We hebben 190 gasten online

1672-1678 Tussen Rampjaar en Vredesjaar

Gepost in Geschiedenis Nederland

VOORSPEL

In 1661 nam Lodewijk XIV, koning van Frankrijk vanaf 1643, persoonlijk het bewind in handen, dat hij tot dan toe had overgelaten aan zijn eerste minister. Lodewijk was een absoluut vorst en dat betekende, dat hij alle macht in handen had. Hij droomde er van omvan Frankrijk een machtig land te maken, dat de leiding zou hebben in geheel Europa. Om dit te bereiken streefde hij er op de eerste plaats naar zijn land uit te breiden tot aan de Rijn, zodat deze rivier de grens kon worden van een vergroot Frankrijk.

EERSTE VEROVERINGSOORLOG 1667-1668.

Allereerst richtte Lodewijk zijn aandacht op de zuidelijke Nederlanden (ongeveer het huidige België), waarop hij - overigens geheel ten onrechte - aanspraken maakte. Deze landen behoorden tot de Spaanse Kroon. Daar de koning van Spanje deze aanspraken uiteraard volstrekt niet erkende, begon Lodewijk in de zuidelijke Nederlanden een veroveringsoorlog. Bij de andere landen ontstond hierover grote onrust, niet in het minst omdat het politieke evenwicht in Europa danig verstoord dreigde te raken.

Drie landen, te weten Engeland, Zweden en de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën sloten toen een anti-Frans verbond, dat bekend staat als de TRIPLEALLIANTIE (letterlijk: drievoudig verbond). Hierdoor geïsoleerd, moetst koning Lodewijk vrede sluiten (de VREDE VAN AKEN, 1668) en zich terugtrekken. Helemaal onvoordelig was deze oorlog voor hem niet geweest omdat Spanje, machteloos als het was, enige grensgebiedjes in de Zuidelijke Nederlanden aan Frankrijk af moest staan.

De Republiek begreep wel, dat de Franse koning niet blijvend zou berusten in die Akense Vrede. Terecht werd gevreesd, dat zijn belangstelling niet slechts beperkt zou blijven tot de Zuidelijke Nederlanden alleen. Per slot van rekening liep de Rijn (Lodewijks gedroomde grens) ook over het grondgebied van de Republiek en derhalve had men voor de toekomst het ergste te vrezen.

Inderdaad ging koning Lodewijk in de volgende jaren rusteloos aan het werk om allerlei zetten te doen op het schaakbord van de Europese politiek.Hoewel de Republiek vanwege de heerschappij ter zee twee maal in oorlog was geweest met Engeland, bestond er sinds 1668 (vanwege Triple Alliantie) vriendschap tussen de beide landen.

Dit belette Lodewijk niet om met de Engelse koning, Karel II, een tegen de Republiek gericht verdrag te sluiten, het zogenaamde VERDRAG VAN DOVER (1670). Daar deze overeenkomst diep geheim was, bleef de Triple Alliantie in schijn in stand.

Bij een toekomstige oorlog wilde Karel II gaarne een graantje meepikken van de rijke buit en hij wierp daarbij een begerige blik op de Scheldemonding. Verder keek hij met belangstelling naar zijn jonge neef Prins Willem III van Oranje-Nassau,die hij gaarne uitgeroepen zag tot stadhouder. De meeste gewesten hadden, na de dood van stadhouder Willem II, die voortdurend had getracht om de belangen van de Republiek ondergeschikt te maken aan die van het vorstenhuis, de voorkeur gegeven aan een bestuur zonder stadhouder.

Koning Karel hoopte zich nu te verzekeren van de medewerking van zijn op het kussen geholpen neef bij het verkrijgen van de Engelse heerschappij ter zee.Voorts sloot koning Lodewijk bondgenootschappen met de vorst-bischoppen van Munster en Keulen (Luik). Eerstgenoemde bisschop meende overigens nog een oude rekening te vereffenen te hebben, daar de Republiek in het verleden ooit de heerlijkheid Borculo, een Munsters leen, had opgeslokt.

Zo was de Republiek door toedoen van Frankrijk in 1672 geheel ingesloten door,met elkaar verbonden vijanden.

DE OORLOG VAN 1672-1678: DE TWEEDE VEROVERINGSOORLOG VAN FRANKRIJK.

De oorlog, die reeds jaren gedreigd had, barstte los in 1672. In de lente van dat jaar bereikte achtereenvolgens oorlogsverklaringen van de genoemde landen, de Republiek. Sinds de Vrede van Munster, op het einde van de 80-jarige oorlog, was er weinig aandacht besteed aan leger en vestingwerken en dat ging zich toen wreken.

Terwijl de bisschoppelijke troepen de Achterhoek, Overijssel en Drente bezetten, gingen de Fransen onder leiding van de beroemde legeraanvoerders Luxembourg, Condé en Turenne, als een wals van oost naar west. Reeds 21 juni 1672 was de stad Utrecht gevallen en aan de opmars werd eerst een halt toegeroepen bij de waterlinie, welke de Hollanders tot stand hadden gebracht door polders op de lijn Gorkum-Bodegraven-Muiden onder water te laten lopen. Vele landen verwachtten nu elk ogenblik de totale ineenstorting van de Republiek en Lodewijk meende zich na de inname van Utrecht de weelde te kunnen veroorloven om rustig de capitulatie van de Republiek af te wachten. Wellicht heeft deze kortzichtigheid van de koning de redding van de Republiek betekend, want hierdoor werd haar enig respijt gegeven om zich te herstellen. Tevens gingen zich in die tijd bondgenoten aandienen met als voornaamste de Duitse keizer en de Spaanse koning, die beiden terecht in grote onrust verkeerden over de veroveringszucht van de Franse koning.

Het leger, dat toen verworven werd, kwam te staan onder de leiding van Willen III van Oranje-Nassau. De prins was bij het uitbreken van de oorlog onder druk van het radeloze volk tot stadhouder en tot kapitein- en admiraal-generaal uitgeroepen. De bisschop van Munster, Cristoph Bernhard Vrijheer van Galen, belegerde de stad Groningen. Hierbij kreeg hij de veelzeggende bijnaam van "Bommenberend". Tegen de standvastigheid van de Groningers was zijn leger echter op de duur niet opgewassen.

Reeds in augustus van 1672 moest de bisschop het beleg om de stad opgeven. Op het einde van het jaar moesten zijn troepen ook Coevorden hals over kop verlaten.

Een meesterlijke zet van de Prins van Oranje vormden de belegering en inname van de stad Bonn in oktober 1673. Hierdoor werden de Fransen beroofd van hun eerste en voornaamste uitvals- en bevoorradingsbasis. De vice-admiraal M.A. de Ruyter wist voorts door de slag bij Solebay een gecombineerde Engels-Franse landing op de Nederlandse kust te voorkomen. Zo stond de Republiek er in het begin van 1674 heel wat gunstiger voor.

In de loop van dat jaar moesten de Fransen steeds meer gebied ontruimen. Ook de stad Nijmegen werd in mei 1674 door hen verlaten. De stad was toen circa twee jaar in hun bezit geweest. Verschrikkelijk is het leed geweest, dat gedurende deze oorlog over de bevolking was uitgestort. Door afpersingen en extra zware belastingen zowel in geld als in natura was alom de bevolking uitgemergeld. Dikwijls had men plunderingen, waarmee gedreigd werd, met bijna niet op te brengen sommen geld af moeten kopen. Zo nu en dan was de bevolkinguitgenodigd om de plaatselijke Franse bevelhebber te vereren met een geschenk (in geld!). Het was de bevolking dan maar geraden om aan deze uitnodiging gehoor te geven. Bij het terugtrekken was de ellende nog niet achter de rug. Onder de dreiging van plundering zagen de soldaten nog eens kans om de doodarme bevolking sommen geld af te persen. Waar het geld niet onmiddellijk kon worden opgebracht werden de voornaamste ingezetenen als gijzelaars meegesleurd. Ook de stad Nijmegen heeft in de terreur van de zijde van de Fransen rijkelijk haar aandeel gehad.

Bij de koning van Engeland was de geneigdheid tot vrede gegroeid. Een van zijn wensen, namelijk de verheffing tot stadhouder van zijn neef, Willem 111, was vervuld. Bovendien had zijn parlement het vertikt om hem nog langer geld te verschaffen voor deze oorlog. Op 19 februari 1674 was daarom in WESTMINSTER de vrede tussen de Republiek en Engeland getekend.

De beide vorst-bisschoppen wisten toen niet beter te doen dan te volgen. Zij hadden niets gewonnen; alle door hen veroverde gebieden moesten ze opgeven.

Ook met Frankrijk waren te Keulen onderhandelingen begonnen. Deze sleepten zich echter voort, daar Lodewijk vast wilde houden aan allerlei veroveringen en de Republiek al lang in de positie verkeerde om niet te behoeven toegeven.

Eind 1675 werd besloten tot een algemeen vredescongres, waarbij de Engelsen als bemiddelaars zouden optreden. Onder vele steden werd Nijmegen, op voorstel van de Engelse ambassadeur Sir William Tempte, als congresstad uitverkoren. Wellicht heeft de gunstige ligging van de stad ten opzichte van de omringende landen een rol gespeeld bij de keuzebepaling. Daar de oorlog met de Fransen nog altijd in volle gang was, was het noodzakelijk, dat de stad met de naaste omgeving tot neutraal gebied werd verklaard. Om die reden moesten dan ook alle in de stad gelegerde garnizoens vertrekken.

DE VREDESONDERHANDELINGEN TE NIJMEGEN 1676-1678.

Het Nederlandse gezantschap, dat namens de Staten Generaal de onderhandelingen zou voeren, bestond uit de heren: Hieronimus van Beverningk, Willem-Adriaan van Nassau-Odijk en Willem van Haren. De heren kwamen eind januari 1676 de stad binnen. Als residentie hadden zij de stadwoning van de adellijke familie van Bijlandt-Palsterkamp op het Doddendaal, welke voor de duur van het congres was afgehuurd. Langzamerhand vulde de stad zich met gezanten van alle deelnemende landen. Voor hen werden de deftigste woningen in de stad gereserveerd. Vele besprekingen werden dan ook in deze huizen gevoerd. Ook het stadhuis met zijn ruime zalen was bij het congres ingeschakeld. De onderhandelingen hebben zich onder veel gekibbel, met talloze protesten over en weer en ook met grote, kostbare en luisterrijke ontvangsten voortgesleept tot aan 1678 toe. In al die jaren heeft de stad in het middelpunt van de Europese belangstelling gestaan.

Niettegenstaande het feit, dat de Duitse keizer, Spanje en de Republiek samen hadden afgesproken om geen afzonderlijke vrede met Frankrijk te sluiten kwam op 10 augustus 1678 vrij onverwacht de vrede tot stand tussen Frankrijk en de Republiek alleen, Koning Lodewijk had kans gezien om tweedracht te zaaien door de Republiek afzonderlijk zeer voordelige vredesvoorwaarden aan te bieden. Nederland kreeg namelijk alle door de Franse bezette gebieden terug.

Lodewijks gedachtegang zal hierbij wel geweest zijn, dat een verdeelde tegenstander een zwakkere tegenstander was. Door te bezwijken voor de verleiding heeft de Republiek geen elegante rol gespeeld. Voor de bondgenoten zat er toen niets anders op dan te volgen en zij deden dat schoorvoetend. De vrede tussen Frankrijk en de Republiek kwam tot stand bij de Franse Ambassadeur, die residentie hield in het zogenaamde Hof van Egmond in de Burchtstraat. De Vrede met Spanje werd gesloten ten huize van de Nederlandse gezanten op het Doddendaal. De gezanten van de Keizer en Frankrijk sloten hun verdrag in de Raadkamer (de huidige Trêveszaal) van het Stadhuis.

Al deze verdragen staan bekend als: DE VREDE VAN NIJMEGEN.

Het moet gezegd worden, dat de Prins van Oranje zich met hand en tand heeft verzet tegen de vrede. Hij zag aankomen, dat er geen rust zou zijn in Europa aleer de macht van Frankrijk definitief bedwongen was. Vier dagen na de vredesluiting, op 15 augustus 1678, leverde de prins nog slag met de Fransen nabij St. Denis in Henegouwen. Waarschijnlijk wist hij al, zij het officieus, dat de vrede al getekend was. Misschien heeft de prins hiermede een poging gewaagd om de vrede teniet te doen.

BESLUIT

De vrede van Nijmegen heeft in Europa geen werkelijke rust gebracht. Lodewijk bleef streven naar uitbreiding van zijn Rijk tot aan de Rijn. Het zwakke Spanje kon zich niet teweer stellen en de Duitse keizer werd in beslag genomen door de Turken, die in het Oosten zijn Rijk bedreigden. Qp een treurige manier zou in de volgende jaren duidelijk worden, dat de bange voorgevoelens van Willem III bij de Vrede van Nijmegen niet zonder grond waren geweest.