We hebben 252 gasten online

Deel 2 De Vrede van Nijmegen

Gepost in Geschiedenis Nederland

vrede van Nijmegen Deel 2 Rampjaar 1972 en gevolgen

In de aanvang van het jaar 1672 werd de prins van Oranje door de Staten van Holland en West-Friesland aangesteld tot kapitein-generaal, zij het slechts voor één veldtocht. Het vijf jaar geleden genomen besluit om het stadhouderschap voor eeuwig op te heffen werd stilzwijgend gepasseerd.

De entree van Willem in het openbare leven had tot onmiddellijk gevolg, dat hij zich voor de verdediging van de vaderlandse grenzen ging interesseren. Doch het resultaat van de inspectie van de vestingen langs de oostelijke rivierlinies was niet opwekkend. De prins hoopte echter dat de vestingsteden in het Kleefse langs de Rijn, waar de Hollanders volgens een oude overeenkomst troepen mochten onderbrengen, de verwachte Franse opmars dusdanig zouden kunnen vertragen, dat de daarachter liggende linies in volle paraatheid zouden gebracht kunnen worden.

Begin april kwamen in Den Haag de oorlogsverklaringen van Frankrijk en Engeland binnen, in mei die van Munster en Keulen. Daar Frankrijk intussen ook nog een alliantie met Zweden was aangegaan, waren de geunieerde provinciën volledig op eigen kracht aangewezen. Het enige lichtpunt was dat Brandenburg per verdrag beloofde (6 mei 1672) onder bepaalde voorwaarden de Nederlanden met een leger te hulp te komen.

De geschiedenis van de overval in het rampjaar is te bekend om hier uitvoerig gerelateerd te worden. Vanuit Charleroi trok Lodewijk met 120.000 man door Spaans gebied naar het Keulse. Van daaruit werden eerst de bases in het Kleefse veroverd, waarna Lodewijk bij Lobith de Rijn overtrok. Op 13 juni stonden de Fransen langs de lijn Arnhem-Nijmegen.

Het leger der Staten moest overal op de terugtocht en lag op 18 juni achter de waterlinie, verdeeld over Bodegraven, Muiden en Gorkum, onder Willem III, Johan Maurits en Generaal Wirtz. Veel verder zouden de Fransen niet oprukken, want in zijn nooit aflatende zelfverzekerdheid meende Louis XIV dat hij de Staten-Generaal de vrede zou kunnen dicteren. Aanvang juli werd de prins tot stadhouder benoemd — waarmee het vijf jaren tevoren opgestelde eeuwig edict, dat dit onmogelijk maakte, van de tafel werd geveegd — en tot kapitein- en admiraal-generaal der Unie. Hij en de stad Amsterdam zijn de ziel van het verzet tegen de Franse indringers geworden.

De door Frankrijk gedicteerde vredesvoorwaarden, door een Nederlandse delegatie in het Franse hoofdkwartier te Heeswijk in ontvangst genomen, waren even vernederend als onaanvaardbaar. Ook Engelse afgevaardigden namen in juli aan dit overleg deel, maar het buitensporige van deze eisen maakte dit eerste vredesoverleg volkomen overbodig. Al sloten Engeland en Frankrijk op 16 juli in Heeswijk een nadere alliantie, toch werden de eerste tekenen van een ommekeer al zichtbaar. Op 20 juli kwamen de Staten-Generaal tot een pact met de Duitse keizer, waarbij de laatste op zich nam troepen te leveren.

In het noorden stokte de aanval van de troepen van de bisschoppelijke vorsten van Munster en Keulen. Nadat zij vrijwel geheel Oost-Nederland onder de voet hadden gelopen, waren zij er niet in geslaagd Groningen stormenderhand in te nemen. Zij moesten het beleg half augustus opgeven, hetgeen het signaal werd voor een terugdringen der oostelijke invasietroepen in de komende maanden.

Johan de Witt, voor wie twee decennia als machtigste man in de Unie het raison d'état het belangrijkste richtsnoer was in zijn buitenlandse politiek, moest op 4 augustus ontslag nemen als raadspensionaris van Holland. 20 Augustus werden hij en zijn broer op beestachtige wijze vermoord.

 

 

De jonge stadhouder had thans alle mogelijkheden om een eigen beleid te gaan voeren. In de herfst drong Turenne Westfalen binnen en wist zeer doeltreffend een samengaan van keizerlijke troepen met die van de keurvorst van Brandenburg te verhinderen. Terzelfder tijd sloten de Duitse keizer, de koning van Denemarken, Brandenburg, Brunswijk, Luneburg en Hessen-Kassel een verdrag van wederzijdse hulp.

In het voorjaar van 1673 werd een tweede poging gedaan om tot vrede tussen Engeland, Frankrijk en Nederland te geraken. Onder Zweedse bemiddeling kwam men te Keulen tezamen. De ontvoering door de keizer van een keurvorstelijke gezant en andere incidenten de Fransen de onderhandelingen na een jaar afbreken. Nadat Denemarken zich formeel tot geallieerde van de Staten had vastgelegd — bijna al deze assistentieverdragen hielden in, dat voor Nederlands geld de verdragspartner troepen zou leveren — moest Brandenburg de volgende maand afhaken.

Om zijn door Frankrijk bezette Kleefse gebieden niet te verliezen, sloot het de vrede van Vossem (3 juni 1673). Frederik Willem van Hohenzollern zou voortaan een strikte neutraliteit naleven. een lichtpunt bleef het, dat de Engelse vloot geen kans zag haar tegenstander een definitieve nederlaag toe te brengen, waardoor de Nederlanden een invasie van de overzijde van de Noordzee bespaard bleef.

Het is in dit bestek onmogelijk alle verdragen te vermelden die in de zeven jaar van oorlog gesloten zijn. Eén moet zeker vermeld worden: het is de quadruple alliantie die eind augustus 1673 tot stand kwam: een verbond van de Staten-Generaal met Spanje, de keizer en Lotharingen. Het werd de eerste van de grote allianties tegen Frankrijk.

Hoe gecompliceerd de toestand was, kan geillustreerd worden door het feit dat op dit tijdstip de keizer Frankrijk nog niet de oorlog verklaard had (Oorlogsverklaring op 24 mei 1674. Behalve Hannover en Beieren zouden alle rijksvorsten aan deze oorlog deelnemen. Ook Münster en keulen verklaarden dus Frankrijk de oorlog)., terwijl Spanje het overwoog (oorlogsverklaring op 11 augustus 1674)dit werd mede veroorzaakt door het verlies van Maastricht op het einde van juni.

Inmiddels liet de keizer zijn Oostenrijkse troepen naar de Rijn oprukken. Samen met Spaanse eenheden en troepen onder Willem III werd Bonn belegerd. 17 Oktober viel het in geallieerde handen. Het verliezen van dit scharnierpunt in de Franse oorlogsvoering en andere plaatsen hogerop aan de Rijn noodzaakte Lodewijk XIV de komende maanden de Nederlanden te verlaten. Utrecht en Holland werden nog vóór het einde van het jaar door de Fransen ontruimd.

Onder de hertog van Luxemburg, de derde grote veldheer in de veldtocht tegen de Noordelijke Nederlanden, werden in december de teruggetrokken regimenten op de Mookerhei verzameld om vandaar naar Frankrijk terug te keren. Terwijl de troepen in hun winterkwartieren waren, kwam in de Nederlanden een beweging op gang die zich ten doel stelde het stadhouderschap en de daarmee verbonden functies erfelijk te verklaren in de mannelijke lijn. Nadat de afzonderlijke gewesten hiermee ingestemd hadden, gingen ook de Staten-Generaal hiermee accoord.

Als onmiddellijk gevolg hiervan kreeg in april 1674 Utrecht een nieuw regeringsreglement, bijna een jaar later ook Gelderland en Overijssel. In deze gewesten kreeg de erfstadhouder zeer breedgaande bevoegdheden. Een week nadat de Staten van Holland Willem III verheven hadden, sloot de Engelse koning de vrede van Westminster. Hierbij werd de vroegere status quo tussen de beide staten hersteld. Een van de persoonlijke doelen, waarvoor Karel II ten strijde was getrokken, was bereikt: zijn neef was in de Republiek aan de macht gekomen.

In het voorjaar verklaarde de Duitse rijksdag zich in oorlog met Frankrijk, waaraan ook Brandenburg gevolg gaf, dat een jaar eerder een solemnele vrede met Lodewijk XIV had gesloten. In twee jaar tijds waren de rollen gekeerd: nu was Frankrijk geisoleerd en de Republiek, als men haar zo mag noemen, stond niet langer alleen doch werd door bondgenoten gesteund.

Eind mei verlieten de Franse troepen het grondgebied van de Unie met uitzondering van Grave. Ook Maastricht bleef bezet, terwijl de Munstersen en Keulsen reeds eerder het grondgebied van de Unie verlaten hadden.

Op 3 juni 1674 stuurde de Engelse koning een brief aan de Staten-Generaal, waarin hij aan de oorlogvoerende mogendheden zijn bemiddeling aanbood om tot een algemene vrede te geraken. Tevoren had Karel II reeds voeling genomen met de keizer, de Franse en Spaanse koning.

Het is dit initiatief geweest dat, onder andere, geleid heeft tot de vredes van Nijmegen. De bemiddeling werd door geen der partijen afgewezen, waarna vanaf november 1674 een plaats gevonden moest worden die voor alle bij de vredeshandel betrokkenen aanvaardbaar was.

Aan belangrijke militaire gebeurtenissen was het jaar niet rijk. De bloedige slag bij Seneffe (bij Bergen in Henegouwen) eindigde niet in het voordeel van de geallieerden onder Willem III. Enige weken daarna begon het Staatse leger onder Rabenhaupt, de held van het ontzet van Groningen, aan een beleg van Grave. Begin oktober begaf de prins van Oranje zich persoonlijk naar dit strijdtoneel en de 26e van dezelfde maand capituleerde de Franse bezetting. Op het eind van het jaar brak ook in Noord-Duitsland de oorlog uit. Tegen de grote keurvorst riep Frankrijk Zweden ter assistentie. Eind december viel Wrangel Brandenburg binnen en poogde de Zweedse koning door het scheppen van een tweede front de Franse troepen elders te ontlasten. In 1675 ging Denemarken actief aan de zijde der geallieerden aan de oorlog tegen Zweden deelnemen.

Zie verder Deel 3: Deel 3 De Vrede van Nijmegen