We hebben 267 gasten online

Deel 5 Van dictatuur tot democratie

Gepost in Midden en Oost-Europa

Van planeconomie naar markteconomie

1 PLANNING

In communistische samenlevingen als die van de Sovjet-Unie bepaalde de overheid wat de landbouw en de industrie produceerden. Zo'n door de staat geregelde economie wordt een planeconomie genoemd. Ook in de meeste andere Oost Europese landen kwam deze voor. Socialistische planning stond in de praktijk gelijk aan sovjetplanning. Deze planning vond haar weerslag in zogenaamde vijfjarenplannen. Dit systeem werd door Stalin in de Sovjet-Unie toegepast vanaf 1928 en heeft zich daarna verspreid over Oost Europa, delen van Azië en Cuba. Deze planning vormde een praktisch en theoretisch antwoord op twee inherente zwakheden van het kapitalisme.

In de ogen van de toenmalige marxisten werd het kapitalisme gekenmerkt door 'anarchie van de productie' en klassenstrijd. 

utopie

Onder het eerste bezwaar wordt verstaan dat ongebreidelde concurrentie tussen privé-ondernemers leidt tot overproductie. Dat leidt vervolgens tot bedrijfssluitingen en daaruit voortvloeiende ontslagen van arbeiders. De strijd om een stukje van de markt ontwikkelt zich in deze visie tot een strijd om de wereldmarkt, uitmondend in oorlogen tussen kapitalistische landen.Planning van de productie zou dit kunnen voorkomen. Het bestaan van klassenstrijd vormt het tweede bezwaar van marxisten tegen de kapitalisten. Kapitalisme zou gekenmerkt worden door een klasse van kapitaaleigenaren, de kapitalisten, en een klasse van arbeiders en arme boeren. Tussen deze twee klassen zou een voortdurende strijd plaatsvinden, die de inzet van een grote hoeveel - heid energie van de betrokkenen eist. Als de productie echter wordt gepland, waarbij de productiemiddelen (grondstoffen, kapitaal en arbeid) in handen van de staat zijn en niet in handen van particulieren, komt deze strijd niet voor. De energie komt nu vrij voor productieve doeleinden. De planning van het sovjettype was echter een beperkt soort planning. Lang niet alle economische activiteiten werden gepland. In werkelijkheid kon men, met enige beperkingen die wat verder gingen dan in het Westen, zelf een beroep en een werkgever kiezen. Ook in de Sovjet Unie werden hogere beloningen gebruikt om arbeid naar bepaalde functies en locaties (bijvoorbeeld de olievelden in Siberië) toe te sluizen. Lonen werden in geld uitgekeerd en niet in natura, en bovendien was er consumptievrijheid. Verder werd lang niet alle productie van goederen centraal gepland. Ook regionaal werden hierover besluiten genomen, terwijl wisselingen in de reservecapaciteit leidden tot een bepaalde hoeveelheidongeplande productie. Sinds 1928, het startpunt van het Eerste Vijfjarenplan, waren de noden van de consument veruit ondergeschikt aan slechts één doel: een sterke, volkomen onafhankelijke Sovjet-Unie. De gehele sovjeteconomie werd ondergeschikt aan de belangen van de zware en de defensie-industrie (later wel aangeduid als het militair-industrieel complex). Dit kwam omdat men de omringende, kapitalistische wereld als vijand zag. Het beleid werd nog meer gelegitimeerd door de inval van Duitsland in 1941 en het ternauwernood verslaan van deze tegenstander. Toen in plaats van Duitsland de Verenigde Staten de nieuwe vijand werd, bleef het militair-industrieel complex de absolute prioriteit in de Sovjet-Unie. Hier kwam pas aan het eind van de jaren tachtig verandering in toen Michail Gorbatsjov aan de macht was.

2 DE TWEEDE ECONOMIE

Een tekort aan consumptiegoederen en ook aan diensten in de planeconomieën leidde tot de ontwikkeling van een tweede economie, bestaande uit semi-legale en illegale markten. Het semi-legale van de markt voor consumptiegoederen betekende dat de transacties niet officieel geregistreerd werden en dat er geen belasting geheven werd op de verdiende inkomsten. Voorbeelden van transacties op deze markt zijn de onderhuur van woonruimte,de verhuur van zomerhuisjes, het geven van privé-lessen, particuliere medische verzorging, privé-orders voor schoenmakers en kleermakers, onderhoud van woningen door 'klusjesmannen', enzovoort. Daarnaast bestond er een illegale markt die samenhing met het bestaan van tekorten aan goederen. Tekorten ontstonden bijvoorbeeld door fouten in de planning en gebrek aan contactmogelijkheden tussen producent en consument. Consumptieartikelen, waaraan in de legale markt schaarste bestond (doordat bijvoorbeeld de prijzen te laag waren), gingen deel uitmaken van de illegale markt. Zo werden bijvoorbeeld schaarse artikelen 'onder de toonbank' verkocht door het winkelpersoneel,tegen hogere prijzen. Het verschil werd in eigen zak gestoken. Andere voorbeelden zijn het aanbieden van taxidiensten door chauffeurs van staatsauto's en het aanbiedenvan geïmporteerde westerse consumptiegoederen door privé-personen die in het buitenland waren geweest.

3 HANDEL

De handel tussen de planeconomieën onderling was ondergebracht in de Raad van Wederzijdse Economische Bijstand (RWEB), ook bekend onder de naam Comecon, acroniem van 'Council for Mutual Economic Assistance' (CMEA).

comecon

Deze organisatie werd in 1949 opgericht op initiatief van de Sovjet-Unie, met de bedoeling de economieën die binnen haar invloedssfeer vielen, met elkaar te integreren door specialisatie op het gebied van handel en productie.'

Voor de Sovjet Unie was de handel met de RWEB - lidstaten qua omvang belangrijker dan die met de kapitalistische wereld. Aan het einde van het sovjettijdperk bestond ongeveer tweederde van de buitenlandse handel van de Sovjet Unie uit handel met andere socialistische landen. Eenderde gedeelte bestond uit handel met kapitalistische landen. De integratie werd echter bemoeilijkt door de wens van de diverse landen om het sovjetontwikkelingsmodel na te volgen.Dit hield in dat elk land zijn eigen zware industrie opbouwde.Specialisatie in bepaalde sectoren werd gezien als een verlies van nationale economische onafhankelijkheid. Een echt Oost-Europees integratiebeleid bestond eigenlijk niet. Toch waren er onderling wel wat verschillen. Zo kende Polen een landbouw - sector met een zeer groot aantal kleine privé-landbouwbedrijven. In Hongarije werd vanaf de jaren zeventig geëxperimenteerd met het Nieuw Economisch Mechanisme (NEM), waarin ruimte was voor ondernemers - initiatieven van uit de bedrijven zelf. Toch kan men stellen dat in Oost - Duitsland, Polen, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije, evenals in de Sovjet Unie, de economie onderschikt was aan de belangen van de zware - en de defensie - industrie. Voor een dienstensector was eigenlijk geenplaats. De industrie was de motor van de economie. Dit in tegenstelling tot de ontwikkeling in het Westen, waar met name na de Tweede Wereldoorlog de diensten - sector (ook tertiaire sector genoemd) de motor van de economie werd. Hoewel de RWEB vaak omschreven werd als tegenhanger van de Europese Gemeenschap (EG), is die visie niet juist. De RWEB is beter te vergelijken met de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), het veel lossere samen - werkingsverband tussen de 29 ontwikkelde markteconomieën. Als organisatie was de RWEB beperkt tot het doen van aanbevelingen, coördineren en behulpzaam zijn, zonder op enigerlei wijze de onafhankelijkheid van de lidstaten te beperken. De RWEB kon geen voor de lidstaten bindende overeenkomsten afsluiten.

In de jaren vijftig en zestig was de houding van de Oost-Europese landen ten opzichte van de EG openlijk vijandig. Omgekeerd vertoonde de EG om dezelfde politieke eneconomische redenen weinig interesse in de RWEB, maar in 1988 werd dan toch een akkoord gesloten. Tot het midden van de jaren zeventig werd door de EG de internationale rechtspersoonlijkheid van de RWEB ontkend, en omgekeerd. Uiteindelijk werd in juni 1988 een akkoord gesloten tussen beide organisaties, waarbij de Oost Europese landen de EG erkenden als organisatie die zelfstandig overeenkomsten kan sluiten. De val van de Muur in november 1989 betekende het einde van het sovjetimperium. In zeer korte tijd bekeerden de Europese leden van de RWEB zich tot het marktdenken.

europese integratie

4 TECHNOLOGIEVERSCHILLEN

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, tijdens de eerste jaren van de wederopbouw van Europa (1 945- 1950), was het technologieniveau in Oost- en in West - Europa gelijk, of in ieder geval vergelijkbaar. Een staalfabriek in Magnitogorsk (Sovjet-Unie) verschilde in werking niet veel van de Hoogovens in IJmuiden. Veertig jaar later, zo rond 1990, bleek dat het Westen een grote technologische voorsprong had.

Hoe kwam dat, en wat zijn de consequenties?

Het is goed te weten dat, economisch gezien, technologische vooruitgang niets anders is dan een daling van de gemiddelde kosten. Technologische vooruitgang leidt tot productiviteitsverbetering, goederen van betere kwaliteit, minder gebruik van grondstoffen en innovaties. Relatief gezien is in de Westelijke kapitalistische wereld de opoffering van middelen (kapitaal, grondstoffen, arbeid) om een bepaald product of dienst te produceren, op dit moment veel lager dan tien, twintig of vijftig jaar geleden.

Hoe komt die efficiencyverbetering tot stand?

In het Westen is concurrentie de drijvende kracht achter verbetering van de efficiency. Concurrentie leidt in een markteconomie tot een voortdurende pressie om nieuwe artikelen te ontwikkelen, bestaande te verbeteren, en nieuwe, efficiëntere productiemethoden toe te passen, met maar één doel: een voordeel op de concurrent behalen. Dit leidt dan óf tot hogere winsten, óf tot lagere prijzen, die op hun beurt leiden tot een toename van de vraag. Men kent in het Westen dan ook het begrip economische veroudering, wat inhoudt dat (kapitaal) goederen, zoals machines, die, technisch gezien, nog goed produceren, toch worden vervangen door nieuwe goederen, omdat die efficiënter kunnen worden geproduceerd.

Deze economische veroudering betekent ook dat geheel nieuwe bedrijfstakken ontstaan en andere bedrijfstakken inkrimpen of verdwijnen. Dit -eufemistisch genoemd - 'proces van herstructurering' heeft in de vijf decennia na de Tweede Wereldoorlog het economisch uiterlijk van veel landen en regio's in de westerse wereld totaal veranderd. Concurrentie betekent ook dat in het Westen vooruitgang gemeten wordt naar technologische vooruitgang, minder opoffering van middelen.

Extreem gesteld: minder (fysieke) productie is vooruitgang.In het sovjetimperium was officieel geen sprake van het westerse begrip concurrentie.

Dit heeft zijn oorzaak in het feit dat concurrentie twee kanten heeft: een positieve kant (in het Westen als belangrijkst gezien), die technologische vooruitgang tot gevolg heeft, en een negatieve kant (in het Oosten als belangrijkst gezien), die werkloosheid en fabriekssluiting tot gevolg heeft. In het sovjet planningsstelsel leidde de wens tot veiligstellen van de werkgelegenheid tot volstrekt afwijzen van concurrentie. In het planningstelsel stond vooruitgang gelijk aan méér productie. Deze was het eenvoudigst te meten bij het meer produceren van bestaande producten, ongeacht de kosten. Het begrip economische veroudering was in het Oosten onbekend. Wel werd het begrip technische veroudering gehanteerd, wat simpelweg inhield dat kapitaal goederen gebruikt werden tot ze technisch versleten waren.

Het planningstelsel weerhield de bedrijfsleiding ervan om te trachten te innoveren. Het stelsel zelf was de oorzaak hiervan. Deangst dat het plan niet zou worden gehaald, leidde in de praktijk tot allerlei informele vraag - en aanbodrelaties. Het invoeren van nieuwe productiemethoden en producten zou bestaande informele kanalen maar verstoppen en zou betekenen dat er nieuwe informele verhoudingen gecreëerd zouden moeten worden. Het bedienen van nieuwe apparatuur, het ingespeeld raken op de productie van nieuwe producten, zou betekenen dat arbeiders omgeschooid moesten worden, met als gevolg tijdelijk productieverlies.

Het communisme en de neo - klassieke theorie

De neo - klassieke economische theorie zegt dat het er niet toe doet of men diensten of tastbare goederen produceert, zolang er maar vraag naar het betreffende product is. De klassieke economen gingen ervan uit dat alleen tastbare goederen, waarbij voor de productie fysiek kapitaal werd gebruikt, aan de economische groei bijdroegen.

Marx was zo'n klassieke econoom. Dat verklaart mede waarom economische ontwikkeling in de Sovjet-Unie gericht was op de secundaire (industriële) sector. De tertiaire (diensten) sector werd zoveel mogelijk verwaarloosd. De distributie van consumptiegoederen werd als niet-productief beschouwd, resulterend in een laag prestige voor diegenen die hierin hun bestaan vonden. In het Westen heeft de tertiaire sector zich met name na de Tweede Wereldoorlog zeer sterk ontwikkeld. Diensten als financiering, toerisme, onderwijs en gezondheidszorg, maar ook detailhandel en de ontwikkeling van IT -diensten, zijn nu de motor van de economie. Het heeft zelfs geleid tot een relatieve deïndustrialisatie.De ontwikkeling van de industrie in de vooroorlogse periode in de Sovjet-Unie leidde er mede toe dat men tijdens de Grote Vaderlandse Oorlog (zoals de Tweede Wereldoorlog in de Sovjet Unie heette) de in 1941 machtigste militaire natie in de wereld (nazi-Duitsland) kon verslaan. Het prestige van de sovjetplanning, erop gericht om via Vijfjarenplannen de productie van tastbare goederen te verhogen, was mede door die overwinning geweldig gegroeid. Geen wonder dus dat in de naoorlogse periode op de ingeslagen weg werd voortgegaan. Dat leidde in 1991, met de ineenstorting van de Sovjet-Unie, tot een structuur van de economie die ver achterliep (een onderontwikkelde tertiaire sector) bij de structuur van de westerse economieën. Dat gold ook voor de andere centraal geleide economieën.

5 HET TRANSITIEPROCES: DE THEORIE

Wat zijn nu de belangrijkste onderdelen van het transitie - of overgangsproces van plan - naar markteconomie?

In deze paragraaf wordt een tweedeling gemaakt in systeemveranderingen en macro economische stabilisering. Die systeemveranderingen kunnen worden onderverdeeld in institutionele veranderingen en structurele veranderingen.

Planeconomie

Markteconomie

Plan bepaalt de productie

Markt bepaalt de productie

Nadruk op kapitaalgoederen

Nadruk op consumptiegoederen

Vaste prijzen

Vrije prijzen

Niet-inwisselbare munt

Convertible munt

Grote bedrijven

Belangrijke rol voor middelgrote bedrijven

Slechte kwaliteit veel producten

Consumentgericht, hogere kwaliteit, grotere variatie

Grote rol overheidssubsidies

Beperkte rol overheidssubsidies

Kleine dienstensector

Grote dienstensector

Centrale rol ministeries

Bescheiden rol ministeries

Gecontroleerde handel met het buitenland

Vrije handel met het buitenland

Bedrijven in staatseigendom of als coöperatie

Bedrijven uitsluitend in particulier eigendom

Verborgen werkeloosheid

Werkloosheid

Een voorbeeld van het eerste betreft het liberaliseren van het economische leven. Daarmee wordt bedoeld dat prijzen, lonen en de (buitenlandse) handel vrij aan de marktpartijen worden overgelaten, in plaats van - zoals voorheen - centraal te worden vastgesteld. Daarnaast moet er worden gezorgd voor het ontwikkelen van markt - instituties en adequate wetgeving. Onderdelen hiervan zijn het ontstaan van een kapitaalmarkt (particuliere banken), een aandelenbeurs, verzekerings - instellingen, wetgeving op het gebied van particulier eigendom, privatiseren, particulier ondernemen en het sluiten en nakomen van contracten. Ook moet er een verschuiving tot stand komen in het eigendom van productiemiddelen, van staatseigendom naar particulier eigendom. Dit kan door groei van de particuliere sector en door privatisering van staatsbedrijven. Het bleek moeilijk te zijnde bedrijfsvoering te veranderen van behoudend risicomijdend bureaucratisch management naar dynamisch risiconemend onder - nemerschap.Een voorbeeld van een structurele verandering is de noodzaak om van een nadruk op zware industrie als motor van de economie te komen tot een dynamische dienstensector. Bovendien moeten de voormalige communistische landen nu gaan concurreren op een wereldmarkt waar ze tot 1991 eigenlijk van waren afgeschermd.Ook in het eigen land moeten nu voorwaarden voor concurrentie worden gecreëerd, in plaats van de monopolieposities van de oude staatsbedrijven. Macro-economische stabilisering kan weer worden onderverdeeld in reële stabilisering en monetaire stabilisering. Onder het eerste wordt verstaan het stoppen van de mogelijke terugval in productie. Monetaire stabilisering betekent het bedwingen van inflatie.In de praktijk betekende liberalisering van de prijzen altijd een scherpe prijsstijging (dat kwam omdat in het socialistische tijdperk de prijzen, in geld uitgedrukt, vaak jarenlang constant werden gehouden). Als er in een situatie vansnelle prijsstijging veel geld in omloop wordt gebracht, houdt de inflatie zichzelf in stand. In Rusland bedroeg de inflatie in 1992 (het eerste jaar van de transitie) 2500%! Naast dit alles moet er ook een beleid gevoerd worden dat ervoor zorgt dat de hoogte van de wisselkoers niet te veel fluctueert en dient er een evenwicht te zijn op de lopende rekening van de betalingsbalans.

Schoktherapie of geleidelijke overgang

Er is een tijdlang discussie geweest over de vraag of het beter zou zijn in één keer een radicale hervorming van het economische systeem toe te passen, de zogenoemde 'schoktherapie', of dat men beter een geleidelijke overgang kon nastreven. Uiteindelijk is een exacte scheiding tussen schoktherapie en geleidelijke transitie in Midden - en Oost Europa moeilijk te trekken. Lang niet alles kon in één keer veranderd worden. De wetgeving moest bijvoorbeeld worden aan - gepast. Dat kost tijd. Er was ook vaak sprake van politieke oppositie en veranderingen in de publieke opinie. Het dichtst in de buurt van een pure schoktherapie komt Oost Duitsland, hoewel dit een speciaal geval is als gevolg van de Duitse hereniging. Ook het Poolse 'Balcerowicz - plan', dat vanaf 1 januari 1990 werd ingevoerd, wordt vaak omschreven met het begrip schoktherapie. Inderdaad werd het economisch leven geliberaliseerd en werd de munteenheid (de zloty) convertibel gemaakt.Ook werden de voorwaarden geschapen voor de creatie van talrijke nieuwe particuliere ondernemingen.Toch werd de privatisering van het bedrijfsleven (en dan worden met name de ongeveer 8.500 grote staatsondernemingen bedoeld) op de lange baan geschoven en was in 1999 nog ongeveer eenderde gedeelte hiervan in overheidshanden.

Hongarije is een mooi voorbeeld van een geleidelijke overgang. De economische situatie begin jaren negentig was hier echter al wat afwijkend van die in andere centraal geleide economieën. Sinds de jaren zeventig waren in Hongarije al, onder de verzamelnaam 'Nieuw Economisch Mechanisme', een aantal marktgerichte hervormingen doorgevoerd. Meer dan in andere Midden – en Oost-Europese landen, kregen na 1990 buitenlandse investeerders de kans delen van het Hongaarse bedrijfsleven op te kopen. Toch is ook hier de privatisering van het bestaande bedrijfsleven een zaak van lange adem geworden.

In de nadagen van Gorbatsjov, begin jaren negentig, werden in de Sovjet Unie, dat toen officieel nog steeds een planeconomie had, al diverse plannen voor een transitie naar een markteconomie gemaakt. In het Westen is met name het 'Vijfhonderd - dagen plan' van de Russische econoom Sjatalin bekend geworden. Dit in augustus 1990 gepubliceerde plan voorzag in de invoering van een kapitalistische markteconomie binnen zo'n anderhalf jaar,maar ging Gorbatsjov toen veel te ver.

Uiteindelijk werd in oktober 1991,onder de nieuwe president Jeltsin, in grote lijnen een nieuw Russisch hervormingsprogrammagepubliceerd. Dit programma ging in op 1 januari 1992 en gold alleen voor Rusland, en niet voor de overige veertien deelrepublieken van de voormalige Sovjet-Unie (de Sovjet-Unie had namelijk eind december 1991 opgehouden te bestaan). Door ontoereikende wetgeving is van een aantal van de voorgenomen hervormingen niets terechtgekomen.

6 HET TRANSITIEPROCES: DE PRAKTIJK

Hoe is aan het begin van de 21 ste eeuw, meer dan tien jaar na het begin van de transitie, de economische situatie in Midden- en Oost-Europa?

Is men erin geslaagd een basis te leggen voor een efficiënte en dynamische markteconomie? Met andere woorden: is er sprake van een economie met een relatief hoge en continue economische groei die de concurrentie met geavanceerde markteconomieën aankan, in die zin dat geen van beide zijden bescherming nodig heeft in de vorm van subsidies, importheffingen, importquota en belemmeringen ten aanzien van kapitaalstromen en arbeidsmobiliteit? Aan deze definitie voldoet nog geen van de transitie-economieën in Midden - en Oost Europa. Wel is men, ieder op zijn eigen manier, op weg daar naartoe. De uitspraak van premier Vaclav Klaus van Tsjechië in 1995, dat in zijn land de transitiefase beëindigd was, was in het licht van boven - staande definitie erg voorbarig. In het algemeen kan men zeggen dat alle Midden-Europese' landen wel voldoen aan de volgende veranderingen:

1. de inflatie is onder controle (al is die altijd nog hoger dan in westerse economieën)

2. men deelt veel meer in de wereldhandel

3. de buitenlandse handel is nu gericht op het westen

4. in alle landen kent men nu een groot aantal particuliere ondernemingen in het midden - en kleinbedrijf

5. er is een sterke vermindering van subsidies aan staatsbedrijven

6. er is wetgeving en er zijn gewoonten ontstaan op het gebied van arbeid -, kapitaal - en goederenmarkten

7. er is een nieuw stelsel van sociale voorzieningen opgebouwd

Op een aantal andere gebieden verschillen de Midden-Europese landen onderling nog sterk:

1. de mate van privatisering van de grote staatsbedrijven

2. de omvang van de werkloosheid en de individuele gemiddelde duur daarvan

3. beheersing van de begrotingstekorten en buitenlandse schuld

4. de hoeveelheid buitenlandse investeringen

5. de economische groei en de binnenlandse investeringsquote

Hieronder wordt ingegaan op enkele van de verschillen tussen de landen onderling.

De mate van privatisering van de grote en middelgrote staatsbedrijven loopt nogal uiteen. In Tsjechië en in Slowakije is, via de 'bonboekjes - methode', een zekere mate van binnenlandse massa - privatisering tot stand gekomen.

BONNENPRIVATISERING

In (toen nog) Tsecho-Slowakije werd in 1991 elke volwassen burger (18 jaar of ouder) in de gelegenheid gesteld voor 1035 kronen (ongeveer € 27) een bonboek van 1000 punten te kopen.Dat kwam in principe neer op 1 punt per kroon plus een vast bedrag voor kosten. Oorspronkelijk was de vraag naar bonnen laag. De bevolking kon zich geen voorstelling maken van wat men ermee kon krijgen. Dat veranderde toen een ondernemende jonge Tsjech een investeringsfonds opzette. Hij kocht bonboeken van de bevolking op, met de garantie dat men een jaar na uitgifte van de aandelen van bedrijven het tienvoudige van de nominale waarde van en bonboek (dus 10,000 kronen) van hem zou ontvangen. Toen in zijn voetspoor ook andere investeringsfondsen vergelijkbare aanbiedingen deden, ontstond een ‘run’ op de bonboeken.Uiteindelijk maakte 80% (8,5 miljoen Tsjecho - Slowaken) , die een bonboek mochten kopen, gebruik van hun recht. De fondsen konden dit aanbod doen, en daardoor het ondernemingsrisico naar zich toetrekken, doordat de totale boekwaarde van de ter privatisering aangeboden bedrijven 35 maal zoveel was als het uitgegeven aantal punten.Ook al ligt de uiteindelijke marktwaarde veel lager, dan nog hebben de investeringsfondsen de serieuze mogelijkheid bezit te verwerven waarvan de waarde meer dan tien maal het bonnenbedrag te boven gaat. Op die manier maken ze toch nog een ruime winst De waarde van de aandelen van de bedrijven werd uitgedrukt in 1000 kronen per aandeel. Bleek nu tijdens de veilingen dat de waarde van het aantal uitgebrachte bonnen de waarde van de aandelen overtrof, dan werd het bedrijf in een volgende veilingronde opnieuw ingezet, tegen een minimumprijs van een hoger bedrag aan bonnen per aandeel. Dat ging zo door tot men min of meer een evenwicht kreeg tussen aantal bonpunten en aantal aandelen. Er zijn uiteindelijk vijf ronden gehouden, waarna nog een beperkt aantal bedrijvenonverkocht bleef omdat het aantal uitgebrachte punten in de ogen van de privatiseringsautoriteiten te laag was. Bij het publiek en bij de investeringsfondsen was veel belangstelling voor bedrijven die consumptiegoederen, voeding – en genotsmiddelen produceerden. De drie populairste bedrijfstakken waren brouwerijen, financiële diensten en hotels. Ook werd geïnvesteerd in de filmindustrie, alcoholische – en non-alcoholische dranken, tabak, uitgeverijen, glasblazerijen en de suikerverwerkende industrie In Hongarije zijn veel (delen van) ondernemingen aan buitenlandse investeerders verkocht. in Polen is een groot gedeelte van de grote staats ondernemingen nog steeds in handen van de overheid. Pas sinds 1997 is er in Polen weer een verdere privatisering gaande. Dat geldt ook voor Slovenië. Ook in Rusland heeft men gebruik gemaakt van 'bonboekjes -privatisering'. De uiteindelijke uitkomst daarvan is dat bij de meeste bedrijven de zeggenschap in handen is van het zittende management of het 'arbeidscollectief' (management en arbeiders samen).(1999)

In de centraal geleide economieën had volledige werkgelegenheid prioriteit. Dat betekende dat industriële ondernemingen, vergeleken met westerse bedrijven in dezelfde bedrijfstak, vaak dubbel zoveel werknemers in dienst hadden. Het was onvermijdelijk dat met de overgang naar westerse effïcency - en rendementsprincipes veel arbeiders hun baan verloren.

Toch probeerde een aantal landen de noodzakelijke ontslagen zo lang mogelijk uit te stellen.

De industriële situatie in Rusland in 1991

Tijdens de planperiode waren er nauwelijks fabrieken gesloten. Dit leidde ertoe dat veel organisaties huisden in volledig verouderde gebouwen, en dat kapitaalgoederen werden gebruikt die in het Westen al lang zouden zijn afgeschreven. Bovendien was een groot aantal bedrijven, naar huidige maatstaven, zo milieuvervuilend, dat ze gesloten moesten worden. Van een proces van herstructurering van bedrijfstakken is dan ook geen sprake geweest.Er moest een overgang van de secundaire naar de tertiaire sector gemaakt worden.Dit betekende dat een aantal bedrijfstakken, bijvoorbeeld de metallurgie en de machinebouw, drastisch moesten worden ingekrompen. Datzelfde gold overigens ook voor individuele ondernemingen. Een groot aantal 'hulpdiensten' moest gesloten worden.Bij dit alles kwam dat overwegingen van regionale werkgelegenheid en van militair-strategische aard de doorslag gaven bij de locatie van bedrijven.Commerciële motieven speelden geen rol. Veel industriële ondernemingen moesten dus eigenlijk, om te kun - nen concurreren, een andere vestigingsplaats krijgen.

In de periode 1992-1998 is van aanpassing op de bovenstaande gebieden weinig terechtgekomen. Wel heeft de tertiaire (diensten-) sector zich uitgebreid. Ook is een groot aantal ondernemingen gesloten. Aan herscholing van overtollig geworden arbeid werd echter weinig aandacht besteed.

Bij de pogingen tot privatisering is veel energie gestoken in privatisering van het bestaande industriële apparaat. De praktijk is dat een zeer groot gedeelte van het oorspronkelijke management is blijven zitten. Dit management is echter absoluut niet geschoold in al die kennis van begrippen die onontbeerlijk is in de moderne mondiale economie. Strategisch management,met bijvoorbeeld de waardeketen, de portfolio - en de risico - analyse, begrippen als 'outsourcing' versus verticale integratie, product - en marktontwikkeling, concurrentievoordeel waren de gemiddelde Russische en Oost-Europese manager volkomen vreemd. Men was ook niet geschoold in beroepen die zo onontbeerlijk zijn in een moderne markteconomie: logistieke en marketing managers, juris - ten, accountants. Geen wonder dat het gros van de Russische bedrijven het niet redt. Managers zijn gericht op het niet betalen van de vaak draconische belastingaanslagen. Ruilhandel is een middel om betalingen buiten de boeken te houden.

7 DE HANDEL TUSSEN OOST EUROPA EN DE EUROPESE UNIE

Sinds 1989 is de handel tussen Oost Europa en de Europese Unie enorm toegenomen. Het eerste jaar na de omwenteling, in 1990, is de Oost-Europese export naar de EU flink in elkaar geklapt, maar sindsdien is er een gestage groei. Als we kijken naar de export van uit de Europese Unie dan zien we het zelfde beeld: een sterke groei naar Oost Europa. Maar deze export is veel groter dan de import, met andere woorden,Oost Europa heeft dus een sterk negatieve handelsbalans met de EU.

Hoe komt dat?

In de eerste plaats was en is er in Oost Europa een enorme vraag naar westerse producten: zowel goede consumptiegoederen als degelijke, geavanceerde machines. Het is voor de Oost-Europese landen niet eenvoudig om naar het Westen te exporteren. Dat ligt soms aan de mindere kwaliteit van de producten die in Oost Europa worden geproduceerd, maar vaker aan de beperkingen die de EU stelt aan import uit Oost Europa. Begin jaren negentig is de wederzijds handel geregeld in de zogenaamde 'Europa-akkoorden', die er op neer kwamen dat voor hoogwaardige, industriële producten er nauwelijks handelsbelemmeringen waren, maar dat in de zogenaamde 'gevoelige' sectoren tal van regels en importbelastingen van kracht waren op producten uit Oost Europa. Het ging hier om textiel en kleding, landbouwproducten en ijzer - en staal: toevallig de producten waarvoor men in de Unie de concurrentie uit Oost Europa vreesde. Wel is bij genoemde verdragen afgesproken dat de handelsbelemmeringen jaarlijks kleiner zouden worden, en dat is ook gebeurd. Zo kunnen sinds 1 januari 1998 Poolse kledingproducenten zonder beperkingen de markt van de EU betreden. Toch is dit nog maar weinig gebeurd, omdat veel Poolse kledingbedrijven nog onvoldoende gesaneerd zijn om rendabel te produceren, en de concurrentie met bijvoorbeeld Aziatische kledingbedrijven aan te gaan. De handel tussen de EU en de landen van de ex - Sovjet Unie is ook wel gestegen, maar niet zo sterk. Het grootste deel van de import bestaat uit olie - en aardgas, waarvan het volume niet zo sterk fluctueert. Na de val van de roebel in augustus 1998 is de export naar Rusland sterk verminderd. 

Zie verder deel 6 Deel 6 Van dictatuur tot democratie