We hebben 231 gasten online

Deel 3 De Vrede van Nijmegen

Gepost in Geschiedenis Nederland

vrede van Nijmegen Deel 3 Strijdverloop en onderhandelingen tot de vrede

Het strijdverloop van de komende jaren tot aan de vrede kan kort samengevat worden in de constatering, dat de Franse troepen — nadat zij in 1674 Franche Comté opnieuw veroverd hadden — via Rijnland-Pfalz langzaam verder het Duitse rijk binnendrongen, dat de Brandenburgse troepen erin slaagden Zweden terug te dringen diep op eigen grondgebied en Willem III het niet gelukte een doorslaggevende overwinning, als de verovering van Maastricht, op de Fransen te behalen.

Ter zee hielden de vloten zich vrijwel in evenwicht.Lodewijk XIV raakte er steeds meer van overtuigd, dat het onmogelijk was 'Holland' te verslaan en zijn aandringen op vredesonderhandelingen werd merkbaar.

Omgekeerd verlangde ook de Republiek naar vrede. De handel liep steeds meer achteruit en de subsidies aan de coalitiegenoten stegen tot ongekende hoogten. Nu haar troepen buiten het eigen grondgebied vochten — in de Zuidelijke Nederlanden en aan de Duitse Rijn —, hoopten Willem III en de Staten-Generaal gunstiger vredesvoorwaarden van de Franse koning te kunnen bedingen dan hij in Keulen nog gesteld had.

Nadat in het begin van het jaar 1675 door de Staten van Holland en Zeeland niet ingegaan was op het op Nijmeegs initiatief door de Gelderse landdag gedane voorstel om de prins met de hertogstitel te vereren, hetgeen in feite zou betekenen dat de stadhouder als souverrein kon optreden, begonnen de Staten-Generaal zich te bemoeien met de plaats van samenkomst voor de komende vredesbesprekingen.

Nadat men Frankfurt aan de Main, Keulen, Straatsburg, Hamburg, Aken, Luik, Breda, Londen en Meurs successievelijk had afgewezen, konden ook zij tenslotte meegaan met het voorstel van de Engelse koning om Nijmegen te bestemmen als de stad waar de gezanten zouden delibereren.

Reeds op 17 februari 1675 had de Franse koning de hertog van Vitry, Colbert, Markies van Croissy en de graaf van Avaux tot zijn gevolmachtigde ambassadeurs benoemd voor de aankomende onderhandelingen.

Nadat de Staten-Generaal beraadslaagd hadden over het subject van de vredehandel in al zijn onderdelen, legden de door haar aangewezen gezanten, Van Beverningk, Van Haren en Odijk, eind april de eed af op hun onomkoopbaarheid.

Het zou overigens nog tot 28 december duren eer Colbert en d'Avaux uit Parijs vertrokken met als eerste reisdoel Charleville. De Vitry was door ziekte verhinderd mee te gaan. In zijn plaats werd vervolgens de maarschalk Godefroi, graaf van Estrades, benoemd.

In november had Karel II duidelijk laten blijken als médiateur te willen blijven optreden door alle geinteresseerde staten te verzoeken zo spoedig mogelijk hun gevolmachtigde ambassadeurs naar Nijmegen te zenden.

Als eerste van een zich gestaag maar uiterst langzaam uitbreidend ambassadeurscorps arriveerde op 16 januari 1676 Lionel Jenkins, als gezant van de bemiddelende Engelse koning. Acht dagen later kreeg hij gezelschap van de door de Staten-Generaal benoemde gemachtigde ambassadeurs Van Beverningk en Van Haren. Hun Franse collega's toefden nog steeds in Charleville.

Om Nijmegen te bereiken moesten aan hen en hun aan functionarissen (en bagage) rijk gevolg passen uitgereikt worden om via vijandelijk gebied naar Nijmegen te reizen. Hier deden zich grote problemen voor, omdat de Franse koning weigerde de hertog van Lotharingen als zodanig te erkennen. Toen Lodewijk XIV eindelijk toestemming gaf om deze titel in de reisdocumenten te vermelden, kon in mei de uitwisseling van de passen beginnen.

Toch zou het nog tot 13 juni duren eer het Franse gezelschap binnen de muren van Nijmegen toefde. Het getwist om de juiste titulatuur en aanspreektitel van de gezanten en van hen in wier dienst zij waren, zou ook in Nijmegen nog maandenlang de gemoederen bezig houden.

Ook het ceremonieel dat de diverse afgevaardigden tegenover elkaar in Nijmegen in acht zouden moeten nemen, was oorzaak van meerdere controverses, die leidden tot eindeloze discussies over de hoogheidsrechten der regerende vorsten, waarin de Franse gezanten de indruk trachtten te doen postvatten, dat Lodewijk XIV — na de paus — de primus was onder de prinsen van Europa.

Daarnaast werd er vele malen vergaderd en werden talrijke nota's uitgewisseld over de uitgestrektheid van het gebied om Nijmegen, waar een strikte neutraliteit zou heersen, hetgeen niet enkel de onschendbaarheid van de gezanten zou regarderen, doch ook de bevolking van die streek zou vrijwaren voor de gevreesde inning van contributies door Franse troepen.

Ook het juridische gevit over de tekst van de volmachten der diverse afgevaardigden deed vrezen, dat het nog geruime tijd zou duren aleer men tot direct, op het beëindigen van de oorlog gericht onderhandelen zou geraken.

Begin juli 1676 kreeg de Engelse bemiddelaar Jenkins gezelschap van Sir William Temple, doch de vertegenwoordigers van Zweden, de keizer, Spanje en Brandenburg — om de'voornaamsten te noemen — ontbraken nog steeds op het appèl. Hun afwezigheid vergemakkelijkte het de Franse gezanten de afgevaardigden van de Staten-Generaal te polsen over een afzonderlijke vrede tussen Den Haag en Parijs.

Ook op ander niveau zijn er dit jaar — en eigenlijk gedurende heel de oorlog — meestal geheime contacten geweest tussen de Republiek en het Franse koninkrijk, maar aangezien vooral Willem een generale vrede wilde en Frankrijk daarentegen het liefst de Unie losgeweekt zag van zijn bondgenoten, bleven deze pogingen lang zonder enig effect.

Eind augustus 1676 worden de vertegenwoordigers van de Zweedse kroon in Nijmegen welkom geheten: graaf Oxenstierna en Olivenkrantz. Precies een maand later kregen de Franse ambassadeurs van hun vorst order de eerste van de ultimata bekend te maken, die in kritieke fases van de negotiaties nog door meerdere gevolgd zouden worden.

De Franse koning eiste dat binnen een maand de gezanten van de belangrijkste geallieerden in Nijmegen aanwezig zouden zijn, anders zou hij zijn gevolmachtigden terugroepen. De Nederlandse gezanten wilden zich niet aan het Franse verlangen onttrekken, maar zagen het opwerpen van allerhande procedurekwesties als een welkom middel om tijd te rekken tot de principale gezanten ter plekke waren. Inmiddels had de fransgezinde Berkeley, eerste der Engelse médiateurs, zijn intrek in Nijmegen genomen. In juni 1677 zou hij naar Engeland terugkeren, niet tot verdriet van Temple, die zich als een opposant van Frankrijk manifesteerde.

Nog vóór het einde van het jaar arriveerde de Spaanse Don Pedro Ronquillo, die aanvankelijk incognito in Nijmegen verbleef, welke handelwijze ook verschillende andere gezanten om uiteenlopende redenen tot de hunne maakten. Op 3 januari arriveerde uit Wenen, waaruit hij maanden geleden vertrokken was, de graaf Van Kinsky, tweede in rang onder de keizerlijke gezanten. Vanaf die dag waren de voornaamste belligerenten in Nijmegen vertegenwoordigd, omdat ook Von Somnitz en Blaspeil namens de keurvorst van Brandenburg inmiddels aangekomen waren.

Men mocht nu verwachten, dat de onderhandelingen die tot een definitief vredesverdrag zouden leiden, spoedig een aanvang zouden nemen. Nog maanden lang kwamen in 1677 gezanten en waarnemers te Nijmegen binnendruppelen, maar hun af- noch aanwezigheid had enige invloed op de voortgang van de gesprekken tussen de verschillende partijen.

Slechts de komst van één afgevaardigde zij hier apart gememoreerd (begin juni 1676). Zijn naam was Bevilaqua en hij was titelpatriarch van Alexandrië en kwam als afgezant van de paus, aan wie door sommige staten ook een intermédiaire rol was toebedacht. Door niet-katholieke staten zoals de Noordelijke Nederlanden werd deze bemiddeling niet geaccepteerd en werd aan zijn aanwezigheid in Nijmegen geen enkele aandacht geschonken. Wel hebben de Fransen voor het sluiten van de vrede met de Duitse keizer van zijn-médiateurschap gebruik gemaakt.

Overigens ontstonden er steeds nieuwe problemen. Had men aanvankelijk in de woningen van de ambassadeurs geconfereerd, zo ging men er langzaam toe over in het stadhuis en in de aangebouwde ruimten van de gedeputeerden van het kwartier van Nijmegen te vergaderen. Ook hier waren weer talloze protocollaire moeilijkheden, variërend van de aan de tafel in te nemen plaatsen tot het hanteren van de juiste aanspreektitel.

Ook het taalgebruik in de schriftelijke stukken — latijn, Frans of de eigen taal — schiep zwarigheden. Tenslotte waren er onenigheden over de wijze van onderhandelen: schriftelijk of mondeling. Op instigatie van Van Beverningk en Van Haren gaf men de voorkeur aan mondeling contact.

Begin maart 1677 waren voor al deze perikelen oplossingen gevonden. Op de derde van deze maand was het zover, dat de eerste voorstellen door de voornaamste geallieerden aan Frankrijk gericht en omgekeerd, de médiateurs schriftelijk werden overhandigd.

De Staten-Generaal verlangden van Frankrijk de erkenning van hun aanspraken op Maastricht en de schadeloosstelling van de prins van Oranje, door de Fransen van Orange beroofd. Verder wensten zij met Frankrijk een handelsaccoord af te sluiten met gunstiger uit- en invoerrechten dan de laatst geldende. Frankrijk stelde de Noordelijke Nederlanden geen bijzondere eisen, wilde haar grondgebied intact laten en was zelfs bereid over een handelsverdrag te confereren.

De vriendelijke toon van het Franse geschrift verschilde aanmerkelijk van de uitspraak van Lodewijk XIV, toen hij vóór de aanvang van de geplande verovering van het grondgebied van de Republiek haar bewoners een volk van kramers en viswijven noemde. Tot de meeste geallieerden stelde hij de eis dat de status quo, bereikt bij de vrede van Westfalen, gehandhaafd of hersteld moest worden.

Met grote nadruk stond de Franse koning erop, dat aan zijn bondgenoot Zweden het in deze oorlog verloren gebied volledig gerestitueerd zou worden. Over de zaak van Lotharingen, een blijvende twistappel bij de onderhandelingen, werd in het geheel niet door de Fransen gesproken en de voorstellen van de Lotharingse hertog Karel V werden niet in ontvangst genomen.

Bij de deelnemers aan het congres was de mening overheersend — al werd dit door de Fransen in het openbaar steeds bestreden —, dat Lotharingen, dat in 1662 een onduidelijk verdrag met de Franse kroon had gesloten en sinds 1670 door Franse troepen bezet was, door Frankrijk geannexeerd zou worden.

In de nu volgende maanden polsten de Franse gezanten opnieuw de gevolmachtigden der Staten-Generaal over een bijzondere vrede tussen beide staten. Meer resultaat dan een waarschuwing van dezelfde Staten aan de Engelse koning, via de gezant Van Beuningen, dat als er geen schot in de onderhandelingen zou komen, zij een separate vrede zouden sluiten, werd door de Fransen niet geboekt.Via Jenkins en Temple werden op 2 juni de wederzijdse antwoorden op de voorstellen van 3 maart aan de betreffende gezanten overhandigd.

Anderhalf jaar na de komst van de eerste deelnemers aan het vredescongres was thans het stadium bereikt, waarin de diplomaten — in overleg met hun vorsten en regeringen — zouden gaan pogen elk voor eigen land, doch gezamenlijk, met Frankrijk tot overeenstemming te komen. Voor de twee in Nijmegen aanwezige Nederlandse extra-ordinaris ambassadeurs was het consulteren van de Staten-Generaal en de Stadhouder geen probleem. Daarentegen klaagden Kinsky, Strattman en de bisschop van Gurk met regelmaat over het lange uitblijven van instructies uit Wenen.

Voor de Zweedse gezanten was het contact met het moederland vrijwel onmogelijk, omdat Denemarken bleef weigeren passen te verstrekken aan Zweedse koeriers.Op 8 oktober vroeg Willem III aan de Staten van Holland verlof voor een reis van enige weken naar Engeland, waarheen Temple uit Nijmegen reeds vertrokken was. Eind oktober vernamen de gezanten in Nijmegen, dat het doel van zijn reis was een huwelijk aan te gaan met Maria, dochter van de hertog van York, broer van de Engelse koning. De mare van dit in november gesloten huwelijk gaf aanleiding tot vermoedens, dat Karel II minstens sterkere steun zou verlenen aan de geallieerden, zo hij al niet volledig zijn zogenaamde neutraliteit — door zware subsidies was Karel II nog steeds aan Lodewijk verbonden - zou laten varen en tot het kamp van de vijanden van Frankrijk zou toetreden.

Het Engelse parlement, in Karels regeringsperiode een nauwgezet bewaker van de door de koning voorgestelde militaire uitgaven, stond wel een ruim crediet toe en had er geen bezwaar tegen dat een leger naar het vasteland vertrok, maar door een geheim verdrag met de Franse koning — één van de vele die Karel sloot — werd dit besluit van generlei waarde.

In Nijmegen werden de Fransen inmiddels toeschietelijker jegens de Nederlandse gezanten en deden zij vooral concessiés op-het terrein van de toltarieven voor in- en uitvoer. Deze Franse toegeeflijkheid kon een gevolg zijn van Lodewijks angst, dat Engeland stilaan de neiging voelde zich bij de coalitie van de geallieerden aan te sluiten.

Na half november kwam er een pauze in de Nijmeegse onderhandelingen. Af en toe werd er tussen twee delegaties contact opgenomen, maar de strenge winter van 1677/1678 werd vooral gevuld met feesten en vertier.

In Engeland kregen de door Willem III bij zijn bezoek geuite denkbeelden een steeds breder gehoor. Op de laatste dag van het jaar 1677 kwam het tot een verdrag tussen Engeland en de Staten-Generaal. Hoofddoel hiervan was het bevorderen van een vrede tussen Frankrijk en Spanje.

Toen op 10 januari de Franse ambassadeurs hun Nederlandse collega's te Nijmegen bezochten, deelden Van Beverningk en Van Haren hun duidelijk mede, hoe zij zich deze vrede voorstelden. Meer steden dan de Fransen wensten terug te geven zouden in Spaanse handen moeten komen, opdat de Zuidelijke, Spaanse, Nederlanden een geduchte barrière zouden kunnen vormen tussen Frankrijk en de Unie. Ondanks een ultimatum van de Franse koning, dat vóór 1 februari vrede gesloten moest worden, werd er aan de conferentietafels weinig vooruitgang geboekt.

Om meer haast te maken met het sluiten van de vrede — ook Frankrijks financiële middelen waren, ondanks een rigoureus doorgevoerd belastingsysteem en het opleggen aan de bevolking van de bezette gebieden van vaak niet op te brengen schattingen, niet onbeperkt —, besloot de Franse koning in de Zuidelijke Nederlanden tot een bliksemoffensief.

Op 9 maart viel Gent in Franse handen om zo de Engelse troepen, indien zij in Ostende zouden landen, de doorgang naar Vlaanderen te beletten, en op 23 maart gaf de vesting Yperen zich over, waarmee de weg naar de Nederlanden open lag.

Maar niet enkel militair namen de Fransen het initiatief in handen. Op 15 april legden zij in Nijmegen een ultimatum op tafel, dat de eis bevatte dat op 10 mei duidelijke antwoorden op tafel moesten liggen. Aan deze laatste datum werd niet zo zwaar getild, omdat men de eerder getoonde bereidheid van de Fransen kende om dergelijke termijnen te verlengen. Wel maakte het grote indruk, dat de Franse koning voor het eerst in Nijmegen een gesloten pakket van maatregelen voorstelde die genomen zouden moeten worden bij het sluiten van vrede met elk van Frankrijks vijanden. Tijdens de gesprekken van Karel II en Willem III had de Franse koning deze eisen in Londen al bekend doen worden, nu echter werden zij algemeen verbreid.

Het verdere verloop van de onderhandelingen zou leren, dat deze uitvoerige nota van 15 april 1678 voor de Franse onderhandelaars het raam zou worden waarbinnen vrijwel zonder speelruimte de tekst van het aanstaande vredesverdrag geweven zou moeten worden. Het eerste artikel, door Lodewijk als fundament van alle overige artikelen aangeduid, hield een volledige restitutie in van het door zijn bondgenoot Zweden in de oorlog verloren gebied (de overige verbondenen met Frankrijk waren op dit moment de hertog van Holstein-Gottorp en de bisschop van Straatsburg).

Zie verder Deel 4: Deel 4 De Vrede van Nijmegen