We hebben 311 gasten online

Deel 3 Opstand en scheiding in de Nederlanden

Gepost in De Opstand

Het krijgsgebeuren

Habsburgse Rijk 1556-1618

Militair optreden was het Spaanse antwoord op de Beeldenstorm van 1566. Het lokte op zijn beurt ongeorganiseerd en daarna min of meer georganiseerd tegengeweld uit. Uiteindelijk hebben de machtsverhoudingen tussen de in de Nederlanden ingezette legers en de beschikbare geldmiddelen beslist over lukken of mislukken van de opstand. De frontgrens tussen de beide legermachten zou ten slotte de staatsgrens worden tussen twee Nederlandse staten.

DE LEGERS

law countries 1556 1648

Na de vrede van Cateau-Cambrésis in 1559, die een einde maakte aan de oorlog tussen Spanje en Frankrijk, was nog slechts een beperkte koninklijke troepenmacht van ongeveer tienduizend man in de Nederlanden op de been. Hiervan behoorden drieduizend tot de verouderde 'ordonnantiebenden' van zware ruiterij, die toen voor weinig meer dan de parade dienstig waren. Om het verzet de kop in te drukken stuurde Filips II in 1567 tienduizend Spanjaarden. Binnen ten hoogste anderhalf jaar zou het klusje worden geklaard. Vijf jaar later moest het koninklijke leger evenwel nodig tot 67 000 manschappen uit Spanje, Italië, Duitsland en zelfs uit Albanië worden versterkt en in 1574 tot 86.000. Wegens de onveiligheid van de Nederlandse kusten ten gevolge van de acties van de watergeuzen moesten de troepen vanuit Spanje en Italië via Genua, Milaan en de Alpenpassen en voorts deels over eigen gebied, deels over gebieden van bevriende staten naar de Nederlanden komen, een tocht van een kleine twee maanden. Het lukte Spanje overigens niet een serieuze en noodzakelijke Noordzeevloot op te bouwen. Nergens in de wereld had dit leger zijn weerga in kwaliteit, bewapening en vooral in aantal infanteristen.

In de landvoogden Alva, Requesens, don Juan en Parma beschikte het over indrukwekkende opperbevelhebbers, die op het slagveld of ter zee hun strepen hadden verdiend. Hoewel de lasten die de troepen rechtstreeks op de bevolking verhaalden, moeilijk te ramen zijn, bleek de Nederlandse bijdrage toch bij lange na niet toereikend om die troepenmacht te financieren. Waarschijnlijk werd in de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig drie vijfde van de kosten door de Spaanse schatkist gedragen.

Aanvankelijk werd het koninklijke leger regelmatig betaald, maar vanaf 1572 werd het herhaaldelijk met geldgebrek geconfronteerd. De weergaloze overwinning op de Turken bij Lepanto (1571) had geen beslissing kunnen afdwingen in de strijd van Filips tegen de Turken. Omdat de mediterrane vloot weer meer geld nodig had, kon sindsdien slechts de helft van de uitgaven van het leger in de Nederlanden worden gedekt. Dientengevolge werden wegens maanden en zelfs jaren achterstallige soldij geregeld nieuwe veldtochten verhinderd of werden behaalde successen ongedaan gemaakt door muitende soldaten. De militaire plannen van 1566 waren berekend op een snelle overwinning, maar de oorlog duurde veel langer dan de schatkist dragen kon. Door het tweede staatsbankroet van Filips II in september 1575 en door de dood van Requesens, raakte het laatste greintje vertrouwen van de soldaten helemaal op. In zomer en najaar van 1576 muitten en deserteerden zij op grote schaal. Zierikzee, dat op 2 juli 1576 voor de koninklijke troepen had gecapituleerd, werd dadelijk door dezelfde troepen verlaten. Al plunderend trokken zij naar Aalst, dat zij veroverden om er een muiterscentrum van te maken, waarmee zij de regering in Brussel bedreigden. Hun vogelvrijverklaring door de Raad van State was olie op het vuur van de algemene vijandigheid bij de bevolking. Tegen Spaanse soldaten volgde aanslag op aanslag. Bovendien keerden de nationale eenheden zich tegen de vreemde.

Toen op 4 november 1576 Antwerpen in handen van de Spanjaarden kwam, namen dezen gruwelijk wraak; achtduizend burgers werden vermoord en zeshonderd woningen verwoest. Deze Spaanse Furie eindigde pas met het vertrek van de vreemde soldaten na het Eeuwig Edict. Teruggeroepen door don Juan, diende Parma ze ingevolge het Traktaat van Atrecht opnieuw weg te zenden. Toen de buitenlandse troepen uiteindelijk in 1582 naar de Nederlanden terugkeerden, verdrievoudigde de Spaanse financiële bijdrage en zij bleef ook de eerstvolgende jaren groeien. Vooral de regelmaat van geldzendingen uit Spanje, door het langdurige bestand met de sultan, schiep weer vertrouwen bij soldaten en legerleiding.

De Nederlandse opstandelingen moesten het daarentegen zonder geregeld leger en zonder ervaren veldheren doen. De enige met ervaring in bevelvoering over een groot leger zou Egmond zijn geweest. Hendrik van Brederode, na het Verbond der Edelen algemeen leider van het verzet, had een legertje calvinisten verzameld, maar bracht er niets van terecht. In maart 1567 was hij met zware verliezen bij Antwerpen verslagen. Brederode vond trouwens het volgende jaar de dood, evenals de andere mogelijke bevelhebber Hoogstraten. Oranje die als verzetsleider opvolgde, was meer politicus dan militair. Zijn broers Adolf, Lodewijk en Hendrik sneuvelden op jonge leeftijd al vroeg in de opstand; alleen Jan bleef over, maar deze regeerde toen nog over Nassau. Andere legeraanvoerders die in aanmerking konden komen, stonden aanvankelijk aan de zijde van de regering.

Hoewel zij na de Pacificatie in het leger van de Staten dienden, verlieten zij na verloop van tijd de opstand (de `Malcontenten'). Anderzijds waren de stedelijke milities van gewapende burgers als veldleger ongeschikt, zo zij in de eerste fase al zouden hebben willen optrekken in het rebellenleger. Oranje heeft daarom van meet af aan gepoogd ballingen rond zich te verzamelen en in Frankrijk en Duitsland drie huurlingenlegers aan te werven om zijn aanvalsplannen ten uitvoer te leggen; één zou vanuit Frankrijk binnenvallen, een tweede via het zuidoosten en een derde via het noordoosten. Het was wel de bedoeling de drie legertjes tegelijk te laten aanvallen. Overigens hoopte Oranje op spontane ondersteuning van de Nederlandse bevolking zelf.

Tussen 1568 en 1572 kon hij echter slechts `rekenen' op geïsoleerde `guerrilla'. In Vlaanderen sloegen bosgeuzen, die door Nederlandse vluchtelingenkerken in Engeland waren aangeworven, af en toe bij verrassing toe om daarna weer onder te duiken. Vanuit Emden, La Rochelle en Engelse havens opereerden een duizend vluchtelingen onder leiding van lagere edelen als Willem van de Marck, Blois van Treslong en Diederik van Sonoy langs de kusten; in mindere mate evenwel in het Vlaamse kustgebied, omdat Alva's troepen sterk zeconcentreerd lagen in het roerige Vlaanderen en Brabant. Militaire bases waren zelden doelwit van bos- en watergeuzen; kerken en kloosters des te meer. Met grote moeite heeft Oranje de watergeuzen bij zijn invasieplannen trachten in te schakelen als vierde legertje, maar zij bleven ook hun zeeroversacties voortzetten.

Het was echter niet allemaal kommer en kwel. Kwamen de steden eenmaal in opstand, dan waren zij moeilijk inneembaar. Vele Nederlandse steden waren immers niet meer ommuurd, doch omgeven door met zware artillerie bewapende vestingwerken. De vestingen waren lager dan de middeleeuwse stadsmuren, maar veel dikker, uit metselwerk opgetrokken en met vierzijdige bastions versterkt. De nieuwe vestingwerken konden langdurig artillerievuur opvangen zonder dat er bressen konden worden geslagen. Daardoor waren de steden moeilijk in te nemen door een aanvallend veldleger. Alleen met een langdurige kostbare en manschappenverslindende blokkade die de verbindingen van de belegerden volledig afsneed, kon een stad worden genomen. De Hollandse en Zeeuwse steden hadden nog bijkomende troeven in handen. De bodemgesteldheid van `het Europese moeras' en de diepe en brede rivieren rondom Holland en Zeeland maakten het de Spaanse troepen extra moeilijk' Bovendien vingen de omringende landgewesten, die gemakkelijker te veroveren waren, vaak de eerste klappen op.

DE MILITAIRE ONTWIKKELINGEN

Tot 1572 verliepen de krijgsverrichtingen nogal zorgelijk voor het verzet. Oranjes plannen mislukten door geldgebrek en gebrek aan synchronisatie in de uitvoering; wegens de afstand tussen de bevelhebbers was die samenhang in de praktijk ook niet haalbaar. In het noordoosten maakte Alva aan de kortstondige successen van Lodewijk van Nassau en van de watergeuzen op de Eems bij Delfzijl een einde door zijn overwinning te Jemmingen (juli 1568). Alva dreef toen het cynisme zover, de overwonnenen te laten kiezen: afslachting ter plekke of de drie kilometer brede Eems overzwemmen. Bij de eerstvolgende vloed meldden hun aangespoelde hoeden de tallozevluchtelingen aan de Oostfriese kant hoe het was afgelopen. De inval in Brabant in oktober 1568 onder de persoonlijke leiding van Oranje mislukte. Hij moest met eigen ogen constateren dat de bevolking nog niet rijp was of geen hulp durfde te verlenen. Oranjes plan was verijdeld en financieel zat hij aan de grond. Geldgebrek was overigens een kwaal die de opstandelingen evenmin voorbijging. Alva feliciteerde toen zich zelf door op kosten van de stad Antwerpen in de citadel aldaar voor hem zelf een standbeeld te laten oprichten. De guerrilla van de geuzen bleef evenwel een bedreiging voor de Spanjaarden en voor de veiligheid van het land.

De steun die Oranje daarna buitenslands kon winnen, maakte nieuwe aanvallen mogelijk. Bovendien was de ontevredenheid bij de burgerbevolking enorm toegenomen, zodat de rebellen hiervan meerruggesteun verwachtten dan in 1568. Op 1 april 1572 viel het stadje Den Briel in handen van de watergeuzen, toevallig en geheel in strijd met Oranjes plan. Toch zou achteraf blijken dat de inneming van het stadje in de Maasmonding een beslissende hun voornaamste wending in het krijgsgebeuren was en het begin van de bevrijding van grote delen in Holland en Zeeland. In het najaar van 1571 waren troepenbewegingen aan de Duitse en Franse grenzen van de Nederlanden gesignaleerd, wat Alva had doen besluiten de versterkingen van de garnizoenen uit Holland en Zeeland terug te trekken en aan de grenzen samen te trekken.

De inneming van Den Briel deed hem niet van idee veranderen. Naar zijn oordeel zou de overgrote katholieke meerderheid van de bevolking in de Hollandse en Zeeuwse steden zich wel tegen de geuzen keren. Hij heeft echter de opgekropte haat tegen zijn bewind niet of te weinig onderkend. Pas op het eind van 1572 stuurde Alva zijn zoon met een leger naar Holland; de resultaten van de veldtochten van Lodewijk in Henegouwen en Willem van Oranje in Brabant waren ongedaan gemaakt en na de slachting onder de hugenoten in augustus 1572 tijdens de beruchte Bartholomeusnacht was de Franse bedreiging weggevallen.

Het beleg van Haarlem, dat ten slotte in juli 1573 capituleerde, had echter het voordeel de Spanjaarden maandenlang bezig te houden. Dit gaf de opstandige Hollandse Staten de gelegenheid de verdediging van Noord-Holland te reorganiseren en er de rebellie te consolideren onder leiding van jonker Sonoy.De opstandelingen kregen het echter bijzonder lastig toen Requesens de eilanden Schouwen en Duiveland - op Zierikzee na - overmeesterde.

Toen ook Zierikzee nog viel, hielden zij in Zeeland alleen nog Walcheren over. Bovendien bleken zij op Engeland niet echt staat te kunnen maken. Geen wonder dat Requesens in tranen was uitgebarsten, toen hij het nieuws over het staatsbankroet in 1575 hoorde. Militair gezien had hij het leeuwedeel van de Nederlanden onder controle.

Het jaar 1576 bracht daarentegen een zodanige ommekeer in de machtsverhoudingen, dat aan het eind daarvan het stukje koninklijk bewind nog slechts effectief gezag uitoefende in de provinciën Namen en Luxemburg en in Limburg aan de Vesder.Uit de ervaringen van zijn voorgangers trok de prins van Parma in 1578 de conclusie dat de oorlog tegen de rebellie niet te velde te winnen was. Belegering van steden, sluwe diplomatie, uithongering' taktiek en oordeelkundig gebruik van technisch middelen werden zijn strategie.

veroveringen Parma

Hij deed de Waals Staten afzonderlijke voorstellen die aanlokkelijke waren dan hij achteraf zou kunnen waarmaken/ Hun effect misten zij echter niet, want de Walen konden niet meer terug en deze gewesten vielen Parma in de schoot zonder dat zijn leger er een schot voor had moeten lossen. Dat geluk had hij ook in het noordoosten met het verraad van Rennenberg. Behalve Maastricht dat hij nog veroverd had vóór de verzoening met de Waalse liga, boekte hij nog een paar overwinningen die eveneens aan verraad te danken waren: Kortrijk en Breda in 1580. Doornik gaf zich eind 1581 over, toen de Staten-Generaal hadden meegedeeld geen hulp te kunnen sturen.

De frontlinie die nu van Kortrijk tot Groningen liep, bleef nagenoeg onveranderd ten gevolge van de vervanging van de Spaanse tercios door Waalse troepen. Pas in 1583, na de tweede terugkeer van de vreemde troepen en de nieuwe inzet van geldmiddelen uit Spanje, kon Parma werk maken van zijn groots opgezette heroveringsplan. In 1583 en vooral in 1584-1585 vielen bijna alle Vlaamse en Brabantse steden in Spaanse handen. Brussel capituleerde op 10 maart 1585 en Antwerpen op 17 augustus van dat jaar, dit laatste na een beleg dat een meesterwerk van militaire strategie en techniek was. Boven de rivieren waren toen alleen nog Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland boven de Waal en ten Westen van de IJssel, alsmede enige steden in Overijssel en Friesland, en de stad Venlo vrij. Het lag voor de hand, dat Parma die gebieden zou binnenvallen.

Na de dood van Oranje in 1584 stonden de opstandige gewesten zwakker dan ooit. Diverse omstandigheden zouden evenwel de plannen van Parma doorkruisen. De voornaamste was dat Filips II de voorrang gaf aan de voorbereiding van zijn interventies tegen Engeland en in Frankrijk en zijn landvoogd Parma beval naar de defensieve oorlogvoering tegen de rebellie over te schakelen.