We hebben 301 gasten online

Nederland

Deel 2 Willem van Oranje en de Opstand

Gepost in De Opstand

willem van oranje

Het Verbond der Edelen

brandstapel  protestanten

Bron: De wording van Europa: de kracht van het geloof

Aantallen protestanten die tussen 1559 en 1566 als ketters geëxecuteerd zijn in de Vlaamse steden Antwerpen, Brugge, Doornik, Duinkerken, Gent Hondschoote, Ieper, Kassel, Kortrijk, Oudenaarde, Rijsel, Ronse, St-Winoksbergen, Veurne en Wervik.

In 1565 sloot een groot aantal leden van de lage adel zich aaneen in het Verbond der Edelen (zie kader).

Een moedige actiegroep

In de zomer van 1565 vertoefde een broer van Prins Willem, Lodewijk van Nassau, in Spa om geneeskrachtige baden te nemen. Hij werd daar opgezocht door een aantal Nederlandse edelen, die met hem de steeds slechter wordende situatie in de Nederlanden wilden bespreken. Ook na het vertrek van Granvelle was er geen sprake van verzachting van de plakkaten tegen de protestanten en werd de positie van de adel verder ondermijnd. Lodewijk en zijn vrienden spraken af, dat zij zo veel mogelijk andere edelen er toe zouden proberen te bewegen gezamenlijk een protest in te dienen bij de landvoogdes.

Begin december 1565 kwamen veel edelen in Brussel samen om het huwelijk bij te wonen van de zoon van de landvoogdes, Alexander Farnese, hertog van Parma, met prinses Maria van Portugal. In het huis van Floris van Pallandt, graaf van Culemborg, aan de Kleine Zavel kwamen op zekere dag (de datum is niet precies bekend) een groot aantal edelen bijeen. Na langdurig beraad ondertekenden zij een akte, waarbij zij hun afkeer van de inquisitie uitspraken en beloofden elkaar „met goed en bloed” te beschermen in tijden van gevaar. Het Verbond der Edelen was gesloten.

In de komende maanden werd actie gevoerd onder de andere edelen in de Nederlanden met als gevolg dat enkele honderden zich bij het Verbond aansloten. Veel edelen wilden nu overgaan tot geweld. Onderhandelingen werden gevoerd met Duitse vorsten om troepen aan te werven. De Prins werd door Lodewijk op de hoogte gebracht van deze samenzwering. Hij schrok. Een gewapende opstand zou alleen ontzettend veel leed veroorzaken en geen enkel blijvend resultaat opleveren, meende hij. Hij raadde de edelen aan een petitie („smeekschrift") aan Margaretha aan te bieden en dan voorlopig af te wachten wat daar de gevolgen van zouden zijn.

smeekschrift der edelen

Zie de tekst van het Smeekschrift der Edelen met het antwoord van Margaretha van Parma.

Dit gebeurde op 5 april 1566. Lodewijk van Nassau en Hendrik van Brederode waren al op 1 april in Brussel aangekomen. Uitdagend hadden zij door de straten gereden, bewapend met pistolen en elk gevolgd door 200 ruiters. Geleidelijk arriveerden nog ongeveer 200 andere edelen in de stad. Op 5 april trokken zij, twee aan twee, in optocht naar het paleis van de landvoogdes om hun smeekschrift aan te bieden. Ze werden luid toegejuicht door het volk.

Margaretha ontving hen in een duidelijk radeloze stemming. De tranen rolden haar over de wangen toen Brederode naar voren trad en het smeekschrift begon voor te lezen. Daarin waarschuwden de edelen haar, dat als de koning niets wilde toegeven, de onrust in het land steeds meer zou toenemen. Zij beschouwden het als hun plicht dat duidelijk te zeggen en wezen erop dat zij ook zelf, als landheren, bij een algemene opstand groot gevaar zouden lopen. Zij verzochten de landvoogdes een hooggeplaatst persoon naar Spanje te sturen om hem te verzoeken de plakkaten in te trekken en de Staten Generaal bijeen te roepen om te komen tot een regeling waarbij vrijheid van godsdienst gewaarborgd werd.

Het vage antwoord van Margaretha bevredigde de edelen niet en op 8 april kwamen zij in nog groter aantal (ongeveer 300) bij de landvoogdes terug. Nu beloofde Margaretha een gezantschap naar Spanje te zenden en de plakkaten in afwachting van het antwoord van de koning voorlopig te verzachten.Het moedige optreden van het Verbond der Edelen leidde tot grote vreugde en overmoed.

De calvinisten werden steeds driester en kwamen openlijk buiten de stadsmuren bijeen om godsdienstoefeningen („hagepreken") te houden. Velen die uit vrees voor de brandstapel naar het buitenland waren gevlucht, keerden terug.Toen na enkele maanden nog steeds geen antwoord van Philips op de eisen van de edelen was gekomen en Margaretha op vele manieren had laten blijken, dat zij uiterst vijandig stond tegen het Verbond en de calvinisten, dienden de edelen een tweede smeekschrift in. Zij handhaafden hun eisen, die in liet eerste smeekschrift waren vastgelegd en vroegen bovendien de garantie dat er geen strafvervolging tegen hen zou worden ingesteld. Daarop reageerde de landvoogdes weer toegeeflijk. Zij zou allen, die wegens hun geloof gevangen zaten, vrijlaten.

Maar toen kwam de beeldenstorm.Tot het Verbond waren ook veel katholieke edelen toegetreden. De manier waarop calvinisten tekeer gingen tegen kerken en kloosters, vonden zij afschuwelijk. Ze begrepen ook dat strenge strafmaatregelen van de zijde van de koning niet konden uitblijven. Moesten zij nog langer hun veiligheid op het spel zetten voor een bende vernielers?

Verreweg de meeste katholieke edelen traden uit het Verbond. Maar daarmee waren zij nog niet veilig.

Van de ruim 400 leden van het Verbond der Edelen zijn er 150 door de Bloedraad gevonnist, onder wie vele katholieken. Nadat het Verbond uiteengevallen was, probeerden de protestantsgezinde edelen de actie nog enige tijd voort te zetten, maar een herleving van het Verbond was onmogelijk.

 Willems broer Lodewijk was een van de oprichters van het Verbond en hield de Prins voortdurend op de hoogte van wat zich voordeed in deze kring van radicale opstandigen. Hoewel Willem zelf niet tot het Verbond toetrad, wist hij op de leden toch zo veel invloed uit te oefenen, dat zij niet overgingen tot geweld, zoals een aantal heethoofden hadden voorgesteld. De tijd daarvoor was nog niet gekomen, meende hij. Laat de koning eerst nog maar een tijdlang zijn gang gaan en de kettervervolging nog meer verscherpen, betoogde Willem. Dan komt er vanzelf wel een algemene opstand en kunnen wij als leiders naar voren treden. Maar zelf maakte hij een aantal maanden later wél een gebaar, dat diepe indruk maakte: Hij vroeg Margaretha hem uit al zijn functies te ontslaan omdat hij als stadhouder de inquisitie in zijn gewesten niet kon dulden. Een aantal andere edelen volgden zijn voorbeeld, maar Willem was de eerste geweest en werd door Philips en Margaretha dus weer als de raddraaier beschouwd.

Met deze methoden zou men bij Philips nooit enige toegevendheid kunnen bereiken. Margaretha geraakte door de beeldenstorm in paniek.

De Beeldenstorm

Een orkaan van vandalisme Een bende gewapende mannen, aangevoerd door een tot het calvinisme bekeerde monnik, bestormde op 10 augustus 1566 het Sint Laurentiusklooster bij Steen voorde in het zuidwesten van Vlaanderen. Terwijl de kloosterlingen op de vlucht sloegen werd vrijwel alles kort en klein geslagen. Misgewaden werden verscheurd, heiligenbeelden onthoofd, miskelken vertrapt. Dit was het begin van de Beeldenstorm, die wekenlang in een groot deel van de Nederlanden heeft gewoed.

beeldenstorm

Binnen drie weken werden in Vlaanderen 400 kloosters en kerken leeggeplunderddoor fanatieke protestanten. In Antwerpen werd het prachtige interieur van de Onze Lieve Vrouwekerk totaal kapotgeslagen. De andere kerken in de stad bleven niet gespaard. Ook de paleizen van de bisschoppen, de woningen van geestelijken, kloosters en abdijen moesten het ontgelden. Gent, Brugge, Middelburg, Veere, Vlissingen, Delft, Leiden, Amsterdam, Utrecht, Den Bosch, Venlo, Maastricht – in al deze en nog veel meer steden heeft de beeldenstorm gewoed. Het vandalisme sloeg zelfs - zij het ook in een wat gematigder vorm - over naar Groningen en Friesland. Het was een ongeorganiseerd, spontaan oproer, waarbij van algemene leiding niet gesproken kon worden. De regering beschikte niet over voldoende troepen om liet te stuiten.

Katholieken maar ook veel goedwillende protestanten moesten met ontzetting, maar machteloos, de orkaan van verniel- en wraakzucht laten uitrazen.

Hoe was deze uitbarsting van geweld te verklaren?

Natuurlijk waren er godsdienstige motieven. Bij de calvinisten was een krachtige afkeer van de katholieke heiligen- en beeldenverering en een felle haat tegen de katholieke geestelijkheid ont-staan. Een haat, die voortdurend aangewakkerd werd door de onbarmhartige kettervervolging, waardoor niemand, die ook maar enige sympathie voelde voor de hervormingsbeweging, zich veilig kon voelen. Haat en angst kunnen makkelijk overslaan in geweld. Daar kwam dan nog een maatschappelijk element bij. In de Nederlanden heerste een economische crisis. De handel en de textielnijverheid hadden ernstig te lijden van allerlei maatregelen die Engeland had genomen om de eigen economie te beschermen. De graaninvoer uit de Oostzeelanden was gestaakt nadat Denemarken, dat in oorlog was met Zweden, de Sont had gesloten. De graanprijzen stegen, in sommige streken in de Nederlanden ontstond hongersnood, de werkloosheid was groot. De armen voelden zich in de steek gelaten door de kerk en de rijke burgerij. Dat hun wanhoop zich ontlaadde in een uitbarsting van razernij is niet zo onbegrijpelijk.

En tenslotte speelde ook de politiek bij de beeldenstorm een rol. De katholieke kerk stond aan de zijde van de Spaanse overheersers, die de adel wilden beroven van zijn privileges en zijn macht. Sommige edelen hebben dan ook aan de beeldenstorm meegedaan niet zo zeer door zelf vernielingen in kerken en kloosters aan te richten, maar door anderen voor dit werk te betalen. Daarbij ging het doorgaans rustiger toe dan bij de spontane haatuitbarstingen, die in de eerste weken na 10 augustus plaatsvonden. Alles wat vervoerd kon worden werd niet stuk geslagen, maar uit de kerken gehaald en door de overheid opgeborgen.

 Zij wilde wegvluchten uit Brussel, maar de Prins wist haar daar van te weerhouden. Hij bracht haar ook tot een belangrijke concessie: de kettervervolging zou voorlopig worden opgeschort, de calvinisten mochten buiten de steden godsdienstoefeningen houden („hagepreken"). Als voorwaarde stelde de landvoogdes dat de leden van het Verbond der Edelen in hun gebieden de orde zouden herstellen en handhaven. De Prins deed dat persoonlijk in Antwerpen, de stad waarvan hij burggraaf was. Daarna begaf hij zich naar Holland en Zeeland.

Het bleef intussen onrustig op het platteland, vooral in Vlaanderen waar geuzenbenden rondtrokken. (De naam „geuzen" ontstond, doordat tijdens het aanbieden van het smeekschrift een van de raadslieden van Margaretha de leden van het Verbond der Edelen smalend „des gueux", „bedelaars" had genoemd. Dit woord werd, eerst door de opstandige edelen, later door de gewapende verzetsstrijders overgenomen als een erenaam.)

De landvoogdes zond troepen uit om de benden te bestrijden, maar een aantal steden weigerden deze regeringstroepen toe te laten. Zo ook Antwerpen, waar de Prins in januari 1567 was teruggekeerd. Hij liet echter ook de stadspoorten gesloten toen een geuzenlegertje buiten de muren van Antwerpen in gevecht kwam met de regeringstroepen en totaal vernietigd werd. De calvinisten in de stad namen het Willem zeer kwalijk dat hij hen had verhinderd hun geloofsgenoten te hulp te komen. De Prins verdedigde zich door te zeggen, dat de regeringstroepen de stad zouden zijn binnengedrongen als hij de poorten geopend had.

Intussen had de Prins uit Spanje heimelijke inlichtingen ontvangen, waaruit bleek dat Philips de scherpste maatregelen zou nemen om de beeldenstorm te wreken. Het calvinisme in de Nederlanden zou hij met wortel en tak uitroeien, leiders van het verzet der edelen zouden zwaar worden gestraft. De beeldenstorm had inmiddels al tot gevolg gehad dat het Verbond der Edelen uit elkaar was gevallen, omdat de katholieke leden uittraden. Toen bekend werd dat Philips de hertog van Alva met een sterk leger naar de Nederlanden had gestuurd, vonden veel katholieke edelen het raadzaam het verzet te staken en te doen wat Margaretha van hen eiste: opnieuw trouw zweren aan de koning.

Alva, de IJzeren Hertog

Hertog AlvaHet leven van Alva Toen Alva in 1567 naar de Nederlanden ging, was hij al 60 jaar oud. Hij had een lange loopbaan als veldheer achter de rug. Zijn karakter was gevormd in de periode dat hij werd opgevoed door zijn grootvader, Fredrik de Toledo, die Alva op driejarige leeftijd in huis nam, nadat zijn vader als admiraal van de Spaanse vloot in een zeeslag tegen de Moren was gesneuveld.

Fredrik de Toledo was een ruwe, strenge man. Hij onderwierp zijn kleinzoon aan een strikte discipline en bracht hem bij dat een Spaans edelman onvoorwaardelijk trouw behoorde te zijn aan de leer van de rooms-katholieke kerk en aan zijn koning. Deze beide beginselen hebben het hele leven van Alva bepaald.

Al op 17-jarige leeftijd werd hij officier. In de oorlog tegen de Fransen bewees hij zijn trouw aan de vorst door grote dapperheid. Toen hij 26 was werd hij bevorderd tot generaal en op zijn 30 ste was hij opperbevelhebber van het Spaanse leger. Aangezien Spanje in die tijd bijna voortdurend in oorlog was, moest Alva steeds weer naar andere slagvelden trekken. Zijn leven stond helemaal in het teken van het zwaard en het bloed. Mededogen met zijn tegenstanders kende hij niet.

Hij was lange tijd de belangrijkste raadsman van Philips II. Philips en hij waren het er, na de Beeldenstorm van 1566, volkomen over eens dat de opstand in de Nederlanden met onbarmhartig geweld moest worden onderdrukt. De protestanten waren in hun ogen immers dienaren van de duivel en moesten worden uitgeroeid. Bovendien moesten de Nederlanders worden bijgebracht dat zij het gezag van de Spaanse koning onvoorwaardelijk dienden te erkennen en dat van enige inspraak in het bestuur geen sprake meer was. Wie zich verzette tegen de wil van Philips moest dit met de dood bekopen.

spaanse tyrannie

Tijdens Alva's schrikbewind over de Nederlanden werden vele duizenden mensen vermoord op de brandstapels of de schavotten, maar toch slaagde de „ijzeren hertog"er niet in het verzet te breken. Integendeel, ook veel katholieken, die het gezag van Philips erkenden, kantten zich tegen de beestachtige tirannie van Alva en drongen er bij de koning op aan de hertog terug te roepen.

In 1573 verliet Alva verbitterd de Nederlanden. In Spanje werd hij door Philips een tijdlang buiten spel gezet. Maar toen in 1580 de oorlog met Portugal uitbrak had Philips Alva toch weer nodig. De grijze veldheer was 73 jaar toen hij voor het laatst aan het hoofd van het Spaanse leger ten strijde trok. Hij veroverde Portugal voor Philips en stierf in Lissabon in 1582.

Willem van Oranje wijkt uit. Het begin van de 80-jarige oorlog

Lodewijk van NassauWillem weigerde zijn eed van trouw te hernieuwen. Hij zag in, dat gewapend verzet tegen de te verwachten tirannie van Alva onvermijdelijk was en besloot uit te wijken naar Dillenburg om daar dat verzet voor te bereiden. Na zijn vertrek werden al zijn bezittingen in de Nederlanden en ook het prinsdom Oranje verbeurd verklaard. Totaal berooid zat de Prins op zijn stamslot, de linde in Dillenburg waar Willem van Oranje de gezanten ontving, die hem vroegen naar de Republiek te komen.

Toch moest hij geld bijeen zien te garen om troepen te werven voor de bevrijding van zijn land. De familie ging er mee akkoord dat waardevolle kunstschatten uit het kasteel werden verpand, protestantse Duitse vorsten schonken grote bedragen. Lodewijk van Nassau kon beginnen met het samenstellen van een legertje en in mei 1568 waagde hij het Oost-Friesland vanuit Groningen binnen te vallen.

Na eerst bij Heiligerlee een overwinning te hebben behaald - waarbij echter zijn broer Adolf sneuvelde – werden zijn troepen door Alva's leger bij Jemgum aan de Eems vernietigend verslagen. 

De slag bij Heiligerlee .

 

slag bij Heiligerlee

Met een kleine legermacht van 6000 man, bestaande uit Duitsers, Walen en Nederlanders, viel Lodewijk van Nassau op 23 april 1568 uit Oost-Friesland Groningen binnen. De gewapende opstand tegen de Spaanse overheersing, die zou uitlopen op een tachtigjarige oorlog, was begonnen.

Aanvankelijk was de tegenstand die de bevrijders ondervonden gering, maar weldra zette de Groningse stadhouder Aremberg de tegenaanval in. Lodewijks leger bevond zich toen (het was 23 mei) bij het klooster van Heiligerlee en kreeg voldoende tijd om in de hei en het kreupelhout goede stellingen in te nemen langs de route die de troepen van Aremberg zouden moeten volgen. Deze werden, toen zij uit een bos kwamenin moeilijk, veenachtig terrein, vol kuilen en gaten, onverwacht aangevallen. Grote wanorde ontstond en bij een cavalerieaanval werd Aremberg's linie doorbroken.

Tijdens deze aanval sneuvelde Adolf van Nassau, een jongere broer van Lodewijk en Prins Willem van Oranje. Aremberg werd tijdens de terugtocht gedood. In paniek sloegen daarop zijn soldaten op de vlucht, een grote buit achterlatend. Behalve zes stukken geschut kreeg Lodewijk de krijgskas in handen, wat bijzonder welkom was, omdat hij in geldnood zat en er onder zijn soldaten al muiterij dreigde omdat hun soldij niet op tijd was uitbetaald.

Lodewijk rukte op naar Groningen en toen de stad weigerde de poorten voor hem te openen, liet hij zijn troepen de stadswallen omsingelen. De raad van de Prins om door Friesland op te rukken in de richting van Holland, sloeg hij in de wind. In Frieslandhad Lodewijk waarschijnlijk veel steun van de bevolking gekregen; in Groningen bleven de mensen afzijdig of vijandig.

Toen Lodewijk hoorde dat Alva met een krachtig leger in aantocht was, brak hij in juli het beleg van Groningen op en probeerde terug te trekken naar Oost-Friesland. Maar voordat tij de Eems waren overgestoken werden Lodewijks troepen op 21 juli bij Jemgum door de Spanjaarden aangevallen. Drie uren lang duurde de veldslag, waarin de Spaanse meerderheid een verschrikkelijk bloedbad aanrichtte onder Lodewijks troepen. Veel soldaten verdronken in de Eems. Lodewijk wist zich, zonder wapens en kleren, zwemmend te redden. De nederlaag was volkomen, de inval was een totale mislukking geworden.

Bij Heiligerlee is een gedenknaald geplaatst die herinnert aan het begin van de Tachtigjarige oorlog en aan Adolf van Nassau.

Enkele maanden later leidde de Prins zelf een tweede inval. Met meer dan 22.000 soldaten trok hij bij Stokkem de Maas over. Hij had gerekend op de steun van de bevolking van Brabant, maar de mensen, die hij wilde bevrijden, ontvingen hem en zijn troepen als ongewenste vreemdelingen. Niettemin slaagde hij er in ver in Brabant door te dringen. Toen hij in de nacht van 19 op 20 oktober echter bij Linsmaal het riviertje de Gete wilde oversteken, werden zijn troepen overvallen door een Spaanse legermacht. Na een fel gevecht was Willem gedwongen terug te trekken naar het zuiden. Dodelijk vermoeid, ziek en hongerig bereikte Willems leger Frankrijk.

De Franse regering gelastte hem onmiddellijk uit het land te verdwijnen. Na alles wat hij van waarde bij zich had verpand te hebben en zijn geschut te hebben verkocht, betaalde Willem in Straatsburg nog een klein deel van de soldij uit. Daarna ontbond hij zijn leger en vluchtte in de nacht op een zolderschuit naar de andere oever van de Rijn.

Een dieptepunt in Oranjes leven

Enige tijd vocht hij nog aan de zijde van de Franse calvinisten de „Hugenoten", in de burgeroorlog die in Frankrijk was uitgebroken. In november 1569 was hij terug op Dillenburg. Dit was een dieptepunt in zijn leven. Te velde was hij verslagen, hij werd achtervolgd door schuldeisers, zijn vrouw had hem verlaten, de Brabanders hadden hem als een vijand ontvangen.

Maar niet overal in de Nederlanden dacht men zo over de Prins. Naarmate het schrikbewind van Alva ondraaglijker werd, gingen steeds meer mensen de Prins van Oranje zien als de enige man van wie redding uit hun nood te verwachten was.

Met de terechtstelling te Brussel van Egmond en Hoorre was een lange reeks doodvonnissen, uitgesproken door de Bloedraad (zie kader), uitgevoerd.

terechtstelling Egmond en Hoorne

De Bloedraad

Duizenden verlieten het land uit vrees voor de Bloedraad.

Een van de eerste maatregelen die Alva na zijn aankomst in de Nederlanden nam, was het oprichten van een bijzondere rechtbank, die tot taak had recht te spreken over iedereen die op de een of andere manier blijk had gegeven van opstandigheid tegen de Spaanse overheersing. Deze „Raad van Beroerten" („beroerten” = „onlusten") kreeg weldra de bijnaam „Bloedraad". Tot leden werden een aantal Nederlandse rechtsgeleerden en leden van de hoge adelbenoemd en ook vier buitenlanders, drie Spanjaarden en een Italiaan. Alva nam zelf het voorzitterschap van de Raad op zich. Alle leden waren streng katholiek en trouw aan Philips. Vooral de Spanjaarden waren felle ketterjagers.

In september 1567 ging de Bloedraad ijverig aan het werk. Over het hele land werden mensen gearresteerd, soms 500 op één dag, zoals op Aswoensdag, 3 maart 1568. Ze werden gemarteld en bij tientallen tegelijk ter dood veroordeeld. Zelfs kinderen werden soms voor de Bloedraad gebracht en over mensen, die al gestorven waren, werd dikwijls toch een vonnis geveld. Dit laatste gebeurde omdat Alva de Raad ook gebruikte om de Spaanse schatkist te spekken. De bezittingen van iemand, die veroordeeld was, werden onmiddellijk in beslag genomen, ook de bezittingen van mensen die het land waren uitgevlucht en van overledenen. De Bloedraad stoorde zich helemaal niet aan de privileges en de in Nederland geldende rechtsregels.

Niemand was veilig voor de Raad. Overal waren spionnen, die tegeneen beloning bereid waren anderen verdacht te maken en aan te geven. Uit angst vluchtten duizenden uit de Nederlanden naar het buitenland.

Hoeveel doodvonnissen er door de Bloedraad zijn uitgesproken is niet meer preciesna te gaan. Het moeten er meer dan 8000 zijn geweest. De Raad wekte ook bij katholieken en koningsgetrouwen veel verzet. Philips wilde in 1572 de Raad wel opheffen op voorwaarde dat er uit de Nederlanden een grote som geld naar Spanje zou worden overgemaakt. Het duurde uiteindelijk tot 1576 voordat de Raad van Beroerten werd opgeheven. Een aantal leden van de Raad werd toen gevangen genomen. Eén van hen, de rechtsgeleerde Jacob Hessele, werd zonder proces opgehangen.

 Duizenden leefden in angst, duizenden anderen vluchtten het land uit. Nieuwe belastingen, door Alva ingesteld waaronder de „tiende penning", zie kader,

Een „modern" en redelijk belastingstelsel

In de 16de eeuw (en nog lang daarna) zaten vorsten en legeraanvoerders voortdurend in geldnood. Zo ook Alva. Om aan meer geld te komen, wilde hij in de Nederlanden een nieuw belastingstelsel invoeren. Vaste belastingen, die in alle gewesten gelijk waren, bestonden toen nog niet. De vorst kon slechts aan geld komen door voor een beperkte tijd een „bede" uit te schrijven. Daarvoor was in de Nederlanden de medewerking van de Staten nodig en deze konden allerlei voorwaarden stellen en privileges eisen. Philips II had al gemerkt hoe lastig de Staten konden zijn en had dus geen enkel bezwaar tegen het nieuwe belastingstelsel dat Alva wilde invoeren.

Dit stelsel bestond uit a. de honderdste penning, b. de twintigste penning en c. de tiende penning. De honderdste penning was een vermogensbelasting van 1%, die één keer per jaar geheven zou worden. De twintigste penning was een omzetbelasting van 5% op de verkoop van onroerend goed. De tiende penning was een omzetbelasting van 10% op de verkoop van gewone koopwaar.

Het stelsel was in wezen niet onrechtvaardig en de hoogte van de belastingen was niet onredelijk. Maar toch kwam er hevig Don Fernanco de Toledo - Hertog van Alvaverzet tegen, omdat men ten eerste niets aan de Spanjaarden wilde betalen en bovendien de belastingen in strijd waren met allerlei privileges, die de gewesten en de adel eeuwenlang bezaten. Eigenlijk kan men zeggen, dat Alva's belastingheffing te modern was voor de in zo veel opzichten nog verdeelde Nederlanden.

De Staten van de gewesten weigerden dan ook mee te werken, toen Alva in 1569 zijn plannen aan de Staten-Generaal voorlegde.

Tenslotte kwam er een overeenkomst tot stand waarbij bepaald werd dat alleen de honderdste penning geïnd zou worden en dat de twintigste en de tiende penning voor 2 jaar zouden worden afgekocht met een bedrag van 2 miljoen gulden, dat de gewesten bijeen moesten brengen.

In 1571 ging Alva proberen ook de twintigste en de tiende penning in te voeren, maar weer volgden hevige protesten en veel tegenwerking. Bovendien werd het innen van de heffingen in veel gebieden door de opstand onmogelijk gemaakt. In 1574 gaf Philips de landvoogd Requesens de opdracht de twintigste en de tiende penning maar helemaal af te schaffen.

wekten grote ontevredenheid. Steeds meer mannen sloten zich aan bij het gewapend verzet van de geuzen. Van Dillenburg uit kon Willem contact houden met de verzetsleiders. Zijn broer Lodewijk gaf in de Franse haven La Rochelle enkele kapiteins van de watergeuzen toestemming om uit naam van de Prins van Oranje op kaapvaart (zeeroof gericht op Spaanse schepen) te gaan.

En in 1572 kwam dan plotseling het keerpunt in de strijd: Den Briel werd op 1 april 1572 onverwacht door de watergeuzen ingenomen en bezet.

De watergeuzen

Een woeste piratenbende Een deel van de Nederlanders, die naar het buitenland uitweken, sloot zich aan bij de Watergeuzen. Sommigen van deze zeerovers hadden van de Prins van Oranje in 1568 kaperbrieven gekregen, waarmee hun het recht werd gegeven Spaanse schepen buit te maken.

De Prins hoopte dat zij het grootste deel van hun buit in zijn schatkist zouden storten, maar veel kwam daar niet van terecht. De meeste watergeuzen roofden en plunderden uitsluitend om zichzelf te verrijken. Ze opereerden vanuit de Franse havenstad La Rochelle, Engelse havens als Dover en Oostfriese havens als Emden.

Met hun oude, verweerde koopvaardijschepen, die bewapend waren met roestige kanonnen, maakten zij vooral het Kanaal en de Nederlandse kusten onveilig. Ameland, Terschelling, Texel en Wieringen werden herhaaldelijk geplunderd. Veel vissershavens werden overvallen en gebrandschat: Monnikendam, Ferwerd, Workum, Makkum, Petten, Huisduinen, Callandsoog, Wijk aan Zee.

In de Zeeuwse wateren en in de Zuiderzee werden honderden koopvaarders buitgemaakt. In de winter van 1569 op 1570 slaagde de door Oranje als admiraal aangestelde Adrien Dolhain er in niet minder dan 300 koopvaarders te veroveren. Van de buit werd niets aan Oranje afgedragen. Daarom werd hij ontslagen, maar andere aanvoerders als Lumbres, Lumey, Entens van Mentheda, Bloys van Treslong waren niet veel beter.

De watergeuzen hebben de Spanjaarden ongetwijfeld veel afbreuk gedaan, maar ze hebben ook de kustbevolking op een schandelijke manier geterroriseerd. Vooral hadden ze het gemunt op katholieke kerken en kloosters. Omdat zij het recht hadden de vlag van het prinsdom Oranje te voeren, wekten zij de indruk dat zij hun wandaden begingen met goedkeuring of zelfs uit naam van de Prins. Maar de Prins had in feite geen enkel gezag over deze woeste bende piraten. Zo kon Willem ook niet verhinderen dat een van zijn beste vrienden, de Delftse pater Cornelis Musius, door Lumey werd gevangengenomen, op afschuwelijke manier werd gemarteld en opgehangen. Lumey werd daarna door de Staten van Holland afgezet en gearresteerd, maar na korte tijd weer vrijgelaten.

Veel steden zijn door de watergeuzen veroverd. Hun aanvoerders werden dan dikwijls gouverneur van zo'n veroverde stad en de bemanningen van de schepen sloten zich aan bij de legers van Oranje. Zo verdwenen de zeerovers geleidelijk uit de Noordzee, de Waddenzee, de Zuiderzee en het Kanaal.

De inneming van den Briel

In maart 1572 beval de Engelse koningin Elizabeth, die geen moeilijkheden wilde krijgen met Alva, dat de watergeuzen, die zich in Dover bevonden, de haven moesten verlaten. Onder bevel van Lumey voeren 27 schepen de Noordzee op. Lumey had nog niet besloten wat hij zou gaan doen (hij dacht over een aanval op het Vlie) toen een noordwester storm de vloot in de Maasmond deed verzeilen. Daar kwam een van de ondercommandanten, Bloys van Treslong, in contact met de schipper Jan Pieterszoon Coppelstock die van Den Briel uit een veerdienst onderhield op Rozenburg en Maassluis. Deze vertelde, dat er sinds enkele maanden geen Spaans garnizoen meer in Den Briel was gelegerd. Lumey zag hierin een prachtige kans.

Hij stuurde de veerman terug met de boodschap („in naam van de Prins van Oranje") dat de stadspoorten voor de watergeuzen geopend moesten worden. Het bevel werd niet onmiddellijk uitgevoerd en veel burgers, vooral katholieken, kregen de gelegenheid de stad te ontvluchten. Zij wisten wat hun te wachten stond als zij in handen van de geuzen zouden vallen!

Lumey liet 250 man aan land gaan met de opdracht de poorten te bestormen. Weldra was de Noorderpoort opengebroken en door brand vernield. De geuzen drongen onmiddellijk de kerken en kloosters binnen en begonnen ook andere gebouwen te plunderen. Lumey wilde zich toen weer terugtrekken, maar Bloys van Treslong wees hem er op dat Den Briel een goed steunpunt kon worden in de strijd tegen de Spanjaarden. De geuzen bleven daarom de stad bezetten. Snel werd Den Briel versterkt.

Al op 5 april (Den Briel was op 1 april door de geuzen ingenomen) voerden 10 vendels van de Spaansgezinde stadhouder Bossu een aanval op de stad uit. De geuzen konden stand houden. Rochus Meeuwsen, de stadstimmerman, slaagde er in, onder het vuur van de vijand, de Nieuwelandse sluis, niet ver van de stadsmuren open te zetten. Hij werd daarbij zwaar gewond. Het hele land rondom Den Briel liep nu onder water en Bossu's troepen moesten ijlings wegtrekken.

In de volgende maanden trokken de geuzen plunderend en moordend rond over Voorne en een groot deel van Walcheren.

De Gorcumse martelaren

martelaren van Gorcum

Begin juli 1572 werden 19 katholieke geestelijken uit het door de watergeuzen bestormde Gorcum overgebracht naar Den Briel. Daar werden zij bij het Huis te Rugge op de meest afschuwelijke manier gemarteld om hen te dwingen hun geloof en hun gehechtheid aan de paus af te zweren. Toen geen van hen dit deed werden zij op 9 juli allen opgehangen. Willem van Oranje probeerde nog de geuzen van deze wrede misdaad af te houden, maar ook nu bleek weer dat hij feitelijk geen enkel gezag over de kapers had. De kapers gedroegen zich als een stel zeerovers.In 1867 werden de 19 vermoorde geestelijken heilig verklaard. Sindsdien trekken ieder jaar op 9 juli vele bedevaartgangers naar Den Briel om de martelaren te gedenken in een voor hen opgerichte kapel.

Veel steden in Holland en Zeeland kwamen nu openlijk in opstand. De Staten van Holland en Zeeland benoemden de Prins weer tot stadhouder, ook al had Philips daar in 1567 een koningsgezinde stadhouder aangesteld. Oranje durfde nu weer een inval in Brabant te wagen, vooral ook omdat de Hugenotenleider Caspar de Coligny had beloofd hem te hulp te komen door met zijn troepen uit het zuiden de Nederlanden binnen te dringen. Maar die steun bleef uit, doordat De Coligny en duizenden andere Franse protestanten in de Bartholomeusnacht werden vermoord.

De Bartholomeus-nacht

Bartholomeusnacht

Gruwelijke moordpartij op Parijse protestanten Ook in Frankrijk hadden in de 16de eeuw veel mensen de katholieke kerk de rug toegekeerd. Deze Franse protestanten werden „Hugenoten" genoemd. Hun leider was admiraal Caspar de Coligny. Op zijn steun rekende Willem San Oranje toen hij in juli 1572 zijn veldtocht naar Brabant begon. Koning Karel IX van Frankrijk, hoewel katholiek, wilde graag samenwerken met De Coligny omdat hij de macht van Spanje vreesde. Een ketterjager was hij allerminst. Hij wilde zelfs het verbond met de Hugenoten bezegelen door zijn zuster Margaretha te laten trouwen met de protestantse prins Hendrik van Bourbon, die koning van Navarre geworden was.De moeder an Karel IX, Catharina de Medici, was het echter helemaal niet eens met de politiek van haar zoon en met de grote invloed die De Coligny op de Franse staatszaken begon te krijgen.

Toen in augustus 1572 honderden protestantse edelen in Parijs bijeen kwamen om eerst de bruiloft van Hendrik van Navarre en Margaretha bij te wonen en daarna op te rukken naar de Nederlanden, beraamde zij niet haar tweede zoon, en nog enkele anderen een complot. Zij stelden de koning, die niet erg dapper was, voor de keus: óf zij zouden een burgeroorlog tussen Hugenoten en katholieken ontketenen, óf de koning moest onmiddellijk alle Hugenoten in Parijs laten doden.

Karel IX gaf tenslotte zijn toestemming voor het laatste met de woorden: „Doodt ze dan tenminste allemaal, zodat later niemand mij verwijten kan maken".

De burgemeester van Parijs kreeg toen opdracht met gewapende burgers de slachting uit te voeren.

De moordpartij begon in de nacht van 23 op 24 augustus 1572, duurde drie dagen en sloeg van Parijs over naar andere grote Franse steden als Orléans, Rouen, Bordeaux, Toulouse, Lyon. In Parijs werden ongeveer 2.000 mensen gedood (onder wie De Coligny), in heel Frankrijk meer dan 20.000.

Willem van Oranje moest nu de steun van de Hugenoten ontberen en zijn veldtocht in Brabant mislukte.

 Bovendien kreeg de Prins weer te kampen met geldnood en muiterij. Zonder iets te hebben bereikt moest hij terugtrekken.

In de noordelijke Nederlanden nam de terreur van Alva steeds meer toe. De stad Zutphen liet hij uitmoorden. In Naarden werden de burgers de kerk in gejaagd en gedood. Spaanse troepen begonnen nu opstandige steden te belegeren. Haarlem moest na dappere tegenstand in juli 1573 voor de Spanjaarden capituleren, waarna 2500 soldaten en burgers om het leven werden gebracht. Maar op de Zuiderzee behaalden de watergeuzen een overwinning op de Spaanse vloot en bij Alkmaar werden de Spaanse belegeraars door het water gedwongen zich terug te trekken. Van Alkmaar begon de victorie.

Zie voor Deel 3: Deel 3 Willem van Oranje en de Opstand