We hebben 153 gasten online

'Een geschiedenis van Nederland' Deel 11 a Den Hollander gief niks, dee pluk eus wel

Gepost in Geschiedenis Nederland

Limburg versus Nederland:

'Den Hollender gief niks, dee plük eus wel, mer dat is auch alles'

VREEMD VADERLAND

LIMBURG EN DE NEDERLANDSE NATIE IN DE 19DE EEUW

Rico op den Camp in Spiegel Historiael Jaargang 28 Oktober 1993 nummer 10

De 19de eeuw staat in de historische literatuur te boek als de 'eeuw van het nationalisme'. Ook voor Nederland was de vorige eeuw een door en door 'vaderlandse', en enkele Nederlandse historici spreken vanuit het vaderlandse perspectief zelfs van een 'lange' 19de eeuw, lopend van de jaren 1770 tot de eerste wereldoorlog. Nederland wordt daarbij nog vrij algemeen gekenschetst als een 'historische staatsnatie': de grenzen waren eeuwen. lang ongeveer dezelfde en de bevolking was als resultaat van het vroege politieke unificatieproces reeds lang vergroeid tot een zekere eenheid. Binnen het recente vaderland onderzoek heeft men echter ook meer oog gekregen voor de veranderlijkheid van het vader- landbegrip. Gemeten naar tijd, sociale achtergrond en regio blijkt dat er sprake was van meerdere vaderlandbeelden, die vaak op één en hetzelfde moment in omloop waren. Al deelden deze vaak de fixatie op 'de natie' en 'het nationale verleden', ze brachten ook verschillen in perceptie van het vaderland aan de oppervlakte. Enig onderzoek naar de beleving van het vaderland in grensgebieden van Nederland relativeerde het vooral 'Hollandse' staatsnatie-idee.

Een interessant onderzoeksobject wordt hierbij gevormd door het gebied dat in geografisch én historisch opzicht in de 19de eeuw wellicht het meest perifere deel van Nederland was: de provincie Limburg. Hoe was de relatie tussen Limburg en het Nederlandse vaderland in 's lands 'nationale eeuw'?

Het Nederlanderschap was voor de 19de-eeuwse Limburger geen natuurlijke zaak. Het gebied dat vanaf 1839 de Nederlandse provincie Limburg vormde, was van oudsher een speelbal geweest van vele grote en kleinere soevereinen. Aan het eind van het ancien régime heersten nog zo' n dertig 'heren' over het kleine gebied dat tegenwoordig de huidige Nederlandse provincie Limburg ten zuiden van Sittard vormt. Met de komst van de Fransen in 1795 kwam voor het eerst een staatkundige eenheid in Limburg tot stand. Na hun vertrek in 1813 werd in het Verenigd Koninkrijk, dat de huidige staten Nederland, België en Luxemburg omvatte, een provincie Limburg gevormd, die bestond uit het gebied van de huidige Belgische en Nederlandse provincies Limburg te zamen.

Na het uiteenvallen van dat koninkrijk als gevolg van de Belgische Opstand in 1830 kwam het hele Limburgse gebied onder Belgisch bestuur, behalve de vestingstad Maastricht die in handen bleef van een Nederlands garnizoen. De definitieve vaststelling van de grenzen tussen de nieuwe Belgische staat en Nederland was problematisch. In 1815 had de Nederlandse koning Willem I het hertogdom Luxemburg als persoonlijk bezit verworven in ruil voor het verlies van zijn erflanden in Duitsland. Tegelijkertijd was het hertogdom lid van de Duitse Bond geworden. Toen het westelijke, Waalse gedeelte van Luxemburg zich in 1830 aansloot bij de nieuwe Belgische staat, voelden zowel de Duitse Bond als Willem I zich te kort gedaan en eisten compensatie voor het territoriale verlies. Na jaren van politiek touwtrekken werd voor het slepende conflict een oplossing gevonden die bestond uit de deling van Limburg. De regio die destijds werd aangeduid als Oost-Limburg, bestaande uit het gebied op de rechter Maasoever en het oostelijke Peelgebied, werd in 1839 afgescheiden van de Belgische staat waarvan het negen jaar lang deel had uitgemaakt. Dit gebied vormde voortaan de Nederlandse provincie Limburg, maar kreeg eveneens de status van hertogdom met koning Willem I als hertog.

Als hertogdom trad Limburg toe tot de Duitse Bond, maar de vestingsteden Venlo en Maastricht vielen buiten de Bondsstatus. Van de facto Belgische onderdanen waren de Limburgers in één klap bipatrieden, burgers van zowel de Duitse Bond als van Nederland, geworden. Deze dualistische staatkundige toestand duurde tot 1866, toen Pruisen de Duitse Bond reorganiseerde en bij deze gelegenheid Limburg 'bevrijdde' van alle politieke banden met Duitsland, waardoor de provincie eindelijk een ondubbelzinnige staatkundige positie verkreeg.

Limburg en Nederland

Volgens de historicus J.C. Boogman stond de gemiddelde Nederlander in de vorige eeuw volslagen vreemd tegenover de roerige, dynamische nationale bewegingen zoals die zich in Duitsland en Italië openbaarden. Dit vond zijn oorzaak in het feit dat Nederland nu eenmaal een kleine en 'verzadigde' staatsnatie was. Nederland werd dan ook, aldus Boogman, niet geconfronteerd met lastige nationale problemen zoals bijvoorbeeld netelige minderheidsvraagstukken. Of echter elke Nederlander paste in het hier opgeroepen beeld van nationale consensus, kan onder meer getoetst worden aan de hand van de publieke opinie in Limburg ten aanzien van het Nederlandse vaderland.

De Limburgers traden in 1839 niet bepaald juichend toe tot het nieuwe vaderland dat hun. buiten hen om, toebedeeld was. Verwonderlijk was dat niet. In godsdienstig, cultureel en economisch opzicht was Limburg meer aan België en het Duitse Rijnland verwant dan aan Noord-Nederland. Daarenboven vormden de Nederlandse belastingen een belangrijke bron van onvrede. Niet alleen waren deze hoger dan de Belgische die tussen 1830 en 1839 geheven werden, maar ook het feit dat die belastingdruk mede bepaald werd door de gemaakte kosten van de oorlog die Nederland tegen België gevoerd had, zette kwaad bloed. 'Wij worden toch slechts als Nederlanders beschouwd, voor zooveel het passief der financiën betreft; eene ondervinding van 8 jaren heeft ons geleerd, dat wij in alle andere opzichten als vreemdelingen worden aangezien: schreef het dagblad De Limburger in 1848. Of, zoals de Opregte Maastrichter Almanak enkele jaren later in de plaatselijke taal aangaf: 'Den Hollender gief niks, dee plük eus wel, mer dat is auch alles.' Tot ver in de 19de eeuw waren dergelijke klachten in Limburg te horen.

De onvrede met de positie binnen de Nederlandse staat kwam tot uiting in een separatistische beweging, die vooral in de jaren veertig van de vorige eeuw op politiek en sociaal gebied actief was om Limburg los te weken van Nederland en aansluiting bij België of Duitsland tot stand te brengen. Aan de staatsrechtelijke status-quo kon echter niet meer getornd worden, en langzamerhand legden de Limburgers zich bij het lidmaatschap van de Nederlandse staat neer. Maar de dualistische staatkundige positie, de als onrechtvaardig zwaar ervaren financiële verplichtingen en de geringe aandacht die 'Holland' klaarblijkelijk voor Limburg had, maakten dat de publieke opinie in die provincie het Nederlandse vaderland overwegend ongunstig gestemd bleef. De gevolgen hiervan traden onder andere in 1867 aan het licht, toen de Luxemburgse kwestie consequenties dreigde te hebben voor de staatsrechtelijke positie van Limburg. Felle anti-Pruisische sentimenten in de pers zorgden weliswaar voor een pro-Nederlandse publieke opinie, maar uitingen van emotionele verbondenheid met de Nederlandse natie bleven vrijwel geheel achterwege.

De Frans-Duitse oorlog

De Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 was voor Limburg een periode die in het teken stond van grote angst voor inlijving bij het door het militaristische en autoritaire Pruisen gedomineerde Duitsland. De inlijving van heel Nederland sloot men niet uit, maar voor het opslokken van Limburg alléén was men n6g meer beducht op grond van de strategische ligging van het gebied aan de Maas en vanwege oude Bondsrechten die Duitsland zou kunnen claimen. In de pers kwam het dit keer tot vele uitingen van aanhankelijkheid aan het Nederlandse vaderland.

Al bleef men grieven koesteren, het algemene gevoelen der Limburgers tijdens de bange oorlogsdagen vond uitdrukking in het te Heerlen verschijnende dagblad De Limburger Courier: 'Wij behoren noch tot de Germanen, noch tot de Galliërs, en het ware te wenschen, dat beide genoemde volkeren de vrijheden zochten te verkrijgen die wij bezitten. voordat zij ertoe over gingen elkander te beoorlogen. Het te Sittard uitgegeven weekblad De Nieuwsbode voegde daar een duidelijke conclusie betreffende de nationailiteit van de Limburgers aan toe: 'Die twee arenden die elkander als roofvogels bestrijden, ze kunnen in ons oog geene bodem zijn, die den volkeren de ware verlichting komen verkondigen. Daarom zijn wij Fransch noch Pruissisch, maar Nederlandsch.'

Deze voorbeelden markeren in zekere zin een keerpunt in de Limburgse publieke opinie ten aanzien van de rest van Nederland. In zekere zin, omdat kritische geluiden in de Limburgse pers ook te beluisteren waren. Zo waren de reacties op de militaire strategie van Nederland, waarbij Limburg als 'onverdedigbaar gebied' ontruimd werd maar Limburgse miliciens' wel in 'Holland' paraat moesten zijn negatief en soms verbitterd.

Maar de korte periode van heftige angst om bij Duitsland gevoegd te worden werkte in elk geval voor het opiniërende deel der Limburgse bevolking als katalysator voor de Ontwikkeling van Nederlands-nationale sentimenten. Maar de tijdsspanne van de met Noord-Nederland gedeelde geschiedenis bleek, achteraf gezien, te kort geweest te zijn om de Limburgers emotioneel aan het Nederlandse vaderland te binden. Terugblikkend op de oorlog merkte bet Venloosch Weekblad, niet gespeend van ironie, in 1894 op: 'Vooral als men bedenkt dat de verschrikkelijke verplichting om zich tegen de grootste militaire macht der wereld schrap te zetten, niet op Nederland zou drukken, ware Limburg in 1839 bij België gebleven. Had men dat kunnen voorzien, men zou niet zoo happig op 't bezit van Limburg geweest zijn.'

Een vraemd aanhangsel

De negatieve houding die veel Limburgers vanaf 1839 tegenover hun vaderland hadden aangenomen vond een equivalent in de houding van de bewoners van Noord-Nederland ten aanzien van hun jongste landgenoten. Slechts de vestingsteden Maastricht en Venlo hadden een historische band met het noorden van het land, maar het gebied dat in 1839 aan de Nederlandse staat werd toegevoegd, was grotendeels vreemd. De staatsrechtelijke status van Limburg werd in de rest van Nederland niet als positief ervaren.

In 18148 bepleitte J.G.H. Boissevain, redacteur van de Arnhemsche Courant, in de brochure De Limburgsche Kwestie voor het afstoten van Limburg door Nederland om te voorkomen dat Pruisen vanwege die provincie ooit Nederlanmd in een oorlog zou kunnen betrekken. Volgens Boissevain was Limburg immers niet meer dan 'een jammerlijke strook gronds,, een uitwas van ons land, dat onze beste sappen verteert; een vraemd aanhangsel'.

Ook in de Tweede Kamer verhieven zich stemmen die de afscheiding van Limburg van Nederland bepleitten. Als de Duitse Bond in 1848 de territoriale verwerving van Limburg doortastend had aangepakt, zou de Nederlandse regering waarschijnlijk tot grote concessies bereid zijn geweest. In de volgende decennia bleef de houding van Nederland tegenover Limburg gereserveerd, en de Pruisische dreiging zorgde in 1867 opnieuw voor anti-Limburgse uitingen in de Nederlandse pers.

Naast deze afkeurende geluiden, die vooral betrekking hadden op de staatsrechtelijke positie van Limburg en minder op het land en de bewoners zelve, kenmerkten Noord Nederlandse commentaren over Limburg zich vooral door onwetendheid en verwondering. Arnold Ising, een 'Noorderling' die in 1856 het Nederlands Landhuishoudkundig Congres in Maastricht bezocht, merkte over 'de smalle strook tussen België en Duitsland, de uithoek van ons landje' op dat 'die er op de kaart verwonderd schijnt uit te zien dat ze nog aan Nederland behoort'. Verder was Maastricht volgens hem 'geene Hollandsche stad: men spreekt er in de eerste plaats Mastreegs (eene taal op zichzelve, waarover en waarin boeken geschreven zijn), in de tweede plaats Fransch, in de derde plaats Hollandsch met een sterk accent; men betaalt er met Belgische Francs en sentimes. [...] Men drinkt er in plaats van thee en jenever, gekookte koffij uit groote dikke koppen, en oud bier uit glazen met ooren; de mannen uit het volk loopen er niet in hun borstrok, of in een lakensch rokje met korte pandjes, maar in blouse, en de vrouwen niet met mutsen, kometjes of kappen met oorijzers, maar met losse doeken om het hoofd geknoopt.' En Ising vervolgt over het land in de omgeving van de Limburgse hoofdstad: 'En dan dit land. Er zijn geene onafzienbare weilanden met regte sloten en knotwilgen, maar bergen en dalen; de hellingen der heuvels prijken er met bouwlanden en geboomte, en snelvlietende beken kronkelen er door de valleijen. ' Verbazing troef: de Noordnederlanders moesten hun nieuwste provincie nog ontdekken!

Craandijks reisverslagen

Veel literatuur over Noordnederlandse reizigers naar Limburg is er niet, maar de verslagen die de doopsgezinde predikant J. Craandijk van de voettochten met zijn maat en kunstschilder J. Schipperus door Limburg naliet, vormen een behoorlijk uitgebreide en zeer boeiende uitzondering op deze regel. Tussen 1874 en 1888 legde Craandijk zijn reisimpressies, rijkelijk gelardeerd met gedetailleerde beschouwingen over kunst, geschiedenis, zeden en gewoonten van de vele streken die hij bezocht, vast in wat uiteindelijk acht delen Wandelingen door Nederland zouden worden. En wist de vermaarde Edmondo de Amicis na zijn reis door Nederland in 1873-1874 in zijn boek Olanda (later vertaald als Nederland en zijn bewoners) te melden dat Limburg geen bezoek waard was, juist omdat het door zijn eigenaardigheid niet het bijzonder merkwaardige opleverde dat vreemdelingen uit Zuid-Europa naar Nederland lokte, zo was Limburg voor Craandijk eveneens een wel uiterst atypisch onderdeel van het vaderland. 'Als Noord Nederlander wandelt gij er rond onder den indruk, dat gij in den vreemde zijt, en van tijd tot tijd moet gij u geweld aandoen, om u te herinneren, dat gij temidden van landgenooten verkeert,' verzuchtte Craandijk. En hoewel hij aan den lijve ervaren had dat elke streek in Nederland zijn eigen dialect kende, leerde het contact met Limburgers Craandijk dat het taalgebruik in deze provincie wezenlijk afweek van het elders in den lande gebruikelijke: 'Dwaalt gij over de bergen, klopt gij aan de eenzame boerenhoeven, wisselt gij een woord met den arbeider op den akker, met het deerntje dat de koe hoedt. het kan u ligt gebeuren dat uw Hollandsch evenmin wordt verstaan, als gij een letter begrijpt van de taal, die gij hoort.'

Niet alleen door de gebezigde taal week Limburg wat Craandijk in de rest van Nederland. met inachtneming van alle onderlinge verschillen. als Nederlands ervaren had 'Wie Venlo binnentreedt weet nauwelijks in wat land hij zich bevindt. [...] Het voorkomen der stad is ten eenenmale uitheemseh,' noteerde de dominee bij aankomst in de stad. Met enige afschuw schetste hij beeld van 'donkere, ongevoegde baksteenen. waarin de vensters en deuren zonder kozijnen zijn gemetseld. die aan de Deutsche huizen vaak een zoo ongezellig uiterlijk geven terwijl de witte, grijze, groene of rozenroode pleister op veel woningen en het behangselpapier in de voorhuizen en gangen er ruimschoots toe bijdraagt, om den bezoeker van Venlo buiten de grenzen van zijn vaderland te plaatsen.'

Andere Limburgse steden werden door Craandijk vanuit eenzelfde gezichtsveld beoordeeld. In Valkenberg missen de Limburgsche huizen, door bouwstijl en kleur het frische en vrolijke, dat aan menig "Hollandsch dorp een welvarend voorkomen geeft', terwijl 'wie na Roermond te hebben bezocht, plaatsen als b.v. Helmond wandelt, die zal zich daar weêr als te huis gevoelen. En net als Ising twee decennia voor hem uitte ook Craansijk zijn verwondering over het Limburgse landschap: 'Gij ziet er tal van dingen, zooals gij ze in onze andere gewesten niet aantreft. Alles draagt een gansch anderen stempel, dan wij het het gewoon zijn. Rotsen zijn er, wel geen Alpen. met besneeuwde toppen, maar toch wezenlijke schoon van vorm en kleur. Riviertjes en beken stroomen er driftig over steenklompen en langs steilten, hier en daar schuimende watervallermende. Prachtige vergezichten zijn er in menigte, lieflijk en trotsch. Grotten zijn er, holen, steengroen voven, steenkolenmijnen zelfs, op Nederlandschen bodem voor 't overige onbekend. De steden en dorpen lijkil weinig of niets op die wij in het Noorden zien.'

Geschiedenis als verklaring

Craandijk probeerde voor hetgeen hij over Limburg vaststelde een verklaring te geven. Volgens klassiek-historische traditie wees hij de geschiedenis aan als de reden voor het van Noord-Nederland afwijkende leefklimaat en taalgebruik in Limburg. 'Wat een aantal individuen tot een volk maakt, dat is hunne geschiedenis, hun gemeenschappelijk verleden, dat is een zekere geestverwantschap, die de vrucht van gemeenschappelijke sympathieën is. [...] ( verneemt maar zelden den naam van een dorp, van een heerlijkheid, van een adelijk geslacht, die u gemeenzaam is geworden uit den tijd, toen gij op de schoolbanken geschiedenis leerdet. Van den band, die de kinderen van hetzelfde vaderland zamenbindt, gevoelt gij dikwijls in het Limburgsche niet veel. Dat is ook niet onnatuurlijk, de geschiedenis van Limburg is een andere, dan die der Noordelijke gewesten. Van de betrekking tot de Republiek heeft het deel van Limburg, dat ertoe behoorde, niets anders dan de lasten gedragen. Limburg is ten allen tijde een product van oorlogen en tractaten, een schepping der diplomatie geweest. [...] Geen wonder, dat onder zulke omstandigheden geen eigenlijk volk zich daar vormen kon en althans geen band met de Vereenigde Provinciën kon ontstaan.

[...] Geen wonder, dat zoo wel het uitwendig voorkom der stad als het eigenaardig karakter der bevolking volstrekt geen zuiver Nederlandsch type vertoont. Het "Nederlands bloed" in hunne aderen is niet gansch "van vreemde smetten vrij". Het stroomt er welligt met meer levendigheid dan in de Noordelijke gewesten.' En dus, concludeerde Craandijk, was het eigenlijk logisch dat 'De Limburger zich maar ten halve een Nederlander acht en u vooreen halven broeder houdt' .

De geschiedenis, die Limburg tot een vreemde loot aan Nederlandse stam gemaakt had, zou het echter ook steeds meer deel doen uitmaken van de Nederlandse natie. De omstandigheden veranderen, de afstanden krimpen in, het hangt van nu vooral van de individuen af, of ineensmelting tot ééne natie in korter of langer tijd, meer of minder ten volle plaats zal hebben. [...] Staan wij nu nog wat vreemd tegenover elkander, de loop des tijds en een veelvuldiger verkeer zal den band vaster smeren, dien de diplomatie heeft gelegd, en volbrengen wat geen staatsmanswijsheid ooit vermag. Een natie wordt niet in de kabinetten der ministers gemaakt of door het magtwoord van koningen geschapen: door de geschiedenis wordt zij gevormd.' Op de staatkundige consequenties van het geschiedproces zouden de Limburgers volgens Craandijk geen invloed meer kunnen uitoefenen. Het 'ingroeien' in de Nederlandse natie was wél iets wat zijzelf mede in hand hadden: 'Limburg is thans Nederlandsch. Moge het niet alleen Nederlandsch zijn, maar het ook willen wezen er prijs op stellen, het te zijn. Dan zou Nederland een schoone provincie inderdaad gewonnen hebben.'

Limburg en de Nederlandse natie

In 1867, na de oorlogen tegen Denemarken en Oostenrijk verklaarde Bismarck dat Limburg voortaan vrij zou zijn van alle banden met de Duitse staten. Volgens de in Limburgse geschiedenis gespecialiserde historicus Alberts was het gevoel van bevrijding waarmee deze verklaring in die provincie ervaren werd 'een symbool van het groeiend Nederlands-nationaal besef, dat sinds de grondwetsherziening van 1848 aan de dag trad'.

Hiertegenover staat de mening van de historicus Rogier die zich niets kan voorstellen 'dat minder geschikt is om het ontluiken van een gezond nationaal besef onder een volk te bevorderen' dan 'de gewrongen, onnatuurlijke constellatie' waarin Limburg zich vóór 1867 bevond. Pas daarna 'kon de integratie in het Nederlandse volksverband zonder schokken en zonder overeiling haar rustige gaan' , toen de 'potsierlijke band met de Duitse Bond doorgeknipt was'.

Zonder al te veel waarde te willen hechten aan de gevolgen die de losse band met de Duitse Bond voor Limburg had, met name voor wat de ontwikkeling van een nationaal besef betreft, duidt al het voorgaande erop dat er van een Nederlands-nationaal gevoel in Limburg pas gesproken kon worden toen de 19de eeuw haar laatste kwart inging. De persbronnen lieten enerzijds kritische geluiden ten aanzien van Nederland horen maar drukten anderzijds ook tijdens de dreigende dagen rond 1870 expliciet de wens uit Nederlands te willen blijven. De dag- en weekbladen waren echter slechts de spreekbuis voor een kleine groep uit de sociale bovenlaag van de bevolking. Craandijks observaties leren dat 'de' Limburger in de jaren zeventig en tachtig van de 19eeuw nauwelijks Nederlands verstond of sprak, en evenmin van een Nederlands-nationaal besef doordrongen was.

Maar de reisverslagen van Craandijk tonen eveneens duidelijk aan hoezeer deze vrij algemeen ontwikkelde Noord Nederlander, die een speciale interesse koesterde voor eigen land en volk, zich over Limburg en de Limburgers verbaasde en veel kennis over dat deel van het land nog door eigen ervaring moest verkrijgen. De tijd van het moderne nationalisme, dat zich volgens theoretici kenmerkt door de gedachte dat politieke en culturele kenmerken van een natie binnen de staatsgrenzen ondeelbaar samenvallen, was voor Nederland nog niet aangebroken.

Bestanddelen van Noord Nederlandse vaderlandbeelden zoals het zelfvoldaan terugblikken op een geromantiseerde gouden eeuw of, wat later en meer specifiek, de psychose rondom de verwantschap met de Zuidafrikaanse Boeren, die brede lagen van de bevolking trof, waren vrijwel alle Limburgers onbekend. Zij keerden zich weliswaar niet meer nadrukkelijk af van Nederland, maar hadden hun eigen plaats binnen de Nederlandse natie nog niet echt gevonden. Alvorens gehoor te geven aan Craandijks oproep Nederlanders te willen zijn (en zelfs vandaag de dag zijn er nog Limburgers die deze oproep het liefst willen negeren!) zou nog heel wat 'wenningspijn' verbeten moeten worden. De ontsluiting der mijnen na de eeuwwende bracht eerst echt een wederkerige uitwisseling van mensen, kennis en uiteindelijk ook begrip tussen Limburg en Noord-Nederland op gang. Vooralsnog lijkt dan ook de conclusie gerechtvaardigd dat in 'onze nationale eeuw' de Limburgers zichzelf in de eerste plaats als Limburgers beschouwden, en daarna pas, en onder voorwaarden, als Nederlander.

Rico op den Camp in Spiegel Historiael Jaargang 28 Oktober 1993 nummer 10

Zie verder deel 12 'Een geschiedenis van Nederland' Deel 12 Gebruikte bronnen