We hebben 231 gasten online

Ghanezen op zoek naar Hollandse voorouders

Gepost in Geschiedenis Nederland

Ghanezen op zoek naar de Hollandse voorouders:

"Stamvader Hermanus had in ieder geval lef"

de geschiedenis der Kust van Guinea beslaat geen schoone bladzijde in de geschiedenis onzer koloniën. Zij (…) getuigt van meer dan gewone wreedheid, meer dan alledaagsche bekrompenheid, betreurenswaardige verwaarlozing, zoowel onzer eigene belangen als van die der bevolking, groote zedeloosheid, onverschilligheid en egoïsme."
Zo noteerde de hoogleraar C.M. Kan in 1871, terugblikkend op bijna drie eeuwen Nederlandse activiteit aan de Goudkust. De bewoners van het huidige Ghana kijken met meer relativeringsvermogen terug op die geschiedenis. Akwaaba (welkom) in Elmina.

Verzameld op het katholieke kerkhof van Elmina staan de leden van de familie Ulzen en de familie De Heer. Aanleiding voor de bijeenkomst is de herdenking van het overlijden van dr. Edward Ulzen, een jaar geleden. Zijn weduwe, Christiana Ulzen-de Heer, staat naast de nieuw geplaatste grafzerk, met drie van haar kinderen. Niet bijzonders, eigenlijk. Behalve dat de dragers van deze Nederlandse familienamen even diepzwart ogen als de rest van de Ghanese bevolking.

Nederland heeft in Ghana niet alleen een reeks vervallen forten achtergelaten: honderden Ghanese families stammen af van verbintenissen tussen Hollandse mannen en Afrikaanse vrouwen. Het doopboek van de r.k. parochie van St. Joseph in Elmina leest als een personeelsregister van de West-Indische Compagnie (WIC): Van Dyk, Vroom, Pels, Welsing, Daendels, Huijdecoper, Last, Bartels, Halm, van Boven, Stokbrood, Ulzen, Swart Ulzen. De nazaten van de gereformeerde Hollanders zijn katholieke Ghanezen geworden. Wat betekenen de Hollandse voorvaderen voor hun afstammelingen in Ghana? Afro-Amerikanen, Antillianen en Surinamers beleven de pelgrimstocht naar hun Westafrikaanse "roots" vaak als een diep-emotionele ervaring. De Ghanezen van hun kant gaan wat relaxter om met hun Europese stamvaders. "Hij maakte een fortuin in de slavenhandel? Tja, dat verbaast me niet echt."

Elmina is al sinds de dagen van Columbus gewend aan de komst van Europeanen. De eerste Europese vestiging hier dateert van 1482, toen de Portugezen er een versterking bouwden.Volgens de overlevering was de plaatselijke vorst niet erg enthousiast over dat idee: hij stelde diplomatiek dat de Europeanen het ter plaatse waarschijnlijk te heet en te oncomfortabel zouden vinden. Terwijl "de hartstochten die wij allen gemeen hebben" onvermijdelijk tot conflicten zouden leiden.

Het eerste deel van die voorspelling werd bewaarheid: de Kust van Guinea zou berucht worden als het kerkhof der blanken, ook al was het hoge sterftecijfer meer te wijten aan hun ongezonde manier van leven en hun overmatig drankgebruik dan aan het tropisch-vochtige klimaat. Maar de "hartstochten" tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen hebben eigenlijk verrassend weinig problemen veroorzaakt. De Heren bewindhebbers in Amsterdam en Middelburg zonden weliswaar met slaapverwekkende regelmaat vermaningen uit tegen het zondige gedrag van hun personeel, dat "hoererij en overspel" bedreef met "mulatinnen en negerinnen", maar de Afrikanen van hun kant zagen minder bezwaren.

De Hollandse en Zeeuwse kooplieden hielden zich vanuit het kasteel St. George d'Elmina, het hoofdkwartier van de Westindische Compagnie in West-Afrika, vooral bezig met de handel in goud, ivoor en slaven. Toch mag Nederlands bezoek in Elmina rekenen op een vriendelijk welkom. "From Holland? That's nice! Akwaaba! (welkom)". Hoe dat zo? Vanuit Nederlands perspectief bezien is West-Afrika vooral een mislukte kolonie, stelt Thad Ulzen. Maar vanuit Afrikaans perspectief is dat eerder een voordeel. De Afrikanen zaten niet bepaald te wachten om gekoloniseerd te worden. De bewoners van Elmina waren zeer gehecht aan hun zelfstandigheid. De relatie met de Hollanders was in wezen een relatie tussen gelijke partners. De mensen in Elmina konden gewoon hun leven als Afrikanen voortzetten, terwijl de aanwezigheid van de Hollanders hen in staat stelde hun zelfstandigheid te bewaren tegenover vijandig gezinde buurstaten.



Thad Ulzen is de oudste zoon van de vorig jaar overleden dr. Edward Ulzen. Zijn vader had hem ooit verteld dat de vreemde familienaam afstamde van een Nederlander, Hermanus Ulzen. Mijn speurwerk in de Nederlandse archieven leverde inderdaad een Manus Ulzen op, geboren in Elmina. Hij trad in 1832 als 20-jarige in dienst van het Nederlands-Indisch Leger, met een contract voor zes jaar. Daarmee behoorde Manus Ulzen tot de allereerste groep Afrikaanse recruten voor Nederlands-Indië.

In de loop van de 19de eeuw zouden er nog zo'n 3.000 volgen. Manus Ulzen liep tijdens een militaire expeditie op Zuid-Sumatra een schotwond in zijn dijbeen op. Na behandeling in het militair hospitaal in Utrecht keerde hij in 1835 terug in Elmina, met een legerpensioen van fl. 142 gulden per jaar. Rond 1870 duikt hij opnieuw op in de Nederlandse archieven, nu als woordvoerder van de vrijburgers, de Eurafrikanen van Elmina, die protest aantekenen tegen de overdracht van de Nederlandsche Bezittingen ter Kuste van Guinea aan de Engelsen. Zijn zoon Bart volgde in vaders voetsporen, en tekende eveneens voor het KNIL.

Al e-mailend wordt de belangstelling van dr. Thad Ulzen, geboren in Ghana maar nu hoogleraar psychiatrie in North Carolina, definitief gewekt. In september reisde hij voor het eerst in zijn leven naar Nederland, als gast van de reunie van de Belanda Hitam, de Zwarte Hollanders, zoals de Afrikaanse soldaten op Java werden genoemd. Nu is hij in Elmina op zijn beurt gastheer voor Daan Cordus en Eef Cordus-Klink, in Indonesië geboren afstammelingen van de Afrikaanse soldaten, die voor het eerst voet op Afrikaanse grond zetten.

Thad Ulzen is vooral onbekommerd nieuwsgierig naar de Hollandse voorouders: "Alle mensen willen nu eenmaal zoveel mogelijk weten over hun roots. Mijn familie van moederskant, De Heer, is een gevestigde familie in Elmina. De familie-De Heer levert vanouds de chief van Elmina. Daar hadden we eigenlijk geen vraagtekens bij. Maar de afstamming van vaderskant, de Ulzens, daar wisten we maar weinig van. Die vraag naar onze herkomst heb ik gemeen met de Indo-Afrikanen in Nederland. Op de Indo-Afrikaanse reunie viel me op dat dat meesten er eerder Aziatisch dan Afrikaans uitzagen. Maar net zoals ik zat met de vraag naar die Hollandse voorouders, zo waren zij nieuwsgierig naar hun Afrikaanse afstamming. Wat we gemeen hebben is een minderheidspositie in de samenleving, en de vraag naar het onzichtbare deel van ons verleden."

Het bezoek aan Nederland leverde nog meer stukjes in de familiepuzzel op, mede dankzij twee historici van West-Afrika, dr. Michel Doortmont uit Groningen en drs. Natalie Everts uit Leiden, die bereidwillig hun archief-gegevens ter beschikking stelden. De familie-Ulzen blijkt uit Brielle te stammen en heette oorspronkelijk Ulsen. Na het overlijden van zijn vrouw trad de beroepsmilitair Jan Ulsen in 1731 in dienst van de West-Indische Compagnie, die hem benoemde tot vaandrig (commandant) van het garnizoen in Elmina. Hij nam zijn 10-jarige zoontje Roelof mee naar Afrika. Net als veel Europeanen overleed Jan Ulsen binnen een jaar na aankomst aan de Goudkust.

Ondanks die moeilijke start als weesjongen maakte Roelof Ulsen carrière in de WIC, terwijl hij tegelijkertijd een aanzienlijk privé-fortuin opbouwde, vooral in de slavenhandel op Suriname. In 1755 werd hij benoemd tot gouverneur in Elmina. In 1757 kocht hij twee slavinnen vrij, met wie hij een gezin had gesticht. Anders dan de meeste Hollanders aan de Kust had hij geen gezin in Nederland. Na meer dan 30 jaar aan de Goudkust vertrok Roelof Ulsen uiteindelijk in 1764 naar het vaderland, met medeneming van zijn 10-jarige mulatto zoon Hermanus. Het schip leverde zijn lading slaven -waaronder 32 slaven voor rekening van Roelof Ulsen- af in Suriname en zette koers naar Rotterdam. Nogal onverwacht stierf Roelof Ulsen tijdens de thuisreis. De kleine Hermanus arriveerde als weeskind in Rotterdam.

In 1779 duikt Hermanus op in de correspondentie van gouverneur Woortman in Elmina, die aan de bewindhebbers te Amsterdam bericht over de aankomst van ene Ulzen, "de bastaardzoon van wijlen gouverneur Ulzen."

De instructies van de Compagnie schreven voor dat alleen dienaren van de WIC zich in Elmina mochten vestigen. Ulzen had geen paspoort, geen papieren, helemaal niets. Hij beweert dat hij die niet nodig heeft, omdat hij hier is geboren, en dat hij zijn negerfamilie komt opzoeken, schreef Woortman, kennelijk verbaasd over zoveel onbeschaamdheid. De Gouverneur gaf opdracht om Hermanus Ulzen met de eerste gelegenheid terug naar Nederland te sturen. Maar daar heeft Hermanus zich kennelijk niet aan gestoord. Hij werd de stamvader van de Ghanese Ulzens, en de grootvader van de Manus Ulzen, die in 1832 in dienst van het KNIL trad.

Thad Ulzen barst na het aanhoren van de vertaling uit in een luide lachbui: stamvader Hermanus had in ieder lef, dat bevalt hem wel. En in de genereuze trekken van Roelof Ulsen, die de bemanning van het schip voortdurend tracteerde op "pons" (citroensap met suiker en brandewijn) herkent hij zijn eigen vrijgevige vader, Edward Ulzen. Maar gouverneur Ulsen was ook een slavenhandelaar.

"Je ziet altijd liever dat je voorvader een prins is dan een pauper, van wat voor ras hij ook is. Dus het is interessant om te weten dat hij gouverneur was. En wat de slavenhandel betreft: we wisten altijd dat veel mensen in Elmina zich bezig hielden met de slavenhandel, ook al werd er nooit over gepraat. Rijke Afrikanen hielden ook slaven in hun eigen huishouding, al was dat wel iets anders dan de plantage-slaven in Amerika. In onze eigen familie zijn mensen die niet behoren tot onze bloedverwanten, maar die tot de familie zijn gaan behoren omdat ze van huis-slaven afstammen. Het meest imposante gebouw in Elmina is Kasteel St. George, maar je ouders vertelden je alleen maar dat daar vroeger de Hollanders zaten. De slavenkerkers heb ik pas voor het eerst gezien met een schoolexcursie, maar toen zat ik al op de middelbare school. Ja, dat was wel een schokkende ervaring, want ik besefte best dat de Europeanen dat niet op eigen houtje gedaan konden hebben. De Afrikanen waren partners in de slavenhandel. Er is sprake van een collectieve ontkenning van dat aspect van de relatie tussen Europeanen en Afrikanen. We spreken er liever niet over, maar de slavenhandel kon alleen maar gebeuren omdat de Afrikanen aan de kust daaraan meewerkten."

Toch gaan de Ghanezen nogal relaxed met dat verleden om, veel meer dan bijvoorbeeld Afro-Amerikanen. Of Nederlanders.

"Afrikanen zijn geneigd om zowel de positieve als de negatieve kant van een situatie te bekijken. De Europese aanwezigheid betekende voor Afrika ook modernisering: we kregen toegang tot een grotere wereld. De mensen hier kijken nogal neutraal naar het verleden: ze vinden het niet geweldig opwindend, maar ze zien het ook niet als iets negatiefs." Dezelfde relaxte houding kenmerkte eeuwenlang de sexuele omgang tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen. Waar de Hollanders iedere zondag tijdens hun verplichte kerkgang in Kasteel St. George ingepeperd kregen dat ze in zonde leefden, hadden de Afrikaanse families er minder moeite mee om de Europeanen tijdelijk op te nemen in hun familieverband. In veel gevallen was er sprake van een formele verbintenis, die werd bezegeld door enkele geschenken aan de Afrikaanse schoonfamilie. De tijdelijke Hollandse "schoonzoon" die de regels overtrad, werd volgens Afrikaanse familiegewoonte beboet, hetgeen doorgaans voldaan moest worden met een fles jenever. De predikant van de WIC beperkte zijn pastorale zorgen doorgaans tot de Europeanen. De kerstening van Elmina begon pas na het vertrek van de Hollanders in 1872, met de komst van katholieke missionarissen uit Frankrijk.

"Polygamie was indertijd heel gewoon in Afrika. Ook als de Europese man al een gezin in Europa had, was dat vanuit Afrikaans gezichtspunt geen belemmering om ook een gezin in Afrika te stichten. Ik geloof niet dat de vaders van die Afrikaanse vrouwen dachten dat ze hun dochters in de goot dumpten. Vaak betrof het ook de meer welgestelde families in Elmina. In het algemeen hadden de Eurafrikaanse kinderen waarschijnlijk een voorsprong, ze hadden eerder toegang tot onderwijs en banen, en ze konden heel invloedrijk worden als tussenpersoon en tolk tussen de Europese en de Afrikaanse samenleving. Ze trouwden vaak onder elkaar. Een eeuw geleden waren de Eurafrikaanse families in Ghana erg invloedrijk, maar sinds de onafhankelijkheid maakt het weinig meer uit. Er kwamen meer kansen voor iedereen. Bovendien was Europese afstamming nooit het enige criterium voor maatschappelijk prestige. Het hielp ook als je van aristocratische komaf was, van een familie van chiefs. En het beste was natuurlijk als je beide kon combineren, zoals de familie-De Heer: zij zijn de koninklijke familie in Elmina, en tevens van Europese komaf. Maar voor mijn generatie maakt het weinig uit: zoals je ziet duurde het niet al te lang voordat we onze kleur weer hebben terug gekregen. Nu is het meer een kwestie van nieuwsgierigheid naar onze verre voorouders."

Die nieuwsgierigheid blijkt aanstekelijk. Thad Ulzens oudste dochter Adwoa (17) komt in december naar Nederland: haar eindexamenproject van de high school gaat over de geschiedenis van de Hollandse voorouders.


Ineke van Kessel

Deze reportage is mede tot stand gekomen dankzij een subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Het artikel heeft op 11 Januari 2001 in Trouw gestaan.

Voor een artikel over Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië van I. van Kessel:

Black Dutchmen