We hebben 149 gasten online

Nederland

Deel 1 : Willem van Oranje en de Opstand

Gepost in De Opstand

Willem van Oranje en de Opstand tegen Koning Philips II

willem van oranje

Het dagelijks leven in de Nederlanden Veel mensen, weinig eten

De Nederlanden waren met ongeveer 3 miljoen inwoners in de tweede helft van de zestiende eeuw betrekkelijk dicht bevolkt. De meeste mensen woonden in de provincies Holland, Zeeland, Henegouwen, Vlaanderen en Brabant. De bevolkingsdichtheid was daar tussen de 30 en 35 inwoners per vierkante kilometer. Nergens anders was in Europa de bevolkingsdichtheid zo groot. In deze gewesten lagen ook vrij grote steden. Antwerpen telde 80.000 inwoners; Amsterdam, Gent en Brussel meer dan 30.000.

De meeste mensen op het platteland en in de steden waren arm en slecht gevoed. Hun hoofdmaaltijd bestond uit zoute soep met donker, bijna zwart, roggebrood, soms aangevuld met wat haring en erwten of bonen. Vlees en zuivelprodukten konden de meesten niet betalen. Aardappelen kende men toen nog niet in Europa.

Hongersnoden kwamen veel voor, gemiddeld eens in de tien jaren. De oorzaken daarvan waren misoogsten en oorlogen. In de Nederlanden werd niet genoeg voedsel verbouwd om aan de vraag te voldoen. Ongeveer een kwart van het voedsel moest uit het buitenland worden ingevoerd. Grote hoeveelheden tarwe werden uit Frankrijk aangevoerd en uit de landen aan de Oostzee kwam veel rogge. In oorlogstijd stokte de invoer van levensmiddelen en stegen de prijzen.

De armen werden daar natuurlijk het ergst slachtoffer van. In sommige steden waren openbare bakkerijen die in tijden van nood kosteloos brood verschaften aan de armen. Op het platteland deelden de kloosters voedsel uit.

In normale tijden werd ongeveer de helft tot driekwart van het inkomen van een arme familie alleen al aan brood besteed.

Het bestuur

unification

De Nederlandse gewesten en steden waren nog tijdens het bewind van de vader van Philips, keizer Karel V, in veel opzichten zelfstandig. Je zou kunnen zeggen dat zij werden bestuurd door de bovenlaag van de Nederlandse samenleving (adel, geestelijkheid en voorname burgerij) onder toezicht van vertegenwoordigers van de koning.

In elk gewest werd het koninklijk gezag vertegenwoordigd door een stadhouder. Dat was doorgaans een lid van de hoge Nederlandse adel. Sommige edelen waren stadhouder in meer dan één gewest.

De stadhouders werden bij het bestuur geholpen door een raad van edelen, geestelijken en burgers: de gewestelijke Staten. Afgevaardigden van deze Staten konden door de koning worden bijeengeroepen in de Staten-Generaal, die aan de koning of de landvoogd adviezen moest geven over kwesties die alle gewesten aangingen, zoals het deelnemen aan een oorlog of het opbrengen van bijzondere belastingen.

De stadhouders hadden samen met andere belangrijke personen, zoals bisschoppen en hoge ambtenaren, zitting in de Raad van State. Ook deze raad gaf rechtstreeks adviezen aan de hoogste vertegenwoordiger van de koning: de landvoogd.

Al die raden waren natuurlijk niet voor niets ingesteld. Het was de bedoeling dat de stadhouders zulke bestuursmaatregelen troffen, die in overeenstemming waren met de adviezen en de wensen van de gewestelijke Staten. Van de koning en dus ook van de landvoogd werd verwacht, dat zij ernstig rekening hielden met de opvattingen die door de meerderheid van de Staten-Generaal en de Raad van State werden uitgesproken. Zo wilde men onder meer voorkomen dat er door de koning, de landvoogd of de stadhouders wetten werden uitgevaardigd of andere maatregelen werden genomen, die in strijd waren met de privileges, die de adellijke landheren, de geestelijkheid, de steden en de gewesten in de loop van de eeuwen hadden gekregen.

Privileges waren bijzondere voorrechten en vrijheden, zoals de vrijstelling van betaling van bepaalde belastingen of het recht om tol te heffen. Zulke privileges werden van oudsher als onaantastbaar beschouwd.

Een nadeel van het stelsel van privileges was, dat het een belemmering vormde voor de eenwording van de Nederlandse gewesten. De leden van de Staten kwamen altijd in de eerste plaats op voor het handhaven van de privileges; het algemeen belang kwam pas op de tweede plaats.

Dit vóór laten gaan van plaatselijke of persoonlijke belangen wordt „particularisme" genoemd.Het particularisme was in de Nederlanden sterk ontwikkeld en het werd terwille van doelmatig bestuur zowel door Philips II als Willem van Oranje bestreden. Maar niet op dezelfde manier. Prins Willem van Oranje drong er tijdens de opstand sterk op aan, dat veel privileges vrijwillig zouden worden afgeschaft en zouden worden vervangen door meer algemeen geldende wetten. Zo zou in vrijheid, zonder dwang, de eenheid van de gewesten (de Prins noemde dat de „Generaliteit") tot stand kunnen komen.

De kerk

Kritiek op wantoestanden en de Leer

Er bestonden sinds de middeleeuwen in de rooms katholieke kerk veel wantoestanden. Geestelijken, kloosterlingen, zelfs pausen hielden zich niet meer aan hun geloften. Veel hoge geestelijken verrijkten zich op schandelijke manier ten koste van het gewone volk, onder andere door de aflaathandel. Er was veel bijgeloof in de godsdienstige praktijk geslopen. En zo was er nog veel meer dat niet deugde.

Binnen de kerk zijn herhaaldelijk bewegingen ontstaan die een eind wilden maken aan deze wantoestanden, maar deze bleven toch altijd het gezag van de kerk erkennen en tastten de leer niet aan.Aan tiet begin van de 16e eeuw ontstond er een hervormingsbeweging, die zich niet alleen verzette tegen de verwording van de geestelijkheid, naar ook veranderingen wilde in de leer.

Niet iedereen wilde de leer op de zelfde manier veranderen en zo konden er in de kerkhervorming vier richtingen ontstaan: de Lutherse, de Calvinistische, de Anglicaanse en de spiritualistische. De laatste uitte zich in een aantal secten zoals Wederdopers en Antitrinitariërs.

De Anglicaanse richting beperkte zich tot Engeland en was voornamelijk gericht tegen het gezag van de paus en de kloostergeloften. In het begin bleef bij de Anglicanen de katholieke leer onaangetast.

De verzamelnaam „protestanten" geldt voor alle mensen, die zich bij een richting van de kerkhervorming aansloten en dus uit de rooms katholieke kerk traden. Door de katholieken werden deze afvalligen „ketters" genoemd.

De rooms katholieke kerk trachtte door het instellen van de inquisistic de hervormingsbeweging tegen te gaan. De inquisitie hield in, dat geloofsrechtbanken ketters moesten opsporen en straffen. De geestelijke rechtbanken straften ketters met de ban, dat wil zeggen uitsluiting uit de kerk onder andere door onthouding van de sacramenten. Maar daarna werden de ketters ook nog bestraft door de wereldlijke rechter, die meestal een doodvonnis uitsprak. Het doodvonnis werd doorgaans voltrokken op de brandstapel.

In 1521 vielen in de Nederlanden de eerste slachtoffers van de inquisitie: twee monniken die van lutheranisme waren beschuldigd.Het verhoor van mensen die van ketterij verdacht werden, ging steeds gepaard met wrede martelingen. De straffen die de wereldlijke rechtbank tegen de ketters uitvaardigde en de omschrijving van wat onder ketterij moest worden verstaan, werden vastgelegd in plakkaten (verordeningen).

Tegen deze strenge plakkaten, die op last van de Spaanse koning werden uitgevaardigd, begon een groot deel van het Nederlandse volk (protestanten, zowel als katholieken) omstreeks het midden van de 16e eeuw te protesteren.

 

Na Karel V: Philips II

Onbetrouwbaar, listig en achterdochtig

karel de vPhilips groeide op als een eenzaam kind temidden van strenge leermeesters. Zijn moeder verloor hij al op 12-jarige leeftijd. Zijn vader, keizer Karel V, zag hij weinig want deze was bijna voortdurend op reis. De geestelijken die met Philips' opvoeding belast waren, maakten hem tot een fanatiek katholiek. Veel levensvreugde heeft Philips niet gekend. Hij was een sombere, in zichzelf gekeerde man, die de hele wereld met argwaan en minachting beschouwde.

Voor hem golden maar twee dingen: wie zich tegen de katholieke kerk keerde moest worden uitgeroeid en wie zich niet onderwierp aan zijn gezag eveneens. Deze twee standpunten maakten hem tot een slecht politicus. Enige toegevendheid kende hij niet. Hij was bovendien een slecht mensenkenner en beschouwde iedereen, ook zijn trouwste raadgevers, steeds met achterdocht. In zijn rijk had hij een uitgebreid netwerk van spionnen aangesteld, omdat hij voortdurend bevreesd was dat iemand hem zou bedriegen. Al zijn adviseurs zijn vroeg of laat in ongenade gevallen. De politiek die hij bedreef, is voor Spanje rampzalig geworden. Het land was onafgebroken in oorlog: met Turkije, met Engeland, met Frankrijk. En Spanje leed de ene nederlaag na de andere. Bovendien kon hij er niet in slagen de opstand in de Nederlanden te onderdrukken. Toen Philips in 1598 stierf was Spanje volkomen uitgemergeld.

Een andere kijk op het bestuur

Koning Fhilips IIToen Philips na Karel V het bewind kreeg over de Nederlanden was hij er op uit zijn persoonlijke macht te vergroten ten koste van de macht van de stadsbesturen, de edelen en de Staten. Direct nadat hij van zijn vader het bewind over de Nederlanden had overgenomen, begon hij zonder overleg met de Staten-Generaal en de Raad van State een bestuurshervorming door te voeren waarbij allerlei privileges werden geschonden en door de vorst benoemde, buitenlandse ambtenaren meer te vertellen kregen dan de edelen en de stadsbesturen. Als landvoogdes benoemde Philips, tegen de zin van de Staten-Generaal, zijn halfzuster Margaretha van Parma.

 

Als voornaamste raadgever zond hij haar een buitenlander, de bisschop (later kardinaal) Antoine Perrenot Granvelle, afkomstig uit de Franche-Comté (nu Oost-Frankrijk).Weldra werden de Nederlandse edelen in de Raad van State buiten spel gezet en werden de Staten-Generaal uitgeschakeld. De landvoogdes deed alleen nog wat Granvelle haar adviseerde. Dat wekte natuurlijk ontevredenheid en verzet van de edelen en ook van de geestelijkheid, want Granvelle wilde onder meer een nieuwe indeling van de bisdommen doorvoeren, waarbij een aantal Nederlandse bisschoppen zou worden vervangen door fel Spaans gezinde bisschoppen. Bovendien zouden verscheidene abdijen hun zelfstandigheid verliezen en hun inkomsten aan de nieuwe bisschoppen moeten afstaan.

De bedoeling van deze maatregelen was niet alleen om de geestelijkheid in de Nederlanden meer aan Spanje te binden, maar ook om met meer kracht de calvinisten en anderen die zich van de rooms-katholieke kerk hadden afgekeerd, te gaan bestrijden.

Philips was zelf streng rooms-katholiek en had zich voorgenomen het protestantisme in de landen, waarover hij heerste, volkomen uit te roeien. Tegen deze meedogenloze vervolging rees veel verzet, ook van de kant van de rooms-katholieke Nederlandse edelen. Die wensten geen onrust en onveiligheid in hun gebied. Trouwens, de scheiding tussen de katholieke Kerk en de hervorming was toen nog niet zo scherp als zij later geworden is. De hervormingsbeweging was nog niet zo erg lang geleden begonnen en veel mensen meenden dat de protestanten wel gelijk hadden als ze protesteerden tegen allerlei misstanden die in de rooms-katholieke Kerk waren ontstaan. Als die misstanden werden opgeheven, zo dachten nog velen, zouden de protestanten vanzelf wel terugkeren in de rooms-katholieke Kerk.

Zo had dus het verzet dat tegen de bestuursmaatregelen van Philips en de landvoogdes in de Nederlanden rees, twee oorzaken: een politieke en een godsdienstige. Op politiek gebied verzette men zich tegen het aantasten van de privileges en het uitschakelen van de Staten-Generaal. Op godsdienstig gebied verzette men zich tegen de vervolging van de protestanten. Over één ding waren edelen, geestelijken en burgers het op de eerste plaats roerend met elkaar eens: Granvelle en de buitenlandse ambtenaren moesten verdwijnen!

De landvoogdes: Margaretha van Parma Bang voor haar broer margaretha v parma

Margaretha, hertogin van Parma, was een halfzuster van koning Philips II. Al op 15-jarige leeftijd werd zij weduwe doordat haar man, Alexander de Medici werd vermoord. Toen ze 16 was trouwde ze met Ottavio Farnese, een Italiaans edelman, die later hertog van Parma werd. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren, Alexander Farnese, de latere landvoogd in de Nederlanden.

Philips II benoemde Margareta in 1559 (zij was toen 37 jaar) tot landvoogdes van de Nederlanden. Hij verwachtte van haar dat zij gehoorzaam zijn bevelen zou uitvoeren en dacht dat de Nederlanders haar graag zouden accepteren, omdat zij een deel van haar jeugd in Nederland had doorgebracht. Maar Margaretha sprak geen woord Nederlands en begreep niet veel van de volksaard van de Nederlanders. Ze voelde zich altijd erg onzeker en volgde aanvankelijk alle adviezen van haar voornaamste raadsman, kardinaal Granvelle. Toen deze door de koning teruggeroepen werd, kwam zij meer onder de invloed van de Nederlandse edelen, maar durfde toch niet zulke drastische maatregelen, als verzachting van de plakkaten tegen de protestanten, te nemen. Zij was bevreesd voor haar broer wiens grote halsstarrigheid zij maar al te goed kende.

De beeldenstorm maakte haar erg bang en die angst bracht haar tot het doen van beloften, die zij later weer moest intrekken, omdat Philips alles wat zij had toegegeven afkeurde. Toen Alva in de Nederlanden kwam vroeg zij ontheffing van haar ambt. Zij waarschuwde ook haar broer: Alva's hardheid zou de moeilijkheden alleen maar groter maken.

Maar Philips wilde natuurlijk weer niet luisteren. In 1580 wilde Philips haar nogmaals belasten met het burgerlijk bestuur over de Nederlanden, naast haar zoon, die als militair gouverneur zou moeten optreden. Maar Parma weigerde beslist zijn macht te delen met zijn moeder. Philips gaf uiteindelijk toe. Margaretha keerde terug naar Spanje, waar zij in 1586 op 64-jarige leeftijd overleed.

De jonge Prins van Oranje

Willem werd in 1533 als graaf van Nassau geboren op het kasteel Dillenburg. Het geslacht van Nassau had bezittingen in Duitsland (zoals Dillenburg), de Nederlanden en Frankrijk en leden van deze familie behoorden dus niet alleen tot de Duitse, maar ook tot de Nederlandse en de Franse adel. Van zijn neef René van Chalon, graaf van Nassau, baron van Breda, prins van Oranje enz. enz. erfde Willem, toen hij elf jaar was, diens bezittingen en dus ook diens titels in de Nederlanden en Frankrijk. Maar Karel V kon niet zonder meer toestaan dat hij die erfenis aanvaardde, want Willems ouders waren luthers en de keizer wilde in de gebieden die onder zijn opperheerschappij stonden, geen niet-katholieke vorsten hebben. Hij stelde dus als voorwaarde dat de jonge Prins van Oranje katholiek moest worden en afzag van zijn rechten in Duitsland.

Willems ouders gingen daarmee akkoord. Hun elfjarige zoon moest Dillenburg verlaten om eerst op het kasteel van Breda, later aan het hof van de toenmalige landvoogdes, Maria van Hongarije, in Brussel, een rooms-katholieke opvoeding te krijgen. Maar dat betekende niet, dat de banden met zijn lutherse ouders, broers en zusters verbroken werden. Integendeel, die banden bleven zeer hecht en zo heeft de Prins al heel jong ervaren dat voor een overtuigd christen (dat is hij zijn hele leven gebleven) de inhoud van het geloof belangrijker kan zijn dan de vorm. Hij heeft het nooit van doorslaggevend belang gevonden of iemand katholiek was of protestant en hij heeft altijd, eerst als katholiek en later, na 1573, als calvinist, vol oprechtheid zijn christen zijn en Godsvertrouwen beleden.

Aan het hof van Brussel trok de Prins de aandacht van Karel V, die toen nog dikwijls in de Nederlanden verbleef (hij was in Gent geboren). Willem van Oranje viel op als een jongeman met een goed verstand en een aangeboren voornaamheid. Zijn optreden was zelfbewust, dus niet verlegen of onderdanig, maar toch bescheiden. Hij drong zich niet op de voorgrond en wist wanneer hij zwijgen moest. Aan die laatste eigenschap had hij het te danken dat Karel hem dikwijls toestond aanwezig te blijven bij vertrouwelijke, politieke besprekingen. Als Willem zich, vóór zo'n bespreking begon wilde terugtrekken, zei de keizer vaak: „Prins, blijf!" Zo kreeg Willem al voordat hij meerderjarig was een goed inzicht in allerlei staatszaken en diplomatieke kwesties. Door zijn huwelijk (in 1551, dus op achttienjarige leeftijd) met de schatrijke gravin Anna van Buren verwierf hij nog meer bezittingen in de Nederlanden.

anna van buren

De eerste vrouw van de Prins: Anna van Buren


Het was keizer Karel V die er bij Willem van Oranje op aandrong dat hij zou trouwen met Anna van Buren, de enige dochter en erfgename van Maximiliaan graaf van Buren en Leerdam. Zij waren beiden achttien jaar toen het huwelijk met veel pracht en praal op 8 juli 1551 op het kasteel Buren voltrokken werd.

Van Anna weten de meeste geschiedschrijvers niet veel meer te zeggen dan dat zij schatrijk was. Ze was zachtmoedig van karakter en geïnteresseerd in bouwkunde. De prins was erg op haar gesteld. Zij was vriendelijk en zorgde goed voor haar man, wanneer hij niet van huis was om zijn soldatenplichten te vervullen.

Heel diep ging de liefde tussen Anna en Willem waarschijnlijk niet, maar grote conflicten waren er in dit huwelijk evenmin. Anna, die altijd een zwakke gezondheid had gehad, stierf in 1558. Zij had de Prins twee kinderen geschonken: Philips Willem en Maria.

 

Behalve Baron van Breda, Heer van Steenbergen, Roosendaal, Oosterhout, Grimbergen, Witten, Grave en Kuyk, Drost van Brabant, Heer van Vianden, Dassburg, Sint Veith, van de Lek, Niervaart, Zichem, Meerhout, Prins van Oranje, Graaf van Nassau, kon hij zich nu ook Heer van Egmond, Graaf van Buren, Heer van leerdam en van Sint Maartensdijk noemen. En dat waren nog niet eens al zijn titels. Hij was de meest vooraanstaande edelman van de Nederlanden geworden.

Legeraanvoerder en diplomaat

Vanaf zijn achttiende jaar kreeg de Prins van Karel V belangrijke militaire en diplomatieke opdrachten. Zo was hij in de oorlog, die de keizer tegen Frankrijk voerde, enige tijd opperbevelhebber van het Maas-leger. Maar Willem was in zijn hart geen echte krijgsman. Hij kon zijn persoonlijkheid beter laten gelden op het diplomatieke vlak.

Op 25 oktober 1555 droeg Karel V, die al lange tijd ziek was, de opperheerschappij over de Nederlanden over aan zijn zoon Philips. Tijdens een plechtigheid in Brussel, waarbij de keizer afscheid nam van de Staten-Generaal, verscheen hij in de zaal, leunend op de schouder van Willem van Oranje. Duidelijk liet hij daarmee blijken hoe zeer de jonge Prins bij hem in de gunst stond.

church administration

Ook Philips bleef, voordat hij in 1559 voorgoed naar Spanje vertrok, in Brussel in nauw contact met Willem van Oranje. Philips nam hem zelfs op in de ridderorde van het Gulden Vlies, een grote eer die alleen enkele tientallen edelen van de hoogste en oudste Europese adel werd toegekend. Als Vliesridder kwam de Prins nog dichter bij de koning te staan. Op de vergaderingen van de orde mochten de ridders elkaar, ook de souverein, openhartig becritiseren. Of de Prins dit ook ten opzichte van Philips tijdens zo'n vergadering wel eens heeft gedaan, weten we niet, want alles wat tijdens deze bijeenkomsten besproken werd, bleef geheim. Maar in elk geval heeft het Vliesridderschap zijn positie aan het hof versterkt. Het was dan ook vanzelfsprekend dat hij opgenomen werd in de Raad van State en enkele jaren later benoemd werd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.

De Prins was dus al op zijn 26ste jaar een invloedrijk man, die zich zijn verantwoordelijkheden goed bewust was en zich niet in een hoek liet dringen.

Het is moeilijk nu nog na te gaan hoe in die eerste jaren van Philips' bewind over de Nederlanden de verhouding van de koning tot de Prins is geweest. Vrienden zullen ze nooit geworden zijn, want hun karakters waren totaal verschillend. Philips was een sombere, in zichzelf gekeerde man, terwijl Willem heel vrolijk en ontspannen kon zijn en wel hield van een feestje op zijn tijd. Maar toch heeft Philips veel vertrouwen in de bekwaamheden van de Prins gehad, want hij gaf hem telkens weer belangrijke diplomatieke opdrachten, bijvoorbeeld bij de vredesonderhandelingen met Frankrijk. Plichtsgetrouw heeft de Prins die opdrachten vervuld. In 1559 verbleef hij in opdracht van Philips lange tijd aan het Franse hof (samen met zijn latere doodsvijand, de hertog van Alva) om de vrede tussen Spanje en Frankrijk voor te bereiden en - ter bezegeling van deze vrede - het huwelijk van Philips met een dochter van de Franse koning te regelen.

In die periode gebeurde er iets, wat de Prins pas meer dan twintig jaar later - in zijn Apologie - heeft verteld, maar dat bepalend moet zijn geweest voor zijn verdere leven.Tijdens een jachtpartij in het bos vanVincennes waren de Franse koning, Hendrik II, en de Prins afgedwaald van de rest van het gezelschap. Hendrik, die meende dat Willem een vertrouweling van Philips was, vroeg hem toen wat de Prins dacht van het voorstel dat Philips hem, Hendrik, had gedaan om gezamenlijk in Frankrijk, Spanje en de Nederlanden alle protestanten uit te roeien. De Prins deed net alsof dit plan hem bekend was en zei er verder niet veel over, maar hij was diep geschokt! Iedereen, die net zoals zijn ouders, broers en zusters protestant was, zou in de Nederlanden op de brandstapel worden geworpen? En daar zou hij dan, als stadhouder aan moeten meewerken? Dat nooit!

Toen Willem in de Nederlanden terugkwam waren de Staten-Generaal in vergadering bijeen. Ze bespraken de „bede" die Philips voor negen jaren wilde uitschrijven, onder andere om de Spaanse troepen die in de Nederlanden gelegerd waren te betalen. Dat de Prins een grote invloed had op de afgevaardigden, was Philips niet onbekend. En toen bleek dat de Staten weinig genegen waren de bede toe te staan, moet Philips dit aan gestook van Willem geweten hebben. Tenslotte gingen de Staten toch akkoord, maar dienden tegelijkertijd een protest in tegen de aanwezigheid van de Spaanse troepen en de schending van de privileges.

Geërgerd en teleurgesteld nam Philips in augustus 1559 afscheid van de Nederlanden. Aan boord van het schip dat hem naar Spanje zou terugbrengen, zei hij tegen Willem, dat de Staten nooit zo lastig zouden zijn geweest als zij in hun verzet niet gesteund werden door de hoge adel. En plotseling greep de koning de Prins bij de mouw en siste hem toe: „Niet de Staten, maar gij, gij!" Het was het begin van een langdurige strijd, die steeds heviger zou worden.

Het verzet groeit - Het verbond der edelen

Na het vertrek van Philips groeide snel het verzet van steden, geestelijkheid en adel tegen de Spaanse bestuursmaatregelen. Als onbetwiste leiders van het verzet traden drie hoge edelen naar voren: Willem van Oranje, de graaf van Egmond en de graaf van Hoorne. De ene protestbrief na de andere ging naar Madrid. Granvelle en Margaretha beklaagden zich keer op keer bij de koning, dat Oranje en zijn vrienden de oorzaak waren van de steeds groter wordende ontevredenheid in de Nederlanden.

Nog groter werd de vijandschap van Philips II toen Willem in 1561 bekend maakte dat hij zou gaan trouwen met de lutherse Anna van Saksen. (Anna van Buren was in 1558 overleden).

Een meelijwekkende „feeks": Anna van Saksen

Anna van SaksenDe Prins was 28 toen hij in 1561 trouwde met de 16-jarige Anna van Saksen, dochter van de lutherse hertog Maurits van Saksen. Anna was niet mooi, ze was grof gebouwd en de geschiedschrijver Hooft beschreefhaar als volgt: „Een wijf, potig, uitermate ongeregeld van leven, die haar man smadelijk en met vele wederwaardigheden bejegende". Een niet erg vleiende karakteristiek, maar nog gematigd vergeleken bij het oordeel van vele anderen. Geen van Willems tijdgenoten, vriend of vijand, heeft ooit iets gunstigs over Anna van Saksen gezegd. Maar waarschijnlijk was het wangedrag waarmee zij haar man en haar omgeving diep schokte, het gevolg van een geestesziekte en verdiende zij meer medelijden dan verachting.

Al spoedig na het huwelijk gaf zij blijk van geestelijke onevenwichtigheid. Zij dronk veel en gedroeg zich dan als een feeks. Dikwijls ook was zij zwaarmoedig. In 1567 nam de Prins haar mee naar Dillenburg, waar zij zich in het stille, deftige stamslot doodongelukkig voelde. Ze toonde geen enkel begrip voor de grote problemen, waarvoor de Prins zich zag geplaatst, was hem op geen enkele manier tot steun. Ze raasde en tierde onophoudelijk, smeet haar man de grofste beledigingen naar het hoofd.Na twee jaar liep ze weg en ging in Keulen wonen. Daar verkeerde ze met mensen van het laagste allooi. Tenslotte kon de Prins niets anders doen dan zich van haar laten scheiden. Deze vernedering kon Anna niet verwerken. Ze werd weldra volslagen krankzinnig. Ze werd teruggebracht naar haar familie in Saksen en daar stierf ze, 5 dagen voor haar 33ste verjaardag, in de diepste ellende. Om haar drie kinderen, Anna, Maurits en Emilia, heeft zij zich nooit veel bekommerd. Ze werden onder toezicht van Willems broer Jan opgevoed in Dillenburg.

De voornaamste edelman in de Nederlanden, de katholieke stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, ridder in de Orde van het Gulden Vlies, ging trouwen met een ketterse! Philips beschouwde dat als een slag in zijn gezicht. Bovendien vreesde hij dat Willem nu zou gaan samenzweren met protestantse Duitse vorsten om de Spaanse macht in de Nederlanden te ondermijnen. Hij drong er bij de landvoogdes op aan alles te doen om het huwelijk te voorkomen. In elk geval moest zij eisen dat Anna katholiek zou worden. Tegelijkertijd eiste Anna's familie de garantie dat zij vrij en openlijk haar luthers geloof zou mogen belijden.

De Prins zat in een lastig parket, maar redde zich er uit door te verkláren dat zijn vrouw binnenshuis protestant zou blijven, maar dat zij naar buiten zich als katholiek zou voordoen. Een weinig eervolle oplossing. We zouden hieruit kunnen concluderen dat het katholicisme van de Prins toen al niet veel meer dan schijn was. In elk geval wilde hij dit huwelijk voornamelijk om politieke redenen, zoals Philips zeer goed had begrepen. Dat Anna van Saksen later een ramp voor hem is geworden zal Philips wel met veel leedvermaak hebben vervuld. Zijn relatie met invloedrijke protestantse Duitse vorsten maakte de Prins wat driester. In 1563 schreven hij, Egmond en Hoorne een brief aan Philips waarin zij het onmiddellijke vertrek van Granville eisten.Als dat niet zou gebeuren, zouden zij ontslag nemen als leden van de Raad van State. Margaretha liet Philips weten dat Oranje ongetwijfeld het initiatief tot dit schrijven genomen had en dat hij beschouwd moest worden als de grootste ophitser van het verzet.

Knarsetandend moest Philips toegeven. Hij liet in 1564 Granvelle „om persoonlijke redenen" uit de Nederlanden vertrekken. Maar de Spaanse politiek ten aanzien van de Nederlanden bleef ongewijzigd.

Op 31 december 1564 hield Willem in de Raad van State een felle rede, die aan duidelijkheid niets te wensen overliet en waarin hij verklaarde: „Hoewel ik zelf overtuigd katholiek ben kan ik niet dulden dat vorsten naar willekeur het geloof van hun onderdanen trachtten te bepalen."

De Raad besloot daarna Egmond met een smeekschrift (eigenlijk was het meer een ultimatium) naar Spanje te sturen: de koning moest de godsdienstvervolging staken. Egmond kwam terug met wat vage beloften die in het geheel niet werden ingelost.

 

Zie verder deel 2 Deel 2 Willem van Oranje en de Opstand