We hebben 345 gasten online

Deel 1 Hongarije en de Hongaarse Opstand

Gepost in Midden en Oost-Europa

hoofd standbeeld stalin  vlag Hongarije

Deel 1) De ontwikkelingen in Hongarije tussen 1948 en 1956

Koers naar de crisis

matthias rakosiIn 1948 werd in Hongarije de communistische dictatuur gevestigd. Partijleider Matthias Rákosi en de zijnen veroverden de macht in de staat, niet - zoals in Tsjechoslowakije - door een opzienbarende coup, maar door een reeks kleinere ingrepen (de zogenaamde 'salamitactiek'). Nadat de sociaal-democratische partij onder leiding van Árpád Szakasits van onbetrouwbare elementen was gezuiverd, vond in juni 1948 te Boedapest een fusiecongres van communisten en socialisten plaats. De nieuwe partij, de Socialistische Arbeiderspartij, had uiteraard een uitgesproken communistisch karakter. Daarna werden de oppositionele partijen opgeheven, terwijl de partijen en organisaties die deel uitmaakten van het regerend Volksfront, in communistische zin werden gelijkgeschakeld. In januari 1949 kon Rákosi vaststellen dat in zijn land de volksdemocratie niets anders was dan de dictatuur van het proletariaat zonder het radenstelsel. Ofschoon de uiterlijke vormen van de parlementaire democratie voorlopig gehandhaafd bleven, ging de aanpassing aan het sovjet-model onverminderd voort.

Men kan voor het Hongarije van die tijd spreken van een permanente zuivering, waarvan de fasen vloeiend in elkaar overgingen. De naoorlogse vervolging van fascistische en- ultra- rechtse elementen werd gevolgd door een breed opgezette bestrijding van burgerlijk democratische tegenstanders van het regime. Daarna kwamen de maatschappelijke krachten aan de beurt die niet thuishoorden in de socialistische orde, en tenslotte sloeg de zuivering over naar de eigen gelederen.

Het aantal leden van de Socialistische Arbeiderspartij, dat onmiddellijk na de fusie 1.500.000 bedroeg, werd door een op de fusie volgende zuivering teruggebracht tot 860.000. Een forse ingreep die volgens de Russen de Hongaarse zusterpartij kwalitatief beter moest maken, maar die om allerlei redenen zijn uitwerking miste. De belangrijkste reden was de blijvende verdeeldheid van de communistische topgroep. Partijleider Rãkosi en zijn vier naaste medewerkers Erno Gerö, Mihály Farkas, Józef Révai en Zoltán Vas vormden een kleine kliek van 'moskovieten' die na jaren van ballingschap met het Rode Leger naar Hongarije waren teruggekeerd.

Het waren door en door gesovjetiseerde communisten, die van hun volk vervreemd waren en ook door hun joodse afkomst weinig populariteit genoten in de vanouds tamelijk anti-semitische Hongaarse samenleving.

Tegenover hen stonden de oud-illegalen die voor en tijdens de oorlog in eigen land het fascistische regime hadden bestreden. Ze stonden onder leiding van Läszló Rajk en waren bij de verdeling van topfuncties in de partij nogal misdeeld. Voorts was er een groep oud-krijgsgevangenen die in Russische gevangenschap voor het communisme gewonnen waren; tot deze groep behoorden István Kossa en Antal Apró die in de partij-hiërarchie snelle vorderingen maakten.

Voormalige sociaaldemocraten zoals Szakasits stelden in de partij weinig voor, evenmin als oud-emigranten die niet tot de Rákosi-kliek behoorden. De belangrijkste van deze laatsten was Imre Nagy, die in de Sowjet Unie jarenlang had gewerkt als landbouwspecialist en omroeper bij Radio Moskou. Wegens zijn gematigde opstelling maakte hij na zijn terugkeer in Hongarije een weinig fortuinlijke carrière door. Na de portefeuilles van landbouw (1945) en binnenlandse zaken (1945/1946) te hebben beheerd, werd hij als minister afgedankt en verloor daarna ook zijn functies in de partijleiding.

Rajk en Mindszenty

Rákosi benutte de breuk tussen Tito en de Kominform (1948) om zich te ontdoen van de door hem gevreesde Rajk en andere oud-illegalen in de partij. Wat hun noodlottig werd was het feit dat ze zich tijdens de strijd om de macht voorstanders van de harde lijn hadden getoond en bovendien een zeker nationalisme aan de dag hadden gelegd. De val van Rajk en zijn naaste medewerkers werd zorgvuldig voorbereid en etappegewijs doorgevoerd, met als hoogtepunt een dramatisch show proces in 1949.

In 1950 volgde een nieuwe golf arrestaties van prominente partijleden. Tot de slachtoffers behoorden János Kádár, Géza Losonczy, Gyula Kállai en Ferencz Donáth, die door de rechtbank tol lange vrijheidsstraffen werden veroordeeld. De voormalige socialist Szakasits werd in april 1950 tijdens een diner met Rákosi door de politie opgehaald; met hem werden vierduizend van zijn oud-partijgenoten gevangen gezet, onder wie Anna Kéthly.

Een hoofdstuk apart vormt de kerkvervolging die in 1948 begon en die in de eerste plaats, doch niet uitsluitend, gericht was tegen de rooms-katholieke kerk. Veel opwinding veroorzaakte in het buitenland de arrestatie van de primaat van Hongarije, József kardinaal Mindszenty, in december 1948. De kerkvorst, een conservatieve figuur die het communisme bepaald niet welgezind was, werd beschuldigd van daden die hem ook in de ogen van eenvoudige gelovigen onmogelijk moesten maken. Na een tamelijk korte maar intensieve hersenspoeling werd hij begin februari 1949 voor de rechter geleid waar hij als een levende pop de vereiste bekentenissen aflegde. Hij kreeg levenslang, een vonnis dat onder de katholieken in binnen- en buitenland grote ontsteltenis verwekte. Anderhalf jaar later onderging aartsbisschop József Grösz van Kaloesa hetzelfde lot; ook de overige Hongaarse prelaten werden na verloop van tijd door gevangenschap of huisarrest uitgeschakeld.

Parallel mei de politieke druk werd het maatschappelijke en culturele leven in Hongarije in verregaande mate gesovjetiseerd; het regime stelde het Sovjet voorbeeld als verplichte norm, Dit slaafse imiteren van de Sovjet Unie heeft wellicht nog wel de meeste brokken gemaakt op economisch gebied. Reeds het eerste Driejarenplan (1947-1949), dat tot doel had het vooroorlogse productiepeil te bereiken, werd door toedoen van Rákosi en zijn economische rechterhand Gerö misbruikt voor een politiek gemotiveerde opdrijverij. De ambities van de plannenmakers zegevierden helemaal bij het opstellen van het eerste Vijfjarenplan (1950-1954) dat ontworpen werd met het doel het overwegend agrarische Hongarije in versneld tempo te industrialiseren. Het plan voorzag in een vérgaande collectivisering van de landbouw en een verdubbeling van de industriële productie, waarbij de nadruk lag op de zware industrie. Alsof dit niet genoeg was werd het reeds lopende plan in 1951 nog eens over de gehele lijn opgeschroefd. De streefcijfers voor de zware industrie werden gesteld op 380% en die van de fabrieksbouw op 438%, van het peil in 1949! Op zo korte termijn waren dat irreële doelstellingen: het land. dat de meeste grondstoffen (erts. steenkool) moest importeren kon ze eenvoudig niet aan. De noodzakelijk geachte bouw van kostbare basisindustrieën zoals de staalfabrieken van Dunapentele (ze kregen de naam 'Sztalinváros.) werd een economische misgreep van de eerste orde. En intussen raakte ook de landbouw in moeilijkheden door de gedwongen collectivisering.

Rákosi wankelt

Inmiddels had het politieke klimaat in Moskou (en elders) zich zeer ten nadele van Rákosi ontwikkeld. De dood van Stalin betekende een dikke streep door de rekening van de Hongaarse partijleider. In mei 1953 werd hij door het Kremlin vertrouwelijk gepolst of hij niet een geschikt persoon wist aan wie hij althans een deel van zijn taken zou kunnen overdragen. Begin juni moest hij samen met Gerö, Farkas. Nagy en het Hongaarse staatshoofd Istvan Dobi de Sovjetrussische partijleiding verschijnen om er een ongezouten kritiek op zijn beleid in ontvangst te nemen. Vooral Chroesjtsjow en Beria (die bij deze gelegenheid voor het laatst optrad als lid van het Presidium) vielen hem fel aan en brachten zelfs zijn joodse afkomst in het geding. Onder hevige druk moest Rákosi berusten in een scheiding naar Russisch voorbeeld van de hoogste ambten: hij zou partijleider blijven maar het premierschap overdragen aan Imre Nagy.

Op de eerstvolgende bijeenkomst van het Centrale Comité van de Socialistische Arbeiderspartij werden de resultaten van het overleg in Moskou geconcretiseerd. In een scherp gestelde resolutie van 28 juni 1953 werd het tot dusver gevoerde beleid veroordeeld en aanvaardde het comité een aantal persoonlijke wijzigingen in topfuncties. Op 4 juli presenteerde de nieuwe regeringsleider zich aan het parlement met een verklaring die een ingrijpende koerswijziging in het vooruitzicht stelde. De 'nieuwe koers' van Nagy hield onder meer in: meer aandacht voor de productie van consumptiegoederen en verhoging van het levenspeil, herziening van de industrialisatieplannen, beëindiging van de gedwongen collectivisering in de landbouw en verzachting van de politieke en geestelijke bevoogding.

In grote lijnen kwam dit alles overeen met de politiek die in de Sovjet Unie werd gevolgd door Stalins erfgenamen. Het lang gekwelde Hongaarse volk begroette de nieuwe koers met instemming, ja zelfs met geestdrift. Anders lag het in die partijkringen waar men zich al te zeer op de stalinistische lijn had vastgelegd; daar overheerste een aarzelende en zelfs onwillige houding en Rákosi gebruikte al zijn invloed om Nagy ten val te brengen. De nieuwe premier zat met de moeilijkheid dat hij weliswaar de steun van het Kremlin genoot en de sympathie had van het volk, maar dat zijn positie in de partij-hiërarchie kwetsbaar was; zonder een flinke, persoonlijke aanhang onder de apparatsjiki kon hij weinig uitrichten tegen Rákosi en diens volgelingen. die wachtten op de eerste de beste kans om terug te slaan.

Tijdens haar gehele bestaan had de regering Nagy met moeilijkheden te kampen. De hervormingen die zij nastreefde, werden door het partijapparaat tegengewerkt en konden veelal maar ten dele verwezenlijkt worden. Ook economisch werd de 'nieuwe koers' geen onverdeeld succes; in feite bleven de economische strubbelingen een bron van voortdurende zorg, die de regeringsleider zo zeer in beslag nam dat hij geen maatregelen kon nemen legen de machinaties van de Rákosi-kliek.

De beslissing over het lot van de regering Nagy lag trouwens geheel in handen van de Sovjets. Herhaalde pogingen van Rákosi om lijn rivaal te wippen, werden door het Kremlin aanvankelijk resoluut van de hand gewezen. Aan de andere kant durfden de Russische leiders het niet aan Rákosi, die in Moskou gold als betrouwbaar en gedienstig, te laten vallen. Zo bied de onbevredigende situatie in Hongarije voortbestaan. Naarmate Chroesjtsjow in het Presidium front begon te maken tegen MaIenkow, werd de positie van Nagy hachelijker; deze ging namelijk, overigens niet geheel terecht, door voor een Malenkow-aanhanger.

Rákosi begon agressiever op te treden na zijn bezoek aan de Sovjet Unie in oktober 1954. Begin januari 1955 werd de Hongaarse top in het Kremlin ontvangen. Als woordvoerder van de Communistische Partij van de Sovjet Unie beschuldigde uitgerekend Malenkow de Hongaarse minister-president van rechtse en nationalistische neigingen; Nagy's zakelijke verweer daartegen maakte weinig indruk. Hij bleef weliswaar gehandhaafd, maar hij moest voortaan samenwerken met Rákosi. In feite waren de dagen van zijn bewind al geteld. De val van Malenkow (8 februari) en Nagy's langdurige ziekte in het voorjaar maakten de weg vrij voor Rákosi's overwinning. Op 14 april 1955 ontsloeg het Centrale Comité Nagy uit al zijn partijfuncties en vier dagen later zette het parlement hem af als minister-president. Hij werd opgevolgd door een onbelangrijk lid van het Politburo, András Hegedüs, die als stroman van de partijleider aan het hoofd van de regering zou staan.

Crisis op komst

Rákosi's hoop op een terugkeer van het stalinisme werd echter door de ontwikkelingen de bodem ingeslagen. Er gebeurde zelfs iets anders: Chroesjtsjow, die in het voorjaar van 1955 op dramatische wijze vrede had gesloten met Tito, begon steeds ongeduldiger aan te dringen op rehabilitatie van de terreurslachtoffers uit de stalinistische periode. Met name de zaak-Rajk was voor de Joegoslaven een prestigekwestie (Rajk was immers veroordeeld op grond van zijn 'titoïstische' gezindheid) die ze volgens hun wensen afgehandeld wensten te zien. Maar voor Rákosi zou dat een pijnlijk gezagsverlies betekenen, dat hij tegen elke prijs wilde voorkomen.

Stap voor stap gedwongen tot politieke concessies kenmerkte het bewind van Rákosi en Hegedüs zich door een groeiende onzekerheid, die het de ontevredenen binnen en buiten de partij mogelijk maakte zich in oppositionele groepen te verenigen of al bestaande organisaties en bladen te gebruiken als uitlaat voor hun ongenoegen.

Kunstenaars, journalisten, wetenschapsmensen, technici en vooral ontgoochelde jongeren begonnen zich te roeren in de Schrijversbond en de Petöri-kring (een organisatie van intellectuelen): bladen als 'Irodalmi Ujság' en 'Béke és Szabadság' werden de tolk van het heersende onbehagen. Repressieve maatregelen tegen de schrijvers noch de uitstoting van Nagy uit de partij (november 1955) hadden het gewenste effect. Zelfs binnen de partij ontstond oppositie: een groep onder leiding van Losonczy en Donáth sympathiseerde met Nagyen vormde een schakel met de ontevredenen op het culturele front. Een andere groep, waartoe onder anderen Kádár, Kállai en György Marosán behoorden, stond vijandig tegenover Rákosi, zonder zich evenwel principieel tegen het stalinisme af te zetten.

Het twintigste congres van de Communistische Partij van de Sowjet Unie (februari 1956) waarop Stalin werd ontluisterd, was een zware slag voor Rákosi. Onder druk van het Kremlin moest hij nu in het openbaar toegeven dat het proces tegen Rajk een gerechtelijke farce was geweest en dat hij daar zelf een groot aandeel in had gehad. In het land veroorzaakte dit een storm van verontwaardiging en de Petöfi-kring eiste onomwonden Rákosi's aftreden.

De partijleider, die wel begreep hoe explosief de situatie was, probeerde de zaak te redden door harde tegenmaatregelen. Op de zitting van hel Centrale Comité van juli 1956 kwam hij met een lijst van vierhonderd mensen die onmiddellijk gearresteerd moesten worden en eiste hij ontbinding van de Petöfi-kring en van de Schrijversbond en opheffing van 'Irodalmi Ujság'. Door ingrijpen van Mikojan, die als vertegenwoordiger van de Russische zusterpartij naar Boedapest was gekomen, pakte de zaak echter heel anders uit. Rákosi werd gedwongen zijn functies neer te leggen (18 juli) en naar de Sovjet Unie te verhuizen.

Hij werd als eerste secretaris van de partij opgevolgd door Ernö Gerö. Een onfortuinlijke keuze..want Gerö mocht dan de afgelopen tijd flink tegen Rákosi hebben geïntrigeerd, hij was te zeer met het oude stelsel verbonden om in de rol van vernieuwer geloofwaardig te kunnen zijn. Ook de opneming van Kádár en Marosán in het Politburo had geen kalmerende uitwerking. Alleen een machtsherstel van Nagy had misschien uitkomst kunnen brengen, maar daarvoor waren de Sovjets niet te vinden. Kennelijk vreesden ze dan een al te zelfstandige koers die Hongarije wellicht tot een tweede Joegoslavië zou maken. Wel schreven ze Gerö een zachte lijn voor in de hoop dat hij op de duur toch de gunst van de Hongaren zou kunnen winnen.

Al spoedig werd duidelijk dat Moskou zich had misrekend. Terwijl Tito, die weinig ingenomen was met Gerö's benoeming, van zijn hart geen moordkuil maakte werden de oppositionele krachten in Hongarije steeds actiever, daartoe in de gelegenheid gesteld door de door Moskou bevolen zachte lijn! De postume rehabilitatie van Rajk, die door Tito en de binnenlandse oppositie was afgedwongen, vond haar uitdrukking in zijn plechtige herbegrafenis op 6 oktober 1956. Het werd een navrante vertoning waarbij de moordenaars en hun medeplichtigen, met tegenzin doch gedisciplineerd in de lijkstoet lopend, hun slachtoffer de laatste eer bewezen ten overstaan van tweehonderdduizend toeschouwers die van de begrafenis een indrukwekkende betoging tegen het regime maakten.

Het nog altijd vreedzame verzet was inmiddels overgeslagen op studenten en arbeiders. die geëlektriseerd raakten door de gebeurtenissen in Polen (waar het regime, na de bloedig neergeslagen onlusten in Poznan in juni, in oktober toch besloot tot een politieke heroriëntering). Gerö trachtte de naderende storm te bezweren door Nagy weer in de partij op te nemen en vertrok op 14 oktober met Kádár. Apró en Hegedüs naar Belgrado om zich met Tito te verzoenen. Toen hij in de namiddag van 22 oktober met zijn metgezellen in de trein stapte om naar Boedapest terug te keren, deed hij dit met het gevoel dat het ergste achter de rug was. De Joegoslaven hadden hem als partner geaccepteerd en zelfs politieke steun toegezegd: hij kon het zich nu veroorloven Nagy weer in de regering te halen, desnoods als ministerpresident, en de opwinding onder de bevolking zou dan wel wegebben.

Maar intussen had de crisis in Hongarije het punt bereikt dat het begin van revolutionaire ontwikkelingen markeert. In navolging van hun collega's aan de universiteit van Szeged (20 oktober) begonnen de studenten in andere Hongaarse universiteitssteden vergaderingen te beleggen waarop resoluties werden opgesteld en aanvaard met dringende eisen aan de regering. Op de avond van de tweeëntwintigste oktober, toen Gerö c.s. in de trein zaten, vond in de Hongaarse hoofdstad een massale bijeenkomst plaats in de Technologische Hogeschool voor de Bouwnijverheid waaraan behalve de studenten ook arbeiders uit de nabijgelegen fabrieken deelnamen. Zij stelden een lijst van zestien punten samen,(Zie het kader) waarvan afschriften snel over de stad werden verspreid en die als petitie door duizenden werd ondertekend. De voornaamste eisen waren: ontruiming van het land door de sovjettroepen, geheime verkiezingen, Nagy aan de regering en bestraffing van de stalinisten. Verder werd besloten op dinsdagmiddag 23 oktober 1956 een betoging te houden bij het monument van Jozef Bem, de Poolse generaal die tijdens de revolutie van 1848-1849 aan de zijde van de opstandige Hongaren had gestreden tegen de Russische interventietroepen..

.23 oktober 1956

Foto van de betoging van de studenten op 23 oktober 1956

DE ZESTIEN EISEN

In het volgende pamflet, dat eind oktober 1956 in groten getale in Boedapest werd verspreid, staan de eisen opgesomd van de studenten en arbeiders aan de regering van Gerö.

Schrijf dit over en verspreidt dit onder de Hongaarse arbeiders. De zestien politieke, economische en ideologische punten van de resolutie, aanvaard op de plenaire zitting van de Technologische Hogeschool voor de Bouwnijverheid.

Studenten van Boedapest!

De volgende resolutie is ontstaan op 22 oktober 1956, op de drempel van een nieuw tijdperk in de Hongaarse geschiedenis, in de aula van de Technologische Hogeschool voor de Bouwnijverheid als gevolg van een spontane beweging van enkele duizenden Hongaarse jongeren, die hun vaderland liefhebben:

I) Wij eisen de onmiddellijke terugtrekking van alle Sowjettroepen in overeenstemming met de bepalingen van het vredesverdrag.

1) Wij eisen de verkiezing van nieuwe leiders in de Hongaarse Arbeiderspartij op het laagste, middelste en hoogste niveau door geheime stemming van alle leden. Deze leiders zullen binnen de kortst mogelijke tijd het partijcongres bijeen moeten roepen en zullen een nieuwe kern van leiders moeten kiezen.

3) De regering zal moeten worden hervormd onder leiding van kameraad Imre Nagy; al de misdadige leiders van het stalinistische Rákosi bewind zullen onmiddellijk uit hun functies moeten worden ontheven.

4) Wij eisen openbare berechting van Mihály Farkas en zijn medeplichtigen. Matthias Rákosi die in eerste instantie verantwoordelijk is voor alle misdaden in het verleden en voor de ondergang van dit land, moet naar Hongarije worden teruggevoerd en voor een Volksgerecht worden gebracht.

5) Wij eisen algemene verkiezingen in dit land, met algemeen stemrecht, geheime stemming en deelneming van verschillende partijen teneinde een nieuwe Nationale Vergadering te kiezen. Wij eisen dat de arbeiders het recht hebben te staken.

6) Wij eisen een hernieuwd onderzoek naar en een hernieuwde aanpassing van de Hongaars-Russische en Hongaars-Zuidslavische politieke - en economische en intellectuele relaties op basis van volledige politieke gelijkheid en van niet-inmenging in elkaars economische en binnenlandse aangelegenheden.

7) Wij eisen de reorganisatie van het gehele economische leven van Hongarije onder leiding van deskundigen. Ons hele economische systeem, gebaseerd op geleide economie, moet opnieuw worden onderzocht met het oog op Hongaarse mogelijkheden en gericht op het levensbelang van het Hongaarse volk.

8) Onze buitenlandse handelsovereenkomsten en de werkelijke cijfers betreffende herstelbetalingen, welke nooit kunnen worden betaald. moeten worden gepubliceerd. Wij eisen duideIijke inlichtingen omtrent onze uranium voorraden, de exploitatie en de Russische concessie. Wij eisen dat Hongarije het recht zal hebben het uraniumerts vrij op de wereldmarkt te verkopen in ruil voor harde valuta.

9) Wij eisen de volledige herziening van normen op het gebied van de industrie en een dringende en radicale aanpassing van lonen, teneinde aan de wensen van de arbeiders en de intellectuelen tegemoet te komen. Wij eisen dat er minimumlonen voor arbeiders zullen worden vastgesteld.

10) Wij eisen dat het leveringssysteem op nieuwe grondslagen zal worden gebaseerd en dat de landbouwproducten rationeel zullen worden gebruikt. Wij eisen gelijke behandeling van individuele boeren.

11) Wij eisen een hernieuwd onderzoek naar alle politieke en economische rechtszaken door onafhankelijke hoven en de vrijlating en rehabilitatie van onschuldige mensen. Wij eisen de onmiddellijke repatriëring van krijgsgevangenen en van burgers die naar de Sowjet Unie gedeporteerd zijn, inclusief de gevangenen die buiten de Hongaarse grenzen zijn veroordeeld.

12) Wij eisen volledige vrijheid van mening en vrijheid van meningsuiting, vrijheid van drukpers en radio, zowel als een nieuw dagblad met brede oplaag voor de Liga van Hongaarse studentenverenigingen (..)

13) Wij eisen dat het standbeeld van Stalin het symbool van de stalinistische tirannie en politieke onderdrukking - zo snel mogelijk zal worden verwijderd en dat daarvoor in de plaats een gedenkteken, de vrijheidsstrijders en martelaren van 1848-'49 waardig, zal worden opgericht.

14) In plaats van het huidige wapen, dat het Hongaarse volk vreemd is, wensen wij het herstel het oude Hongaarse Kossuth-wapen Wij eisen voor het Hongaarse leger nieuwe uniformen, onze nationale tradities waardig.

15) De studenten van de Technologische Hogeschool voor de Bouwnijverheid van Boedapest wensen eenstemmig hun volledige solidariteit uil te spreken met de arbeiders en jongeren van Polen en Warschau in verband met de Poolse nationale onafhankelijkheidsbeweging.

16) (..) De studenten van de Technologische Hogeschool en van de verschillende andere universiteiten zullen zich morgen, de 23ste van deze maand om 2.30 uur s' middags in de Gorkij Fasor, voor het hoofdkwartier van de Schrijversbond verzamelen, vanwaar zij zich zullen begeven naar de Pálffy Tér (Bem Tér), naar het standbeeld van Bem, waar zij kransen zullen leggen als een teken van hun medeleven met de Poolse vrijheidsbeweging. De fabrieksarbeiders worden uitgenodigd in deze optocht mee te lopen.

Zie voor deel 2 Deel 2 Hongarije en de Hongaarse Opstand