We hebben 108 gasten online

Deel 4 Hongarije en de Hongaarse Opstand

Gepost in Midden en Oost-Europa

 Deel 4 De regering onder leiding van Janos Kadar

hoofd standbeeld stalin  vlag Hongarije

Deel 4 Hongarije onder de regering van János Kádár

drs.J.W.Swaen Historicus 5 november 2006 www.blikopdewereld.nl

Met geweld onder het gareel

Het bewind van Jänos Kädär was een product van het sovjetleger en het kon dat leger voor de uitvoering van zijn politiek niet missen. Hoezeer Kádär er misschien van meet af van overtuigd mag zijn geweest dat hij naar een andere steunpilaar voor zijn regime moest omzien, voorlopig diende hij ermee te werken. De enigen op wie hij na de mislukte opstand kon rekenen, waren de stalinistische partijfunctionarissen en het veiligheidsapparaat. Beide waren echter de bij uitstek gehate werktuigen van een bewind waartegen de volkswoede zich zojuist heftig had gekeerd. Toch was een van de eerste maatregelen van Kädär alle tijdens de opstand afgezette beambten in hun functies te herstellen. Uit de arbeidersraden moesten, volgens hetzelfde decreet van 8 november 1956, 'alle reactionaire en contra-revolutionaire elementen worden verwijderd'.

De politieke situatie was voor Kädär en de zijnen echter niet van dien aard dat zij deze eisen ook waar konden maken. De arbeidersraden in de bedrijven vormden nog een macht waarmee de regering rekening diende te houden. Bovendien werd er sinds de komst van de sovjettroepen algemeen gestaakt, waardoor nagenoeg heel Hongarije was lamgelegd. Onderhandelingen met afgevaardigden van de arbeidersraden brachten Kádár ertoe hun eisen als 'discussiepunten' te accepteren.

De tactiek van Kádár en zijn Russische beschermers is niet moeilijk te achterhalen. Kleine concessies en langdurige onderhandelingen moesten de gemoederen wat tot bedaren brengen, zodat de partij haar vroegere machtspositie kon herstellen. Het Russische partijblad 'Prawda' riep op 7 november de Hongaarse communisten op in de arbeidersraden en andere nieuwe machtsorganen samen te werken met de democratisch gezinde patriotten, ook als deze geen communisten waren: 'Reinigt deze organisaties van contra-revolutionaire elementen! Bewaart het socialistische bewustzijn van de arbeidersklasse. Beschermt de eenheid van de arbeidersklasse!'

Toch konden alleen in het oosten van Hongarije communistische elementen in de raden infiltreren. In Boedapest en in het westen en midden van het land slaagden de meeste arbeidersraden erin de communistische infiltranten buiten de deur te houden en de heropening van partijorganisaties in de bedrijven te voorkomen. Nog op 22 december moest de 'Prawda' vanuit Boedapest berichten: 'Op een aantal plaatsen stuit het werk ter heroprichting van de partij-organisaties op weerstand van reactionaire elementen. Zo hebben in de machinefabriek van de 21 ste wijk van Boedapest contrarevolutionaire elementen die de arbeidersraad beheersen, de partijsecretaris ontslagen en eerlijke communistische arbeiders buiten de poort gehouden. In de 17 de stadswijk besloot de arbeidersraad van de chemische fabriek geen partij-organisatie meer te vormen.'

 

Nagy gearresteerd

Maar dat waren niet meer dan stuiptrekkingen. Op 21 november al verbood het regime een nationale vergadering van arbeidersraden; het stadion van Boedapest, waar de bijeenkomst zou plaatsvinden, werd door de politie en sovjettanks omsingeld. Volgens Kádár wilden de raden een tegen regering vormen en stonden ze onder fascistische invloed.

Daags tevoren was ex-premier Imre Nagy, die met een aantal medestanders asiel had gezocht in de Joegoslavische ambassade, bij het verlaten van dat gebouw door sovjetofficieren gearresteerd. Het Kádár-regime had zich eerder, na onderhandelingen met de Joegoslavische autoriteiten. ertoe verplicht de groep niet te vervolgen en ongehinderd naar huis te laten terugkeren. Nagy werd echter, ondanks Joegoslavische protesten, regelrecht naar het Russische militaire hoofdkwartier gebracht. Later verklaarde Kádár dat de oud-premier zich 'op eigen wens' in Roemenië bevond.

Vanaf 22 november werd het de arbeidersraden onmogelijk gemaakt regionaal samen te werken. Op 23 november kondigde de regering nieuwe verkiezingen aan voor de arbeidersraden met de bedoeling daaruit de 'dubieuze elementen' te verwijderen. De centrale arbeidersraad van Boedapest werd ervan beschuldigd het land zijn wil op te leggen, omdat deze tot stakingen opriep.

Kádár liet nu ook de schijn varen dat hij bereid zou zijn de eisen van de raden in te willigen en gelastte de arrestatie van de leiders. De protesten tegen deze arrestaties namen begin december steeds scherper vormen aan. Arbeiders verbrandden op straat partijkranten, vlugschriften riepen op tot een nieuwe algemene staking. Massale demonstraties, waaronder een van 30.000 Hongaarse vrouwen die bloemen legden bij het gedenkteken voor de Onbekende Soldaat, waren aan de orde van de dag. TensIotte trok het regime. gesteund door de sovjettroepen, toch aan het langste eind: er werd een verscherping van het standrecht afgekondigd, de voornaamste weerstandsnesten werden gewapenderhand ingenomen en nieuwe massa-arrestaties brachten de schrik er diep in. Hoewel de rol van de arbeidersraden daarmee nog niet volledig was uitgespeeld. werd zij toch steeds minder. De partij durfde het uiteraard niet aan de raden op te heffen,maar dat was ook niet nodig. Alleen moesten ze geleidelijk meer onder controle van de partij komen, waartoe steeds meer partijleden in de raden werden opgenomen. De positie van de raden werd bovendien ondergeschikt gemaakt aan de vakbonden die door de partij werden beheerst. Over wat nu precies de rechten en bevoegdheden van de arbeidersraden waren, bleef grote onzekerheid bestaan.

 

Nieuwe namen

Intussen was Kádár begonnen aan de herbouw van de partij. Op 4 november was de Hongaarse communistische partij nagenoeg verdwenen. De plaatselijke partij-organisaties bestonden grotendeels niet meer. veel partijleden hadden actief aan de opstand deelgenomen en overal op straat lagen weggegooide partijboekjes. Van de oude 900.000 leden waren er eind 1956 maar net 100.000 over. In Boedapest viel de partij terug van 330.000 tot 28.000 leden. De nieuwe naam die de partij aannam (Hongaarse Socialistische Arbeiderspartij) moest aangeven dat men niet zonder meer de vroegere methoden wilde voortzetten.

Dat kon echter de afkeer van de Hongaren tegen de partij niet wegnemen. Ook het partijdagblad werd omgedoopt, van 'Szabad Nép' in 'Népszabadság' ('Volksvrijheid'), en de jeugdbeweging kreeg eveneens een andere naam. Eind april 1957 telde de partij al weer 300.000 leden en in juli 1958 ruim 400.000. Al te groot wilde Kádár de communistische partij niet laten worden. Een echte massapartij zou zij toch nooit worden en een te vlotte toelating van nieuwe leden zou het aantal profiteurs en baantjesjagers in haar gelederen maar vergroten.

Kádár stuitte bij de heropbouw van de partij op een essentieel probleem. De officiële pers ging wel tekeer tegen de 'Rákosi-Gerö-kliek' en deze beide volbloedstalinisten werden ook niet tot de nieuwe partij toegelaten, maar de vele duizenden lagere partijfunctionarissen van stalinistische huize kon men niet missen, wilde men de zaak weer draaiende krijgen. Deze functionarissen waren bovendien veel minder gevaarlijk voor het nieuwe bewind dan de liberale ('titoïstische') partijvleugel die veelal het Nagy-regime had gesteund.

 

Hardere lijn

Er was nog een andere reden die Kádär belette de middenkoers (tussen Rákosi en Nagy in) te volgen. Zijn aanvankelijke pogingen door enige toegevendheid aarzelende figuren te winnen hadden namelijk weinig succes. De situatie vroeg om een harde lijn tegen alle onwilligen, wat de voormalige Rákosi-aanhangers uiteraard met nadruk eisten. Eerst in een later stadium, nadat de situatie enigszins was gestabiliseerd, zou het Kádär lukken de invloed van deze conservatieve kliek terug te dringen.

De harde lijn richtte zich natuurlijk het eerst tegen de actiefste 'contra-revolutionairen'. Enkele duizenden van hen werden in de eerste maanden van 1957 ter dood gebracht, tienduizenden belandden in concentratiekampen. Ongeveer 12.000 Hongaren, overwegend jongeren, werden naar de Sovjetunie gedeporteerd.

Personen die 'de openbare orde in gevaar brachten' (die met andere woorden in hun verzet volhardden) konden voor onbepaalde tijd worden vastgezet. De bevolking moest ervan doordrongen worden dat er in Hongarije maar één macht bestond en dat verzet daartegen nutteloos was.

De hardere lijn uitte zich ook in de politiek tegenover de kerken en de boeren. De betrekkingen met de kerken verslechterden, doordat eerder gedane concessies ongedaan werden gemaakt. Een aantal geestelijken werd gearresteerd. De belofte van het nieuwe bewind dat de boeren zelf mochten beslissen of ze al dan niet lid van de collectieve boerderijen zouden blijven, bleek niets waard. Al op 1 december liet de minister van landbouw, Imre Dögeri. weten dat uittreden uit de collectieve landbouwbedrijven evenals voorheen streng bestraft zou worden, behalve als het met algemene stemmen gebeurde.

 

Ontwrichte economie

Het economisch leven verkeerde na de opstand in een zorgelijke situatie. De langdurige stakingen ondermijnden de door verwoestingen en verloren mankracht (gevluchte en gearresteerde economen, ingenieurs enzovoort) toch al verzwakte ondernemingen. De arbeidsproductiviteit was in het eerste kwartaal van 1957 dan ook 15% lager dan in het jaar daarvoor.

Ook Kádár zag wel in dat het oude, al te zeer op het straffe sovjetmodel geënte, economische systeem herzien moest worden. Het lopende Vijfjarenplan werd vervangen door een Driejarenplan. waarbij men de bedrijven wat meer vrijheid toestond en zelfs de particuliere sector enigermate aanmoedigde. Het aandeel van de zware industrie in de totale investeringen werd teruggebracht van 56% tot 53% en er werd aanzienlijk meer uitgetrokken voor de verhoging van het levenspeil (woningbouw, herstel van beschadigde huizen, lonen en consumptiegoederen).

De voornaamste bijdrage aan de stabilisering van het economisch leven werd geleverd door andere communistische landen. De Sovjetunie hield zich weliswaar na het onderdrukken van de opstand niet aan alle beloften die zij in de verklaring van 30 oktober 1956 over een nieuwe verhouding met de Oostbloklanden had toegezegd, maar de economische betrekkingen tussen Moskou en de Oostblokstaten werden toch voordeliger voor de laatste. Hongarije ontving van de verschillende communistische partners grote bedragen aan geld en ook goederen. De grootste steun kwam daarbij van de Sovjetunie.

Na onderhandelingen tussen Kädár en Chroesjtsjow werd eind maart 1957 in Moskou een akkoord getekend, waarbij Hongarije een langlopend krediet ter grootte van 750 miljoen roebel tegen 2% rente kreeg toegewezen, dat pas vanaf 1961 behoefde te worden terugbetaald. Het Kremlin streepte nog wat oude Hongaarse schulden door en beloofde snelle graanleveranties en hulp bij het herstel van de industrie. Dat alles hielp Kádár door de eerste, moeilijke periode heen zonder dat een drastische verlaging van het levenspeil noodzakelijk was. Een opvallend gebrek aan arbeidsdiscipline, diefstal van staatseigendom en corruptie waren niettemin, ondanks strenge bestraffing, veel voorkomende verschijnselen.

Op 28 mei 1957 sloten de Sovjetunie en Hongarije een verdrag dat het 'tijdelijk verblijf' van het sovjet leger op Hongaarse bodem regelde.

 

Forse zuiveringen

De meerderheid van de Hongaarse intellectuelen bleef het Kádár-regime vijandig gezind. Dit had de Petöfi-club opgeheven en vervangen door de gezagsgetrouwe Tancsics-club. De pers bleef erop hameren dat het land ternauwernood van de 'kapitalistische uitbuiting' was gered en dat een aantal schrijvers medeverantwoordelijk was voor de opstand. Op 13 november 1957 werd bekendgemaakt dat vier vooraanstaande auteurs, Tibor Déry, Gyula Háy, Zoltán Zeik en Tibor Tardos, in een proces achter gesloten deuren tot langdurige gevangenisstraffen waren veroordeeld. De journalistenbond en de kunstenaarsbonden waren al eerder fors gezuiverd.

De bekendmaking op 17 juni 1958 dat Imre Nagy en enkele van zijn medestanders terechtgesteld waren, wekte in het Westen grote ontsteltenis. Joegoslavië reageerde met een scherpe protestnota, waarin de Hongaarse beschuldiging dat Nagy vanuit de Joegoslavische ambassade in Boedapest de 'contra-revolutie' geleid zou hebben, van de hand werd gewezen en de terechtstelling van Nagy werd vergeleken met het proces tegen Rajk. Boedapest antwoordde dat Nagy c.s. in een rechtmatig proces wegens landverraad veroordeeld waren en noemde het Joegoslavische protest inmenging in de interne aangelegenheden van Hongarije. Het was de tragische climax van een uiterst pijnlijk 'normaliseringproces'. Daarmee was het ergste achter de rug. Kádár, die sinds januari 1958 alleen nog eerste partij secretaris was (premier was Ferencz Münnich), kon zich veroorloven de schroeven wat losser te draaien.

 

Drs. M P. van den Heuvel Wetenschappelijk medewerker van het Oost-Europa Instituut van de Universiteit van Amsterdam.

06-11-06 drs. J.W.Swaen www.blikopdewereld.nl