We hebben 121 gasten online

Deel 4 Van dictatuur tot democratie

Gepost in Midden en Oost-Europa

De Oost Europese Renaissance 

sovjet unie

In deze uiteenzetting zullen we bekijken hoe de politieke en maatschappelijke situatie in Midden - en Oost Europa voor de omwenteling in 1989 was en wat er na 1989 aan deze situatie veranderd is.

1 HET COMMUNISME

Voor 1989 was de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht in de Sovjet-Unie en de overige Oostbloklanden in handen van de communistische partijen. Er was geen enkel politiek, sociaal of economisch tegenwicht. Machtsstrijd vond alleen plaats binnen de partij. Alle maatschappelijke belangen waren ondergeschikt aan de partij en de belangentegenstellingen werden binnen de partij uitgevochten. Topfunctionarissen in de staatsorganen, zoals het parlement, de vakbonden, de industrie, het leger en de politie moesten partijlid zijn. Benoeming vond pas plaats nadat de partij toestemming had gegeven. Dit leidde tot vorming van een elite, nomenklatoera genaamd. Om de positie van de partij veilig te stellen, was er een geheime politie. Ook het leger was voor de partij een onderdrukkingsinstrument. De communistische partij rechtvaardigde haar positie met de ideologie van het marxisme – leninisme. De communisten gingen er evenals Marx en Lenin van uit dat de niet -comrnunistische maatschappij bestond uit een paar eigenaren van fabrieken, mijnen en landbouwgrond, en veel anderen, die zich afbeulden om de eigenaren rijk te maken. In de ideale comrnunistische maatschappij zou alles gemeenschappelijk eigendom zijn en zouden de arbeiders de macht hebben. De partij werd gezien als de voorhoede van de arbeiders (het proletariaat).

De communisten voerden in hoog tempo een grootscheeps modernise rings proces door. Boeren moesten arbeiders worden, dorpen moesten steden worden, handarbeid moest hoofdarbeid worden, kleinschaligheid moest plaats maken voor grootschaligheid. leder individu moest een radertje in een perfect werkende machine worden. De staat was eigenaar van alle grond en bedrijven en beheerde dat gigantische vermogen volkomen centralistisch. De communistische partij bepaalde de verdeling van inkomsten en uitgaven van de staat. Iedereen moest werken voor de staat en kreeg een inkomen van de staat. Eigenlijk was de hele bevolking ambtenaar. Het bijzondere van dit centralistische en autoritaire systeem was, dat de politieke structuur formeel naar het model van een parlementaire democratie was opgebouwd. De partij deed alsof men de meest volmaakte volksheerschappij had ontwikkeld. Een schijnbeeld van meerdere partijen werd in stand gehouden, bestaande uit restanten van partijen uit de pre - communistische periode. Verkiezingen leverden vrijwel altijd 99,9% van de stemmen op voor de kandidaat van de partij. Het parlement nam elke maatregel van de regering met applaus aan. De grondwet leek bedrieglijk veel op West-Europese grondwetten. Echter, in de Oost-Europese grondwet was een artikel opgenomen dat de partij alle macht gaf. Dit maakte de grondwet eigenlijk waardeloos.

Nationalisme

De partij gebruikte nationalisme als middel om de banden tussen het volk en de dictatuur aan te halen. Nicolae Ceausescu ' s nationalisme in Roemenië was hiervan het meest krasse voorbeeld.

ceausescu 1968

Ceausescu 1988

Maar ook elders werd het nationale gevoel bespeeld. Zo werd arbeiders voorgehouden dat ze trots konden zijn op hun economische prestaties bij de opbouw van het socialisme. Ook prestatiesport werd gebruikt als middel tot identificatie. Het nationalisme had ook een problematische kant. De nationale tegen - stellingen tussen de verschillende Oostbloklanden bleven ook tijdens het communisme een rol spelen, ondanks de pogingen van de Sovjet Unie om een eenheid te creëren. Het nationale belang verhinderde echte supranationale samenwerking. Hierdoor hebben de Comecon (economische samenwerking) en het Warschau Pact (militaire samenwerking) niet geleid tot vermindering van de soevereiniteit van de lidstaten.

1.2 HET COMMUNISME IN DE PROBLEMEN

De in paragraaf 1.1 besproken modernisering bracht iets geheel anders teweeg dan de communisten hadden beoogd. Doordat bekwaamheid niet meer telde en alleen loyaliteit aan de partij beloond leek te worden, doofde het gevoel van eigenwaarde bij de individuele mens. Er was helemaal geen sprake van een perfect werkende machine en de radertjes liepen stroef.

Alleen corruptie leek de communistische machine te kunnen smeren. Hierdoor ontstond er steeds meer ontevredenheid onder het volk. Vanaf de jaren zestig kwamen er daarom dissidentenbewegingen op. De dissidenten stelden de maatschappelijke misstanden in de communistische landen openlijk aan de kaak. Velen van hen werden vervolgd, in het ene land meer dan in het andere land.

Toch leidde hun protest ertoe dat ook binnen de communistische partij duidelijk werd dat er geen antwoord meer was op de maatschappelijke problemen. De verkrampte ideologie van het communisme had geen enkel realiteitsgehalte. De maatschappij had een wankele basis omdat de burgers de overheid en elkaar wantrouwden en omdat de heersende partijleden bang waren voor verlies van hun positie en invloed.

1.3 DE JAREN TACHTIG: HET COMMUNISME STORT IN

Polen, Hongarije en de Sovjet-Unie waren de eerste drie landen waarin ontwikkelingen op gang kwamen die de positie van de communistische partij zouden aantasten. Hieronder bekijken we van deze drie landen afzonderlijk wat die ontwikkelingen waren.

Polen

In Polen hadden intellectuelen en arbeiders elkaar na mislukte pogingen in de jaren vijftig in 1976 gevonden in het formuleren van een alternatief voor het communisme. Dit was een eerste teken van een civil society (zie kader). Het was ook een levensvatbare uitdaging aan de macht van de partij. Deze beweging groeide uit tot het bondgenootschap Solidariteit, onder leiding van de latere president Lech Walesa. De beweging bood een alternatief waarop de partij geen antwoord wist. In 1981 pleegde generaal Wojciech Jaruzelski een staatsgreep om een einde te maken aan de grote onrust in Polen. Onder druk van de Sovjet-Unie riep hij in december 1981 zelfs de noodtoestand uit. Solidariteit werd verboden. Op termijn faalde ook deze noodgreep, zodat de regering tenslotte in 1988 met Solidariteit om de tafel ging zitten. Intussen was duidelijk geworden dat de Sovjet-Unie onder Gorbatjov niet langer militaire rugdekking gaf aan de communistische regimes.

De eerste niet-communistische premier (Tadeusz Mazowiecki) werd in de loop van 1989 benoemd. Bij de volgende verkiezingen eisten de communisten nog 65% van het aantal zetels voor zich op. Pas vier jaar later zouden de verkiezingen geheel vrij worden.

Hongarije

In Hongarije had Janos Kadar, die na de opstand in 1956 het bewind had gevoerd, de teugels in de economie zo vrij gelaten dat talloze Hongaren een tweede baantje hadden. Ze zorgden zo met elkaar voor een schaduweconomie die 30% van de totale economie waard was. Daarnaast had Kadar in de jaren tachtig al veel maatschappelijke discussie toegestaan die elders in Oost Europa niet mocht worden gevoerd. Binnen de communistische partij was zelfs een heel debat gevoerd over de plaats van de partij in de maatschappij. Dit zou uiteindelijk de val van de bejaarde Kadar in 1988 tot gevolg hebben. Verschillende standpunten werden zichtbaar, variërend van totale herziening van het maatschappelijk stelsel tot verbetering van het communisme. Vanaf juni 1989 organiseerde de partij ronde tafelbesprekingen met oppositiegroeperingen.

De Sovjet-Unie sinds 1985 In 1985 was Michail Gorbatsjov aan de macht gekomen in de Sovjet-Unie. Hij had opgeroepen tot hervorming van de maatschappij (perestroika). In dit kader moedigde hij openheid en kritiek (glasnost) aan.

houd de deur dicht

De partij moest haar bijzondere plaats in de samenleving verdienen en de perestroika zou die plek moeten vastleggen. Hierdoor zou het communistische systeem uiteindelijk beter worden. Tevens zou de positie van de Sovjet-Unie versterkt worden. Gorbatsjovs politiek had echter helemaal niet het effect waar hij op gehoopt had. Eerst verloor de Sovjet Unie haar invloed in de wereld. Daarna gaf ze Oost Europa op. Uit - eindelijk viel de Sovjet-Unie in december 1991 uiteen. De binnenlandse ontwikkelingen in de Sovjet Unie vormden het historische kader waar - binnen het einde van het communisme zich afspeelde.

Civil Society

“Naast andere factoren is het bestaan van een krachtige civil society van belang voor een democratische ontwikkeling. “Bij de civil society gaat het om organisaties waarbij mensen zich vrijwillig aansluiten en die niet strikt behoren bij de staat, de markt of de privé sfeer.(…). Gewoonlijk rekent men tot de civil society bijvoorbeeld vakbonden, organisaties van ondernemers, vrouwen buurtbewoners, kerken (mits geen staatskerken) en bewegingen rond vrede en milieu. Soms worden ook politieke partijen en media als onderdeel van de civil society beschouwd. Een breed geschakeerde civil society is meestal gunstig voor democratie. Via organisaties kunnen burgers paal en perk stellen aan de overmacht die de staat anders zou hebben tegenover individuele burgers. In organisaties doen de leden ervaring op in democratische participatie. Dat verstrekt hun zelfvertrouwen en kan deelname aan de politiek stimuleren(…). Zulke organisaties dragen bij aan openbare discussies en de pluriformiteit van de samenleving. In dictaturen vormen ze vaak – openlijk of verhuld – de basis van verzet en oppositie. Bron: Jan de Kievid, Democratie. Ideaal en weerbarstige werkelijkheid (Couthinho, Bussem 1996),p.83.

1.4 DE FLUWELEN REVOLUTIES

De ineenstorting van het communisme in Midden - en Oost Europa werd voor iedereen duidelijk door de vlucht van Oost Duitsers in de zomer van 1989, waartegen Moskou niets ondernam. Het Rode Leger bleef in de kazernes. Vele Oost Duitsers konden altijd al naar Boedapest reizen, een bekend ontmoetingspunt voor de families uit Oost en West. Zij vroegen nu aan de Hongaarse autoriteiten te mogen doorreizen naar Wenen. In september 1989 besloot Boedapest gevolg te geven aan de verzoeken. In feite werd het IJzeren Gordijn toen 'doorgeknipt'. Oost Duitsers zochten nu ook asiel in de West-Duitse ambassade in Praag en wilden naar het Westen. Dit werd tenslotte toegestaan door hen met een gesloten trein over Oost Duits grondgebied naar de Bondsrepubliek te vervoeren. De toeschouwers in de DDR vonden deze emigratie oneerlijk. Zelf wilde men ook graag weg. Demonstraties in Leipzig en Oost-Berlijn waren het gevolg. Wir sind das Volk was de leuze. Vervolgens gaf het Oost-Duitse Polit - bureau per ongeluk het signaal dat mensen bij de Muur niet meer zouden worden tegengehouden.

val berlijnse muur

van de Muur vond plaats op 9 november 1989. Partijleider Erich Honecker was toen al vervangen door de relatief jonge Egon Krenz. Veel Oost Duitsers stemden inmiddels met de voeten en vertrokken naar het Westen. De partijleiding kon de wil van het volk niet meer negeren. De leus veranderde in Wir sind ein Volk, hetgeen betekende dat men aansluiting bij de Bondsrepubliek wilde.

AMSTERDAM, 6 MAART.NRc

kremlin wilde ingrijpen

Daags na de val van de Berlijnse Muur heeft het Kremlin overwogen in de DDR gewapenderhand de orde te herstellen. Vier
naaste adviseurs van toenmalig partijleider Michail Gorbatsjov drongen bij de president van de Sovjet-Unie aan op een militaire interventie. Volgens hen moest het Soijet-leger ter plaatse ingrijpen om te voorkomen dat de grens tussen de DDR en de Duitse Bondsrepubliek definitief open zou gaan.

Dit onthult de Duitse historicus Rafaci Biermann in zijn proefschrift Zwischen Kreml und Kanzleramt, dat nu in een handelseditie is verschenen.

Op 10 november 1989, één dag nadat de burgers van Oost-Berlijn massaal over en door de muur waren geklommen zonder dat de Volkspolizei of de Nationale Volksarmee daartegen optrad, kwamen vier belangrijke adviscurs van Gorbatsjov tot de conclusie dat alleen een militaire actie nog soelaas kon bieden.

Deze vier waren: Falin (het hoofd van de internationale afde- ling van het Centrale Comité van de communistische partij CPSU), Zagladin (Gorbatsjovs persoonlijke adviseur voor buitenlandse betrekingen), Kvizinski (de ambassadeur van de Sovjet-Unie in Bonn) en Snetkov (de commandant van de 360.000 man sterke 'Westgroep'in de DDR). In Moskou werden deze vier indertijd niet gezien als rabiate neostalinisten, maar als serieuze conservatief-communistische machtspolitici. Net als de secretaris-generaal van de CPSU waren ook zij verrast door de gebeurtenissen in Berlijn, omdat ze het in eigen huis te druk hadden met de voorbereidingen van de viering van de Oktoberrevolutie. Dat Falin in de maanden daarna opteerde voor een harde lijn jegens het Westen, was tot nu toe alleen als gerucht bekend. Falin zelf heeft dat altijd ontkend.

Gorbatsjov maakt er in zijn memoires uit 1995 zelfs geen gewag van. Gorbatsjov negeerde de druk die op hem werd uitgeoefend. Een paar maanden eerder had bij ook al zijn veto uitgesproken over de suggestie van de Roemeense partijleider Ceaucescu en diens Tsjechoslowaakse ambtgenoot Jakes in Polen te interveniëren om te voorkomen dat generaal Jaruzelski de oppositionele Mazowiecki tot premier zou benoemen. Volgens Biermann was Gorbatsjov ervan overtuigd dat de door hem aangezwengelde 'perestrojka' zich binnen het socialistische systeem zou blijven ontwikkelen. Gorbatsjov gokte er op dat de SED in de DDR, net als de CPSU in Rusland, in staat zou zijn de hervormingsgeest in goede banen te leiden. In het najaar van 1989 was Gorbatsjov bvendien tot de conclusie gekomen dat de communistische partijen niet meer konden blijven laveren tussen hervormingen en behoudzucht. De et- nische conflicten én de economische crisis in de Sovjet-Unie noopten volgens Gorbatsjov tot een behoedzame koers gericht op com- promissen met het Westen. 

Bondskanselier Helmut Kohl van de Bondsrepubliek Duitsland speelde handig in op de gebeurtenissen. De aan zijn partij gelieerde Allianz für Deutschiand wist in maart 1990 de verkiezingen in Oost Duitsland te winnen.

Op 3 oktober 1990 ging de DDR op in de Bondsrepubliek, na goedkeuring door de vier voormalige bezettingsmogendheden de Ver- enigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Sovjet-Unie. Na de gebeurtenissen in 1989 stortten de communistische regimes overal in elkaar. Bulgarije en Tsjecho-Slowakije gingen vreedzaam om in november 1989. Alleen in Roemenië poogde het bewind van Ceausescu en zijn aanhangers met geweld de opstand te bedwingen. Toen echter het leger de kant van de revolutie koos, was het ook in Roemenië gedaan met het communisme.

roemeense revolutie 22 december 1989

De Roemeense revolutie 22 december 1989

1.5 DE TRANSITIE

In de laatste jaren van het communisme hadden vele tegenstanders zich verenigd in grote bewegingen. In de DDR heette deze beweging Neues Forum, in Tsjecho-Slowakije Burgerforum, in Hongarije Hongaars Democratisch Forum en in Polen Solidariteit.

Dit waren over het algemeen tamelijk losse organisaties. De communistische partijen stonden buiten het politieke speelveld na de val van het communisme. De vraag was: wat nu? Een nieuwe grondwet, nieuwe politieke partijen, nieuwe economische verhoudingen, waar te beginnen? In deze paragraaf bekijken we hoe de Midden- en Oost-Europese landen deze vragen hebben beantwoord.

Democratie

In de kersverse parlementen vonden heftige debatten plaats. Er werden principiële debatten gevoerd over zaken als de algehele hervorming van de staat, met name de herziening van de grondwet, de aanpassing vanwetgeving, de bezittingen van de communistische partij en van de staat, de privatisering en opbouw van een markteconomie. Eindelijk konden allerlei problemen openlijk worden aangekaart. Besluitvorming en procedures kwamen pas later aan de orde. Vaak namen intellectuelen in deze fase het voortouw. De herziening van het politieke systeem had prioriteit boven herziening van de economische structuur. Het belangrijkste was dat er een overgang (transitie) zou komen naar een politiek stelsel met een regering die werkelijk verantwoording aan het parlement was verschuldigd.

Er was nog een probleem: heel veel mensen hadden onder het communisme verbindingen met de partij of de geheime politie gehad. Velen hadden zich nu alleen maar in een nieuwe politieke jas gestoken. Zuiveringen vonden eigenlijk niet plaats. Zuiveringen zouden ook bijzonder lastig kunnen zijn omdat het communistische systeem zo diep in de samenleving was doorgedrongen. Eigenlijk hadden alleen dissidenten een schoon verleden.

Maatschappij

Het verdwijnen van het communisme bracht ook allerlei oude zekerheden in gevaar. Nieuwe zekerheden kwamen er niet voor in de plaats. Uitkeringen waren er nog niet meteen. 20 tot 30% van de bevolking viel terug tot de armoedegrens. In de ogen van velen konden de jonge democraten niets anders bieden dan wat het communisme hen had geboden. Het is dan ook geen wonder dat veel onzekerheid en angst ontstonden door het vooruitzicht van werkloosheid en inflatie. De euforie van de tijd vlak na de fluwelen revoluties, aangeduid met de wittebroodsweken van de revolutie, was al gauw voorbij. Veel oost Europeanen vonden dat het Westen veel te weinig voor hen deed. Het Westen kwam niet met een Marshall plan, zoals Amerika dat vlak na de Tweede Wereldoorlog wel voor West Europa had gebracht en waar West Europa zijn wederopbouw aan te danken had. Deze gevoelens leverden weer een voedingsbodem voor extremisme, waarop voormalige communisten of nationalisten konden inspelen. Daartegenover stond dat de veranderingen in de sociale structuur ook talrijke nieuwe mogelijkheden boden. Veel beroepen kwamen tot ontwikkeling in de dienstensector, handel, banken, verzekeringswezen, computerwezen, enzovoorts. Buitenlandse investeerders brachten geld het land in. Ze schiepen goede banen en vormden nieuwe contactmogelijkheden met het Westen.

Rechten van de mens

Het respect voor de rechten van de mens ging sterk vooruit in Oost Europa. Politieke rechten voor politieke partijen, vrije verkiezingen, vrijheid van de pers, religie en dergelijke fundamentele vrijheden leverden in sommige landen nauwelijks problemen op. In andere landen bleven echter problemen bestaan. Gelijkheid van behandeling is juridisch wel afgedekt, maar in de realiteit een moeizaam proces. Met name religieuze, nationale, seksuele, of gehandicapte minderheden hebben het zwaar. In die gebieden waar zich ernstige crises voordoen, zoals voormalig Joegoslavië, worden niet alleen alle rechten van de mens geschonden. Hier worden ook misdaden tegen de menselijkheid begaan.

Nationalisme

Gewelddadige botsingen tussen nationale bevolkingsgroepen, zoals vanaf 1988 in de toenmalige Sovjet Unie en in 1990 in Roemenië en Joegoslavië, demonstreerden het gevaar van extremistisch nationalisme. In de meeste landen nam het extremisme op een gegeven moment weer af, maar onder andere in Servië, Kroatië en Roemenië bleek het nationalisme sterk. Waar de minderheden een aanzienlijke omvang hadden, zoals de Hongaren in Transsylvanië in Roemenië, of de Kosovaren in Joegoslavië, bestond allang een twist over de vraag wie het gebied eerder bevolkt had. Het antwoord op die vraag was gekoppeld aan de legitimiteit van het beheersen van het gebied.

Op de Balkan, en dan vooral in Servië, was het nationalisme bijzonder sterk. Hier werd compensatie gezocht voor wat president Slobodan Milosevic als een tekort tijdens Tito's Joegoslavië had gevoeld: aan de centrale plaats van Servië was in Tito 's tijd onrecht gedaan. Aan de voorrechten van de autonome provincies Kosovo en Vojvodina werd dan ook al in 1989 een einde gemaakt. En Kroatië zag haar kans schoon om zich eindelijk los te maken uit de federatie. Een lang gekoesterde wens ging in vervulling. Het naar verhouding rijke Kroatië had altijd zijn geld in de bodemloze putten in het zuiden van Joegoslavië zien wegvloeien. Ook had het de identiteit onder het afgedwongen federalisme niet kunnen beleven. De afscheiding van Slovenië liep met een sisser af, maar die van Kroatië was aanleiding tot militair ingrijpen door Belgrado, met als gevolg de burgeroorlog in Bosnië, waar zowel Kroaten, Serviërs en Bosnische Moslims woonden. Vooral de laatst genoemde groep werd slachtoffer van etnische zuiveringen. Tsjecho-Slowakije en Macedonië lieten overigens zien hoe het ook kan. In deze landen leidde nationalisme niet tot oorlog. De Tsjechen gaven toe aan de Slowaakse wens een eigen staat op te richten, zodat het uiteenvallen van Tsjecho-Slowakije vreedzaam verliep. In Macedonië werd partijvorming op nationale basis niet toegestaan, waardoor dit gebied tot op de dag van vandaag vreedzaam wordt geregeerd.

Het religieuze leven

Een ander aspect van de renaissance in Midden - en Oost Europa was waarneembaar in de opleving van het kerkelijk leven. Actief religieus gedrag was weer toegestaan. Kerken stroomden vol, ook met jongeren. Op straat kon men weer geestelijken in habijt zien lopen. Ook vond herstel plaats. De Uniaten (orthodoxe gelovigen in Oost Europa die de Paus erkennen) kregen hun in beslag genomen kerken terug. Dat ging met veel discussie over financiële aspecten en soms met rellen gepaard. Ondanks de religieuze herleving kregen de nieuwe christelijke partijen geen grote aanhang, zelfs niet in de Midden-Europese landen, waar het rooms-katholicisme van oudsher sterk was.

SLOT

Eigenlijk is het heel bijzonder dat het proces van transitie in zoveel landen van Midden-Europa (Polen, Tsjecho- Slowakije, Hongarije en Slovenië) en in de Baltische staten (Estland, Letland, Litouwen) in die tien jaar relatief rustig is verlopen. Men leerde met politieke oppositie om te gaan, in coalitieregeringen te werken, de rol van de staat te verminderen, de sociale spanningen en het nationalisme in te tomen. In die landen kwam een civil society al tot enige ontwikkeling. Ook had er een actieve oppositie bestaan en bestond er een collectieve herinnering aan een alternatief voor het communisme. Daarnaast was de economische vooruitgang naar verhouding beter geweest dan elders en was de infrastructuur bovendien niet al te armzalig. De transitie was niet bepaald een succes in andere landen dan de bovengenoemde in Midden -Europa. Dit tonen de diverse burgeroorlogen in een deel van voormalig Joegoslavië, de Kaukasus en zuidelijk Midden Azië aan. Het lijkt zeer wel denkbaar dat het hierbij niet zal blijven. Het is gebleken dat de val van het communisme in een aantal gevallen slechts een ideologische inruil betekende: nationalisme kwam in de plaats van communisme, de leiders bleven zitten en namen de erfenis over. Transitie was meer een kosmetische operatie en had weinig reële betekenis, noch in politieke noch in economische zin. Het zou dan ook van overdreven optimisme getuigen als men nu, tien jaar na de revoluties, zou menen dat de problemen in de regio zijn opgelost.

De rampen die voormalig Joegoslavië hebben getroffen en de onzekerheden in het Balkangebied en in Rusland kunnen nog een destabiliserende uitwerking hebben. Dit zal vooral gebeuren als hulp van buiten, lees West Europa, op een laag niveau blijft. Na tien jaar transitie(1999) is de gang er uit. Het eindresultaat is een renaissance, een nationale wedergeboorte van Oost Europa in zeer verschillende vormen. 

  Zie verder deel 5 Deel 5 Van dictatuur tot democratie