We hebben 203 gasten online

Deel 3 Willem van Oranje en de Opstand

Gepost in De Opstand

willem van oranje

De Prins wordt calvinist

Sinds 1572 woedde de oorlog in volle hevigheid en de Prins werd nu algemeen erkend als de „Vader des Vaderlands", de grote leider van de vrijheidsstrijd. In 1573 vergrootte hij nog zijn populariteit bij de opstandelingen door over te gaan tot het calvinisme. Dat deed hij niet alleen uit politieke overwegingen. Zijn geloofsovergang was ongetwijfeld het gevolg van een innerlijke ontwikkeling, die hem deed inzien dat zijn katholieke gezindheid eigenlijk nooit heel sterk was geweest. Na veel gesprekken met Duitse protestanten op Dillenburg, met Hugenoten in Frankrijk en met Nederlandse godgeleerden kwam hij tenslotte tot de overtuiging dat hij oprechter zijn christenzijn kon beleiden in de calvinistische dan in de katholieke kerk. Maar ook als calvinist bleef hij opkomen voor verdraagzaamheid ten opzichte van de katholieken.

Hoewel de toestand van de opstandelingen ook na het ontzet van Alkmaar nog steeds bijzonder benard was (Holland was het enige bolwerk van de Oranje-gezinden) was Philips toch van mening dat Alva er te lang over deed om het verzet in de Nederlanden te onderdrukken. De „IJzeren Hertog" werd eind 1573 teruggeroepen en als landvoogd vervangen door Lodewijk van Requesens.

Hij kwam in een land, waar als gevolg van Alva's tirannie, overal de haat tegen de Spanjaarden duidelijk voelbaar was, zelfs in gewesten die in naam nog koningsgetrouw waren. De Prins wilde van deze steeds meer groeiende opstandigheid gebruik maken door weer een veldtocht te ondernemen. Zijn broer Lodewijk had in Duitsland met geldelijke steun van Franse protestanten opnieuw een leger gevormd. In het voorjaar van 1574 deed hij een inval in Limburg maar werd op de Mookerheide verpletterend verslagen. Twee broers verloor de Prins in deze slag: Lodewijk, zijn dappere legeraanvoerder, en Hendrik.

De Broers van Oranje

Verdwenen op het slagveld

Lodewijk van NassauLodewijk was van alle broers van Willem van Oranje de felste, maar ook de bekwaamste vechtjas. Hij werd in 1538 op Dillenburg geboren en kwam op 18-jarige leeftijd aan het hof van de Prins te Brussel. Sinds het begin van het verzet tegen de Spaanse overheersing heeft hij nauw met Willem samengewerkt. Hij legde contacten met buitenlandse vorsten en voor het Verbond der Edelen heeft hij de grondslag gelegd. Samen met Willem week hij in 1567 uit naar Dillenburg. In 1568 leidde hij de inval in het noorden, die helaas mislukte en zijn broer Adolf het leven kostte.

Hij bracht in La Rochelle het contact tot stand tussen de watergeuzen en de Prins. Aan het Franse hof probeerde hij Karel IX over te halen tot steun aan de opstand in de Nederlanden. In 1574 had hij met geldelijke steun van de Franse Hugenoten in Duitsland een leger van 13.000 man bijeengebracht, waarmee hij zijn broer, die door de Spanjaarden danig in het nauw gedreven was, te hulp wilde komen.

Eerst probeerde hij bij Maastricht de Maas over te trekken, maar Spaanse troepen onder bevel van Sancho d'Avila maakten dat onmogelijk. Lodewijk rukte toen snel op naar het noorden om het bij Roermond nog eens te proberen. Maar d'Avila was hem te vlug af en had Roermond al bezet toen de voorhoede van Lodewijk op de Maasoever arriveerde. Weer trok Willems broer verder naar het noorden. Hij wist dat de Prins zijn troepen had Hendrik van Nassausamengetrokken bij Bommel in de Betuwe. Wanneer Lodewijk er in zou slagen om ten noorden van Nijmegen over de Waal te komen zou hij zich bij hen kunnen voegen. Maar ook deze keer won Avila de race. De Spanjaarden slaagden er in bij Mook de Maas over te steken en een gunstige positie in te nemen op de Mookerheide. Daar werd Lodewijk volkomen verrast` door een felle aanval. Reeds bij de eerste gevechten sneuvelde Hendrik van Nassau, een jongere broer van Willem en Lodewijk.

Niet lang daarna werd Lodewijk in een arm gewond. Twee vrienden droegen hem, terwijl hij veel bloed verloor, naar een kolenbrandershut. Op dringend verzoek van Lodewijk lieten ze hem daar alleen achter. De slag was al verloren en iedereen probeerde zijn eigen leven te redden. Wat er verder met Lodewijk is gebeurd, weten we niet. Zijn lichaam is nooit gevonden.De dood van Lodewijk en Hendrik schokte de Prins diep. Drie broers had hij nu al op het slagveld verloren en het leek toen of al die offers vergeefs zouden zijn. Maar de Prins bleef onwrikbaar vertrouwen op Gods hulp. „Al kwamen wij allen te sterven," schreef hij aan zijn broer Jan, „en werd geheel dit arme volk vermoord en verjaagd, wij moeten toch altijd de zekerheid houden, dat God nooit de zijnen zal verlaten".

In de Nederlands Hervormde kerk te Heumen is een marmeren gedenkplaat aangebracht ter herinnering aan de slag op de Mookerhei en aan Lodewijk en Hendrik van Nassau.

Het was een zware slag voor de Prins, maar nog bleef hij vertrouwen op de overwinning. Een vertrouwen, dat gerechtvaardigd leek te worden door de dappere houding van de burgers van Leiden, die honger en pest trotseerden, tot hun belegerde stad door de watergeuzen werd ontzet.

Het beleg van Leiden

Hongersnood en de, zwarte dood" in de afgesloten stad

beleg van Leiden

Nadat de Spanjaarden in 1573 het beleg voor Alkmaar hadden opengebroken, trokken zij naar het zuiden. Eind oktober begonnen zij met het beleg van Leiden.

De Leidenaars en de vele duizenden, die uit de omliggende dorpen en boerderijen naar de stad waren gevlucht, hadden zich goed op de strijd voorbereid. Alle mannelijke inwoners tussen 17 en 70 jaar waren bewapend, de verdedigingswerken waren versterkt en in de kerken lagen grote hoeveelheden graan.

De Spanjaarden dachten de stad zonder beschietingen en bestormingen te kunnen veroveren door Leiden geheel van de buitenwereld af te sluiten. Honger zou op de duur de Leidenaars wel tot overgave dwingen. Maar dank zij de grote voedselvoorraden kon de stad de hele winter standhouden. Op 21 maart 1574 trokken de Spanjaarden plotseling weg uit hun schansen om het leger van Lodewijk van Nassau tegen te houden. De stadspoorten van Leiden gingen weer open en spoedig was het gewone leven weer hersteld.

De Prins van Oranje waarschuwde het stadsbestuur, dat het gevaar nog niet geweken was en de Spanjaarden waarschijnlijk weldra zouden terugkeren, want de inval van Lodewijk van Nassau was mislukt. Toch werden de graanvoorraden in Leiden niet aangevuld en evenmin werden de schansen die de Spanjaarden hadden gebouwd, afgebroken.

In de nacht van 25 op 26 mei hervatten de Spaanse troepen het beleg van Leiden. De toestand was nu veel ernstiger dan in oktober 1573. Weldra hadden de armsten, die zelf geen voorraden hadden kunnen aanleggen, niets meer te eten. Ze kregen van het stadsbestuur niet meer dan een half pond brood per dag.

In juli begon de gevreesde „zwarte dood" (de pest) rond te waren door Leiden. Het enige wat men er tegen kon doen was de ramen en deuren gesloten houden. Snel verslechterde nu de stemming in de stad. Het kwam zelfs tot opstanden van gewapende burgers, die aandrongen op overgave. Waar bleef de hulp, die de Prins van Oranje had beloofd?

Het stadsbestuur zond drie burgers door de ring van meer dan 20 goedbezette Spaanse schansen om bij de Prins, die toen in Rotterdam verbleef en ernstig ziek was, nog eens krachtig aan te dringen op steun van zijn troepen. Toen zij in Leiden terugkeerden konden zij berichten dat er inderdaad al maatregelen getroffen waren om Leiden te ontzetten. Op 30 juli was men namelijk begonnen met het onder water zetten van geheel Maas- en Rijnland door de sluizen te openen en de dijken van Maas en Hollandse IJssel door te steken. Er werd ook een vloot van platbodem schepen bijeen gebracht, waarop, zodra het water genoeg gestegen was, de watergeuzen naar Leiden zouden varen.

De Spanjaarden hadden van het water voorlopig nog weinig last, want zij hielden de dijken om Leiden bezet en konden er zo voor zorgen dat hun schansen en de stad droog bleven. Zelfs de wegen naar Haarlem, Utrecht en Den Haag konden nog gebruikt worden om de belegeraars van voorraden te voorzien. Tot wanhoop van de Leidenaars steeg het water tergend langzaam. De toestand in de stad werd zo erg, dat alle honden en katten werden opgegeten. Sommigen aten zelfs ratten en muizen. Dagelijks zakten op straat mensen ineen en stierven van de honger.

Een meerderheid van het stadsbestuur drong aan op overgave, toen opeens op 11 september uit het zuiden kanongebulder werd gehoord. De geuzen waren in aantocht! Maar de lage waterstand belette hen nog steeds door te varen naar Leiden. Toch vatten de Leidenaars nu weer moed. De overgave werd weer eens uitgesteld. Op 29 september draaide plotseling de wind en een zware noordwester storm stuwde het water in het overstroomde gebied op. Bovendien deed een springvloed het water nog meer stijgen.

Op de schansen en de torens van Leiden keken de burgers gespannen uit naar de vloot, die in de verte naderde. De geuzen zagen tot hun opluchting, dat van de torenspitsen en de molenwieken de vlaggen nog wapperden en Leiden dus nog niet was overgegeven. In de nacht van 2 op 3 oktober verlieten de Spanjaarden, verontrust door het stijgende water en de naderende vloot, in alle stilte hun schansen. Een weesjongen was de eerste die de stad uitsloop en vaststelde dat de Spanjaarden inderdaad verdwenen waren. Hij keerde juichend terug met een pot hutspot, die hij in een schans gevonden had. Een paar uur later voeren de geuzen de stad binnen en begonnen met het uitdelen van haring en wittebrood aan de uitgehongerde burgers. De volgende dag ging de Prins zelf naar Leiden om de overlevenden te bedanken voor hun standvastigheid.

Het ontzet van Leiden was van bijzonder groot belang voor het verloop van de opstand. Als de stad in Spaanse handen was gevallen, zou heel Holland verloren zijn geweest. Nu gebeurde het omgekeerde. Onder de terugtrekkende Spaanse soldaten brak een muiterij uit. Zij namen hun officieren gevangen en vluchtten naar het Sticht. Holland was nu van de Maas tot aan Haarlem van Spanjaarden bevrijd.

Terwille van de vrijheid of van de godsdienst?

Tijdens het beleg van Leiden ontstond er groot gebrek aan pasmunt en ging het stadsbestuur er toe over van papier (uit misdoeken) geperste guldens in omloop te brengen. Deze guldens droegen langs de rand de spreuk „Haec libertatis ergo", „Wij doen dit terwille van de vrijheid". De calvinistische predikant Tellink vond dat die spreuk moest luiden „Haec religionis ergo", „Wij doen dit terwille van de godsdienst". Hij verkondigde deze mening in een felle preek, waarbij hij het Leidse stadsbestuur uitschold voor varkens. De secretaris van het stadsbestuur, Jan van Hout, werd zo kwaad dat hij de dominee bijna van de kansel had geschoten als burgemeester Van der Werff, die naast hem in de kerk zat, niet zijn pistool had afgepakt.

Het is vrijwel zeker dat Willem van Oranje de spreuk op het Leidse noodgeld beter vond dan de spreuk van de predikant.

Nieuwe moed moet de Prins ook geput hebben uit zijn verbintenis met Charlotte van Bourbon, de eerste vrouw die hij werkelijk met hart en ziel kon liefhebben. Nadat Anna van Saksen hem in 1569 verlaten had, was hij van haar gescheiden. Zes jaar was hij alleen gebleven in de moeilijkste periode van zijn leven, toen hij de ene tegenslag na de andere verwerken moest. Nu was er eindelijk een vrouw in zijn leven gekomen op wier steun en begrip hij volledig kon rekenen. In 1575 trouwde hij met haar.

Een weggelopen non met een hart van goud: Charlotte van Bourbon

Charlotte de Bourbon

Charlotte de Bourbon

Toen Charlotte van Bourbon op 12 juni 1575 in Den Briel met Willem van Oranje in het huwelijk trad, was zij bijna dertig jaar, de Prins was 42. Charlotte had een erg moeilijke jeugd achter de rug. Haar vader, Lodewijk van Bourbon, hertog van Montpensier, neef van de Franse koning, had haar al als klein meisje naar een klooster gestuurd. Hij wilde dat zij non werd omdat hij haar dan geen bruidschat zou behoeven te geven en zij afstand zou doen van haar erfenis. Lodewijk wilde al zijn bezittingen nalaten aan zijn enige zoon.

Charlotte wilde helemaal geen non zijn en moest met geweld gedwongen worden de sluier aan te nemen. Toen ze 26 jaar oud was vluchtte zij weg uit het klooster. Ze vond in Heidelberg een toevluchtsoord bij de protestantse keurvorst van de Palts en hier ging zij over tot het protestantisme.

In Heidelberg leerde de Prins haar kennen. Beiden hadden een moeilijke tijd achter de rug, misschien dat ze elkaar daarom konden begrijpen. In ieder geval konden ze elkaar niet meer vergeten en toen de Prins drie jaar later zijn vriend Marnix van Sint Aldegonde naar haar zond om zijn huwelijksaanzoek over te brengen, aarzelde Charlotte niet lang.

Ze ging met Marnix naar Den Briel. Maar toen ze daar verscheen, braken van alle kanten de protesten los. De familie van Anna van Saksen maakte bezwaren omdat de scheiding van Anna en de Prins niet rechtsgeldig zou zijn. De familie van Charlotte beoogde, dat zij niet kon trouwen omdat zij de kloostergelofte had afgelegd. Toch werd het huwelijk voltrokken door een calvinistische predikant.

Het was een sobere bruiloft, want zowel de Prins als Charlotte waren straatarm. Dit bewijst dat het werkelijk een huwelijk uit liefde was. Charlotte en Willem hadden elkaar niets anders te bieden dan hun genegenheid.

Uit brieven, die van Charlotte bewaard zijn gebleven, blijkt dat zij inderdaad erg veel van de Prins heeft gehouden.Zij was een opgewekte, levendige vrouw, charmant en elegant in haar optreden. Ze maakte zich snel geliefd in de Nederlanden en volgde haar man zoveel mogelijk op zijn vele reizen. Zes dochters schonk zij de Prins.

Haar grote liefde en toewijding kwamen nog eens duidelijk naar voren na de aanslag van Jauréguy. Een week lang bleef zij aan Willems ziekbed, haar vinger op de wond in zijn kaak drukkend om te voorkomen dat hij dood zou bloeden. Zo redde zij het leven van de Prins, maar de inspanning vanal die dagen en nachten had haar zo verzwakt, dat ze ziek werd en op 5 mei 1582 stierf, 7 weken na de aanslag. De Prins droeg zijn verdriet met een kracht, die ieders bewondering wekte.

Inmiddels was de landvoogd Requesens in grote financiële moeilijkheden gekomen. De schatkist van de Spaanse koning was, als gevolg van oorlogen die hij op andere fronten voerde, leeg en Requesens kreeg uit Madrid geen geld meer om zijn troepen te betalen. Toen de landvoogd in 1576 onverwacht stierf, brak een algemene muiterij uit in het Spaanse leger in de Nederlanden.

De Spaanse Furie Muiters plunderen Antwerpen

Spaanse Furie

Spaanse Furie: brandstichting stadhuis van Antwerpen

De in de Nederlanden gelegerde Spaanse regimenten (daartoe behoorden ook Duitse en Italiaanse huursoldaten) hadden al jarenlang geen soldij ontvangen toen in de zomer van 1576 onder hen een hevige muiterij uitbrak. Vele steden en dorpen werden geplunderd. In Antwerpen lag in de citadel een sterk Spaans garnizoen. In de stad lagen troepen van de Staten-Generaal die tot taak hadden de muiterij te onderdrukken.

In november probeerden Spaanse muiters van elders de stad binnen te dringen om zich te voegen bij het garnizoen in de citadel en daarna gezamenlijk Antwerpen te plunderen. Op 4 november braken de gevechten in volle hevigheid los. De troepen van de Staten-Generaal verdedigden zich nauwelijks en weldra waren ze uit Antwerpen gejaagd. Korte tijd later stond de stad op vele plaatsen in brand. Vier dagen lang trokken de muiters plunderend en moordend door Antwerpen. Naar schatting werden 7.000 burgers gedood. De buit, die in de citadel werd bijeengebracht, bedroeg vele miljoenen guldens. Bijna een derde deel van de stad werd door brand verwoest.

Tijdens deze „Spaanse furie" werden veel dorpen en steden geplunderd en burgers vermoord. Antwerpen, de rijke koopmansstad aan de Schelde,

De macht van Antwerpen

Belangrijkste handels- en havenstad van noordwest Europa Antwerpen, de stad waar Willem van Oranje burggraaf van was, bleef tot ver in de 16de eeuw de belangrijkste handels- en havenstad van noordwest Europa. Jaarlijks voeren meer dan 3000 schepen de haven in en uit, dat was vier keer zo veel als Londen te verwerken kreeg. Er woonden veel vreemdelingen in Antwerpen: kooplieden en bankiers, die samen met hun Nederlandse collega's een groot deel van de wereldhandel beheersten.

De stad kende ook een bloeiende nijverheid. Er waren suikerraffinaderijen, glasblazerijen, pottenbakkerijen en weverijen. Ook de kunst bloeide welig in Antwerpen, want waar veel rijke mensen bijeen wonen, kunnen kunstenaars een goed bestaan vinden. Prachtige schilderijen kwamen uit de ateliers van de schilders, de schitterendste juwelen uit de werkplaatsen van de goudsmeden. Tegelijkertijd werden in de stad een groot aantal gebouwen opgericht, die nog altijd de trots van de Scheldestad zijn, zoals het stadhuis, het Vleeshuis, de gilde-huizen aan de Grote Markt.Antwerpen was in de 16de eeuw ongetwijfeld de rijkste stad in de Nederlanden, maar toch was 76 % van de bevolking arm. Het waren vooral deze armen die in 1566 aan de beeldenstorm meededen en, zonder dat iemand hen durfde tegen te houden, een groot deel van de kunstschatten in kerken en kloosters vernielden.

Aan de welvaart van Antwerpen kwam een eind toen de Spanjaarden in 1585 de stad veroverden. Bijna de helft van de bevolking week uit naar het noorden. Velen vestigden zich in Amsterdam dat in 1578 het gezag van de Prins had erkend en dat weldra als wereldhaven de plaats van Antwerpen innam.

werd zelfs voor een groot deel door brand verwoest. Als gevolg van de Spaanse furie ging een vurige wens van de Prins in vervulling: de katholieke, regeringsgetrouwe zuidelijke gewesten zochten toenadering tot de opstandige, calvinistische gewesten in het noorden om gezamenlijk het Spaanse leger uit de Nederlanden te verdrijven. Zo kon de Pacificatie (vrede) van Gent tot stand komen.

DE PACIFICATIE VAN GENT

Weg met alle Spaanse troepen! Na de dood van de landvoogd Requesens, de opvolger van Alva duurde het nog enige tijd voordat de nieuwe landvoogd, Don Juan, in de Nederlanden was aangekomen. De Raad van State had tijdelijk het bestuur overgenomen. De Raad zag zich onmiddellijk voor grote problemen geplaatst toen de Spaanse Furie uitbrak en muitende Spaanse troepen stad en land afstroopten. Nu moesten de koningsgetrouwe, zuidelijke gewesten zich uit zelfbehoud ook tegen de Spanjaarden keren. De Staten-Generaal kwamen bijeen, besloten zelf troepen te werven om de Spanjaarden het land uit te jagen en vroegen daarbij ook de hulp van de opstandige noordelijke gewesten.

Prins Willem van Oranje zag dat dit een prachtige gelegenheid was om de noordelijke en zuidelijke gewesten weer te verenigen, niet alleen in de strijd tegen de Spaanse muiters, maar ook in de strijd voor de geloofsvrijheid, herstel van de privileges en meer zelfstandigheid. Afgevaardigden van de Staten-Generaal en de Staten van Holland en Zeeland kwamen in Gent bijeen om te trachten tot een verbond te komen. Aanvankelijk was de godsdienstkwestie nog een grote hinderpaal. De katholieken wilden het calvinisme uit hun steden en gewesten weren en de calvinisten wilden in Holland en Zeeland de uitoefening van het katholieke geloof niet toestaan. Bovendien kon men het niet eens worden over de macht, die aan de nieuwe landvoogd zou wordentoegestaan.

Maar de steeds groter wordende dreiging van de Spaanse muiters móést gekeerd worden en tenslotte kwam men toch tot overeenstemming. Op 8 november 1576, terwijl het geplunderde Antwerpen nog in brand stond, werd de vredesovereenkomst ondertekend, die de „Pacificatie van Gent" werd genoemd. Daarbij beloofden de gewesten elkaar vriendschap en trouw.

dutch revolt 1576 1579

Gezamenlijk zouden zij de Spaanse soldaten uit de Nederlanden verdrijven. In het zuiden werden de plakkaten tegen de protestanten voorlopig opgeschort (deze kwestie zou later door de Staten-Generaal definitief geregeld worden) en Holland en Zeeland beloofden de katholieken met rust te laten. De Prins van Oranje kreeg al zijn verbeurd verklaarde bezittingen terug. Iedereen die naar het buitenland was gevlucht zou ongehinderd kunnen terugkeren. Het oppergezag van Philips II werd nog erkend, maar de nieuwe landvoogd moest wél de besluiten die in de Pacificatie van Gent waren neergelegd, aanvaarden.

Alle gewesten, behalve Luxemburg, hebben de Pacificatie van Gent ondertekend. Toen ook Don Juan, na veel onderhandelingen, zich onder voorwaarde dat de katholieke godsdienst erkend zou blijven, bij de overeenkomst neerlegde, leek het alsof de vrede in de Nederlanden was hersteld. Maar weldra trok de landvoogd zijn beloften in en opende hij weer de strijd tegen Holland, Zeeland en de Prins van Oranje.

Don Juan

 

Toen de nieuwe landvoogd Don Juan in de Nederlanden arriveerde moest hij zich aanvankelijk bij dit verdrag neerleggen. Hij wist evenwel dat de hertog van Parma met een sterk Spaans leger onderweg naar de Nederlanden was en het duurde dan ook niet lang of hij schond de overeenkomst door een deel van de Spaanse troepen, die hij op grond van de Pacificatie had moeten wegzenden, terug te roepen en zich in de vesting van Namen te verschansen. Nadat Parma in het zuiden was gearriveerd laaide de strijd in alle hevigheid weer op. Het was duidelijk dat Philips nog steeds van plan was de Nederlanden geheel met wapengeweld te onderwerpen.

PARMA

Aleander Farnese hertog van Parma

Van het begin af volgde hij in de Nederlanden een heel andere tactiek dan Alva, die uitsluitend met bruut geweld de opstand had geprobeerd te onderdrukken. Parma begreep, dat met overreding dikwijls meer bereikt kon worden dan met terreur. Hij was een goed mensenkenner, bezat veel tact en kon bijzonder innemend zijn. Dikwijls heeft hij bij Philips aangedrongen op meer behoedzaamheid en verzachtende maatregelen, zoals amnestie voor degenen, die genoeg hadden van de strijd en zich weer aan het gezag van de koning wilden onderwerpen. Ook met geldelijke beloningen en het uitdelen van ambten wist Parma veel te bereiken. Vergeefs heeft hij Philips proberen te bewegen niet de ban over Willem van Oranje af te kondigen. Ook de Prins meende hij vroeg of laat op diplomatieke manier voor zich te kunnen winnen.

Nadat Don Juan in 1578 gestorven was, benoemde Philips Parma tot landvoogd. Een jaar later behaalde hij zijn grootste diplomatieke succes: de Unie van Atrecht, waarbij enkele zuidelijke gewesten zich losmaakten van de overige gewesten, een scheiding, die nooit meer geheel kon worden hersteld en uiteindelijk leidde tot het ontstaan van de staat België. Door een toevallige loop van omstandigheden was het ook in Atrecht dat Parma na veel omzwervingen in 1592 de laatste adem uitblies. Bij Philips was hij toen in ongenade gevallen, omdat de koning zijn onafhankelijkheid van geest en wil, die de Nederlanders ettelijke malen voor veel leed heeft behoed, niet kon dulden. De tiran Philips II eiste van iedereen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Een tegenstander van formaat

Toen in 1577 Don Juan door Philips naar de Nederlanden werd gezonden om de landvoogd Requesens op te volgen, stuurde de koning ook een sterk Spaans leger naar de opstandige gewesten. Bevelhebber van dat leger was Alexander Farnese, hertog van Parma. Als zoon van de vroegere landvoogdes Margaretha van Parma was hij geen onbekende in de Nederlanden. Met veel edelen had hij kennis gemaakt toen in 1565 in Brussel zijn huwelijk met een Portugese prinses werd voltrokken. Hij had toen de indruk gemaakt een bijzonder intelligente, vlotte jongeman te zijn. Toen hij als legeraanvoerder terugkeerde, was hij 32 jaar. Zijn grote kwaliteiten als veldheer bewees hij al op 31 januari 1578 toen hij de Staatse troepen bij Gembloux verpletterend versloeg. Vele overwinningen zouden in de komende maanden en jaren volgen.

Veroveringen van Parma

Parma's militaire successen waren niet alleen te danken aan zijn strategisch inzicht, maar ook aan het feit dat hij zijn troepen goed in de hand wist te houden. Hij handhaafde een strenge maar rechtvaardige discipline. Hij bekommerde zich voortdurend om het lot van zijn soldaten, zorgde dat ze goed gevoed en gekleed werden en liet zelfs hospitalen voor de gewonden inrichten. Soldij werd doorgaans op tijd uitbetaald, omdat Parma niet wachtte tot hij weer geld uit Spanje had ontvangen, maar leningen afsloot bij Italiaanse en Antwerpse bankiers. Het kostte hem weinig moeite zulke leningen af te sluiten omdat weldra bleek dat hij altijd zijn beloften nakwam. Voor deze aanvoerder, die hen knap en verstandig leidde in het gevecht zonder hen aan overbodige risico's bloot te stellen en die bovendien goed zorgde voor hun persoonlijke belangen, gingen de Spaanse troepen door het vuur. En ook veel zuid-Nederlandse edelen vonden het een eer om in het goed geleide leger van Parma te mogen dienen. Maar Parma was niet alleen een goed veldheer, hij was ook een uitstekend diplomaat.

Matthias wordt landvoogd

De Staten-Generaal hadden inmiddels de verraderlijke Don Juan van de landvoogdij vervallen verklaard en op eigen gezag een nieuwe landvoogd aangesteld: Matthias van Oostenrijk, een broer van de Duitse keizer. Voordat deze was gearriveerd werd Willem van Oranje in Vlaanderen en Brabant met grote geestdrift ingehaald als bevrijder. Het was duidelijk dat het volk in hem het werkelijke staatshoofd zag en dat Matthias niet veel te vertellen zou krijgen.

Een van de voornaamste redenen waarom de Staten Matthias de landvoogdij hadden aangeboden was, dat zij hoopten dat zijn broer, de Duitse keizer, troepen zou sturen om Matthias' positie tegen de Spanjaarden te verdedigen. Maar die hulp bleef uit.

Hertog van AnjouDe Prins besefte dat hij zonder buitenlandse hulp het krachtige, goed gedisciplineerde leger waarmee Parma naar het noorden trok, niet kon verslaan en richtte nu zijn blik op Frankrijk. De hertog van Anjou, een broer van de Franse koning, bleek na veel strubbelingen bereid met een troepenmacht naar de Nederlanden te komen op voorwaarde dat hij uiteindelijk erkend zou worden als landsheer van alle gewesten. Matthias werd weggezonden. Maar Anjou's militaire expeditie mislukte deerlijk.

Parma slaagde er intussen in met wapengeweld en handige diplomatie steeds dieper een wig te drijven in de eendracht, die door de Pacificatie van Gent leek te zijn ontstaan. Een groot succes had hij bereikt toen een aantal zuidelijke gewesten en steden zich verbond in de Unie van Atrecht, terugkeerde tot trouw aan de koning en zich dus duidelijk afscheidde van het opstandige noorden. Hiermede ontstond een breuk, die nooit meer hersteld kon worden en uiteindelijk heeft geleid tot de vorming van de zelfstandige staat België.

 

 

 

 

Zie voor deel 4 Deel 4 Willem van Oranje en de Opstand