We hebben 197 gasten online

Deel 5 De Vrede van Nijmegen

Gepost in Geschiedenis Nederland

vrede van Nijmegen Deel 5 Uiteindelijk toch vrede

Vooral in het noorden werd nog oorlog gevoerd: half oktober was vrijwel al het Pruisische gebied in handen van Brandenburg. Gezien deze militaire successen was de grote keurvorst nog niet geneigd vrede met Frankrijk en Zweden te sluiten. Wel toonden hiertoe genegenheid de Duitse keizer en de hertog van Lotharingen, waarmee de onderhandelingen begin november 1678 op gang kwamen.

Hoewel Karel V van Lotharingen in het memoriale van 15 april naast de ruil van Nancy voor het Franse Toul ook nog een alternatief was aangeboden, koos de hertog voor het eerste. Het moeilijke punt in de gesprekken met de keizerlijke gezanten was aan wie Philipsburg, door de keizerlijke troepen veroverd, en aan wie Freiburg, in Franse handen, zouden toebedeeld worden.

Vervolgens had de keizer bezwaren tegen het doortrekken van Franse troepen door zijn gebied, gelijk dit in een artikel van de Westfaalse vrede was toegestaan.

6 November konden de Staatse troepen Maastricht in bezit nemen. Intussen bleef de ratificatie het Frans-Spaanse vredesverdrag, die vóór 1 november haar beslag zou moeten hebben, steeds uit. Grote bezwaren had men in Spanje vooral tegen de traktaatsbepaling, dat Spanje een strikte neutraliteit zou moeten bewaren zolang Frankrijk in oorlog was.

Een artikel van gelijke strekking in het Frans-Nederlandse traktaat had zelfs tot een schriftelijke verklaring van de Franse koning geleid.

Om de Spanjaarden tot haast te dwingen gingen de Fransen er begin december toe over om de bevolking van de stad Gent en die van het Land van Waas een zware contributie op te leggen. Om de keizer tot spoed aan te zetten verklaarden de Franse ambassadeurs begin december in Nijmegen, dat de Franse koning zich niet verder gebonden achtte aan zijn voorstellen van 15 april, die overigens niet meer dan eenzijdig gestelde eisen waren.

Zoveel klaarheid hadden de negotiaties intussen wel gebracht, dat de keizer de hoop op het terugwinnen van de Elzas, dat bij de vrede in 1648 aan Frankrijk was afgestaan, als irreëel moest ervaren.

Hoewel de Hoog Mogenden al op 29 september besloten hadden tot een bezending naar de koning van Frankrijk, duurde het nog tot 6 december eer Boreel, Odijk en Dijckvelt in audiëntie werden ontvangen door de Franse monarch. Er werd bij die gelegenheid vooral gesproken over de neutraliteit van de Kleefse landen, maar Lodewijk had deze gebieden — zoals hij beweerde — nodig om de grote keurvorst tot vrede te nopen.15 December werden eindelijk de ratificatiën van de Frans-Spaanse vrede uitgewisseld in Nijmegen zonder dat het herhaaldelijke uitstel de Spanjaarden ook maar enig voordeel had gebracht.

De onderhandelingen op het Nijmeegse raadhuis tussen de Franse, Zweedse en keizerlijke gezanten met Jenkens als bemiddelaar verliepen nog steeds moeizaam. De nuntius had zich in dit stadium teruggetrokken omdat de komende vrede gebaseerd zou zijn op die van Munster, waaraan de paus nimmer zijn goedkeuring had gegeven.

Einde van dit jaar 1678 verliep het ultimatum van de Franse koning, maar hij verlengde dit tenslotte tot 30 januari. Was de vrede dan nog niet tot stand gekomen, dan zou Lodewijk zijn eisen verzwaren.

Hoe scherp de standpunten tegenover elkaar stonden, kan goed geillustreerd worden aan het feit dat elk van de delegaties in een apart vertrek in het stadhuis zitting nam, waartussen Jenkins als een soort koerier heen en weer liep, terwijl in weer andere ruimten in hetzelfde stadhuis de Brandenburgse en Deense gezanten confereerden. Naast de hiervoor vermelde vestingruil werd veel gesproken over het lot van de hertog van Lotharingen en zijn land. De Fransen hadden de vier geëiste doorvoerwegen zo breed geprojecteerd, dat het land erdoor in stukken gereten en in feite onbestuurbaar werd. Van een alternatief wilden de Franse onderhandelaars niets weten onder het motto: eens gekozen blijft gekozen.

Ook de bemoeienissen van de Nederlandse gezanten in Parijs droegen geen enkele vrucht.Tenslotte eiste de Franse vorst van de keizer een absolute neutraliteit zolang de Fransen in oorlog bleven. Van Beverningk en Van Haren deelden de prins — die toen in Arnhem verbleef — op 5 januarimede dat Lodewijk had laten weten dat, indien de vrede met de keizer en Lotharingen niet tot stand kwam, hij met een leger van 100.000 man Duitsland binnen zou vallen.

Zondag 29 januari vergaderden de Franse en keizerlijke gezanten voor het eerst gezamenlijk, waarbij de Lotharinginse kwestie het hoofdthema was. Maar van het op 15 april aan Lotharingen gedane voorstel om óf afstand te doen van Nancy óf van het graafschap Bar wilden de Fransen niet meer horen.

Enkele dagen achtereen bleef men tot diep in de nacht confereren met op de achtergrond de dreiging van het Franse ultimatum. Persoonlijk ingrijpen van Bevilaqua in een kwestie betreffende het hertogdom van Bouillon deed op 2 februari de laatste hindernis verdwijnen. De komende dagen werden gevuld met het opstellen van een vredesverdrag tussen de keizer en Zweden. Ook hier was de rol van de Franse koning die van een partijdig rechter die besliste wat in faveure van Zweden was.

Te tien uur 's avonds werd 5 februari 1679 op het Nijmeegse stadhuis tussen hare keizerlijke majesteit en zijne alder-christelijkste majesteit de vrede getekend. In dit traktaat handhaafde Frankrijk onverkort het eerder van Lotharingen geëiste, kreeg Freiburg en moest Philipsburg aan de keizer afstaan en bleven, indien niet anders vermeld, de bepalingen van het Munsterse vredesverdrag van 1648 van kracht.

Tot het einde van de oorlog zou de Franse koning in een aantal plaatsen, waaronder Aken en Duren, op eigen kosten bezettingen onderhouden.De volgende dag (geantedateerd op 5 februari 1679) werd de vrede tussen Zweden en de keizer op het stadhuis in Nijmegen getekend. Ook hier had de Franse koning de keizer zijn wil opgelegd. In beide verdragen was de bekende bepaling opgenomen van onzijdigheid zolang Frankrijk en Zweden in oorlog bleven.

Op 5 februari werd nog een derde vredesverdrag ondertekend, en wel te Celle, waar Frankrijk en Zweden een einde maakten aan de oorlog met de vorsten van Brunswijk, Luneburg, Celle en Wolfenbiittel.

De vierde hiermee samenhangende vrede werd 29 maart 1679 te Nijmegen gesloten tussen bisschop Ferdinand van Munster en Paderborn en de Franse koning. Zonder dat de Zweden er aan te pas kwamen werd via deze laatste vrede Zweden in al zijn territoriale rechten hersteld. Ook het verloren gegane hertogdom Bremen kwam weer in Zweeds bezit.

Al had de bevolking van de Republiek op 5 oktober uitbundig feest gevierd wegens het einde van de oorlog met Frankrijk, met Zweden was in februari 1679 nog geen vredestoestand ingetreden. Na voorbereidende besprekingen in Den Haag werd vanaf deze maand tussen de gezanten van de Staten en Zweden in Nijmegen gesproken over een eventueel vredestraktaat.

Ook de onderhandelingen der Fransen met Denemarken en Brandenburg verliepen erg moeizaam. Via Jenkins lieten de Franse ambassadeurs de afgevaardigden van deze Staten in Nijmegen weten, dat zij vóór 1 april moesten ingaan op de eisen van de Franse koning van 15 april van het vorige jaar. Verder deelden zij mede, dat de koning nog steeds het plan had om een leger naar de Rijn te zenden en het richting Brandenburg te laten oprukken om zo de vrede af te dwingen. Het Franse procédé bleef in alle gevallen hetzelfde: een onveranderlijk pakket eisen, vervolgens een ultimatum vergezeld van dreigementen, die na afloop van dadoor hen gestelde tijdslimiet — en soms al eerder — prompt werden uitgevoerd. Intussen vertoefden Meinders, ambassadeur van de grote keurvorst in Nijmegen, al geruime tijd in Parijs, mogelijk in de verwachting daar succesvoller te kunnen onderhandelen.

Hij keerde eerst einde maart terug, toen tussen Frankrijk, Zweden en Denemarken een wapenstilstand van een maand getekend was. Twee dagen tevoren, op 29 maart 1679, had te Nijmegen de bisschop van Munster en Paderborn — na de dood van Bommenberend waren beide bisdommen in één hand gekomen — onder de druk van de begonnen opmars van de Franse troepen aan de Rijn in noordelijke richting vrede gesloten met Frankrijk en Zweden.

Ook in dit verdrag stonden de bekende voorwaarden van neutraliteit en volledige satisfactie van Zweden. Nieuw was, dat de Franse kroon na ratificatie van het verdrag een som gelds aan de bisschop zou betalen. In hun zorg om de Kleefse landen konden Van Beverningk en Van Haren op 31 maart een klein succes boeken. Op die dag sloten zij in Nijmegen een kortlopende acte van securiteit voór het land van Kleef, de laatste weken geteisterd door inkwartieringen en contributieheffingen van de oprukkende Franse troepen.

Het bezetten van de Kleefse landen had Frederik Willem duidelijk gemaakt, dat heel zijn grondgebied bedreigd werd door Franse troepen. In de eerste van enkele zeer boosaardige missiven aan de Staten-Generaal schrijft hij, dat hij op weg is naar de Beneden-Rijn 'om te redden onze landen in Pruisen, dewelke van wegen den bijstand, die wij Uw Hoog Mog. in haren hoogsten nood hebben bewezen, vijandelijk werden geattaqueerd'.

De Staten wisten zeer wel dat hun veiligheid evenzeer aan de Rijn lag als in Brabant en Vlaanderen, maar waren door het verdrag van 10 augustus tot absolute neutraliteit gebonden. Half april ging Meinders opnieuw naar Parijs, met de opdracht aan Lodewijk mede te delen, dat Brandenburg tegenstand zou blijven leveren tot een eervolle vrede gesloten werd.

Op 30 april vernamen de nog in Nijmegen aanwezige ambassadeurs, dat Franse troepen de Rijn waren overgestoken en al vechtend hun opmars voortzetten. Blaspeil, de in Nijmegen gebleven Brandenburgse gezant, vertrok daarop met d'Estrades en Colbert naar Xanten, waar op 3 mei een wapenstilstandsverdrag voor twee weken werd getekend als verlenging van het voor de maand maart geldende, tussen de Fransen en de Brandenburgers. Als onderpand werden Wesel en Lipstadt aan de Fransen overgegeven. Na afloop van de gestelde termijn vervolgde Calvo zijn opmars en trok op naar Dortmund.

De intussen naar Brandenburg ontboden Meinders werd door de grote keurvorst op de hoogte gebracht van een schrijven dat Frederik Willem op 16 mei aan de Franse koning had gericht, waarin de eerste opnieuw vaststelde dat hij een groot deel van het veroverde Pommeren aan Zweden zou moeten teruggeven, hetgeen hij als een onrechtvaardigheid ervoer, doch dat hij voor de overmacht van de Franse wapenen zou moeten wijken. In overeenstemming met de inhoud van de brief kreeg Meinders nu de opdracht naar Frankrijk terug te keren en het sluiten van de vrede voor te bereiden.

Ook de koning van Denemarken had het besluit genomen om in Frankrijk over vrede te spreken. De Franse koning gaf daar zijn goedkeuring aan negotiaties die tussen Zweden en Denemarken gevoerd zouden worden in Lunden. Op 22 maart had de bisschop van Munster en Paderborn al vrede gesloten met Zweden. In Nijmegen werd nog slechts onderhandeld over het einde van de oorlog met Zweden, doch geen van beide partijen had in dezen enige haast.

Meinders, die noch in Nijmegen noch in Frankrijk enige verzachting in de Franse eisen had weten te bewerkstelligen, restte niets anders dan op 29 juli in St. Germain-en-Laye vrede te sluiten. Brandenburg zou neutraal moeten blijven, al het veroverde Zweedse gebied inclusief Stettin zou aan Zweden teruggegeven moeten worden en de Zweedse kroon zou Brandenburg 300.000 kronen schadevergoeding betalen.

De sluiting van deze" Frans-Zweedse vrede met Brandenburg hield ook in, dat de werkzaamheden van het Nijmeegse congres ten einde liepen. In juli verliet Colbert Nijmegen, terwijl d'Estrades al eerder vertrokken was.

In augustus kwamen Spanje en Zweden tot vrede. Op 20 augustus kregen de ambassadeurs in Nijmegen bericht van de ondertekening van deze artikelen van vrede en vriendschap.

In Fontainebleau werd op 2 september vrede gesloten tussen Frankrijk, Zweden en Denemarken. Karel Xl kreeg bij dit traktaat alle door Denemarken bezette plaatsen terug conform de door Lodewijk gestelde eis van volledige genoegdoening voor zijn Zweedse bondgenoot.

Ter bevestiging hiervan werden op 26 september 1679 nog eens vredesartikelen uitgewisseld in Lunden (Schonen) tussen de koningen van Zweden en Denemarken.Als laatste van alle vredessluitingen werd op 2 oktober 1679 te Nijmegen een verdrag van vrede en één van commercie, navigatie en marine gesloten tussen de Zweedse kroon en de Staten-Generaal. Voor de Staten tekenden Van Beverningk en Van Haren.

Op 14 oktober verlieten de Nederlandse heren Nijmegen, na op het raadhuis de voltallige magistraat voor de talrijke en belangrijke diensten te hebben bedankt.

'En aldus is de generale Vrede in Europa door de Goddelijcke goetheyt en Mediatie van de koning van Engelant/die desen Staet deswegen oock particulierlijck heeft doen bedancken/geluckelijk herstelt: En waer te wenschen dat de selve Vrede in de Herten der Contracten diervoegen ingedrukt was dat de selve langer Jaren mochte duren als het ordinairlijck gebeurt.'

Lees verder 1672-1678 Tussen Rampjaar en Vredesjaar