We hebben 263 gasten online

WIC na de 4e Engelse Oorlog

Gepost in Geschiedenis Nederland

De Planters van Essequibo en Demerary (1780-1785)

De Vierde Engelse oorlog van 1780 tot 1784 zou voor de Republiek der verenigde Nederlanden het einde van haar status als grote zeemogendheid betekenen. Door een blokkade van de Nederlandse kust slaagde de Engelse vloot er in om de Republiek van haar koloniën af te snijden. Schepen van de West- en Oostindische compagnieën werden zonder slag of stoot in beslag genomen. Belangrijke overzeese handelsposten en nederzettingen gaven zich een voor een over aan een Engelse overmacht. 
Bij de vrede van Parijs werden vrijwel alle koloniën weer aan de Republiek teruggeven. De directie van de Westindische Compagnie probeerde haar vroegere macht in deze gebieden te herstellen door nieuw personeel en strenge wetgeving. Uit een petitie, geschreven door de plantagehouders van Essequibo en Demerary, blijkt dat dit voornemen beslist niet bij iedereen in goede aarde viel. 

De eerste Nederlandse handelsposten in Zuid-Amerika werden al aan het einde van de 16e eeuw gesticht. Ondernemende Zeeuwse kooplieden vestigden zich aan de kust van Guyana; het gebied tussen de mondingen van de Amazone en de Orinoco. Vanuit kleine factorijen dreven zij ruilhandel met de inheemse indianenstammen. Metaalwaren en textiel uit Europa werden geruild voor tabak, verfhout, huiden en tropische producten. 
De meeste factorijen waren door voortdurende overvallen van Spaanse en Portugese kolonisten gen lang leven beschoren. Toch bleef er vooral in het gewest Zeeland een grote belangstelling voor de lucratieve vaart op Guyana bestaan. In 1616 bereikte een Zeeuwse expeditie onder leiding van Aert Adriaenz. Van Groenewegen de monding van de Essequibo rivier, dat de kern zou vormen van een welvarende kolonie. 
Vanaf 1621 viel de kust van Guyana onder het octrooigebied van de Westindische Compagnie (WIC) die in datzelfde jaar was opgericht. Evenals haar grote voorbeeld de VOC was ook de WIC onderverdeeld in provinciale of stedelijke Kamers en een centrale directie; de Heeren Negentien. Na het aflopen van het twaalfjarig bestand met Spanje bestond er in de Republiek veel interesse voor een Compagnie die zich op Amerika zou gaan richten. Veelbelovende reisverslagen over de vruchtbare gronden van Noord-Amerika en de suikerplantages van Brazilië deden de beleggers op de Amsterdamse beurs het water in de mond lopen. Bovendien zou er zich bij het hervatten van de oorlog met Spanje een nieuwe bron van inkomsten aandienen: de kaapvaart. Het lag voor de hand om de beroemde zilvervloten, die jaarlijks zilver en goud uit de mijnen van Mexico naar de Spaanse havens transporteerden, te veroveren. Die gedachte deed zelfs bij vrome calvinistische predikanten de gouddorst ontwaken. 

De Westindische Compagnie in Zuid-Amerika 


Vanaf 1624 beheerde de WIC een groot deel van het huidige Brazilië. De ondergang van dit imperium is een verhaal apart. De winsten van de suikerplantages waren veelbelovend, maar de Compagnie werd meer en meer betrokken in een voortdurende en afmattende guerrilla-oorlog met de Portugese kolonisten. Door oplopende kosten en dalende winsten werd de positie van de WIC in Brazilië na 1651 onhoudbaar. De handelsonderneming zou het drama van ‘Versuimd Brasil’ nooit meer te boven komen. 
Door de strijd in Brazilië beschikte de Compagnie ook al niet over voldoende middelen om de koloniën in Guyana te beheren of nieuwe op te zetten. Voor particuliere kooplieden was het echter verboden om handel te drijven tussen de Republiek en het octrooigebied van de WIC: het Amerikaanse continent en West-Afrika. In oktober 1623 deden de bewindhebbers van de kamer Zeeland echter concessies aan particuliere kooplieden voor de exploitatie van bepaalde gebieden, tegen betaling van recognitie-gelden; als erkenning van de Compagnie. De Heeren Negentien stelden in 1628 een regeling op voor particuliere kolonisatieprojecten in Guyana, Brazilië en op de Caribische eilanden: ‘Vrijheden en exemtien’. Een particulier die een concessie voor het stichten van een kolonie verwierf, nam de verplichting op zich om het gebied binnen drie jaar met een redelijk aantal kolonisten te bevolken en suikerplantages aan te leggen. In ruil voor deze verplichtingen werd hem gedurende een bepaalde periode belastingvoordelen verleend, en kreeg de concessiehouder de gerechtelijke macht over het gebied. Wel waren in Guyana lokale raden van kolonisten of plantagehouders, die een stem hadden in het bestuur van de kolonie, voorgeschreven. 
Het verlies van Brazilië in 1654 bracht veel gevluchte suikerplanters, vooral van joodse afkomst, naar de rivieren Essequibo, de Berbice (1627) en de Pomeroon (1654). Na de verovering van de Engelse kolonie aan de Suriname rivier door een Zeeuwse vloot onder bevel van Abraham Crijnssen in 1667 kwam bijna de gehele kust van Guyana in Nederlandse handen. 
Particuliere maatschappijen, zoals de Sociëteiten van Berbice en Suriname, beheerden de grootste plantages aan de desbetreffende rivieren. De WIC bleef zich bezighouden met het bestuur over haar Caribische eilanden en de lucratieve slavenhandel waarop zij het monopolie bezat. Zo kon de Compagnie vanuit haar bezittingen in West-Afrika “aen de geseyde colonie jaerlycx te leveren sodanigen aental slaven als aldaer sullen wesen gerequireert en publyck te verkopen.”1Deze slaven werden in grote aantallen aangevoerd, verkocht aan de suikerplanters, en vaak onder erbarmelijke omstandigheden op de uitgestrekte plantages te werk gesteld. 

Essequibo en Demerary 


In 1674 werd de WIC, die zichzelf als oorlogsinstrument in de strijd tegen Spanje en Portugal had overleefd, ontbonden. Haar bezittingen gingen nog in hetzelfde jaar op in de zogenaamde Tweede WIC, die zich voornamelijk op handel en transport zou gaan richten. De eigendomsrechten op de nederzetting Essequibo werden bij deze gelegenheid door de Zeeuwse steden Vlissingen, Veere en Middelburg overgedragen op de nieuwe Compagnie. Daarmee viel Essequibo als enige Nederlandse kolonie in Zuid-Amerika direct en volledig onder de jurisdictie van de WIC. De inkomsten van de Compagnie uit Essequibo kwamen dan ook uit heffingen van grond, im- en exportbelastingen. Ook had de WIC het recht om land voor nieuwe suiker- of tabaksplantages te verkopen. Daartegenover stelde de Compagnie zich garant voor de verdediging en de organisatie van de kolonie. 
Het bestuur van Essequibo was in handen van een door de Compagnie aangestelde directeur-generaal, die werd bijgestaan door een raad bestaande uit planters en compagniedienaren. Onder het bewind van Laurens Storm van ‘s-Gravesande, die tussen 1742 en 1772 directeurs- Generaal van Essequibo is geweest bereikte de kolonie een zekere welvaart. Storm heeft zich ingezet voor de uitbreiding van het aantal plantages en de stichting van een volksplanting in 1746 aan de nabijgelegen Demerary rivier. Met bijna honderdveertig plantages zou Demerary de omvang van de moederkolonie Essequibo ver overtreffen. 
De ‘stemme des Volks deezer Riviere’ 
In 1782, tijdens de Vierde Engelse Oorlog, bleek hoezeer de Compagnie de verdediging van de koloniën had verwaarloosd. Essequibo en Demerary werden zonder moeite door Engelse schepen veroverd, die op hun beurt weer door een Franse vloot werden verjaagd. De planters werden geconfronteerd met vreemde bezettingsmachten, terwijl tot aan het einde van de oorlog in 1784 de handel en de verbinding met Nederland stil kwam te liggen. Na de Vrede van Parijs werden de gebieden weer aan de Republiek teruggegeven en probeerde de directie van de WIC met nieuw personeel en strenge wetgeving haar vroegere macht in Essequibo en Demerary te herstellen. Vooral de nieuwe verordening die de lokale raden van kolonisten aan banden moest leggen schoot de planters in het verkeerde keelgat. 
Op 10 juni 1785 schreven de “planters en ingezeetenen der Colonie van Essequibo en Demerary “ een “Requeste en Memorie” aan de Staten-Generaal, om de Hoogmogende Heeren “aan te kunnen toonen de onmogelijkheid dat deze Colonie langer kan blijven onder de beheering der Westindische Comp., en dat men dus, met allen Eerbied van gevoelen is, dat een verandering van bestuur noodzakelijk is.” De Staten-Generaal konden er zeker zijn dat het verzoek om de kolonie te verlossen van het juk van de WIC geenszins “het werk is van weinige driftige heedhoofden.” Integendeel, de ondertekenaars van de petitie waren “de grote meerderheid van alwat van de aansienlijkste planters sijn in de beide Rivieren, en met regt genoemd worden te sijn de Stemme des Volks deezer Riviere”. 
De planters van Essequibo en Demerary namen het de directie van de WIC bijzonder kwalijk dat ze de verdediging van de kolonie zo verwaarloosd had, en gedurende de hele oorlog niets van zich had laten horen. De kolonisten hadden in de oorlog “veel onaangenaamheden, die zij van Militaire Chefs - die zig geduurig verwisselden, zowel de Engelsche als Fransche Commandanten- ondergaan, zijnde ‘t overbekend, de willekeurige handelwijze, bijsonder in tijden van Oorlog en in zoo verre afgeleegene plaatsen.” Toch waren de kolonisten erin geslaagd om hun eigen bestuur - de lokale raden - overeind te houden. Bij de aankomst van de nieuwe directeur-generaal L’esspinage in februari 1785 hadden de leden van de raad al verwacht met een “gratificatie in Geld, zoo de bekrompene Staat van Finantie den Compagnie dit mogt toelaaten” beloond te worden. In plaats daarvan werden alle leden van de raden door L’esspinage ontslagen. De WIC was van mening dat bij de inname van de kolonie door de Engelsen “alle bediendens, soo hooge als laage, Politique en Militaire in de Rivier, geoordeelt sijn buiten ‘s Compagnies dienst te sijn geraakt.” Het gedrag van de Compagnie tegenover de lokale raden, die tijdens de oorlog toch goed hadden gefunctioneerd vonden de planters “iets, dat men niet weet te bevatten!” 2 

De ondertekenaars 


Een afschrift van het verzoekschrift van de planters van Essequibo en Demerary aan de Staten-Generaal ligt in het oud-archief van het stadsbestuur van Groningen dat in 1997 werd samengevoegd met provinciale archieven en sindsdien onder de naam ‘Groninger Archieven’ bekend staat. In de stad Groningen was een van de vijf kamers van de Westindische Compagnie gevestigd. Het is aannemelijk dat de Staten-Generaal, of de centrale directie van de WIC, afschriften van het verzoekschrift ter beoordeling aan de verschillende kamers heeft gestuurd. In 1788 gaven de Staten-Generaal opdracht tot het verbeteren van het bestuur in de Westindische koloniën, maar tot concrete maatregelen is het niet meer gekomen. In 1791 werden de bezittingen en schulden van de noodlijdende Compagnie overgenomen door de staat. Essequibo en Demerary kwamen onder het bestuur van een ‘Comité tot de Zaken van de Koloniën en Bezittingen op de kust van Guinea’; een voorloper van het latere ministerie van Koloniën. In 1815 gingen de bezittingen definitief over in Engelse handen. 
Als bijlage van het verzoekschrift vinden we een lange lijst van ondertekenaars; de planters van Essequibo en Demerary. Doordat een groot deel van het omvangrijke WIC archief in 1821 als oud papier verkocht werd is deze lijst een belangrijke bron van informatie over de planterssamenleving in 1785. Opvallend zijn de Franse en Engelse familienamen. Hugenoten die aan het einde van de 17e eeuw naar de Nederlandse koloniën kwamen en Engelse planters van Barbados en Jamaica hebben een grote rol in de ontwikkeling van Essequibo gespeeld. 

Ondertekenaars Memorie, voor Essequibo en onderhoorigen, 10 Juni 1785 

1. B. Albinius, 2. W.A.S. van Grovestins, 3. B.YD. Santheuvel, 4. H.B. Hartsinck, 
5. Hermanus Jonas. 6. Johan Hezant, 7. 
J.L. van den Heuvel, 8. J.Chr. Stoklim, 
9. Johan Fr. Boode, 10. William Elliot, 11. O. Sardi, 12. Chr. Wasterton, 13. David Elliot, 14. Edward H. Bermingham, 15. Josep Euskrain, 16. Le Eevr Cornette, 17. R. de Vries, 
18. U.B. Stammen, 19. J.L. Looff, 20. A.D. Les Desbarratz, 
21. B. de Saint Felix; ancien Redic: du Roy, 22. 
Anthony F. van Vos, 23. Jan Bastiaanse, 
24. N. Colombier; Veuve de Sasson, 25. L.S. Rigano, 26. 
James Bennett, 27. John Semple, 28. Francis Brown, 29. N. Bellot, 30. A.Timmerman, 31. Jacob Nateews, 32. E.de Rijck, 
33. N.Kirwan, 34. Charles Lowe, 35. Joseph Bowding, 36. Lincoln Rogers, 37. R.V. Hersel, 
38. J.S. Slengarde, 39. D.A. Slengarde, 40. Hendrik Keuweiler, 41. 
C.G. van der Weze, 
42. Joseph lewens, 43. Jeremias Storm van ‘S gravensande, 44. J.B. Slengarde, 
45. Thomas Long, 46. Pieter Schulz, 47. 
Hartin, 48. L.S. Garreau, 49. P. Anemaat, 
50. Berrinclos, 51. L. Vallyamos, 52. E. Butler, 53. J.P. Cache, 54. A.P.J. Baggen, 
55. B. de Witt, 56. H.H. Post, 57. C.F.H. de Florimont, 58. L. Ghignard, 59. J.H. Koning, 60. J.L. Hiescher, 61. J.J. Leotard, 62. P. Haley, 63. Martin Bollens, 64. André Dardier, 
65. J. Heron, 66. 
Willem Eeftinck, 67. Leonard Hoopstad, 68. Arthur Leary, 
69. S.G.C. Bruek, 70.Jan Rousman, 71. J. Gellot, 72. William Tubbs, 73. John Wallen, 
74. Willem Parckinson, 75. Hawis Drayton, 76. J.F.C Eefflen, 77. John Haslin, 
78. H.J. Cooten, 79. A. Cool, 80. Thomas Osborn, 81. Samuel Ramsden, 
82.ThomasDongan, 83. Arnold Freson, 84. Anna Frislin, 85. John Brotherson, 86. D. Luteers 
87. Thomas Caming, 88. C. Mulder, 89. S.D. Eyckhout, 90. 
Pieter Franquin le Bou, 
91. J.S. Jourdan, 92. Jacob Linguis, 93. G.S. Riem, 94. G.W. Prins, 95. 
Gard Greene, 
96. Thomas Rogers, 97. 
Thomas Porter, 98. D. Bretan jr., 99. Alleyne Culpeper. 
100. G.T.W. Buyser, 101. 
C.V. Oolen, 102. Lewis Sampson, 103. N. Roth, 
104. D.P.V. Brotherson, 105. P.G. Collin, 106. Adriaan Wilton, 107. J.J. Loncke, 
108. F.C. Loncke, 109. James Burton, 110. William Mansfield, 111. 
Nicolaas Pierson, 
112. F. Bogaert, 113. Harmanus Smits, 114. D. Breton, 115. 
H. Chapman, 
116. A. van der Schaft, 117. Pieter Hasfé, 118. D. Covereur, 119. William Forbes, 
120. James Herries, 121. William Grand, 122. 
Kenneth Shephert, 123. Louis Laliman, 

Van de Rio Demerary en onderhoorigen: 

1. B. Albinius, 2. W.A.S. van Grovestins, 3. B.YD. Santheuvel, 4. H.B. Hartsinck, 
5. Hermanus Jonas, 6. A.V. Doorn, 7. 
Enoch de Rapper, 8. C.F.S.G. Steenken, 
9. Cornelis Bootersz., 10. Johan Gottfried Plettner, 11. G.E. van Meyerhelm, 
12. Abraham van der Kaay, 13. Paulus Cordes, 14. Abraham Brux, 15. Johan Verdoel, 
16. M. Thierens, 17. John Ryan, 18. F.H.V. Duys, 19. Anthony Thierens, 
20. Pieter Simmons, 21. William Charter, 22. Sam Conway, 23. 
J. Fr. Deneken, 
24. Johan Stamper, 25. Jan Brussel, 26. Jacobus van Rooden, 
27. Clara Elisabeth van Engbrinck; weduwe van C. Booter, 28. Saloman Persick 
29. Josias Treurniet, 30. 
Hermanus Winthuys, 31. Abraham Booter, 32. Lorens Holzkow, 
33. Andreas Holzkow, 34. Abraham G.V. Cruyse. 


Noten 
1 Hartsinck, Beschryving van Guiana, deel 2, 627/628 
2 Archief van de Secretarie van het Stadsbestuur van Groningen 1594-1816