We hebben 143 gasten online

Deel 4 Willem van Oranje en de Opstand

Gepost in De Opstand

willem van oranje

DE UNIE VAN UTRECHT

Een teleurstelling voor de Prins

Toen het reeds duidelijk was dat de zuidelijke Nederlandse gewesten streefden naar verzoening met de Spaanse koning en onaantastbaarheid van de katholieke godsdienst (Unie van Atrecht), verenigden zich op 23 januari 1579 de gewesten Holland, Zeeland, Friesland, Utrecht en Gelderland in de Unie van Utrecht met het doel de strijd voor zelfbestuur en vrijheid van godsdienst voort te zetten. Vlaamse en Brabantse steden (leper, Brugge, Gent, Antwerpen en Lier) sloten zich erbij aan.

tachtigjarige oorlog 1579

Dit bondgenootschap was met veel moeite tot stand gekomen en het bevredigde de Prins allerminst. Hij had altijd gestreefd naar een Generale Unie, een bondgenootschap tegen de Spaanse overheersing, waarbij alle Nederlandse gewesten, katholiek en calvinistisch, aangesloten waren.

Nadat de zuidelijke gewesten met de Unie van Atrecht duidelijk te kennen hadden gegeven, dat zij zo'n Generale Unie onder leiding van de protestantse Prins en de calvinistische gewesten, niet wensten, was de hoop op eenheid in de Nederlanden definitief verkeken.

De Prins kon zich daar moeilijk bij neerleggen. Bovendien had hij bezwaar tegen sommige bepalingen in de Unie van Utrecht, die de calvinisten te veel bevoordeelden ten opzichte van de katholieken.

Hij aarzelde lang het verdrag, dat voornamelijk door toedoen van zijn broer Jan tot stand was gekomen, goed te keuren, maar hij deed het tenslotte toch.

Uit de Unie van Utrecht groeide later de Republiek der Verenigde Nederlanden en de Unie kan dus beschouwd worden als het begin van Nederlands nationale zelfstandigheid.

Oranje's ideaal, de „Generaliteit", de eenwording van alle Nederlandse gewesten bleek onbereikbaar te zijn. Weliswaar sloten de noordelijke gewesten en een aantal Vlaamse en Brabantse steden zich nu ook wat nauwer aaneen in de Unie van Utrecht, maar dit verbond beantwoordde toch lang niet aan het doel dat de Prins zich van het begin af van de vrijheidstrijd had gesteld.

Nog meer teleurstellingen zouden Oranje in de komende jaren wachten. Anjou bleek een onbetrouwbare draaitol te zijn. Parma slaagde er in, in steeds meer gebieden en steden het Spaanse gezag te herstellen. Soms kostte dat weinig moeite, zoals in Groningen waar de stadhouder, graaf Rennenberg, zonder enige tegenstand te bieden, naar de Spanjaarden overliep. Verraad dreigde trouwens ook in andere gewesten.

In deze kritieke periode sprak Philips op 15 maart 1580 de ban over Willem van Oranje uit. Granvelle had hem hiertoe aangezet. De Prins, die „vijand van Spanje en pest van de christenheid" werd genoemd, werd vogelvrij verklaard. Wie hem vermoordde zou 25.000 kronen ontvangen, werd vrijgesteld van alle straffen voor eventueel eerder gepleegde misdaden en verheven in de adelstand.

De „Apologie"

Apologie Willem van Oranje

De Prins antwoordde met een in felle bewoordingen gestelde „Apologie". In dit stuk, dat Oranje met hulp van zijn hofpredikant had opgesteld, werden alle grieven die het Nederlandse volk tegen Philips had (Willem voegde er ook een aantal persoonlijke grieven aan toe, zoals de ontvoering van zijn zoon en de inbelegneming van zijn bezittingen) uitvoerig uiteengezet en daarmee de opstand gerechtvaardigd.De laatste woorden waren „Je maintiendrai", „Ik zal handhaven".

Dat niet lang na het verschijnen van de „Apologie" door de Staten-Generaal besloten werd het oppergezag van Philips niet langer te erkennen, kon niemand verbazen. Eindelijk was het dan zover! In de Akte van Verlatinge, die in 1581 werd bekendgemaakt, wordt verklaard dat een vorst de plicht heeft zijn volk tegen onderdrukking en geweld te verdedigen en het als een vader lief te hebben en te steunen.

Maar als hij het volk als een tiran onderdrukt, inbreuk maakt op oude gewoonten en rechten en slaafse onderworpenheid eist, dan ,mag dat volk niet alleen zijn gezag verwerpen, maar ook een nieuwe vorst kiezen.

Die nieuwe vorst werd de hertog van Anjou. Een ongelukkige keus, zoals spoedig zou blijken.

DE HERTOG VAN ANJOU Een onbetrouwbare draaitol

Hertog van AnjouFrangois-Hercule de Valois, hertog van Anjou, was de vierde zoon van de Franse koning Hendrik II en Catherina de Medici en dus een broer van koning Hendrik III, die in 1575 Karel IX (van de Bartholomeusnacht) was opgevolgd. FranQois-Hercule werd in 1556 geboren en werd niet ouder dan 28 jaar. Hij was erg eerzuchtig, maar had een slap karakter. Alle eigenschappen van een staatsman en een veldheer miste hij. Zijn eigenbelang stelde hij altijd voorop en het vrolijke leven, dat hij met zijn vrienden leidde, wilde hij voor geen prijs opgeven.

Met sluw gekonkel probeerde hij voortdurend meer macht en geld te krijgen. In de godsdienststrijd, die al jaren tussen protestanten en katholieken in Frankrijk woedde, schaarde hij zich aan de kant van de „Politieken". Dat was een middenpartij van gematigde katholieken, die bij beide partijen aandrongen op meer verdraagzaamheid. Samen met leden van deze groep wist Anjou in 1576 een (tijdelijke) godsdienstvrede tot stand te brengen, die voor beide partijen bijna volledige godsdienstvrijheid bracht. Dit was precies wat Willem van Oranje ook voor de Nederlanden wenste en het is niet onbegrijpelijk dat hij in Anjou een bondgenoot zag, die hem op de duur de hulp van Frankrijk kon verschaffen. Daar kwam nog bij dat Anjou erg zijn best deed om koningin Elizabeth van Engeland over te halen met hem te trouwen. Zou de hertog daarin slagen, dan zou hij ook Engeland waarschijnlijk tot bondgenoot van de Prins kunnen maken.

Willem van Oranje besloot in 1576 onderhandelingen met Anjou aan te knopen om hem onder veel voorwaarden die zijn macht zouden bepekken, de opperheer-schappij over de Nederlanden aan te bieden. De eerzuchtige Anjou had daar wel oren naar, maar had weinig vertrouwen in de kracht van de opstandelingen en vertelde Philips II wat de Prins hem had aangeboden, in de hoop dat de Spaanse koning hem een hoge positie in het Spaanse rijk zou geven. Philips ging daar niet op in en Anjou trad weer in onderhandelingen met de Prins en de Staten. In 1578 werd hij erkend als „Beschermer der Nederlanden tegen de Spaanse tirannie". Met een troepenmacht zou hij nu uit het zuiden de opstandelingen in de Nederlanden te hulp komen. Veel kwam daar niet van terecht en Anjou verdween al spoedig weer uit de zuidelijke Nederlanden.

IJverig bleef Anjou intussen pogingen doen Elizabeth tot een huwelijk te bewegen. In de zomer van 1579 leek het er even op dat de Engelse koningin haar ja-woord zou geven. Met veel moeite slaagde Willem van Oranje erin de Staten ertoe te bewegen opnieuw onderhandelingen met Anjou aan te knopen. Veel gewesten hadden grote bezwaren tegen deze katholieke Fransman wiens manier van leven niet bepaald strookte met de strenge opvattingen van de calvinisten. Maar in 1581 werd Anjou toch eindelijk erkend als landsheer op voorwaarde dat hij Franse hulptroepen, die hij zelf moest betalen, zou meebrengen. Veel macht werd hem niet gegund. Hij kon geen besluit nemen zonder toestemming van de Staten. Bovendien zouden Holland en Zeeland onder souvereiniteit van de Prins van Oranje komen. Daar kreeg Anjou dus niets te vertellen. Anjou aanvaardde deze voorwaarden omdat hij hoopte op slinkse manier toch nog eens het volledige gezag over de Nederlanden in handen te krijgen.

Ook nu had de militaire steun van Anjou weinig te betekenen en weldra moest Anjou wegens geldgebrek zijn leger ontbinden. Daarna vertrok hij voor lange tijd naar Engeland om Elizabeth het hof te maken. Aangeziend de Engelse koningin nog steeds niet ongenegen scheen met de Fransman in het huwelijk te treden, durfde de Prins van Oranje niet te breken met Anjou, ook al had deze voor de tweede keer getoond niet veel waard te zijn. Een afwijzing van Anjou zou hem nu waarschijnlijk ook op de vijandschap van Elizabeth komen te staan. Tot geen enkele prijs wilde de Prins de kans op buitenlandse hulp verspelen.

Het huwelijk met de Engelse koningin werd tenslotte om politieke redenen uitgesteld en in 1582 vestigde zich eindelijk de hertog van Anjou als landsheer in Antwerpen. Spoedig wekte hij veel ergernis door zijn losbandige levenswijze. Zijn troepen konden ook niet veel uitrichten tegen de overmacht van Parma. Uiteindelijk ging het Anjou vervelen, dat hij bijna niets te vertellen had en hij beraamde een soort staatsgreep. Op 17 januari 1583 probeerden zijn troepen zich meester te maken van Brugge, Duinkerken, Dendermonde en Antwerpen. Deze „Franse furie" werd afgeslagen.

Groot was natuurlijk de verontwaardiging in de Nederlanden, vooral onder de calvinisten die van begin af aan niets van de Franse hertog moesten hebben. Maar nóg wilde Willem van Oranje niet met Anjou breken. Het was immers nog altijd niet helemaal uitgesloten dat hij met Elizabeth zou trouwen en als zijn broer Hendrik vroegtijdig kwam te overlijden, zou hij zelfs koning van Frankrijk worden. Weer werden er onderhandelingen met Anjou geopend. Velen vonden dat onbegrijpelijk en de Prins verloor veel van zijn populariteit bij het volk. Anjou's dood in 1584 (hij leed aan tuberculose) maakte een eind aan de uit wanhoop geboren illusie van de Prins dat deze onbetrouwbare draaitol de opstand zou kunnen redden.

 De ban, die Philips over de Prins had uitgesproken, bleef niet zonder gevolgen. Op zondag 18 maart 1582 werd door Jean Jauréguy in Antwerpen de eerste aanslag op het leven van Oranje gepleegd.

De, eerder mislukte, aanslag van Jauréguy

Een kantoorbediende als huurmoordenaar Jean de Jauréguy, een stille, bleke, wat slome Franse jongen van 19 jaar, trad in 1581 als kantoorbediende in dienst van de in Antwerpen gevestigde koopman d'Anastro, die in de Baskische stad Bilbao geboren was. Deze d'Anastro had grote financiële moeilijkheden en toen hij hoorde dat Philips II een grote beloning had uitgeloofd voor degene die de Prins van Oranje zou vcrmoorden, zag hij hierin een kans om van zijn geldzorgen verlost te worden.

Zelf was d'Anastro te bang om de aanslag te plegen, maar hij wist zijn kantoorbediende zodanig te bewerken dat deze bereid was de prins te vermoorden. d'Anastro stelde hem natuurlijk een hoge beloning in het vooruitzicht (het grootste deel van de beloning die Philips had uitgeloofd wilde de koopman overigens in zijn eigen zak steken), gaf hem een pistool, munitie en een nieuw stel kleren. Na zijn klerk nog eens duidelijk te hebben uitgelegd hoe hij de Prins kon benaderen, vertrok d'Anastro ijlings naar het hoofdkwartier van Parma, dat toen gevestigd was in de buurt van Doornik, om alvast aanspraak te maken op de beloning.

Op zondag 18 maart (het was dc verjaardag van Anjou) ging Jean de Jauréguy naar de kerk om te biechten. In zijn nieuwe pak liep hij daarna naar de woning van de Prins. Hoe bij ongehinderd door de wacht het huis kon binnendringen, is niet helemaal duidelijk. Er liepen op zondag veel mensen bij de Prins in en uit. Jauréguy moet daar van hebben geprofiteerd.

De Prins zat aan tafel met een aantal gasten. Jauréguy wachtte in een zijvertrek. Toen Oranje na het eten met zijn gezelschap deze kamer binnenkwam, drong de kantoorbediende naar voren, trok het pistool en loste een schot. Hij had zo veel kruit in het pistool gestopt dat het wapen uit elkaar sprong en zijn hand verbrijzelde. Nog voordat de Prins precies besefte wat er was gebeurd, werd de jonge Fransman door de zwaarden en pieken van Oranjes lijfwacht gedood. De Prins riep nog tegen zijn soldaten dat zij de jongen niet moesten kwetsen en pas daarna besefte hij dat hij gewond was. Zijn mond liep vol bloed. Een kogel was rechts door zijn wang in zijn verhemelte gedrongen. Steunend op twee dienaren strompelde hij naar zijn kamer waar hij een week lang dag en nacht verpleegd moest worden voordat het levensgevaar geweken was.

Dat Jauréguy, een simpele jonge kantoorbediende, door anderen was opgestookt om de aanslag te plegen, was duidelijk. Velen verdachten Anjou. Maar deze was zelf diep geschokt door de aanslag. Immers, als de Prins zou sterven, zou hij zich onmogelijk nog lang als veldheer kunnen handhaven. Toen Parma vernam dat de aanslag was mislukt, stuurde hij d'Anastro naar Spanje met een aanbevelingsbrief voor koning Philips. Het is niet bekend wat er verder van de koopman is geworden.

Hij overleefde, maar zijn vrouw bezweek aan de vermoeienissen die zijn verpleging haar had gekost.

Waarschijnlijk heeft Willem zich nooit eenzamer gevoeld als in de maanden na haar dood. Een eenzaamheid die hem er toe moet hebben gebracht nogal overhaast opnieuw te trouwen met de Francaise Louise de Coligny.

Een dappere vrouw: Louise de Coligny

Louise de ColignyHet jaar 1582, waarin Charlotte van Bourbon stierf, was nog niet voorbij toen Willem van Oranje alweer een andere vrouw ten huwelijk vroeg. Zij was de 27-jarige Louise de Coligny; de Prins had haar waarschijnlijk nog nooit persoonlijk ontmoet. Waarom wilde de Prins zo vlug hertrouwen?

De voornaamste reden was waarschijnlijk, dat hij een tweede moeder zocht voor de kinderen, die nog bij hem in huis waren.

Louise was de dochter van de Hugenoten-leider Caspar de Coligny, die de Prins in 1572 met een leger van Franse protestanten te hulp had willen komen. Zij trouwde op 16-jarige leeftijd met een andere vooraanstaande Hugenoot, Charles de Téligny. In de Bartholomeusnacht werden zowel haar vader als haar man vermoord. Louise vluchtte toen naar Zwitserland, maar keerde vier jaar later terug naar haar kasteel in Frankrijk. Toen de Prins haar ten huwelijk vroeg, droeg zij nog steeds rouw.

De verbintenis tussen Louise en Willem was meer gegrond op wederzijds respect dan op liefde. Zij trouwden in alle eenvoud op 12 april 1583 in Antwerpen. De stemming van het volk was toen erg vijandig. De Prins had veel calvinisten tegen zich in het harnas gejaagd door er steeds maar op te blijven aandringen dat de verraderlijke hertog van Anjou als landsheer gehandhaafd zou worden. De manier waarop de hertog, zijn gevolg en zijn troepen zich in de Nederlanden hadden gedragen had bij velen grote weerzin doen ontstaan tegen alles wat Frans was. Het werd Willem kwalijk genomen dat hij nu weer met een Franeaise trouwde, ook al kwam zij uit een familie die terwille van het protestantisme zware offers had gebracht.

Louise kon zich de eerste maanden van haar huwelijk niet op straat vertonen zonder te worden uitgejouwd en bedreigd, dus bleef ze meestal maar binnen de veilige muren van het kasteel, waar ze spoedig de liefde wist te winnen van haar stiefdochters.

Louise was een nuchtere, niet erg romantische vrouw, die heel goed begreep wat Willem van haar verwachtte.

Ze was pas 14 maanden getrouwd, toen zij voor de tweede keer weduwe werd. Na Willems dood kreeg zij met ernstige financiële moeilijkheden te kampen want haar man liet slechts schulden na en de Staten-Generaal waren uiterst zuinig. Pas acht jaar na de moord op de Prins kreeg zij een vast jaargeld. Ook in ander opzicht had zij het niet gemakkelijk want de calvinisten bleven vijandig tegen haar. Dapper heeft zij alle laster en tegenwerking verdragen tot zij in 1620 (zij was toen 65 jaar) besloot uit te wijken naar haar vaderland. In het zelfde jaar stierf zij te Fontainebleau.

In de volgende jaren verloor Willem van Oranje veel van zijn populariteit. Met grote hardnekkigheid weigerde hij de verraderlijke hertog van Anjou de laan uit te sturen. Vooral de calvinisten namen hem dat kwalijk. Door zijn huwelijk met een Francaise zette hij de vriendschap van het volk nog meer op het spel. Hij werd nu de ,,Franskiljon" genoemd en in Antwerpen, waar hij zich op het kasteel gevestigd had, werd de stemming zo vijandig, dat hij het verstandig vond de stad te verlaten. Eerst woonde hij in Middelburg, later ging hij naar Delft en nam zijn intrek in het voormalige Sint Agatha-klooster, dat toen het Prinsenhof werd genoemd. Daar troffen hem de kogels van Balthasar Gerards.

Het is niet altijd gemakkelijk de gedachten en de bedoelingen van de Prins te begrijpen. Vooral de politieke koers die hij in de laatste jaren van zijn leven volgde, doet vermoeden dat de grote standvastigheid van Willem van Oranje wel eens kon ontaarden in halsstarrigheid, waarmee hij medestanders van zich vervreemdde. Fouten heeft hij zeker gemaakt. Maar we moeten, als we zijn daden trachten te beoordelen, toch wel bedenken dat hij leefde in een wereld, waarin de algemene moraal anders was dan nu. Idealen, waar nu iedereen direct achter zou gaan staan, werden toen door velen niet begrepen. Zo was de algemene verdraagzaamheid, die de Prins beschouwde als een pijler voor de samenleving en als een voorwaarde voor de eenheid van de gewesten, iets waar velen nog vreemd tegenover stonden. En de Prins heeft dan ook moeten ervaren dat die verdraagzaamheid niet verwezenlijkt werd.

Omdat hij niet iedereen van de juistheid van zijn inzichten kon overtuigen, kon hij niet altijd rechtstreeks op zijn doel afgaan. Hij kwam niet altijd duidelijk voor zijn mening uit en dat heeft hem waarschijnlijk de bijnaam „de zwijger" bezorgd. Toch heeft hij, als hij zelf de tijd daarvoor gekomen achtte, met gevaar voor zijn leven radicale standpunten verkondigd, waarschijnlijk in de hoop dat hij door zijn moed, zijn morele moed, anderen respect voor zijn inzichten kon afdwingen. Hierin heeft hij zich ten opzichte van Philips vergist. De heerszuchtige Spaanse koning beschouwde iedereen die het waagde hem tegen te spreken als een verachtelijke schurk. Misschien heeft Willem dit pas ten volle beseft toen de ban over hem werd uitgesproken. Daar vóór had hij als rebel nog herhaaldelijk zijn trouw betuigd aan de vorst tegen wie hij in opstand gekomen was. Onbegrijpelijk in onze tijd. Maar voor een edelman in de 15de eeuw was het verbreken van een eed van trouw in beginsel iets waarmee hij zichzelf tot eerloze maakte. Willem van Oranje heeft door keer op keer zijn trouw te betuigen het gesprek met de koning niet totaal onmogelijk willen maken. Het was hem spoedig duidelijk, dat de koning dit gesprek niet wenste, maar hij hoopte waarschijnlijk de vorst er toch toe te kunnen dwingen. Ook dit was een misrekening.

Zelf was de Prins allerminst heerszuchtig. Hij was een onbaatzuchtig politiek leider. In zijn „Apologie" benadrukt hij nog eens, dat hij zichzelf beschouwt als een dienaar van het volk. De vertegenwoordigers van het volk, de Staten-Generaal, moesten volgens hem het laatste woord hebben. Toen het hem duidelijk was geworden, dat het Nederlandse volk, gedreven door particularisme, zich niet eendrachtig achter zijn idealen kon stellen, trok hij zich niet verbitterd terug maar zocht hij naar andere wegen om de vrijheid toch te veroveren. En ondanks alle kritiek, die hij zich daarmee op de hals haalde, bleef hij op zijn post omdat de Staten-Generaal dat wensten. Die standvastigheid kostte hem tenslotte het leven.

Toen hij stierf had hij al bereikt dat de macht van de Staten-Generaal zodanig was uitgebreid dat deze macht veel dichter bij het volk was komen te liggen. Hier werd de kiem gelegd voor ons huidige democratische staatsbestel.

Na de dood van de Prins ontwikkelde zich, dankzij zijn ideeën en vastberadenheid, het deel der Nederlanden dat zich van Spanje kon bevrijden, tot een staat, waarvan vorm en inrichting in Europa uniek waren: de sterke Republiek der Verenigde Nederlanden.

Republiek der zeven verenigde Nederlanden

Er bestond in de Republiek helaas nog geen godsdienstvrijheid, maar toch werden in deze nieuwe staat veel van de idealen van de Prins verwezenlijkt en kon er een cultuur in ontstaan die typisch Nederlands was en een ongekende hoogte bereikte.