-socialisme te verklaren uit zogenaamde “objectieve” sociaal-economische en politieke factoren, uit bovenindividuele processen en structuren die een afwijkend patroon lieten zien van de normale West-Europese weg die met de revolutie van 1848/49 en Bismarck was begonnen.

 

Fritz Fischer had in 1961 het startsein gegeven voor een zelfkritische reflectie onder historici in de jaren zestig, zeventig en tachtig. U kent de argumenten. Duitsland was een “verspätete Nation”, de preïndustriële elite van Junkers had tijdens het keizerrijk de democratisering en de sociale modernisering geblokkeerd, ondanks het economische moderniseringsproces bleef de antiliberale en antimoderne aristocratie de touwtjes strak in handen houden, stond de burgerij buitenspel en was de Rijksdag onmachtig. Op basis van het “Primat der Innenpolitik” en het sociaal-imperialisme hadden Junkers en industriëlen een agressieve buitenlandse politiek gevoerd die uitliep op de Eerste Wereldoorlog, de grote sprong in het duister. De morele, emancipatorische taak van de “Historische Sozialwissenschaft” bestond erin het democratiseringsproces in de Bondsrepubliek te bevorderen en het land open te stellen voor westerse waarden. Bovendien was het een poging, door schuld te erkennen, geaccepteerd en gerespecteerd te worden door het Westen. Daarin is men ongetwijfeld succesvol geweest. Hoewel aan de “Sonderweg”-these de veronderstelling ten grondslag ligt dat Duitsland in vergelijking met andere West-Europese landen een unieke, afwijkende weg had afgelegd, was de vergissing van aanhangers van deze these als Hans-Ulrich Wehler en Jürgen Kocka dat ze, deels om begrijpelijke redenen, geneigd waren om alleen maar het binnenlands-politieke perspectief te kiezen en de centrale geografische ligging van Duitsland in Europa te verwaarlozen. Met goede argumenten zijn de belangrijkste stellingen van de “Sonderweg”-these ondermijnd. In de wilhelminische periode was er geen sprake van feodalisering van de burgerij, er waren one-issue-bewegingen van onderaf, het keizerrijk was burgerlijker, dynamischer en moderner dan men had aangenomen. De vraag is of dit inmiddels klassiek geworden “Sonderweg”-paradigma nog voldoende aansluit bij de huidige tijd. De val van de Muur en het samenvallen van staat en natie hebben de Duitse geschiedenis in een andere context geplaatst en daarmee is de basis aan de “Sonderweg”-these grotendeels weggevallen. In de eerste plaats is ons perspectief verschoven; door 1989/1990 als voorlopig eindpunt van de Duitse geschiedenis te nemen is de zwarte periode van 1933-1945 één van de vele periodes in het lange natievormingproces geweest, die aan het einde van de achttiende eeuw begon. De Duitse geschiedenis is meer dan de periode 1871-1945.

 

Ten tweede: de Bondsrepubliek heeft zich ontwikkeld tot een van de meest stabiele democratieën in Europa en de naoorlogse periode van 1949-1989 kan niet meer uitsluitend als uitgangspunt gekozen worden. In het licht van de revolutie van 1989/1990 en door de Duitse deling is deze periode als een aparte fase in het gehele proces van de Duitse geschiedenis te beschouwen. De “Deutsche Sonderweg”-these hoort bij deze fase. De belangrijkste pijlers waren democratisering, de “Westbindung”, de aansluiting bij de liberaal-democratische tradities van het Westen, de voortrekkersrol in de Europese integratie, de “Ostpolitik”, de verwerking van het nazi-verleden en de “Betroffenheitskultur” van schuld en schaamte. Na 1990 is er minder nadruk komen te liggen op de uniciteit van de Duitse geschiedenis, het nazi-verleden wordt meer “gehistoriseerd” en wordt meer als onderdeel van de Europese geschiedenis beschouwd.

 

Ten derde: men zal andere perspectieven en onderzoeksgebieden moeten kiezen om het tot nu toe geldende finalisme en essentialisme te doorbreken. Niet alles in de Duitse geschiedenis leidde naar Hitler. Historici als Thomas Nipperdey hebben de geschiedenis terecht als open proces beschreven. Dit verschoven perspectief leidt ons automatisch naar die periodes van de Duitse geschiedenis waarin, zoals ik eerder al aangaf, de culturele factor een zeer grote rol speelde, de “Sattelzeit”, de cruciale fase rond 1800, het fin de siècle rond 1900, de revoluties van 1968 en 1989, en de Weimar-republiek, altijd al de zwakste schakel in de “Sonderweg”-these.

 

De beste manier om uit het “Deutsche Sonderweg”-paradigma te breken, of beter deze aan te vullen, is het accent te verleggen van de politieke en economische structuren naar het onderzoek naar cultuur en haar verhouding tot politiek en economie. Het structuralistische model van de Bielenfelder Schule is te deterministisch, zet theoretisch te hoog aan, mist de tussenlagen tussen macro- en microniveau en verwaarloost de discontinuïteiten en heeft te weinig oog voor de verschillende historische lijnen.Wat dit sociaal-wetenschappelijke verklaringsmodel vooral mist, is de vraag wat individuen aan zingeving aan hun bestaan belangrijk vonden, hoe zij hun eigen leefwereld vormgaven, de intrinsieke culturele waarden en opvattingen over moraal, waarheid, schoonheid en macht, het zich rekenschap geven van verleden, heden en toekomst, en dat is expliciet het terrein van de cultuurgeschiedenis. Cultuurgeschiedenis is een geschikte discipline om deze diversiteit en pluriformiteit in de Duitse geschiedenis bloot te leggen. Men kan denken aan de talloze breukervaringen waarbij thema’s als destructie en reconstructie, macht en onmacht, slachtoffer en dader, welvaart en pijn, angst en deprivatie een rol spelen. In de Duitse geschiedenis zijn de decors te vaak verschoven, hebben de spelers te vaak van rol gewisseld, waren de plots te ingewikkeld, werden de scènes te snel achter elkaar gespeeld om deze allemaal onder één noemer, in een alles omvattende theorie te vangen. Dit vereist wel een nieuwe definitie van cultuur. Bestudering van het fenomeen cultuur als relatief zelfstandige historische factor biedt de mogelijkheid om het ingewikkelde netwerk van gedeelde en onderbroken ervaringen en verwachtingen, van zin- en vormgeving aan het leven, in eenzelfde tijd en ruimte bij individuen en groepen te analyseren, en deze tevens met andere periodes te vergelijken en is het beste geschikt voor een interdisciplinaire aanpak die tevens recht doet aan verschillende perspectieven. Cultuurgeschiedenis is meer dan geschiedenis van intellectuelen, meer dan louter ideeëngeschiedenis.

 

De historici van de structuralistische kritische “Sozialgeschichte” hebben hun beste tijd gehad, omdat de subjectieve en ook meer individualistische aspecten van de geschiedenis door hen zijn verwaarloosd. Grote begrippen, collectieve abstracties, marxistische en Weberiaanse noties, als staat en klasse, schieten tekort. Het is niet toevallig dat juist de culturele notie in Duitsland nog steeds wordt verdrongen of genegeerd. De spoken uit het verleden (het nationalisme, de eenwording, de culturele superioriteit, Nietzsche’s erfenis, irrationaliteit, volk, ruimte, eugenetica) moesten onschadelijk gemaakt worden en werden getaboeïseerd. Een andere kijk is nodig Binnen het huidige tijdsgewricht is een andere visie noodzakelijk, om Duitslandstudies in de komende jaren vorm en inhoud te kunnen geven en ook de Duitse taal en letterkunde, Europese studies, culturele studies en andere disciplines daarbij te betrekken. De aandacht zal meer gericht moeten worden op de ingewikkelde infrastructuur van het culturele leven: verenigingen, operagebouwen, universiteiten, en andere centra van cultureel, intellectueel en academisch leven. Niet alleen elitecultuur, maar ook massacultuur moet daarbij betrokken worden.

 

Duitsland heeft niet alleen op de Europese en de westerse geschiedenis sinds Bismarck in politieke zin een beslissende invloed gehad, en de effecten van Hitlers desastreuze politiek zijn nog steeds dagelijks voelbaar in het Midden-Oosten, de VS en in Europa, maar Duitsland heeft ook een onmetelijke schat aan ervaringen, inzichten en drama’s, trauma’s en dromen te bieden. Het Duitse denken en dichten, de filosofie, kunst, literatuur, theater, muziek, opera e.a. heeft via een geestelijke revolutie, die in de tweede helft van de achttiende eeuw begon, onze wereld fundamenteel veranderd.

 

Deze culturele erfenis kon op verschillende manieren gebruikt worden: als vlucht uit de politiek, als legimitatie van macht, en als verzet daartegen, zoals in de DDR, als esthetisering van wrede repressie of een totalitair regime, zoals in het Derde Rijk. De erfenis van de esthetische autonomie van de romantiek, Herders romantische nationalisme, het Duitse Idealisme van Immanuel Kant, het historisme van Leopold von Ranke, de dialectiek van Hegel en de levensfilosofie van Schopenhauer en Nietzsche, het historisch materialisme van Marx, de opera’s van Wagner en de romans van Thomas Mann behoren tot het Europese denken en hebben een grote rol gespeeld in de vorming van de Europese republiek der Letteren.

 

Naast deze enorme intellectuele, wetenschappelijke en artistieke productiviteit, deze kolossale erfenis, staat de politieke destructiviteit van twee wereldoorlogen en twee totalitaire regimes. Telkens probeerde men op grond van een Idee met een hoofdletter de natie vorm te geven: op basis van de staat, het ras of de klasse. De Duitse geschiedenis biedt zicht op een fascinerende zoektocht naar de nationale identiteit, de kwetsbaarheid van de moderne samenleving, de lange weg naar het Westen, de worsteling met vrijheid en democratie. De Duitse kwestie laat ook de januskop zien van de moderniteit. Nergens is de erfenis van de Verlichting zo omstreden geweest, nergens is er onder invloed van de Romantiek zo veel aandacht besteed aan de “onttovering van de wereld”, de schaduwzijden van de moderne ontwikkelingen op gebied van industrie, technologie, urbanisatie, bureaucratie en wetenschap. Nergens waren technologie- en wetenschapsopvattingen zo ambivalent en destructief, eindigend in de veelvuldige misdadige experimenten in het Derde Rijk.

 

Tegelijkertijd zijn kunsten en wetenschappen in Duitsland op een zeer hoog niveau beoefend; de twintigste eeuw had zich ook tot de Duitse eeuw kunnen ontwikkelen. Nu Duitsland een bijna voltooide natiestaat binnen Europa is geworden, de grote verhalen zijn verteld ((d.w.z. het nationale kader, de moderniseringstheorie, de “Sonderweg”-these)), kunnen we ons enigszins van deze last van het verleden bevrijden en de Duitsers bevrijden uit hun cocon-denken. Niet om de ernst van de Duitse geschiedenis maar enigszins te ontkennen, maar het is tijd om Weimar en Buchenwald, met elkaar in verband te brengen. Dan kom ik nu bij mijn hoofdthema.

 

De Weimar-republiek revisited

 

Ik neem de Weimar-republiek als voorbeeld. Niet alleen omdat dit onderwerp mij al zeer lang vertrouwd is en voor mij de cirkel nu bijna rond is, maar ook omdat de eerder genoemde elementen van politiek en cultuur daarin prominent aanwezig zijn, en wel in verhevigde mate. De Weimar-republiek heeft om twee redenen steeds in het middelpunt van de belangstelling gestaan.

 

In de eerste plaats vanwege de politieke implicaties van het eerste falende democratische experiment in Duitsland, de kraamkamer van het nazisme en de opmaat naar de dictatuur van Hitler.

 

In de tweede plaats vanwege de veelgeroemde culturele bloei in deze periode, the zogenaamde “roaring twenties”.

 

Bovendien houdt Weimar als een soort experimenteel laboratorium ons een spiegel voor wat betreft de crisis van de moderniteit, de problematiek van het hectische moderne bestaan.

 

Opvallend is dat er tot nu toe geen synthetische cultuurgeschiedenis van Duitsland is verschenen. De meeste overzichtswerken van de Weimar-republiek hebben slechts zijdelings aandacht hebben besteed aan de Weimar-cultuur. Een voor de hand liggende verklaring hiervoor is natuurlijk dat deze studies vooral in de politieke ontwikkelingen en in de sociaal-economische belangenconflicten in de Weimar-republiek geïnteresseerd waren. Deze historici hebben zich vooral beziggehouden met de vraag hoe en waarom de republiek ten onder is gegaan en uiteindelijk is uitgelopen op het misdadige Hilter-regime. Na de catastrofe van het Derde Rijk appelleerde Weimar aan een sterk ontwikkeld schuldgevoel. Het inlossen van deze schuld is een vast onderdeel, bijna een ritueel geworden van de naoorlogse “Vergangenheitsbewältigung” in de Bondsrepubliek. Er moesten lessen uit Weimar getrokken worden. Door de nieuwe grondwet van de Bondsrepubliek moesten voortaan fouten die in de “Weimarer Verfassung” gemaakt waren, voorkomen worden om een democratischer (West-)Duitse samenleving op te bouwen.

 

Naast de negatieve mythe, de afrekening met the bad guys, is er de positieve mythe van Weimar. In zijn klassiek geworden essay Weimar culture. The outsider as insider (1968) heeft Peter Gay de Weimar-cultuur gebruikt als contrast tegenover de latere donkere en sombere nazi-tijd, waarin de cultuur ten grave werd gedragen. Hij stelde de Weimar-spirit ten onrechte als iets positiefs voor wat eigenlijk alleen buiten Duitsland, met name in de VS, tot bloei kon komen.

 

Zowel de positieve mythe van de Weimar-spirit, als de negatieve mythe van de falende democratie (“Bonn ist nicht Weimar”) doen geen recht aan een adequate analyse van de Weimar-periode. Deze visies houden geen rekening met de “Erfahrungen” en “Erwartungen” van de Weimar-Duitsers zelf, kortom met het synchrone, eigentijdse beeld van Weimar, ook al beleefde men die tijd zelf als asynchroniteit, als improvisorium, of als overgangstijd, als crisis van de klassieke moderniteit of als dansen op de vulkaan.

 

In zijn standaardwerk over Die Weimarer Republik beweert Eberhard Kolb dat culturele bloei en politiek geen verband met elkaar hadden. Deze visie is niet langer houdbaar. De culturele factor speelde in de politiek en ook de economie en andersom een belangrijke rol. De vraag is alleen op welke manier. Het hangt sterk samen met de vraag hoe men cultuur definieert. Was cultuur een agendabepalende factor, of zijn culturele uitingen slechts te beschouwen als een neerslag, een afspiegeling van de economische, maatschappelijke en politieke omstandigheden? Zijn ze alleen maar een illustratie, een leuke randversiering?

 

De vraag is: waarom kon de culturele factor in de Weimar-republiek zo een belangrijke rol kon spelen? Welk verband bestond er tussen de culturele bloei en de politiek in de Weimar-periode?

 

Tot nu toe zijn nog steeds volgens het klassiek-humanistische model geest en macht gescheiden behandeld. Wil men deze scheiding opheffen, dan moet men twee ontwikkelingen in de Weimar-republiek met elkaar verbinden: ten eerste de diepe frustratie over de militaire nederlaag, het verdwijnen van de monarchie, de vernedering van Versailles, het nationale trauma, het verzet tegen de democratie en de angst voor het rode gevaar leidden tot het verval van het politieke systeem van de republiek. Ten tweede de doorbraak van de moderne cultuur: avant-gardekunst, vrouwenemancipatie, democratisering, het verdwijnen van het onderscheid tussen hogere en lagere cultuur, secularisatie, vrijetijdscultuur (o.a. jazz, revues, dancings, sport), versterkte de al bestaande onzekerheden en vergrootte de behoefte aan utopisch denken en maakte de culturele kloven dieper. Om met het eerste te beginnen: Ik kan de factoren die het verval van het politieke systeem bepaalden slechts kort aanstippen.

 

Het politieke systeem in verval

 

1. Het trauma van de verloren oorlog met twee miljoen slachtoffers en vier miljoen gewonden en invaliden en het verdrag van Versailles maakten de democratie in veler ogen ongeloofwaardig. De revolutie van 1918 werd als landverraad, als een dolkstoot in de rug beschouwd. Democratie was on-Duits, van buitenaf opgelegd door de voormalige vijanden en werd geassocieerd met de “Kriegschuldfrage”, de nederlaag en Versailles, welk verdrag een negatieve consensus en revisionisme veroorzaakte. Politieke partijen, voortkomend uit verschillende sociale milieus en subculturen slaagden er niet in een positieve consensus over de natie te bereiken. Twee minderheden, monarchisten en republikeinen, stonden elkaar naar het leven.

 

2. Er was een diepe kloof tussen de papieren werkelijkheid van de democratische grondwet en de politieke praktijk. De legitimiteitscrisis die veroorzaakt werd door de politieke polarisatie, bestond al voor de economische crisis van 1929. Het aanvankelijke basiscompromis van de republiek was al snel verdwenen. De vooroorlogse politiek-ideologische kloven tussen de partijen liepen na 1918 gewoon door. Het verlangen naar de “Obrigkeitsstaat” dat aanwezig was bij vertegenwoordigers van het leger, de bureaucratie, de rechtelijke macht, de universiteiten en de middengroepen, en het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht en sociale wetgeving stonden pal tegenover elkaar. Naast restauratieve tendensen onder de oude elite en ambtenaren ontwikkelde zich een radicaal-rechtse en linkse oppositie. De jongste generatie tussen 1900 en 1910 geboren voelde zich meer nog dan de “Kriegsgeneration” ontheemd en viel ten prooi aan de totalitaire verleiding.

 

3. Wellicht de grootste vergissing van Friedrich Ebert c.s. was dat in de jaren na de oorlog het geweldsmonopolie niet uitsluitend in handen van de staat kwam te liggen, maar dat meerdere extraparlementaire en paramilitaire organisaties in samenwerking met de wettige regering illegaal gezag uitoefenden en steeds meer de straat veroverden. Deze gebruikten geweld, vaak in de strijd tegen het rode gevaar, en pleegden politieke moorden op links of zogenaamde “landverraders”. Ook communisten bezondigden zich aan geweld en terreur en hadden hun eigen “Kampfverbände”. Artikel 48 van de grondwet bood weinig bescherming tegen putsches, straatgevechten, moordpartijen, geweld en een bijna burgeroorlog.

 

4. De hyperinflatie en de Ruhr-bezetting in 1923 ondermijnden de legitimiteit van de republiek, waarbij vooral de middengroepen werden getroffen. Levens, spaarcenten en carrières werden verwoest en dit leidde tot existentiële onzekerheden en gevoelens van deprivatie. Democratie bood geen oplossing meer.

 

5. Er was een gebrek aan intellectueel en politiek leiderschap van hoog aanzien dat het primaat van de politiek aantastte. Belangrijke intellectuele woordvoeders als Max Weber en Ernst Troeltsch en toonaangevende nuchtere, realistische politici als Walther Rathenau, Friedrich Ebert en Gustav Stresemann vonden vroegtijdig de dood, terwijl tweede- en derderangsfiguren hierdoor hun kans konden grijpen.

 

6. Door het politieke machtsvacuüm gingen grootindustriëlen en kolen- en staalmagnaten zoals Hugo Stinnes zich direct met de politiek bemoeien. Dat gold ook voor autoritaire officieren/militairen zoals de sfinx Hans von Seeckt, die met het leger een staat in de staat vormde, Paul von Hindenburg die in 1925 rijkspresident was geworden en later de generaal Kurt von Schleicher. Zij tastten het gezag van politici in ernstige mate aan.

 

Kortom: de democratie was ongeloofwaardig geworden en velen misbruikten de democratie om deze te bestrijden en vervolgens af te schaffen. Paradoxaal genoeg dankzij de liberale grondwet en de “open society” was de harde cultuurstrijd in de gehele samenleving voelbaar. De zogenaamde “bloei” van de Weimar-cultuur is terug te voeren op drie crises: de politieke instabiliteit, het probleem van de onzekerheid over de nationale identiteit, de crisis in de moderniteit, kortom aan de overbelasting van het Duitse vraagstuk. Welke culturele veranderingen hebben bijgedragen aan het scheppen van het crisisklimaat

 

Geest en macht

 

Ten eerste: Berlijn werd na 1918 het eerste culturele centrum van Duitsland. Voor de eerste keer in de moderne Duitse geschiedenis was er één kosmopolitisch modernistisch centrum in Duitsland, waaraan nieuwe technische mogelijkheden en de moderne media als massapers, film, fotografie en radio bijdroegen en dat aansloot bij de culturele ontwikkelingen van de avant-garde van voor 1914. Velen ter rechterzijde keerden zich tegen het moreel verderfelijk geachte, moderne leven in de “Grossstadt”, de metropool, en bleven steken in “Agrarromantik” en “Heimatgefühl”.

 

In de tweede plaats waren veel cultuurdragers, intellectuelen en kunstenaars door de militaire nederlaag en de revolutie van november 1918 politiek actief geworden. Zij richtten allerlei organisaties op die zich direct met politieke en maatschappelijke hervormingen bezighielden. Velen ter linkerzijde van het politieke spectrum koesterden allerlei utopische verwachtingen, verwoord in talloze manifesten en beginselverklaringen. Ter rechterzijde waren velen actief in allerlei illegale of geheime organisaties die uit waren op de ondermijning van de Weimar-democratie, en droomden van een ander, sterker Duitsland. Onderling waren ze meer verwikkeld in allerlei theoretische debatten dan dat ze praktische oplossingen aandroegen voor de politiek en de samenleving.

 

In de derde plaats: Politiek werd de laatste strohalm voor de “Geist”, omdat de “Gebildeten” na 1918 hun geprivilegieerde en elitaire positie kwijt waren geraakt. Velen betraden de publieke ruimte en bemoeiden zich met het openbare debat, omdat in hun ogen de politici en de politiek faalden. Zij dachten door “geistige” oplossingen de politieke werkelijkheid te kunnen vormen en hervormen. Zij maten zich vanuit hun elitaire houding een profetenrol aan wat velen al tijdens de oorlog hadden gedaan in de ijdele hoop dat de oorlog tot een catharsis, een culturele loutering, zou leiden.

 

In de vierde plaats: Het al bestaande gevoel van decadentie en cultuurverval, rond 1900 vooral onder invloed van Nietzsche en het sociaal-darwinisme ontstaan, werd door de “Gebildeten” in Weimar geprojecteerd op “de interne en externe tegenstander” en werd bovendien door de opkomst van de internationale moderne cultuur nog meer versterkt. Veel academici en ook studenten voelden zich politiek en economisch onteigend en verzetten zich tegen de moderne kunst, het cultuurbolsjewisme, en werden meegesleurd door de angst voor concurrentie en culturele “Überfremdung”, vooral van joden en marxisten. Juist dit gevoel maakte hen rijp voor pogingen om de verloren positie te herwinnen, desnoods met een pact met de duivel, met behulp van de amorele macht en het verraad aan de geest. Zij probeerden wanhopig hun “unpolitische” idealen met politieke middelen te verwezenlijken. De zogenaamde “unpolitische” houding van intellectuelen heeft lange tijd dienst gedaan om de weinig assertieve, passieve houding van intellectuelen e.a. ten opzichte van het gevaar van het nazisme te verklaren. Deze “unpolitische” Duitser, in wezen de scheiding tussen cultuur en politiek, zou verantwoordelijk zijn voor de ondergang van Weimar. Deze mythe is even hardnekkig als onhoudbaar. De mythe van de “unpolitische Deutsche” gaat zeker niet op voor de Weimar-republiek. Niet het feit dat “Gebildeten” politiek inactief waren, maar wel dat zij met cultuur politiek bedreven en velen bewust de republiek probeerden te ondermijnen, is doorslaggevend. In de vijfde plaats: De diepe partijpolitieke scheidslijnen die sinds Bismarck bestonden, zijn ook terug te vinden in het intellectuele landschap. Sommigen zagen in de politieke chaos een uitgelezen gelegenheid om met geweld en klassenstrijd een marxistische revolutie in Duitsland door te zetten, anderen zagen daarin een kans om te “remobiliseren” voor een nieuwe oorlog, zowel organisatorisch als ideologisch, en beschouwden de catastrofe van de voorbije oorlog als voorwaarde voor de regeneratie van de cultuur. Zij streefden naar een autoritair-hiërarchische samenleving die nationaal zelfrespect en eigenwaarde weer zou terugwinnen op basis van een geestelijke conservatieve revolutie. Zij wilden de politiek van een “geistige” inhoud voorzien. Een minderheid beleed haar loyaliteit aan de grondwet, werkte aan de Frans-Duitse verzoening en bepleitte een rol van Duitsland in de Volkenbond of behoorde tot de “heimatlose Linke” die afstand nam van de linkse partij-ideologie en partijbonzen. Anderen zagen cultuur als een alternatief voor de politiek. Zij trokken zich, zoals Gottfried Benn, terug in hun apolitieke domein. De “Vernunftrepublikaner” zoals Thomas Mann gebruikten culturele argumenten om de republiek rationeel te steunen, maar schoten in hun politieke analyses tekort, omdat zij met hun hart naar vroeger terugverlangden. Ten slotte: de enorme invloed van de lange Duitse traditie van “Kultur” en “Bildung” die teruggaat naar Goethe, speelde een grote rol. In Duitsland voltrok zich rond 1800 een geestelijke revolutie en niet een politieke, zoals in Frankrijk. Het ideaal van de “Kulturnation” ging in Duitsland vooraf aan de “Staatsnation”. Ideaal en werkelijkheid stonden lange tijd ver uit elkaar. De erfenis van het klassiek-humanistische Bildungsideaal was ambivalent, zowel contraverlichting als verlichting, romantiek en universalisme, en legde meer nadruk op individuele zelfontplooiing en innerlijkheid dan op de integratie van de burger in de samenleving. De geletterde burgers waren onzeker over hun eigen positie in de maatschappij en over die van Duitsland in de wereld. Dit gehele Duitse complex van diepe onzekerheidsgevoelens, afgewisseld met gewelds- en agressiedromen, heeft de Duitse geschiedenis en vooral Weimar diep doordrongen.

 

Hitler en de massacultuur

 

Wie over Weimar spreekt, mag over Hitler niet zwijgen. Is er enig verband tussen de culturele veranderingen in Weimar, vooral het culturele pluralisme en de doorbraak van de moderne massacultuur enerzijds en de opkomst van het nationaal-socialisme en de “Machtübernahme” van Hitler in 1933 anderzijds? In hoeverre heeft juist het doorbreken van de traditionele scheidingen, de stands- en klassenverschillen onder invloed van de moderne cultuur en de massasamenleving bijgedragen tot de opkomst van Hitler? Waarom vond de grootste civilisatiebreuk in het land van dichters en denkers plaats, hoe kon een hoog ontwikkeld land als Duitsland in zo’n korte tijd zwichten voor de barbarij, waarom hebben de meeste intellectuelen en academici in 1933 gefaald en zoveel wetenschappers meegewerkt aan het regime? Waarom vond er een snelle culturele “Gleichschaltung” plaats, die tot het exil van duizenden schrijvers, intellectuelen en kunstenaars heeft geleid, waarom vond in de universiteitssteden onder leiding van studenten en docenten de grootste boekverbranding plaats en waarom werd in 1937 in München een tentoonstelling van “entartete Kunst” gehouden? Dat kan alleen in een land waar de cultuur uiterst serieus werd genomen. Al deze kernvragen zijn al eerder geanalyseerd, maar in mijn ogen nog te weinig vanuit de vraag hoe belangrijk de factor cultuur voor de Duitse geschiedenis is geweest. Mijn antwoord is: zonder aandacht te besteden aan de culturele crisis, de factor cultuur, is Hitler minder goed te begrijpen. Vast staat dat zonder Hitlers politieke religie en charisma het nationaal-socialisme als beweging niet ver was gekomen. Hitler was niet de “unperson” zoals Ian Kershaw in zijn kolossale biografie beweert.

 

Er zijn drie bronnen waaruit Hitler putte: Ongetwijfeld zijn Hitlers Weense jaren belangrijk geweest voor zijn antisemitisme, maar Hitler als ideoloog en politiek activist is ook niet te begrijpen zonder de Eerste Wereldoorlog, het trauma van Versailles, en de eerder genoemde driedubbele crisis van Weimar. In 1919 besloot hij in München “Politiker” te worden, terwijl hij voor 1914 artistieke ambities koesterde. Hitlers derde bron is de lange romantische traditie in Duitsland die al aan het begin van de negentiende eeuw “völkische”, xenofobische en antisemitische trekken vertoonde en aan het eind van de negentiende eeuw, begin twintigste eeuw een revival beleefde. Met de antipositivistische rebellie van de jeugdbeweging en de “Kultur- und Reformbewegung” mede geïnspireerd door Nietzsche, en met de Wagner-cultus werd een poging ondernomen om tot een regeneratie van de cultuur te komen en de zogenaamde decadentie te bestrijden. Hij is zonder Wagner en de mythologie van zijn opera’s en de racistische ideeën van Wagners schoonzoon Houston Stewart Chamberlain waarmee hij in Wenen in aanraking kwam, niet te begrijpen. Hij deelde met Wagner de opvatting dat kunst het heilmiddel was om de wereld te genezen en de degeneratie tegen te gaan. Hitler was geen gewone politicus, laat staan een staatsman, maar zag zichzelf als bohémien, als genie, als scheppend individu, als verlosser, als door god gezonden heiland. Hij was in wezen een gefrustreerde “Halbgebildete” die schilderde, tekende, dichtte en bouwplannen maakte en in wezen een afkeer had van de politiek

 

Hitler profiteerde van de eerder genoemde ineenstorting van het politieke systeem die hij mede had veroorzaakt. Aan de erosie van het partijstelsel, gebaseerd op traditionele bondgenootschappen en partijpolitieke loyaliteiten, droeg de modernisering in de relatief stabiele fase van de republiek sterk bij. In tijden van verwarring en chaos kunnen profeten en verlossers hun kans grijpen. Nieuw was dat Hitler een antwoord wist te formuleren op de crisis van Weimar: hij speelde in op de psychologie van de massa, deelde de catastrofale ervaring met de totale oorlog, schatte de angst voor de marxistische revolutie goed in en beschouwde democratie en liberalisme als degeneratieverschijnselen. Hitler was een van die talrijke utopisten: hij beloofde het herstel van nationale glorie, het ongedaan maken van Versailles, nationale eenheid in een volksgemeenschap. Nog belangrijker was dat de NSDAP de enige integratiepartij was, een volkspartij of Omnibuspartij die de meeste ruimte gaf aan de emotionele verwerking van het grote oorlogstrauma en de kameraadschap van de “Frontgemeinschaft”. De partij wist een warm sociaal gevoel over te brengen op haar aanhang, die niet alleen uit de middengroepen kwam. Hitler wist als “Führer” met een gedreven idealisme de verloren mens weer een identiteit te geven en in zijn crisisangst een perspectief te bieden, kortom de hearts and minds te veroveren. Met zijn messianistische boodschap deed hij zowel een appel op de massa die een afkeer had van de on-Duitse parlementaire democratie en van de oude elite en lokale liberale elites als op de massa als deelnemer aan de politiek. Dit deed hij op een emotionele, religieuze, culturele basis; het ging hem om de heilige gemeenschap “bis zum Tode”, de heroïsche zelfopoffering tot de dood erop volgde. De gevallenen van de Eerste Wereldoorlog en de zogenaamde martelaren van de nazi-beweging kregen een heldenverering

 

De manier waarop Hitler het deed, was sterk geïnspireerd door moderne en antimoderne elementen, verzoening van hypermoderne techniek en romantiek, rationele middelen en irrationaliteit, kortom “reactionair modernisme”. Zijn grootste kracht was het gesproken woord. Hij wist rond zijn optreden een pseudo-religieuze sfeer te creëren die velen in de ban hield: massabijeenkomsten, waarop door liturgie, mythen en symbolen, een seculiere heilsleer, werd verkondigd. De nationalisatie van de massa, zoals George Mosse dit genoemd heeft, betekende een esthetisering van de politiek, een idyllische wereld van schoonheid en harmonie waarin alles op zijn plaats kwam.

 

Twee doeleinden probeerde Hitler te realiseren. Hoewel niet altijd expliciet uitgesproken, was het doel de “remobilisatie” van de massa voor een nieuwe totale oorlog die Duitsland alsnog de beloofde dominante positie in Europa zou opleveren. Het uiteindelijke doel van Hitler was de politiek van een esthetisch concept te voorzien: een romantische idylle, een culturele revolutie waarvoor eerst alle tegenstanders en niet-Duitse groepen moesten wijken. Hitler zag politiek als kunst, als staatskunst. Het was, zoals Frederic Spotts schrijft, de paradox dat juist de enorme betekenis van cultuur in Duitsland Hitler in staat stelde om in zo grote mate deze voor zijn doeleinden te misbruiken. Culturele noties werden politiek ingezet en de werkelijke machtsfactoren (industrie, bureaucratie en leger) werden aanvankelijk nauwelijks aangetast. Het nazisme was niet een revolutionaire beweging die de bestaande orde volledig omver wilde werpen, maar een “totale Mobilmachung” in dienst van een culturele droom van harmonie, “Heimatgefühl”, geborgenheid en bestaanszekerheid en ten slotte ook van het doorgedraaide maakbaarheidsideaal dat door oorlog en raciale zuiveringen gerealiseerd moest worden. Deze romantische modernist kon zo succesvol zijn, omdat het politieke systeem van Weimar geen oplossing bood voor de crisis. Maar dit is nog niet alles. Door de moderne massacultuur die in de jaren 1924-1928 Duitsland en met name Berlijn overspoelde, de amerikanisering, de nivellering en de massacultuur werd het idee van degeneratie en verval nog versterkt en de behoefte aan nationale eigenheid nog vergroot. Zeker in een land met een lange traditie van conservatieve cultuurkritiek waarin velen nog niet aan de moderniteit toe waren. De basis voor zijn succes legde hij niet in de periode voor 1923, maar in die van de relatieve stabiliteit (1924-1928). Hij kreeg als het ware door de doorbraak van de moderne massacultuur de wind in de zeilen, zeker toen de broze welvaart door de economische crisis in elkaar stortte en in grote werkloosheid eindigde die velen pijnlijk trof. De crisis van de moderniteit werkte als een, aan twee kanten snijdend, mes: zij creëerde de nieuwe consumptiemens, die vervolgens door de crisis werd uitgestoten. Hij leerde daaruit dat de massa “genationaliseerd” moest worden, maar ook dat de moderne consumptiemaatschappij die doorbrak, een noodzakelijke voorwaarde was voor de uitvoering van zijn plannen. Enerzijds was Hitlers Derde Rijk een symbool van de uitwassen van de moderniteit en anderzijds een voortstuwer van de moderniteit. Dit sprak vooral de middengroepen aan: egalitair en racistisch superieur. Politiek onbesmet en afstand nemend van de verfoeide partijenstaat kon de grootste outsider en “heimatlose” en statenloze desperado een alternatief bieden voor de politieke chaos. De NSDAP werd de enige partij die twee zaken met elkaar wist te verenigen; “Heimatgefuhl” en moderniteit, sociale warmte en autobanen, plicht en vrijetijdsbesteding, terreur en normaliteit. Dit appel verklaart Hitlers succes. Het antwoord op de opgeworpen vragen is niet de “Deutsche Sonderweg”, niet de preïndustriële elite - die was juist te zwak - , maar ligt enerzijds in de hardnekkige Duitse cultuurtradities die zich tijdens de Weimar-republiek slecht met democratie, massasamenleving en moderniteit lieten verenigen en anderzijds in de onopgeloste problemen van Duitslands positie in Europa ten gevolge van een verloren oorlog, vooral de legitimiteitscrisis van het politieke systeem. Deze combinatie katalyseerde radicale oplossingen, zo nodig met geweld en terreur. Aan de cultuur zou Duitsland moeten genezen, maar het medicijn was fataal. Buchenwald en Weimar liggen dichter bij elkaar dan men gewoonlijk aanneemt. Ik vat kort samen: de culturele factor is onmisbaar voor de bestudering van de moderne Duitse geschiedenis en het begin ligt bij het klassiek-humanistische Bildungsideaal aan het eind van de achttiende eeuw. Wie deze geschiedenis wil reduceren tot louter sociaal-economische en politieke structuren en processen mist een belangrijk element: cultuurhistorische thema’s die een lange voorgeschiedenis hebben. Cultuur gedefinieerd als gedeelde ervaringen en verwachtingen, zin- en vormgeving aan het bestaan, als dynamisch proces, heeft sinds 1800 in Duitsland grote invloed uitgeoefend op de politieke en maatschappelijke verhoudingen. De vorming van de cultuurnatie ging vooraf aan de daadwerkelijke “Staatsnation”. De ambivalente houding ten opzichte van de Verlichting en de moderniteit, ontstaan rond 1800, legde de basis voor een lange cultuurtraditie die in het huidige Duitsland nog steeds naklinkt. De culturele erfenis veroorzaakte de politieke onmacht en andersom. Om het finalisme van de “Deutsche Sonderweg” te doorbreken moeten andere thema’s en methodes worden gebruikt. Niet alleen de comparatieve aanpak, bijvoorbeeld synchrone vergelijkingen tussen Duitsland en de rest van Europa, en de diachrone variant tussen de verschillende periodes, gebieden en stromingen in de Duitse geschiedenis moeten aan de orde komen, maar ook de “cultural transfer”, de culturele wisselwerking tussen verschillende naties, groepen en individuen en de infrastructuur van het culturele leven in Duitsland in bepaalde periodes. Omdat culturele grenzen poreuzer zijn dan politieke, biedt de cultuurgeschiedenis de kans om de lange termijn-tradities en om de wederzijdse beïnvloeding te bestuderen: niet alleen tussen bijvoorbeeld de DDR en de Bondsrepubliek en de invloed van Duitsland op Europa en de wereld, maar ook de invloed van Europa, de VS en Rusland op Duitsland zelf.

 

Om te eindigen met Goethe met wie ik begon:

 

“Keine Nation, am wenigstens vielleicht die deutsche hat sich selbst gebilde

Frits Boterman juli 2004