We hebben 165 gasten online

De verovering van het fort Eben-Emael in mei 1940

Gepost in Geschiedenis Nederland

 eben emael

De verovering van het fort Eben-Emael in mei 1940

H. A. Baaij en J. Ch. Breukelaar

commodore van de Koninklijke luchtmacht, resp. majoor van de Koninklijke luchtmacht b.d.

Op 11 mei 1940 viel het onneembaar geachte fort Eben-Emael, sleutel van het Belgische defensiesysteem, 15 km ten noorden van Luik en 5 km ten zuiden van Maastricht, op de westelijke oever van het Albertkanaal, na een totaal onverwachte aanval van Duitse luchtlandingstroepen. Na ongeveer dertig uur strijd slaagden 77 man luchtlandingstroepen, overgebracht met zweefvliegtuigen, erin een bijna tienvoudige Belgische bezetting van het fort tot overgave te dwingen. Na de val van het fort en het onbeschadigd in handen krijgen van enkele door het fort beschermde bruggen over het Albertkanaal konden de Duitse tanks door het aldus ontstane gat in de Belgische verdedigingslinie doordringen. De vestingstad Luik viel een dag later en op 28 mei 1940 moest het Belgische leger capituleren.

Een ten ondergang gedoemd Frankrijk, welks Maginotlinie nu onbeschermd was voor de Duitse omsingeling, viel op 22 juni 1940. België is altijd de buffer geweest tussen de beide historische rivalen Duitsland en Frankrijk. Het land wordt gekenmerkt door een uitstekend terrein en heeft bijzonder goede wegen voor operaties van gepantserde en gemechaniseerde strijdkrachten.

Reeds ten tijde van de eeuwwisseling kwam de Chef van de Duitse Generale Staf, Alfred Graf von Schlieffen (hij bekleedde deze functie van 1891 tot 1901) tot de conclusie dat een frontale aanval op de Franse verdedigingsposities een bloedige en langdurige operatie zou worden. Bovendien zou het Verenigd Koninkrijk de Fransen te hulp kunnen snellen terwijl de Russische legers, indien tijdig gemobiliseerd, Duitsland van het oosten zouden kunnen bedreigen. Om een tweefrontenoorlog te vermijden, was een snelle beslissende aanval dus van het allergrootste belang.

Om dat te bewerkstelligen voorzag het zogeheten „von Schlieffen-Plan" in de opmars van een superrieure Duitse troepenmacht op de rechterflank door België teneinde achter de Franse verdediging te komen en Frankrijk tot overgave te dwingen voor de Engelsen te hulp zouden kunnen komen.

Het plan werd — hoewel in vele details aanmerkelijk gewijzigd — in 1914 met gedeeltelijk succes uitgevoerd: elf dagen na de oorlogsverklaring aan Frankrijk op 3 augustus 1914 viel Luik, Namen eind augustus, en Antwerpen in oktober. De weg naar Frankrijk lag weliswaar open, doch na de tegenslag bij de Marne volgde de langdurige en beruchte loopgravenoorlog in het westen. Terzijde zij hier opgemerkt dat von Schlieffen de grote overwinning van Hannibal bij Cannae in 216 vC nauwkeurig had geanalyseerd en zijn daaruit verkregen conclusies gebruikte voor het naar hem genoemde, gewaagde aanvalsplan dat een dubbele omvatting van het Franse leger beoogde.

fall gelb

Het operatieplan voor de aanval in 1940 met de codenaam „Fall Gelb" was opgesteld door generaal von Manstein en werd door Hitler op 24 februari 1940 aanvaard (zie afb. 1). Het plan bevatte door Hitler persoonlijk bevolen afwijkingen van het von Schlieffen-plan in die zin dat het zwaartepunt van het offensief werd gelegd in een aanval over de Maas tussen Luik en Luxemburg, door de Ardennen, gevolgd door een doorbraak in de richting van de mond van de Somme nabij Abbeville.

Een tweede aanval zou plaatsvinden in Nederland en Noord-België, om de geallieerde troepen die achter de Maginotlinie lagen naar het noorden te lokken zodat de hoofdaanval in het zuiden grotere vrijheid van manoeuvre zou krijgen en de geallieerde verdediging zou worden gesplitst. In zijn rede van 19 juli 1940 voor de Duitse Rijksdag omschreef Hitler de strategische doelstelling van dat aanvalsplan, waarin een belangrijke rol aan de operatie tegen het fort Eben-Emael was toebedeeld, als volgt:

Zum Unterschied des Schlieffenplanes vom Jahre 1914 liess ich das Schwergewicht der Operation auf den linken Flügel der Durchbruchsfront liegen, allein unter scheinbarer Aufrechterhaltung der umgekehrten Version.

De aanvallen op België en Nederland moesten bij zo groot mogelijke verrassing met grote kracht en snelheid worden uitgevoerd, op ruime schaal gebruik makende van de nieuw ontwikkelde conceptie van nauwe samenwerking van gepantserde strijdkrachten, luchtwapen, parachutisten en luchtlandingstroepen. Deze conceptie, waaraan voor altijd de naam van generaal Guderian verbonden zal blijven, steunde overigens op een nauwgezette studie die de Duitse Generale Staf had gemaakt van de verrassende doorbraak van 500 Britse tanks bij Cambrai op 20 november 1917 (welke doorbraak door de traagheid van de volgende strijdkrachten niet kon worden uitgebuit) en van de na de Eerste Wereldoorlog door het Royal Tank Corps ontwikkelde inzichten en daarop gebaseerde praktische veldtraining. De tanks zouden een verrassende doorbraak moeten forceren en daarna zonder ophouden, gesteund door luchtstrijdkrachten, na de penetratie voorwaarts gaan om de tegenstander van zijn aanvoer af te snijden.

Een belangrijke Belgische verdedigingslinie werd gevormd door de troepen achter het Albertkanaal. In de Albertlinie nam het fort Eben-Emael een sleutelpositie in omdat het de bruggen over de Maas en het Albertkanaal in Maastricht en omgeving beheerste waarmee de opmarsroute van de Duitse troepen in dat gebied kon worden geblokkeerd.

Eben-Emael bewaakte aldus een van de belangrijkste invalspoorten in België in de oostwestrichting. Het vervulde overigens die taak niet alleen voor België maar ook voor Frankrijk. Immers, de Fransen hebben hun Maginotlinie niet doorgetrokken tot langs de Frans-Belgische grens om onder meer bij de Belgen niet de indruk te vestigen dat zij ingeval van een Duitse inval in de steek zouden worden gelaten. Aangezien de Maas en het Albertkanaal voor de Duitse opmars een grote hindernis vormden, was het van het allergrootste belang de bruggen onbeschadigd in handen te krijgen zodat de gepantserde en gemechaniseerde Duitse eenheden snel zouden kunnen doorstoten. De bruggen waren echter ondermijnd en zouden dus zeker bij het eerste onraad worden opgeblazen. Een „normale" aanval, voorafgegaan door artillerievuur en luchtbombardementen, zou dan ook zeker niet tot het beoogde doel leiden.

fort eben emael en omgeving

Daarom werd besloten tot een overrompelende aanval met luchtlandingstroepen op het fort en op de bruggen over het Albertkanaal nabij Veldwezelt, Vroenhoven en Canne (zie afb. 2) om zo die bruggen intact te veroveren. De grondstrijdkrachten zouden zich dan door het aldus ontstane gat in de verdediging vrijelijk kunnen ontplooien in de richting van Antwerpen, Brussel en de kust.

Het Fort Eben-Emael

In 1928 werd de aanleg van het Albertkanaal, dat Antwerpen met de Maas ten zuiden van Maastricht verbindt, voltooid. Een Belgische commissie, belast met de studie van de diverse verdedigingslinies, kwam tot de conclusie dat het kanaal uitstekende verdedigingsmogelijkheden bood tegen aanvallen van grondstrijdkrachten uit het noordoosten. Tussen de fortificaties ten noorden van Luik en de plaats waar het Albertkanaal in de Maas uitmondt, ongeveer 4,5 km ten zuiden van Maastricht, bestond er echter nog een gat en de commissie stelde voor op die plaats een fort te bouwen waar gebruik kon worden gemaakt van de zeer diepe uitgraving van het Albertkanaal door het ter plaatse zeer geaccidenteerde terrein aan het noordoosten en een steile rotswand aan de zuidzijde. Het fort zou dan op die plaats de wegen en bruggen beschermen en zodoende het gat afgrendelen waardoor in 1914 de Duitse troepen naar het westen waren doorgebroken.

In 1931 stelde het Belgische parlement Bfr. 35 miljoen beschikbaar en een grote Belgische bouwcombinatie verwierf het contract. Een speling van het lot wilde dat die combinatie niet over voldoende mogelijkheden beschikte de bouw geheel in eigen beheer uit te voeren en zij trok daarom twee Duitse firma's aan en wel „Hochtief A.G." te Essen en „Dycherhoff und Widmann A.G." te Wiesbaden!

installaties fort eben emael

Afb. 3 Installaties fort Eben-Emael

In april 1932 werd begonnen met de bouw naar het model van de grote vestingwerken van de Maginotlinie en in 1935 kwam het fort in bedrijf, ofschoon er nog in mei 1940 werkzaamheden in uitvoering waren, onder meer aan de verwarmingsinstallaties.

Het fort lijkt op een dreigende speerpunt, gericht op Maastricht (zie afb. 3), een gelijkbenige driehoek met een basis van circa 800 m en een hoogte van ongeveer 900 m, gevormd in het noordoosten door de ter plaatse 65 m diepe en 1300 m lange doorsnijding van het Albertkanaal (zie afb. 4), in het noordwesten door het opgestuwde riviertje de Jeker en een kunstmatige watergracht van Blok II tot aan het Albertkanaal, en in het zuiden door een tankgracht met 6 m hoge, steile kanten. Rondom deze driehoek bevonden zich prikkeldraadversperringen met daartussen driehoekige stalen antitankversperringen en mijnenvelden. Het „dak" van het fort had evenwel geen enkel obstakel; er waren zelfs sportvelden op aangelegd!

Voorts bevonden zich op vitale punten verdedigingskazematten met antitankgeschut, mitrailleurs, mortieren, schijnwerpers en observatiekoepels. Het fort beschikte over twee artilleriebatterijen, een voor offensief vuur ter verdediging van bruggen en wegen en ondersteuning van de infanterie die deze objecten had te beschermen, en een andere voor zelfverdediging. De eerstgenoemde batterij bestond uit: — een grote, van speciaal staal vervaardigde, 30 cm dikke, niet intrekbare draaibare koepel met twee kanonnen van 120 mm met een werkzame dracht van 17,5 km (CP 120; afb. 5);

eben amael 4, 5 en 6

Afb. 4 Het Albertkanaal, noordoostelijke begrenzing

Afb. 5 De stalen koepel met twee 120 mm kanonnen van het fort

Afb. 6 Intrekbare koepel met twee 75 mm kanonnen — twee soortgelijke, echter wél intrekbare, koepels met elk twee kanonnen van 75 mm met een dracht van 11 km (CP Nord en CP Sud; afb. 6); — vier bunkers met elk drie vaste kanonnen van 75 mm met de schootsrichting Maastricht (MA l en MA 2) en in de richting Visé (VI l en VI 2) met eendracht van 11 km; — een bunker met een kanon van 60 mm en mitrailleurs in het zuiden op het punt waar de Albertkanaaldoorsnijding begint, ter verdediging van de sluis van Ternaaien (BL 01).

De tweede, voor zelfverdediging bestemde, batterij bestond uit bunkers rondom het fort (BL I, II, IV, V, Canal Nord, Canal Sud en BL 0). Voorts waren er twee mitrailleurbunkers (MI Nord en MI Sud) en slechts vier tweelingmitrailleurs luchtafweer op het plateau van het fort nabij BL IV, echter zonder verbinding met de commandocentrale in het fort. Ten slotte waren er nog drie schijnkoepels.

Inwendig bestaat het fort uit drie etages (zie afb. 7), waarvan de onderste 50 m onder het plateau ligt. In deze laatste bevonden zich de ingang, het hospitaal, de machinekamers met zes 175 pk dieselaggregaten voor elektrische energie, voorraadkamers, keuken en personeelsaccommodatie. De middelste etage werd gevormd door een uitgebreid gangenstelsel van totaal 4,5 km lengte; daar waren onder meer de centrale commandopost, de verbindingscentrale, munitiemagazijnen en de centrale toevoer van de luchtverversingsinstallatie gelegen. Met uitzondering van BL I bij de ingang waren alle bunkers slechts via de middelste etage te bereiken. Onder elk van deze bunkers was een schacht naar de middelste etage waarin twee munitieliften en rondom de liftkoker stalen trappen waren aangebracht. De bovenste etage ten slotte bevatte personeelsverblijven en munitiekamers.

Het fort was verder uitgerust met een luchtverversingssysteem, voorzien van filters tegen gasaanvallen.

7 eben emael dwarsdoorsnede

Afb. 7 Doorsnede van het fort

Het ondergrondse deel van het fort besloeg een oppervlakte van ongeveer 65 ha. De organieke sterkte van de bezetting van Eben- Emael bedroeg 1185 man — 24 officieren, 105 onderofficieren en 1059 korporaals/soldaten — die in een twee-ploegensysteem dienst deden: 700 man op dienst in het fort en de overigen in een kazerne in het 6 km westelijk gelegen Wonck. Op 10 mei 1940 was de bemanning echter aanmerkelijk beneden de sterkte: er waren 18 offn, 62 onderoffn en 570 korporaals en manschappen in het fort en 233 te Wonck, totaal dus 883 man. Die onderbezetting kwam doordat juist de dag vóór de aanval ruim verlof was verleend nadat, als gevolg van allerlei waarschuwingen voor een op handen zijnde aanval, al sedert een half jaar een zeer hoge graad van paraatheid was onderhouden die nu door de legerleiding wat werd versoepeld. De commandant, majoor Jottrand, had dat achterstallige verlof maar al te gaarne verleend: de dienst in het fort was immers weinig aantrekkelijk en werd vaak beschouwd als een soort strafplaatsing. In feite waren er onder de bemanning ook militairen die er als gevolg van een strafoverplaatsing verbleven. De naasthogere meerdere van majoor Jottrand was de regimentscommandant van de vestingLuik.

De voorbereidingen voor de aanval

Op 27 oktober 1939 werd generaal Student, commandant van de 7e Flieger Division (de eerste luchtlandingsdivisie ter wereld) en expert op het gebied van luchtlandingsoperaties en luchtvervoer van personeel en materieel, bij Adolf Hitler ontboden. De Führer in hoogsteigen persoon ontvouwde hem het plan voor de verovering van het fort Eben-Emael door met zweefvliegtuigen te landen op het, zoals uit hot voorgaande bleek, maar zwak tegen luchtaanvallen verdedigde fort. De aldus gelande troepen zouden vervolgens de kazematten bestormen en de koepels waarin de artillerie was opgesteld onschadelijk moeten maken met behulp van een door Duitse munitie-experts ontwikkelde volledig nieuwe munitie, de zogenaamde „holle lading" (zie afb. 8). Het principe was in 1888 door de Amerikaanse natuurkundige Muroë ontdekt, maar nimmer praktisch te nutte gemaakt. Hitler vertelde dat hij als soldaat in de Eerste Wereldoorlog had gehoord van de inneming van de Belgische fortificaties nabij Luik die pas na een volledige verwoesting door artilleriebombardementen konden worden veroverd. Hij had die operatie bestudeerd en was tot de conclusie gekomen dat het artilleriebombardement de beslissende factor was geweest.

De nieuw ontwikkelde holle lading, waartegen geen enkele toen bekende pantsering bestand was (afb. 9 toont de uitwerking op een van de pantserkoepels), maakte een dergelijk zwaar bombardement overbodig, mits de lading door een groepje van twee a drie man op de juiste wijze op het object kon worden aangebracht en ontstoken. Het aanbrengen van de

afb 8 eben emael

Afb. 8 Tweedelige holle lading van 50 kg (^ geconcentreerde dunne gas- en metaalstraal)

9 eben email uitwerking holle lading

holle ladingen zou het doeltreffendst kunnen geschieden door groepen geniepersoneel met de ladingen in zweefvliegtuigen te laten landen nabij de onschadelijk te maken kazematten. Een dergelijk gebruik van zweefvliegtuigen (zie afb. 10) — voor het eerst in de krijgsgeschiedenis! — combineerde de elementen van verrassing, snelheid en doeltreffendheid die voor deze operatie noodzakelijk waren; de bruggen over het Albertkanaal waren immers al sedert november 1939 van springladingen voorzien en de vernieling kon onverwijld worden uitgevoerd. De zweefvliegtuigen zouden geluidloos kunnen naderen en op het object landen en de inzittende troepen zouden zich in de organieke teams onmiddellijk met de holle ladingen naar de diverse kazematten kunnen begeven. Daardoor was de verrassing optimaal gewaarborgd, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een aanval met parachutisten in Ju-52 driemotorige transportvliegtuigen die met hun motorlawaai de bezetting van het fort zeker zouden alarmeren; bovendien zouden de parachutisten zich na de landing eerst nog moeten groeperen en hun materiaal verzamelen.

Generaal Student ontving de opdracht dat hoogst vernuftige en originele plan uit te voeren en zodoende de bruggen over het Albertkanaal in handen te krijgen nog voor de Belgen deze zouden kunnen doen springen. Ter waarborging van een

10 eben emael gebruikte zweefvliegtuigen

Afb. 10 De zweefvliegtuigen, „Kampf- und Lastensegler", getrokken door een Ju-52 (bovenste foto) waren van het type DFS 230 (DFS = Deutsche Forschungsanstalt für Segelflug); spanwijdte 21,98 m, lengte 11,24 m, hoogte 2,74 m, gewicht leeg 780 kg, vlieggewicht 2100 kg, nuttige lading 1150 kg, sleepsnelheid max. 185 km/h, landingssnelheid 87 km/h, capaciteit personenvervoer l vlieger + 9 man

zo groot mogelijke verrassing werd voor de voorbereiding van de operatie uiterste geheimhouding opgelegd. Reeds op 2 november 1939, vijf dagen na de opdracht aan generaal Student, werd op de vliegbasis Hildesheim de zogeheten „Sturmabteilung Koch" geformeerd, genoemd naar de commandant daarvan, de jonge maar zeer capabele kapitein Koch.

De volgende dag werd het eerste operatiebevel ontvangen, waarin de opdracht tot het uitschakelen van het fort Eben-Emael en het onbeschadigd veroveren van de meergenoemde bruggen over het Albertkanaal was vervat.

Koch verdeelde zijn Sturmabteilung in vier aanvalsgroepen: een voor de aanval op het fort Eben-Emael onder leiding van luitenant Witzig, en de drie andere voor elk van de aan te vallen bruggen. De eerstgenoemde groep — vanwege haar speciale opdracht, de holle ladingen aan te brengen, samengesteld uit geniepersoneel — telde 85 man; een sterkte, bepaald door het aantal van elf beschikbare zweefvliegtuigen, alsmede door de omstandigheid dat deze groep relatief zwaar materiaal had mee te voeren waaronder de holle ladingen van elk 50 kg die samen alleen al 2500 kg wogen.

Per zweefvliegtuig konden dan ook van deze groep ploegen van zeven of acht man worden vervoerd waarvan elke ploeg dan twee gevechtsopstellingen of kazematten onschadelijk moest maken.

In deze ploegen was ook de vlieger ingedeeld, die dus ook de gehele gevechtstraining moest ondergaan. Objectief gezien moest de operatie tegen een dergelijk sterk fort met zijn zo grote overmacht aan bemanning met een onverantwoord gering aantal luchtlandingstroepen worden uitgevoerd. Een reden te meer om bij de voorbereiding inderdaad de uiterste geheimhouding te betrachten. Deze werd dan ook zo grondig gehandhaafd dat de aanval op het fort Eben-Emael de naam kreeg een van de best bewaarde geheimen van de Tweede Wereldoorlog te zijn: zelfs de hoogste Duitse autoriteiten waren volkomen onkundig van de operatie. Op bevel van Koch moest zijn personeel alle rang- en andere onderscheidingstekenen van de uniform verwijderen, de mannen mochten geen post verzenden of ontvangen, noch telefoongesprekken voeren of met militairen van andere onderdelen spreken, en al helemaal niet met verlof gaan.

In het uiterste geheim oefenden de aanvalsgroepen in forten in Tsjecho-Slowakije en Polen. De training van de vliegtuigbemanningen van de zweefvliegtuigen kon goed beschermd tegen ongewenste nieuwsgierigheid worden uitgevoerd in het gebied rond Hildesheim waarbij individuele en formatiestarts, sleepvliegen en landingen op onbekend terrein bij dag en nacht grondig werden beoefend totdat aan de eis — te weten landingen binnen een straal van 20 m van het onschadelijk te maken object — was voldaan.

Een bijzonder probleem voor de geheimhouding vormde het overbrengen van de zweefvliegtuigen naar de vliegvelden vanwaar de operatie zou plaatsvinden. Van het door de lucht overbrengen werd afgezien aangezien dat te veel opzien zou baren. Daarom werd besloten de vliegtuigen, gedemonteerd, in meubelwagens over de weg te vervoeren.

Op de vliegvelden waren grote hangars gebouwd, geheel omgeven door prikkeldraad en hoogspanningshekken, waarin na aankomst de zweefvliegtuigen weer werden geassembleerd. Het daarmee belaste personeel verbleef maandenlang achter prikkeldraad, zonder enig contact met de buitenwereld.

Bij de voorbereiding werd onder meer gebruik gemaakt van een tot in details natuurgetrouw model van het fort dat was vervaardigd op grond van uitgebreide inlichtingen — volgens enkele bronnen behoorden daartoe ook bouwtekeningen van de Duitse firma's die destijds aan de bouw van het fort hadden deelgenomen! — die waren verkregen van de uitstekend werkende Duitse inlichtingendienst.

Niets werd aan het toeval overgelaten, zelfs de te nemen maatregelen bij het uitvallen van een commandant of van een of meer volledige groepen werden grondig voorbereid en geoefend. Na afloop van de maandenlange periode van intensieve voorbereiding en oefening (november 1939 tot de aanval in mei '40) kende elke deelnemer aan de operatie minutieus elk detail van zijn opdracht en van het fort; doch wat dat laatste betreft wist, behalve de commandant, niemand waar het fort lag of hoe het heette.

Het aanvalsplan

Het fort Eben-Emael en de drie bruggen over het Albertkanaal dienden gelijktijdig te worden aangevallen. Om de tegenstander te misleiden, zouden de zweefvliegtuigen in de landing hun doelen van het westen uit aanvliegen; ook zouden groepen als parachutisten verklede poppen (die „Mannequins" werden genoemd) op verschillende plaatsen achter de linies van het Albertkanaal en achter het fort worden neergelaten. De beste tijd om de actie te beginnen was 10 minuten voor zonsopgang.

De aanval zou worden ondersteund door onder meer jachtvliegtuigen en duikbommenwerpers (Stuka's). De nabij de grens staande grondtroepen van de 4e Pantserdivisie van het 6e Leger hadden opdracht, na grensoverschrijding zo snel mogelijk door te stoten en contact te maken met de luchtlandingstroepen op het fort en nabij de bruggen. Het tijdstip van de grensoverschrijding was bepaald op de tijd van zonsopgang plus 5 minuten, hetgeen betekende dat — om de verrassing niet prijs te geven — gedurende de eerste 15 minuten van de acties geen luchtsteun kon worden gegeven op het fort en bij de bruggen.

Uit de inlichtingen was gebleken dat in totaal twintig objecten van het fort van wezenlijk belang waren. Met een relatief zo kleine gevechtseenheid van 85 man — aangenomen dat de landing volgens plan verliep — betekende dit dat er een aanvalsprioriteit moest worden vastgesteld waaraan strak de hand moest worden gehouden. Als eerste moesten de mitrailleurs en snelvuurkanonnen die het oppervlak van het fort beschermden onschadelijk worden gemaakt opdat de gelande troepen hun opdracht konden uitvoeren. Vervolgens zouden de artilleriekazematten — als eerste die welke naar het noorden waren gericht (MA l en MA 2) — aan de beurt komen. Die aanvalsdoelen leken binnen de werkingssfeer van de verrassing wel te kunnen worden genomen, waarbij men zich zeer goed realiseerde dat na de landing de tijd in het nadeel van de aanvaller zou werken: wat in een uur niet zou kunnen worden bereikt, zou later waarschijnlijk niet meer lukken. Vandaar dan ook dat in het plan na dat eerste uur alleen maar de zelfverdediging van de luchtlandingstroepen was opgenomen, onder meer door het doen springen van de (nood)uitgangen van het fort zodat tegenaanvallen daaruit onmogelijk werden. Die zelfverdediging moest zo lang worden volgehouden tot met de vooruitgeschoven eenheden van de 4e Pantserdivisie verbinding kon worden gemaakt.

De aanval

In de vroege ochtenduren van 10 mei 1940, het was 04.30 uur, begon het Duitse leger zijn offensief tegen het Westen met operaties tegen Frankrijk, Nederland, België en Luxemburg. Vooreerst kon nog niet worden onderkend waar het zwaartepunt van de aanval lag. De operaties tegen België werden ingeleid met de aanval op het fort Eben- Emael. Wij zullen de aanval zelf niet in alle details behandelen doch volstaan met het noemen van enkele, in het kader van dit artikel relevante, aspecten.

De start van de ongeveer dertig Ju-52/DFS-zweefvliegtuigcombinaties in duisternis — het was 03.30 uur in de ochtend — van twee betrekkelijk kleine vliegvelden in de omgeving van Keulen was een vliegtechnisch meesterstuk. Nadat de formaties op hoogte waren gekomen werd een op de grond met lichten gemarkeerde koers met een lengte van 70 km naar het doel gevolgd. De aanvalsgroep bestemd voor het fort Eben-Emael verloor echter twee zweefvliegtuigen, waaronder dat van de commandant, als gevolg van een breuk van de sleepkabel en landde met de overgebleven 9 zweefvliegtuigen om 04.25 uur op het fort, 5 minuten voor de grensoverschrijding door de Duitse hoofdmacht. Een tweede tegenvaller was dat de formatie even boven Nederlands gebied geraakte waardoor de luchtverdediging werd gealarmeerd.

Reeds bij het aanvliegen kwam een deel van de vliegtuigen dan ook onder mitrailleurvuur en ook het luchtdoelgeschut in Maastricht opende het vuur, maar daardoor werd geen belangrijke schade opgelopen en de luchtverdedigingspost op het fort werd direct na de landing tot zwijgen gebracht.

In de eerste tien minuten na de landing werden reeds tien objecten uitgeschakeld; een opmerkelijk resultaat als men bedenkt dat twee zweefvliegtuigen hun doel niet hadden kunnen bereiken en twee andere aanvalsgroepen op de noordzijde van het fort kwamen vast te zitten, waardoor slechts 55 van de 85 man — en dan nog zonder commandant! — beschikbaar waren. Op één na werden alle pantserkoepels met de holle ladingen onschadelijk gemaakt. Het geschut van de eerstgenoemde koepel werd door het inbrengen van kleine explosieve ladingen in de lopen vernietigd.

Dat de inlichtingen toch niet geheel juist waren, bewijst het feit dat ook een van de schijnkoepels werd aangevallen! Op de bovenzijde van het fort werden geen landmijnen aangetroffen, noch andere versperringen die de aanvallers hadden kunnen hinderen. Om 04.40 uur was het fort al praktisch blind en stom. Na de eerste intensieve gevechtsacties, waaraan later op ruime schaal luchtsteun werd verleend, volgden enkele uren van betrekkelijk matige activiteit gedurende welke onder meer de (nood)uitgangen van het fort en de luchtverversingstoevoeren werden aangevallen.

Luitenant Witzig was erin geslaagd na zijn onfortuinlijke voortijdige landing weer te worden opgesleept — een prestatie op zich! — en voegde zich om ongeveer 10.00 uur weer bij zijn eenheid. De bemanning van het fort opende het vuur op haar belagers en er werden ook enkele verspreide tegenaanvallen uitgevoerd die evenwel weinig succes hadden. De nacht bracht geen bijzondere gebeurtenissen en reeds de volgende ochtend om 06.00 uur maakte de eerste eenheid van de Duitse hoofdmacht contact met de gevechtsgroep van It Witzig op het fort. Samen met nog volgende te hulp komende troepen werd de laatste tegenstand gebroken en om 12.00 uur capituleerde het fort. De strijd had iets meer dan dertig uur geduurd.

Wat de Belgische verdediging betreft kan worden gezegd dat de eerste berichten dat er wat op handen was op 10 mei om 00.30 uur telefonisch van de vesting Luik werden ontvangen. Die alarmering was het gevolg van een telefoonbericht om 23.30 uur in de voorgaande avond van de Belgische militaire attaché te Berlijn aan de legerleiding te Brussel, waarin voor het grote Duitse offensief werd gewaarschuwd. In het alarmeringsplan was voorzien dat kazemat CP Nord twintig schoten zou afvuren, met een interval van een halve minuut, waardoor de kazerne in Wonck, de bezettingen van de Albertkanaalbruggen en de in de omgeving woonachtige militairen zouden worden gealarmeerd; de kanonnen van genoemde kazemat waren echter niet inzetgereed ten gevolge van een dikke laag antiroestvet op de vitale delen die eerst moest worden verwijderd.

Vervolgens moesten de munitiekamers worden ontsloten eer de munitie kon worden aangevoerd. De alarmeringsopdracht moest ten slotte worden gegeven aan kazemat CP Sud, waar echter de aanwezige munitie door het vervangen van de geplaatste oefenontstekers eerst nog schietgereed moest worden gemaakt. Door deze tegenslagen werd dit zo vitale onderdeel van de alarmeringsprocedure zodanig vertraagd dat pas om 03.30 uur de waarschuwingsschoten konden worden gelost. Om 04.00 uur kwam de eerste melding binnen van 40 a 50 vliegtuigen „met stilgezette motoren" boven het fort.

Er waren berichten van waarnemers die de zweefvliegtuigen aanzagen voor vliegtuigen in nood, anderen rapporteerden dat er vliegtuigen waren geland die zij niet konden identificeren (de Duitsers hadden inderdaad de nationaliteits- en registratietekens uiterst klein op de zweefvliegtuigen aangebracht) en dat zij daarom het vuur niet openden, weer anderen hielden de gelande vliegtuigen voor defecte lichte vijandelijke verkenningstoestellen, begaven zich ernaar toe om de bemanning gevangen te nemen, doch werden verwelkomd door intensief mitrailleurvuur van de uit het vliegtuig stormende luchtlandingstroepen. De verrassing van de spookachtige zweefvliegtuiglandingen was dan ook volkomen.

Zowel de late alarmering als het verleende verlof waren oorzaak dat er nagenoeg geen troepen beschikbaar waren voor een grootscheepse tegenaanval. Bovendien bestond de bezetting van het fort uit artilleristen die de voor een dergelijke tegenaanval benodigde opleiding, kennis, geoefendheid en uitrusting misten.

De vesting Luik heeft nog wel artillerievuur afgegeven doch dat was te onnauwkeurig omdat men in Eben-Emael al heel snel niet meer over voldoende waarnemingsmogelijkheden en verbindingsmiddelen beschikte om het vuur te kunnen corrigeren. Assistentie van troepen uit Luik werd onmogelijk omdat de voorhoede van de Duitse hoofdmacht reeds te dicht was genaderd en de ondersteunende Stuka's verdere acties verhinderden.

De capitulatie van het fort kon dus niet meer worden voorkomen. De bruggen bij Veldwezelt en Vroenhoven vielen de Duitsers onbeschadigd in handen; de brug bij Canne echter kon door de Belgische verdediging nog bijtijds worden vernield.

De lessen

De belangrijkste les die uit de verovering van het fort Eben-Emael valt te leren, is de beslissende invloed die het element verrassing op een militaire operatie kan hebben. In dit geval zowel een verrassing wat de gebruikte middelen aangaat —zweefvliegtuig en holle lading — als voor wat betreft de keuze van het tijdstip van de aanval — bij het ochtendgloren zonder oorlogsverklaring en nog vóór de grondstrijdkrachten de grens hadden overschreden — én de plaats van de operatie: een onneembaar geacht fort, deel uitmakende van een sterke verdedigingslinie.

Voorts was natuurlijk de originaliteit van het, in wezen betrekkelijk simpele, aanvalsplan van belang én het risico dat de aanvaller met de inzet van een zo kleine strijdmacht (85 man tegenover een meer dan tienvoudige overmacht in een zo sterk fort) bereid was te aanvaarden, zeker als wij bedenken welke ernstige gevolgen een mislukking zou hebben gehad.

Verder blijkt duidelijk het belang van een snelle aanvang en grondige voorbereiding van een dergelijke gedurfde actie: verzamelen en minutieus evalueren van inlichtingen, een goed opgezet aanvalsplan en een intensieve oefening van de deelnemende strijdkrachten, ook in het uitvoeren van de opdracht zonder adequate leiding. Het vertrouwen van de leiding, de grondige voorbereiding en training leverden het hoge moreel van de aanvallende eenheden op waardoor kwantiteit door kwaliteit kon worden gecompenseerd.

Ook de uitstekende samenwerking tussen de verschillende deelnemende eenheden van land- en luchtmacht, zowel bij de voorbereiding als bij de uitvoering, alsmede de voor deze operatie aangepaste commandostructuur — deelnemende luchtlandingstroepen, bemanningen en overig personeel van de zweef- en transportvliegtuigen onder eenhoofdig bevel — verdienen vermelding.

Belangrijk is in dit verband ook dat weer werd aangetoond dat zelfs de modernste statische verdedigingsposities kwetsbaar zijn voor de aanval van een goed ingelichte en voorbereide tegenstander met een hoog moreel, beschikkend over een goed doordacht, verrassend operatieplan.

Wat betreft de kwetsbaarheid van het fort Eben-Emael moeten in het bijzonder worden genoemd het ontbreken van voldoende luchtverdediging, van beveiliging van de vlakke bovenzijde van het fort — die toch zeker van mijnen en prikkeldraadversperringen had moeten worden voorzien — en van de kazematten zelf, en het ontbreken van direct beschikbare goed geoefende infanteristen voor de eigen buitenwaartse verdediging. Een verdediger verkeert steeds in een nadelige positie: het is immers de tegenstander die tijd, plaats en middelen voor zijn aanval bepaalt. In het geval van de operatie Eben-Emael verkeerde de bezetting van het fort, in die periode van hoge internationale spanning die aan het Duitse offensief voorafging, in een hoge mate van onzekerheid die nog werd versterkt door de vele waarschuwingsberichten en alarmeringen die alle loos bleken te zijn.

Ook tijdens de aanval was er grote onzekerheid of er wel van „hostile acts" sprake was: de zweefvliegtuigen werden immers in eerste instantie aangezien voor vliegtuigen in nood. Die onzekerheid had een zeer nadelige invloed op het moreel. Ook het in een periode van spanning met verlof zenden van relatief veel personeel, en het niet onmiddellijk in gereedheid hebben van vitale middelen van de alarmering, zijn zeker zaken waaruit voor het heden lering kan worden getrokken.

Ten slotte: de onschatbare waarde van een nauwkeurige bestudering van de krijgsgeschiedenis moge weer eens blijken, zoals von Schlieffen had gedaan met de slag bij Cannae, de Duitse Generale Staf met de tankdoorbraak bij Cambrai, en Hitler met de verovering van de Luikse fortificaties in de Eerste Wereldoorlog.

De schrijvers hopen met dit artikel op dat laatste nog weer eens met nadruk de aandacht te hebben mogen vestigen . . .

Literatuur

J. E. Mrazek — Lastensegler auf Eben-Emael. Motorbuch Verlag, Stuttgart (1980).

C. de Fabribeckers — La campagne de l'armee Beige en 1940. Rossel Edition s.a., Brussel (1978).

Ceux du Fort d'Eben-Emael (vele ooggetuigeverslagen). Comité del'Amicale (1978).

The fall of Eben-Emael. HQ Northag, Rheindahlen (1981).

R. Witzig — Die Einnahme von Eben-Emael. Wehrkunde (1954)153-158.

H. R. Kurz — Die Operation Eben-Emael. Allg. Schweiz. Mil. Z. (1949)323-431.

R. Witzig — Die Einnahme von Eben-Emael. Pioniere7(1965)(2)50-58.

B. H. Liddell Hart — History of the first World War. Cassell, Londen (1973).

B. H. Liddell Hart — History of the second World War.Cassell, Londen (1970).

R. E. Dupuy en T. N. Dupuy — The encyclopaedia of military history from 3500 BC to the present. Macdonald

and Jane's. Londen (1974).

Eerder verschenen in Militaire Spectator 1983 pagina 495 t/m 505

Zie ook de volgende pdf flie:

http://www.fort-eben-emael.be/upload/download/brochure.pdf