We hebben 347 gasten online

Deel 4 De Vrede van Nijmegen

Gepost in Geschiedenis Nederland

vrede van Nijmegen Deel 4 Gunstigste voorwaarden voor Holland

De Hollanders kregen de gunstigste voorwaarden: Maastricht zou hun toebedeeld worden en een gunstig handelsverdrag stelde hij hun in het vooruitzicht. De koning was verder bereid een aantal steden in de Zuidelijke Nederlanden aan Spanje terug te geven zonder deze staat volledig genoegdoening te geven. Voor het overige hield hij vast aan de bepalingen van de Westfaalse vrede.

Wat Lotharingen betreft: Nancy zou in Franse handen komen evenals de noordelijke vesting Longwy, terwijl hem de beschikking gegeven moest worden over vier aanvoerwegen dwars door dit land heen.

Op 3 mei werden in het register van de Staten uittreksels ingelast uit besluiten van de vroedschap van Amsterdam. Zij behelsden de desolate toestand van de landelijke en stedelijke financiën, het volledig wegkwijnen van de handel en de constatering dat voortgang van de oorlog de ondergang van de staat betekenen zou. Het is een geluid uit vele, maar bewijst hoezeer de meerderheid der regenten dringend naar vrede verlangde.

Op 5 mei besloten de Staten om verlenging te vragen van de termijn van 10 mei. Lodewijk schoof deze eerst op tot 20 mei, daarna nog langer.

Hoewel een eerder door Frankrijk voorgestelde langdurige wapenstilstand door Van Beverningk afgewezen werd met het oog op de verplichtingen jegens de geallieerden, zo was deze ervaren diplomaat verstandig genoeg om in te zien dat ook het verloop van de oorlog een lang uitstellen van een vredessluiting niet meer verdroeg.

Er volgden daarop koortsachtige besprekingen tussen de geallieerden in Nijmegen. Van Bevernir bleef aandringen op het voorstel tot het aangaan van een wapenstilstand en liet doorschemeren vooral door de onwilligheid van de keizer om de oorlog te beëindigen — de Staten-Generaal gedwongen zouden kunnen zijn een afzonderlijke vrede te sluiten, wellicht in verbinding met SF dat in de Zuidelijke Nederlanden — ook Leuven viel in Franse handen — steeds meer terrein verloor en absoluut niet meer in staat was de oorlogslasten te dragen. Op 18 mei schreef de Franse koning brief aan de Staten-Generaal vanuit Vlaanderen, waarin hij onder meer meedeelde, dat hij tot 27 mei in de omgeving van Gent zou verblijven en daar gaarne gedeputeerden van de Staten wilde ontvangen.

Na een aanvankelijke weigering om op dit verzoek in te gaan, besloten dezelfde Staten Van Beverningk naar de Franse koning af te vaardigen en hem te verzoeken een wapenstilstand van weken toe te staan, in welke periode de Staten zouden pogen de geallieerden tot vredessluiting bewegen. Op 1 juni werd Van Beverningk door de Franse koning in zijn hoofdkwartier bij Wett privé-audiëntie ontvangen. Hem werd een memoriale overhandigd voor de Staten-Generaal, waar Lodewijk dezen een wapenstilstand toestond van zes weken, beginnend 1 juli 1678.

Nadat Van Beverningk op 6 juni in Nijmegen was teruggekeerd, deelde hij zijn geallieerde collega's de in inhoud van het Franse voorstel mede. Schriftelijk werden hun antwoorden op 10 juni aan de Nederlandse ambassadeurs overhandigd. Alleen Spanje was naast de Staten-Generaal bereid de Franse eisen in te willigen. Begin juni verschijnt ook eindelijk Odijk op het Nijmeegse vredestoneel en neemt direct actief deel aan de onderhandelingen.

Op 17 juni deelden de gezanten van de Republiek hun Franse collega's mede, dat de Republiek bereid was op de gestelde voorwaarden vrede te sluiten. Men hoopte vóór het ingaan van de wapenstilstand het werk 'ten principale' ten einde te brengen.

Op 20 juni vond te Nijmegen de vergadering plas waarop de beslissing zou vallen. De Nederlanders hadden de geallieerden gedwongen thans definitief stelling te nemen. Slechts Spanje was bereid de oorlog te beëindigen, de anderen wensten niet op de als zeer hard ervaren Franse voorstellen in te gaan en koesterden heimelijk de hoop, dat de zomer- veldtocht de verbonden troepen doorslaggevende successen zou brengen.

Vooral de keizerlijke gezanten toonden zich diep teleurgesteld nu het duidelijk werd, dat de Staten-Generaal een afzonderlijke vrede met de vijand zouden gaan sluiten. Voor diezelfde Staten waren zij in de oorlog getreden en zij waren begaan met het lot van de hertog van Lotharingen, die 'aen de quaetste koop’ was.

Kenmerkend was ook het antwoord van de Deense gezanten, die stelden dat alle op Engeland gekoesterde hoop tevergeefs was geweest. Zij kenden de ontzaglijke macht van de vijand, maar zouden de verplichtingen, gesteld in de traktaten met hun bondgenoten, nakomen.

Op 22 juni verklaarden de Staten-Generaal officieel hun bereidheid vrede te sluiten. Men was zelfs bereid vóór 1 juli hiertoe te geraken. Niet wetende wat de andere geallieerden zouden doen, zo schreven zij diezelfde dag de Franse koning, waren zij bereid om via hun ambassadeurs te Nijmegen tegen het einde van de maand het vredestraktaat te tekenen.

Doch enige dagen later doemden er nieuwe moeilijkheden op. De Fransen waren niet bereid de door hen aan Spanje af te stane steden in de Zuidelijke Nederlanden te verlaten aleer volledig satisfactie aan Zweden was gedaan. Tot die steden behoorde ook Maastricht dat aan de Staten zou komen. Daarnaast eiste de Republiek nu van de Fransen, dat hun troepen zich niet in de landen van Kleef, Mark, Ravensberg, behorende aan Brandenburg, zouden begeven, omdat deze landen zo dicht bij haar grenzen gelegen waren en zij meer dan een eeuw door troepen van Republiek bezet waren geweest.

Op 1 juli bereikte Den Haag het schrijven van de Franse koning, dat met ingang van deze datum de wapenstilstand in de Spaanse Nederlanden van kracht werd. Hij zou Luxembourg opdracht geven zijn troepen van Brussel te laten terugtrekken. Over Bergen (Henegouwen), dat door de Franse eenheden belegerd werd, zou nog gesproken moeten worden. Doch voor het overige zouden aan dit front de wapens voor zes weken rusten.

Karel II van Engeland, de eeuwige balanceur, begon steeds meer te twijfelen aan de vredeswil van Lodewijk XIV, vreesde een Frans overwicht in West-Europa en was vooral bezorgd voor de Engelse handelsbelangen. Hij liet enige regimenten naar Vlaanderen overbrengen en stelde aan de Staten-Generaal voor aan de handel met Frankrijk dezelfde beperkingen te stellen als Groot Brittannië langer practiseerde. Dit laatste zou het tweede punt worden uit een voorstel van vier, dat Temple na een langer verblijf in Engeland op 13 juli aan de Staten-Generaal voorstelde als-voornaamste van een traktaat van alliantie, dat koning en parlement met de Staten-Generaal bereid waren te sluiten. De drie andere artikelen bestonden uit bepalingen omtrent een degelijke barrière tussen Frankrijk Unie, omtrent de samenstelling van een gezamenlijke leger- en vlootmacht 'ter conservering' van de Nederlanden en omtrent de wederzijdse afspraak dat geen nog door de Fransen te veroveren stad in het bezit van Lodewijk XIV zou kunnen overgaan.

Men zou tot 11 augustus wachten, of Frankrijk bij het tot op heden ingenomen standpunt bleef. Indien dit land niet wenste te wijken, zou Engeland Frankrijk de oorlog verklaren. Voor Willem III maar ook voor Temple was het een weergaloos succes,dat de Staten dit voorgestelde traktaat van alliantie tussen de koning van Groot Brittannië en de Staten op 26 juli tekenden. Tot 11 augustus derhalve had Lodewijk XIV de tijd om te verklaren, dat vredessluiting ook inhield de onmiddellijke ontruiming van de plaatsen die hij aan de vijand zou laten, zo niet dan zou de Engelse koning, in dezen gesteund door een hem lang niet altijd gewillig parlement, zich als in oorlog met Frankrijk beschouwen.

Op dezelfde 26e juli overhandigden de Nederlandse ambassadeurs aan hun Franse collega's in Nijmegen een uitvoerig memorandum, waarin zij de gang van zaken van de laatste maanden nog eens te berde brachten. Zij herinnerden in dit schrijven aan het oorspronkelijke ultimatum der Fransen dat 10 mei zou verlopen, aan de verlenging daarvan, aan het daaruit gevolgde bezoek van Van Beverningk aan de Franse souverein op 1 juni, aan hun schrijven van 22 juni om de geallieerden tot vrede te bewegen en aan de orders van hun meesters om zo snel als mogelijk de vrede te tekenen. Verbaasd waren zij dat thans de belangen van Zweden zo zwaar dat de aan Spanje af te stane plaatsen eerst door de Fransen geëvacueerd zouden worden als aan Zweden bij een eventuele vrede volledige genoegdoening zou zijn gegeven.

In het bestand dat voor de Spaanse Nederlanden gesloten was met Villa Hermosa, de Spaanse land- voogd, hadden de Fransen zich voorbehouden het beleg van Bergen voort te mogen zetten. Wel zou worden toegestaan, dat levensmiddelentransporten voor deze stad de linies ongehinderd konden passeren.

Op dezelfde dag van de sluiting van het verdrag met Engeland begaf Willem III zich naar het leger der geallieerden bij Bergen, dat door de vijand nog steeds in haar ijzeren greep werd gehouden. Zijn afscheid van de residentie zou de aanleiding gaan vormen tot een van de meest besproken incidenten uit deze eerste Franse roofoorlog, zoals Duitse historici de hier ruw geschetste krijg zo graag noemen.

Op het eerder gedemonstreerde niveau poogde de Franse koning opnieuw persoonlijk in te grijpen tot oplossing van de door hem zelf geschapen moeilijkheden. Nederlandse gevolmachtigden zouden hem in St. Quentin of Gent moeten bezoeken om middelen te beramen teneinde uit de impasse te geraken. De delegatie der Staten-Generaal in Nijmegen zag in dit voorstel geen enkel heil. Zij wilde slechts in Nijmegen onderhandelen, waar zij in direct contact stond met haar lastgevers. Op 29 juli werd dit voorstel te Nijmegen schriftelijk door de Franse ambassadeurs overhandigd.

Op dezelfde dag arriveerde in Nijmegen Jacob Boreel, schepen van Amsterdam, om als toegevoegd gezant in naam van de Staten extra druk op de Fransen uit te oefenen. Hij vroeg onverwijld een audiëntie aan bij de ambassadeurs van Lodewijk XIV en deelde hun in waardigheid doch met nadruk, zoals de chroniqueurs berichten, opnieuw het Nederlandse standpunt mee.

Op deze 29e juli 1678, even beslissend voor de uitkomst der onderhandelingen als de 15e april van hetzelfde jaar, arriveerden de eerste Engelse troepen als uitvloeisel van het gesloten verdrag in de Zuidelijke Nederlanden.

Waar de Unie van zijn eenmaal en Frankrijk van zijn laatst ingenomen standpunt niet schenen te willen wijken, wees veel op een schaalvergroting van de oorlog en weinig op een op handen zijnd einde van de oorlog tussen Frankrijk en de Republiek. Eén lichtpunt was er: Zweedse diplomaten in Londen, Den Haag en Nijmegen lieten weten, dat de Zweedse interessen geen barricade mochten vormen voor het oprichten van een vrede mits Spanje en de Staten zich daarna neutraal jegens dit koninkrijk zouden opstellen.

De Franse koning, nog immer bereid tot vredessluiting op de door hem op 15 april gedicteerde vredesvoorwaarden, greep de Zweedse uitlatingen — al of niet door hem ingeblazen — als laatste strohalm vast om de hoop op vrede niet te laten zinken. Op 6 augustus 's avonds overhandigden de Franse ambassadeurs in Nijmegen aan die van de Republiek een memorandum, waarin Lodewijk meedeelde erin toe te stemmen na het in werking treden van een vredespact tot ontruiming van de door zijn troepen te verlaten plaatsen over te gaan, omdat de koning van Zweden daarmee instemde.

Wel wenste hij met de Staten-Generaal nog over twee punten te spreken. Het eerste was dat hij van de Republiek een waarborg wilde dat Spanje zich na het sluiten van de vrede neutraal zou opstellen tegen de vijanden van Frankrijk. De gezanten antwoordden aan de Franse ambassadeurs, dat de Staten deze waarborg niet konden geven. De Spaanse vertegenwoordigers hadden tevoren medegedeeld, dat zij de keizer niet wilden afvallen. Hoewel steeds voorzien was, dat ook Spanje in de vredessluiting besloten zou worden, was het thans zeer wel mogelijk dat alleen de Noordelijke Nederlanden vrede met de Franse kroon zouden sluiten. — Het tweede was dat over de blokkade van de stad Bergen nog afzonderlijk gesproken zou moeten worden.

Hoewel de in Nijmegen toevende Nederlandse gemachtigden nog een vruchteloze poging ondernamen om van de Fransen een belofte te krijgen van neutraliteit van de Kleefse landen en hoewel van Spaanse zijde opnieuw betoogd werd dat aan neutraliteit harerzijds niet te denken viel, kon alleen het laatste de sluiting van de vrede nog belemmeren, nadat de Staten beloofd hadden gedeputeerden naar de Franse koning te sturen als de vrede een feit was.

Op 9 augustus, laat op de avond, bereikte Nijmegen een missive van de Staten-Generaal bestemd voor de Franse ambassadeurs, waarin zij meedeelden in te kunnen staan voor de neutraliteit van Spanje na vredessluiting. Op 10 augustus in de ochtend werd dit standpunt via een memorie aan de Franse ambassadeurs door de Nederlandse gezanten in Nijmegen medegedeeld. Terzelfder tijd ving Boreel aan met de Franse gezanten te confereren over de tekst van de te sluiten verdragen, spoedig gevolgd door zijn collega's. De vergadering duurde vijf uur. Beverningk kon 's middags aan raadspensionaris Fagel berichten, dat de artikelen alleen nog in het net geschreven moesten worden. Kort vóór middernacht werden de traktaten van de Vrede en van Commercie, Navigatie en Marine onder de aanhef 'In den Name van Godt den Schepper' tussen de Staten-Generaal en de Franse koning in de woning van d'Estrades getekend. De verdragen met Spanje zouden, wegens tijdgebrek, de volgende dag gesloten worden. De Fransen wilden echter eerst nog verder met de Spanjaarden onderhandelen, aleer zij tot uitwisseling van de ontwerpverdragen wilden overgaan.

Er bestonden nog aanzienlijke verschillen van mening over de al of niet door de Fransen te ontruimen steden en gebieden. De Engelse médiateurs, verontwaardigd over het sluiten door de Staten van een afzonderlijke vrede, wensten in de Spaans-Franse onderhandelingen die rol niet meer te vervullen. De Nederlandse gezanten namen daarom in dezen hun taak over.

Inmiddels was Willem III steeds verder in de richting van Bergen opgerukt. Zijn intentie was geweest deze stad vóór 11 augustus aan te vallen, maar door het te laat arriveren van Brandenburgse troepen was de aanval uitgesteld. Op 14 augustus werd, nadat Willem III de aanval geopend had, rond de abdij van St. Denis bij Bergen tussen Luxembourg en Willem II I slag geleverd.

Dat dit gebeurde vier dagen na de sluiting van de vrede heeft vaak verbazing en verontwaardiging opgeroepen. Zeker is dat Willem III een gedrukte brief van Van Beverningk van de 11e heeft gekend. Officieel had hij echter op 14 augustus nog geen bericht over de vredessluiting, omdat een naar hem gezonden koerier nimmer in Bergen is aangekomen. Daarbij mag niet vergeten worden, dat de blokkade van Bergen door de Fransen buiten de bepalingen van het vredesverdrag gehouden was. Nog op 19 augustus gaven de Staten hem de vrijheid de aanval in richting Bergen te hervatten, als de blokkade niet anderszins kon worden opgeheven. Juist op deze dag echter kwam het tot een vergelijk tussen Fransen, Spanjaarden en Nederlanders in het leger bij Bergen.

Op deze zelfde dag sloten Spanjaarden en Fransen een generale wapenstilstand, zodat een spoedig accoord tussen beide te verwachten viel, ondanks de aanhoudende protesten van de andere geallieerden.

11 September werd besloten alle nog hangende punten, die vooral territoriale eisen betroffen, ter arbitrage aan de Staten-Generaal voor te leggen. In de behuizing van de gezanten van dezelfde staten — zij waren immers de bemiddelaars geweest — werd op 17 september de vrede tussen Frankrijk en Spanje getekend, nadat de Franse koning vier dagen tevoren enkele eerder gestelde voorwaarden had laten vallen.

Hadden de Staten-Generaal een gunstig verdrag met Frankrijk gesloten, waardoor hun Maastricht zonder enige compensatie ten deel was gevallen, de prins van Oranje via een separaat artikel in zijn Franse bezittingen hersteld werd en het handelstraktaat gunstige perspectieven bood, zo was het tegendeel het geval met Spanje. Franche Comté, het oude graafschap Bourgondië, en een aantal belangrijke plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden gingen in Franse handen over. Spanje was kennelijk de grote verliezer.

Zie verder deel 5: Deel 5 De Vrede van Nijmegen