We hebben 256 gasten online

De Nederlandse steenkolenmijnbouw tijdens de Duitse bezetting

Gepost in Geschiedenis Nederland

De Nederlandse Steenkolenmijnbouw tijdens de Duitse bezetting

Auteur: drs. J.W. Swaen Utrecht Juli 1981 steenkoolconsessies 1940 

De Nederlandse Steenkolenmijnbouw is pas sinds het begin van de twintigste eeuw uitgegroeid tot een industrie van nationale betekenis. De oorzaak daarvan lag vooral in het feit dat de Nederlandse staat omstreeks 1900 belangstelling begon te krijgen voor de Limburgse kolen.

De staat nam vanaf die tijd een leidende rol in het tot ontwikkeling brengen van nieuwe mijnen. In de oude mijnstreek ontstonden 11 mijnen tegen in de nieuwe mijnstreek 1.

De periode 1900 - 1914 was een periode van ongekende bloei, met zijn opgaande conjunctuur en een stijgende, vooral buitenlandse vraag naar kolen.

De eerste wereldoorlog deed de binnenlandse vraag naar steenkolen plotseling stijgen waardoor vooral de Staatsmijnen zich snel ontwikkelden. Terwijl het in en vlak na de eerste wereldoorlog een probleem voor de steenkolenmijnbouw was voldoende kolen te produceren om zo goed mogelijk aan de vraag tegemoet te komen, brak daarna een tijd aan van overvloed en lage prijzen.

In de twintiger jaren was Nederland één van de meest betwiste afzetmarkten door zijn ligging t.o.v. Engeland en Duitsland. Toch bleef de Nederlandse produktie stijgen om zo te trachten de produktiekosten per ton te drukken.

In 1929 kwam de Kolenconventie van Nederland tot stand. Deze conventie was enerzijds een samenwerking tussen de Nederlandse producenten onderling en anderzijds tussen de Nederlandse producenten en de importeurs van Duitse kolen. De totale produktie ging van 2 miljoen ton in 1914 naar ruim 12 miljoen ton in 1930.

Door de economische wereldcrises van 1929 daalde de kolenprijs van fl 9,95 per ton in 1930 tot fl. 5,76 per ton in 1934. De particuliere mijnen moesten als gevolg hiervan de produktie inkrimpen, de Staatsmijnen hoefden daartoe niet over te gaan. De gunstige afzetmogelijkheden van de Staatsmijnen stelden hen in staat de produktie in de periode 1931 - 1936 op te voeren met 10,4 %.

Voor de Steenkolenmijnbouw trad er vanaf 1935 een verbetering in. Oorzaak daarvan was de opkomst van de Duitse oorlogsindustrie. Vooral de tweede helft van 1936 bracht verbetering, door de opleving in de Nederlandse industrie, handel en scheepvaart en door het tekort aan steenkool, dat zich vrijwel alom in Europa voordeed. In 1937 produceerden de mijnen 14 miljoen ton steenkolen en in 1938 13,5 miljoen ton.

winning van steenkool

Toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was de positie van de Nederlandse Steenkolenmijnbouw een geheel andere dan bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De produktie bedroeg in 1914 minder dan 2 miljoen ton, het verbruik ruim 10 miljoen.Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was evenwel de hoeveelheid van de in Nederland geproduceerde vaste brandstoffen ongeveer gelijk aan de hoeveelheid verbruikte vaste brandstoffen.

De Nederlandse Steenkolenmijnbouw toonde bij het begin van de Duitse bezetting het beeld van een krachtig ontwikkelde industrie en de laat tot volle ontplooiing gekomen Steenkolenmijnbouw had tot gunstig gevolg dat men kon spreken van een zeer modern ingericht bedrijf, dat in dit opzicht een voorsprong had op de oudere mijnbouwlanden.

Doordat Nederland, door de bezetting op 10 mei 1940, m.b.t. haar energievoorziening geheel afhankelijk was geworden van de eigen produktie, zou de Nederlandse Steenkolenmijnbouw een nog grotere rol gaan vervullen in de energievoorziening van de Nederlandse Volkshuishouding.

Ook de Duitsers zagen het belang van de Nederlandse Steenkolenmijnbouw in. De Steenkolenmijnbouw werd door de Duisers als 'kriegswichtig' beschouwd, hetgeen volledig paste in het economisch systeem van het Nationaal-Socialisme dat, door uitbreiding van de 'Lebensraum' ervoor diende te zorgen, dat de materiële middelen aanwezig waren, die de 'Volkswirtschaft' in haar streven naar autarkie nodig had. Een autarkie welke noodzakelijk was om met succes een oorlog te kunnen winnen.

Om zo snel mogelijk het economisch leven van Nederland te regelen, volgens richtlijnen die te Berlijn werden vastgesteld ging vanuit Den Haag de 'Hauptabteilung Gewerbliche Wirtschaft' opereren, welke op haar beurt behoorde tot de ‘Rüstungsinspektion Niederlande'. De Rüstungsinspektion nu, diende er voor te zorgen, dat de Duitse Wehrmacht de beschikking kreeg over voldoende wapens en andere hulpmiddelen die men nodig had. Zo werd de Steenkolenmijnbouw al direkt door de bezettingsautoriteiten ingeschakeld ter voorziening in de behoeften van het Groot-Duitse Rijk.

De directies van de mijnen werden geconfronteerd met een voor hen totaal veranderde situatie. Welk beleid dienden zij nu te ontwikkelen? Moesten zij met de bezetter samenwerken of niet? Zo niet, wat betekende dit dan voor hun bedrijven? Zo wel, was dit dan wel toegestaan?

Een antwoord op deze vraag moest gezocht worden in de Aanwijzingen van 1937. Deze Aanwijzingen van 1937 waren juist door de toenmalige Ministerraad opgesteld, met het oog op de mogelijkheid van een vijandelijke inval en bezetting.

Hoever mochten de directies volgens deze Aanwijzingen gaan? In de Aanwijzingen was artikel 52 van het Landoorlogsreglement van 18 oktober 1907 overgenomen, dat bepaalde dat de bevolking van een bezet gebied niet mocht worden gedwongen deel te nemen aan krijgsverrichtingen tegen het Vaderland.

In de Aanwijzingen werd echter de wapenproduktie uitdrukkelijk verboden. Wel geoorloofd waren werkzaamheden van niet specifiek militaire aard en werkzaamheden, welke geacht konden worden in het belang van het maatschappelijk leven van de bevolking te zijn, ook al zou de vijand daarvan mede profiteren voor zijn oorlogsvoering.

Een zekere medewerking was dus toegestaan en deze ging verder dan alleen herstel en handhaving van de openbare orde.De directies dienden dus naar eigen inzicht te bepalen wat in het belang van het maatschappelijk leven van de bevolking was. Natuurlijk was de steenkool van belang voor de Nederlandse bevolking en industrie, maar hield dat dan in dat men ook Duitse orders moest accepteren? Zou men dit niet doen dan zouden Duitse maatregelen niet uitblijven.

Het was en bleef een groot dilemma voor de directies en de Aanwijzingen van 1937 voldeden niet als leidraad in de ontstane situatie.

De directies besloten ten opzichte van de nieuw ontstane situatie gezamenlijk één lijn te volgen en men probeerde dit standpunt dan ook zo lang mogelijk uit te dragen. Tijdens de eerste maanden van de bezetting week men niet af van het standpunt dat de Nederlandse kolen moesten dienen ter voorziening van de Nederlandse behoeften en dat men aan Duitsland enkel die hoeveelheid zou leveren die behoorde tot het normale contingent. Zou men toch meer kolen aan Duitsland leveren, dan diende Duitsland Noord-Nederland van gelijke tonnages te voorzien.

Dit standpunt van de directies bleek in de praktijk snel door hen te worden verlaten. Toen in augustus 1940, van Duitse zijde werd verlangd, dat men per maand 300.000 ton moest gaan leveren, reageerden de directies enkel met de mededeling dat de kolen welke boven het normale contingent geleverd zouden worden, niet in dezelfde soorten konden worden geleverd als het normale maandelijkse contingent. Er werd door de directies niet gewezen op het feit dat de Duitsers er dan voor dienden te zorgen dat Noord-Nederland van dezelfde hoeveelheid moest worden voorzien. De directies voerden de door de Duitsers gevraagde hoeveelheid uit.

De in augustus 1940 van Duitse zijde verlangde exportvergroting tot 300.000 ton per maand zou het begin betekenen van een gevoelige aderlating van de kolenproduktie van Nederland. Uiteindelijk zou men meer dan 15% van de totale produktie tijdens de Duitse bezetting ten behoeve van het Groot-Duitse Rijk exporteren.

De directies hadden zich dienen te verzetten tegen deze export, vooral ook omdat men nu in het geheel niet meer aan de Nederlandse behoefte kon voldoen.Te gemakkelijk hadden de directies toegegeven aan het Duitse verzoek om meer kolen te leveren.

Opgemerkt dient nog te worden dat ook van de voor Nederland beschikbare hoeveelheid nog eens 300.000 ton huisbrandkolen beschikbaar moest worden gesteld aan de Duitse Wehrmacht in Nederland, terwijl de huisbrandkolen toch al met 50% was verminderd vergeleken met de situatie voor de bezettingstijd. Om een goed inzicht te krijgen in de produktie, export en de voor Nederland beschikbare hoeveelheden tijdens de Duitse bezetting zie het navolgende overzicht.

Overzicht van de produktie en export in 1938 en 1939 en een overzicht van de produktie, export en de voor Nederland beschikbare hoeveelheden tijden de Duitse bezetting.

Jaar

Productie in Tonnen

Export

Voor Nederland

1938

13.487.552,000

1.244.383,000

12.243.169,000

1939

12.861.462.000

1.093.053,300

11.768.40,700

1940

12.145.044,577

1.752.247,143

10.392.797,434

1941

13.356.425,166

2.444.699,497

10.911.725,669

1942

12.329.691,000

1.213.959,170

11.115.731,830

1943

12.497.102,000

1.596.289,000

10.900.813,000

1944 tot sept

7.338.000.000

1.115.000,000

6.223.000,000

 

Produktie 1940 tot september 1944

57.666.262,743 ton

Export 1940 tot september 1944

8.122.194,810 ton

Uit het overzicht van de export tijdens de Duitse bezetting blijkt duidelijk dat de export een sterke toename vertoonde, hetgeen een gevoelig verlies betekende voor de Nederlandse energiebehoefte.

Er is al op gewezen dat de Steenkolenmijnbouw werd ondergebracht bij de 'Rüstungsinspektion Niederlande'. Maar de bezettingsautoriteiten namen nog meer maatregelen. Om hun directe invloed op de produktieomvang te vergroten werd op 24 juni 1940 bij de Limburgse mijnondernemingen, welke met Frans en Belgisch kapitaal werkten, een Verwalter(beheerder) aangesteld, de Heer H. Bruch. Pas met ingang van 1 januari 1942 werd Bruch ook Verwalter van de Staatsmijnen en de Dominiale Mijn Mij.

De samenwerking tussen de directies en de heer Bruch kan zeker tot januari 1942 als goed worden omschreven, hetgeen niet in de laatste plaats haar oorzaak vond in de naar tevredenheid van de bezettingsautoriteiten producerende mijnen. Een en ander blijkt duidelijk uit de notulen van de directievergaderingen waar Bruch ook aan deel nam.

Tot het einde van 1941 had de aansporing van de directies dat er in het belang van de kolenvoorziening van Nederland meer geproduceerd moest worden succes, gezien het feit dat men in 1941 tot een totale produktie kwam van 13.356.425,166 ton. Een produktieniveau praktisch gelijk een het vooroorlogse jaar 1938. Deze toename van de produktie leidde er echter niet toe dat het tekort aan steenkool in Nederland teniet werd gedaan. Van de totale produktietoename in 1941 van 1.211.385 ton werd 57,2% voor de export bestemd en kwam dus niet ten goede aan Nederland.

Zoals uit het gegeven overzicht blijkt werd er in 1940 en 1941 het meeste geëxporteerd. In 1940 en 1941 werd meer geëxporteerd dan in de periode 1942 tot september 1944, namelijk 4.196.946,640 ton tegen 3.925.248,170 ton. De oorzaak van deze duidelijk afname van de export vanaf 1942 was niet te wijten aan het feit dat er meer kolen voor Nederland beschikbaar kwam, zie het overzicht, maar was duidelijk te wijten aan het feit dat sinds 1942 er een duidelijke teruggang plaatsvond van de kolenproduktie.

Ten opzicht van 1941 zakte de totale kolenproduktie in 1942 en 1943 respectievelijk met 1.026.734,166 ton en 859.323,166 ton, terwijl de produktie in 1944 nog verder terugliep. Hoewel de produktie in 1941 op vooroorlogsniveau was (1938) en de Duitse autoriteiten tevreden waren, wilden ze echter toch naar een nog hogere produktie toe. Toen evenwel in plaats van een nog hogere produktie de produktie een dalende tendens begon te vertonen stelde de Verwalter Bruch daarvoor de directies verantwoordelijk en op een later tijdstip zelfs de bedrijfsingenieurs.

De geëxporteerde kolen waren bestemd voor een klein aantal afnemers. Een klein gedeelte van deze kolen was bestemd voor de Duitse Wehrmacht in Scandinavië en werd via Rotterdam verscheept. Het grootste gedeelte van de export ging rechtstreeks naar Duitsland. Van de produktie van november 1940 werd 100.000 ton rechtstreeks gezonden naar de Duitse Wehrmacht. Deze bestemming lag 1.200 km vanaf Herzogenrath. 100.000 ton kolen gingen dus in november 1940 richting Duits-Russische grens. We kunnen aannemen dat vanaf september 1940 tot en met december 1941 per maand 100.000 ton kolen werd geëxporteerd ten behoeve van de Duitse Wehrmacht. In 1942 liep de export ten opzicht van 1941 terug met 1.230.740,327 ton.

Uit een directievergadering van juni 1941 blijkt verder dat naast de Duitse Wehrmacht ook de Duitse Reichsbahn tot de afnemers van de geëxporteerde kolen behoorde. Uit andere gegevens blijkt dat de Staatsmijnen Grósscokes leverden aan de Duisburger Kuperhütte.

Een hoge produktie was zeer belangrijk, niet alleen voor de export maar ook ter dekking van de Nederlandse behoefte. De directies hadden al tijdens de mobilisatie maatregelen genomen om de produktie op peil te houden.Ter gedeeltelijke vervanging van de + 3.000 onder de wapenen geroepen mijnwerkers, had men al een aantal arbeidskrachten tijdelijk in dienst genomen. Een groot aantal van hen bleef ook na de terugkeer van de mijnwerkers in dienst van de mijnen. Om de produktie op te voeren ging men over tot een vergaande uitbreiding van het personeel van 32.000 man tot ruim 40.000 man. Naast deze uitbreiding van het personeel voerde men een reeks verlengingen in de arbeidstijden van het personeel door, in ruil voor extra loon en artikelen zoals sigaretten, chocola en jenever. In november 1940 moest men op zaterdag 8 uur in plaats van 6 uur gaan werken.

De directies gingen over tot de instelling van één werkzondag per maand.Op zondag 29 juni 1941 werd er voor het eerst vrijwillig op zondag gewerkt, maar omdat er te weinig werknemers opkwamen mislukte deze poging. In maart 1942 echter, toen de omstandigheden drastisch veranderd waren door de optredende daling van de produktie, besloot men tot de instelling van één verplichte werkzondag per maand gevolgd door een tweede verplichte werkzondag in september 1942.

De directies hadden zich eerst nog wel verzet tegen het verplicht stellen daarvan maar uiteindelijk voerden ze deze verplichtewerkzondagen toch door.Toen in november 1942 de Staatsmijn Maurits door een bombardement tijdelijk kwam stil te liggen werd in de gehele Steenkolenmijnbouw de dagelijkse arbeidsduur van 8 uur verlengd met 3/4 uur tot 8 3/4 uur. Vanaf november 1942 moesten de mijnwerkers in een tijdsbestek van 14 dagen 13 x 8 3/4 uur = 113 3/4 uur werken, daartegenover werkte men vroeger 92 uur.

In het begin van de bezettingstijd oefende de Steenkolenmijnbouw nog een grote aantrekkingskracht uit op de bevolking, hetgeen niet verwonderlijk was. Wie in de mijn werkte kreeg extra levensmiddelen voor zeer zware arbeid en naarmate de oorlog langer duurde en de rantsoenen in het land steeds kleiner werden, werd dat steeds belangrijker. Verder kregen de mijnwerkers extra toewijzingen van artikelèn, die elders nauwelijks meer te krijgen waren. Ook bleef tijdens de bezettingstijd de deputaat kolenregeling van kracht. Gehuwde arbeiders en kostwinners kregen 42 hl kolen per jaar, ongehuwden 12 hl.

De belangrijkste reden waarom zovelen naar de mijnen kwamen was het feit dat men daardoor aan tewerkstelling naar Duitsland kon ontkomen. In de praktijk betekende dit, dat het aantal personen welke werkzaam waren in de Steenkolenmijnbouw sterk steeg, maar dat deze mijnwerkers verstoken waren van enige vakkennis m.b.t. de kolendelving. Zoals blijkt uit het gegeven overzicht van de produktie tijdens de Duitse bezettingstijd, leidde zowel de toename van het personeel als de toename van de totale werktijd niet tot het door de bezettingsautoriteiten verlangde produktieniveau. Een en ander zou vanaf 1942 herhaaldelijk leiden tot confrontaties tussen de directies en de bezettingsautoriteiten c.q. de Verwalter Bruch.

Niet dat de directies en de Verwalter Bruch voor 1942 nooit meningsverschillen hadden, integendeel.. Deze lagen echter toen niet op het vlak van de verlangde of gehaalde produktie, maar hadden meer te maken met personeelsaangelegenheden zoals b.v, het geven van een betaalde vakantie aan Rijksduitsers op verzoek van Bruch, terwijl de directies van de Staatsmijnen en de Dominiale Mijn Mij. het hiermee niet eens waren.

Ook verzetten de directies zich tegen het uitschakelen van hun groothandelaren in Duitsland en de overname van hun belangen door het Rheinisch Westfalisches Kohlensyndikat. De directies protesteerden, maar uiteindelijk leverde dit niets op.

Uit geen enkel gegeven blijkt, echter dat de directies zich verzetten tegen verlenging van de werktijd om zodoende een hogere produktie te verkrijgen. Toen de werktijd op zaterdag werd verlengd van 6 tot 8 uur, betreurde men dit omdat deze werktijd van 6 uur was ingevoerd (twintig jaar geleden) met het oog op de ogelijkheid van zondagsheiliging voor de arbeiders.

De praktijk laat duidelijk zien dat datgene wat de bezettingsautoriteiten vroegen aldus werd uitgevoerd tijdens de eerste fase van de bezettingstijd en dat het geen verschil maakte waar Bruch nu Verwalter van was. Tijdens de directievergaderingen trok Bruch altijd aan het langste eind. De directies maakten zich meer zorgen over de geringe opbrengst per ton van de naar Duitsland geexporteerde kolen, dan over het feit dat deze geëxporteerde kolen aan de kolenvoorziening van Nederland werd onttrokken 

Vanaf 1942, toen Bruch ook Verwalter geworden was van de staatsmijnen en de Dominiale Mijn Mij. trad er een produktie-daling op, ondanks de al beschreven verlenging van de arbeidstijd. De daling in 1942 werd wel gevolgd door een produktiestijging in 1943 met 382.329,830 ton, maar deze stijging kwam echter bijna geheel voor rekening van de tweede werkzondag per maand en het weer in produktie komen van de Maurits. Per werkzondag behaalde men ongeveer 40.000 ton produktie. Vanaf december 1942 trad er ook een daling op van het aantal personeelsleden. Zie daarvoor het hierna volgende overzicht.Overzicht van het personeelsbestand per maand van december 1942 tot en met juni 1944.

Maand

Jaar

Totaalpersoneel

Ondergrondspersoneel

Bovengrondspersoneel

december

1942

40.685

27.336

13.349

januari

1943

40.674

27.391

13.283

februari

1943

40.775

27.476

13.299

maart

1943

40.653

27.415

13.238

april

1943

40.452

27.228

13.224

mei

1943

40.308

27.005

13.253

juni

1943

40.253

27.047

13.206

juli

1943

40.084

27.047

13037

augustus

1943

40.048

40.048

13.022

september

1943

39.995

26.937

13.078

oktober

1943

39.982

26.888

13.094

november

1943

39.942

26.847

13.102

december

1943

39.914

26.873

13.041

januari

1944

39.596

26.857

12.739

februari

1944

39.506

26.772

12.734

maart

1944

39.330

26.585

12.745

april

1944

39.166

26.390

12.776

mei

1944

39.984

26.247

12.737

juni

1944

39.480

25.327

13.153

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit de bovenstaande gegevens blijkt duidelijk, dat naast een teruggang van de produktie er ook een teruggang optrad van het totale aantal personeelsleden. Bruch stelde de directies verantwoordelijk voor de produktieteruggang maar deze stelden, t.o.v. de eis van Bruch dat de produktie terstond moest worden verhoogd,dat dat niet mogelijk was.

Dit was geen uiting van verzet van de directies tegen de Verwalter Bruch, maar er waren wel degelijk factoren in het spel waardoor een hogere produktie niet tot de mogelijkheden behoorde.

Er was zeker niet sprake van verzet van de zijde van de directies. Dat verzet zou hier ook niet te plaatsen zijn, gezien het al naar voren gebrachte feit dat er in 1940 en 1941 meer werd geëxporteerd dan in de bezettingsjaren daarna en de directies zich daartegen toen niet hadden verzet. Integendeel, juist hadden geprobeerd d.m.v. propaganda de mijnwerkers ervan probeerden te overtuigen dat de kolen bestemd waren voor de kolenvoorziening in Nederland , terwijl de directies beter wisten en de mijnwerkers de directies niet meer geloofden. 

Er was sprake van een aantal oorzaken die tot daling van de produktie hadden geleid.Allereerst de negatieve rationalisatie van de vooroorlogse jaren.

Al in maart 1940 deelden de directies van de mijnen mee dat de financiële positie van de mijnen ten gevolge van reserveringen gunstig was. Dit was volgens de directies een gelukkig verschijnsel mede in verband met de omstandigheid dat de goede kolenlagen grotendeels waren ontgonnen en dat men daarom geleidelijk diende over te gaan tot de ontginning van dunnere lagen, waardoor men een verder daling van het rendement verwachtte.

Tijdens de eerste jaren van de bezetting werd de negatieve rationalisatie voortgezet met alle gevolgen voor-het rendement vanaf 1942. De snelle toename van het personeel in het begin van de bezettingstijd, o.a. doordat men zodoende niet naar Duitsland werd gezonden, betekende dat de mijnen mijnwerkers kregen die totaal geen scholing hadden voor de mijnbouw, met alle gevolgen van dien voor de produktie.

Ook de wet van de toe- en afnemende meeropbrengst deed hier haar invloed gelden. Met het voortduren van de bezettingstijd traden er allerlei tekorten op m.b.t. de materiaalvoorziening. Er was een tekort aan mijnkleding, mijnhout, smeeroliën, gereedschappen enz., hetgeen steeds meer van invloed zou zijn op het te behalen produktieniveau.

Ook de steeds slechter wordende vervoersmogelijkheden gingen bij het voortduren van de bezettingstijd een steeds grotere rol spelen. Fietsbanden werden schaars, autobussen konden niet meer rijden door gebrek aan reserveonderdelen.

De slechter wordende voedselsituatie ging ook voor de mijnwerkers steeds meer spelen. Een en ander leidde tot een geringer weerstandsvermogen van de mijnwerkers en daardoor tot produktievermindering. De verlenging van de arbeidstijd droeg eerder bij tot het verminderen van het psychisch en fysiek weerstandsvermogen van de mijnwerkers dan dat deze leidde tot een vermeerdering van de produktie.

Er trad ook een belangrijke toename op van het ziektepercentage. Oorzaken van deze toename waren o.a. de verslechterde voedselsituatie, vermoeidheid door de langere werktijden, psychische depressiviteit door de heersende tijdsomstandigheden en door het geringer weerstandsvermogen duurde de genezing van opgelopen verwondingen langer.

Ook was er sprake van onderlinge politieke tegenstellingen. Tenslotte leidde de druk om tot vergroting van de produktie te komen tot het verminderen van de noodzakelijke voorbereidingswerkzaamheden en dat vervolgens weer tot een lager produktieniveau, terwijl een tekort aan tijd t.b.v. de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden op den duur steeds grotere problemen opleverde hetgeen steeds vaker leidde tot stagnatie c.q. uitval van de produktie.

Al deze factoren speelden na 1942 min of meer een rol bij het toen optredende dalende produktieniveau.Doordat de directies niet in staat bleken het door Bruch verlangde produktieniveau te realiseren, werd de samenwerking tussen Bruch en de directies moeilijker. De toenemende druk om meer te produceren leidde er zelfs toe dat de bezettingsautoriteiten het door de mijnwerkers verfoeide individuele akkoord weer wilden invoeren. Het individuele akkoord hield in dat elke mijnwerker een persoonlijk akkoord met de opzichter maakte; zoveel m3 ontkolen voor een afgesproken prijs.

De druk van de Duitse bezetting en de maatregelen die de bezettingsautoriteiten namen begonnen steeds meer het dagelijkse leven te beïnvloeden. Toen de Wehrmachtbevelhebber in Nederland Fr. Christiansen op 23 april 1943 bekend liet maken, dat de leden van het voormalige Nederlandse leger zich moesten melden om zich opnieuw in krijgsgevangenschap te begeven, was dit de druppel die de emmer deed overlopen. De mijnwerkers namen dit niet en protesteerden massaal tegen deze maatregel door het werk neer te leggen. Ook in andere delen van Nederland reageerde men door het werk neer te leggen. Deze staking ging de geschiedenis in als de april/mei staking van 1943.

Van de in totaal 40.653 ondergrondse en bovengrondse werknemers blijken maar 4.644 personen tijdens de stakingsdagen te hebben gewerkt ofwel maar 11,2%.De staking brak op 29 april 1943 uit. Van de nachtploeg kwamen bij de Maurits maar 370 van de 1500 man op, bij de Emma 550 van de 1.000 en bij de Oranje Nassau 1 106 van de 250. Voor de bezettingsautoriteiten werd het duidelijk dat toen op vrijdagmiddag 30 april maar 656 van de 8.200 mijnwerkers van de middagploeg verschenen er maatregelen genomen dienden te worden.

De bezettingsautoriteiten grepen met harde hand in en kondigden het politiestandrecht af. Speciale Duitse rechtbanken werden ingesteld, die na een uiterst vluchtig onderzoek doodvonnissen konden vellen. De bezettingsautoriteiten gingen over tot het uitvoeren van talrijke arrestaties en het uitspreken van doodvonnissen. Bruch, die bij het begin van de staking niet aanwezig was, eiste van de directies dat ze aan hem lijsten zouden overhandigen van diegenen die aan de staking meededen, maar de directies weigerden dit. Omdat ze echter bevreesd waren voor talrijke executies verklaarden ze zich bereid alles te zullen doen om de nachtploeg weer aan het werk te krijgen. De directies slaagden daar echter maar gedeeltelijk in.Zondag 2 mei was geen werkzondag en de staking leek over het hoogtepunt heen te zijn. Juist op deze 2e mei werden 7 doodvonnissen geveld.

gedode mijnwerkers

2 slachtoffers van de executies en hun grafmonument

grafmonument slachtoffers

 Zondagmiddag 2 mei werd dit door Bruch persoonlijk aan de directies meegedeeld met de aantekening dat hijzelf deze niet had kunnen voorkomen.Met verbijstering werd in de mijnstreek kennis genomen van de plaats gevonden executies en het was duidelijk dat de staking niet meer lang kon duren. Men kon tegen bruut geweld niets ondernemen.

De dagproduktie van de mijnen, welke was teruggelopen van 36.425 ton op 28 april tot 1416 ton op 1 mei kwam op,dinsdag 4 mei weer praktisch op normaal niveau.10 mijnwerkers werden echter nog op 4 mei ter dood veroordeeld, maar omdat de Duitsers zagen dat de staking gebroken was werd aan hen op 26 mei gratie verleend en werd de doodstraf veranderd in 15 jaar tuchthuisstraf. Van Vught uit werden 9 van de 10 mijnwerkers op transport naar Dachau gesteld waar ze door de Amerikanen werden bevrijd. Een man, Wim Scheepers uit Stein, overleefde de oorlog niet.

De april-mei staking had aan de mijnwerkers laten zien van welke methoden de bezetters zich bedienden om hun doelstellingen te kunnen verwezenlijken. Na de met geweld gebroken staking moesten de gemoederen worden gesust en deden de directies alles wat in hun vermogen lag om de situatie zoveel mogelijk te normaliseren, hetgeen gezien de omstandigheden erg moeilijk was.De N.S.B. probeerde de schuld van de staking en de gevolgen ervan bij de directies te leggen, maar deze N.S.B. actie had geen kans van slagen omdat de mijnwerkers gezien hadden dat de bezetters zelfs niet terugschrokken voor grof geweld.

april mei staking

De directies hadden door hun weigering lijsten van stakende arbeiders ter beschikking te stellen, laten zien dat zij niet een verlengstuk waren van de bezettingsautoriteiten. Dit bleek te meer uit het feit dat de directeur van de Staatsmijnen dr. Ch. Groothoff werd gearresteerd en naar Scheveningen afgevoerd om uiteindelijk terecht te komen in het gijzelaarskamp te St. Michielsgestel. Ook werden enkele leidende figuren uit hun functie ontslagen.De april/mei staking van 1943 zou het enige openlijke protest blijven van de mijnwerkers tegen de Duitse bezetter.

Ir. Raedts is van mening dat er buiten de april/mei staking door de mijnwerkers wel degelijk verzet is gepleegd. Raedts noemt dit elastisch verzet, omdat de bezetter er geen vat op kreeg doordat het mijnpersoneel als groep onderling één lijn trok, op een gering aantal verkeerde elementen na. Het verzet van de mijnwerkers had volgens Raedts bestaan uit:

1. Het wegsnijden en wegnemen van gummi transportbanden; de halve mijnstreek liep er op.

2. Daling van de arbeidsproduktiviteit.

3. Het verspreiden van illegale blaadjes.

4. Het vervoeren en onderbrengen van onderduikers.

5. Het achteroverdrukken van dynamietpatronen ten behoeve van verzetsgroepen.Het wegsnijden van gummi transportbanden en de daling van de arbeidsproduktiviteit zijn niet als verzetsdaden te beschouwen.

Uit opmerkingen van Bruch zelf bleek dat hij het er mee eens was dat afgedankte gummi transportbanden gebruikt werden om te dienen als schoenzolen. De oorzaken van daling van de produktiviteit zijn in het voorgaande al uitvoerig aan de orde geweest en tonen aan dat er van verzet in deze geen sprake is geweest. Dat er door de mijnwerkers illegale blaadjes werden verspreid is juist en ook dat de mijnwerkers onderduikers vervoerden en onderbrachten. Dat de mijnwerkers dynamietpatronen achterover drukten ten behoeve van verzetsgroepen is tot op heden niet aan de hand van concrete gegevens aangetoond kunnen worden. Buiten de april/mei staking is er door de mijnwerkers praktisch geen verzet gepleegd. De directies deden tijdens hun periodieke bijeenkomsten met Bruch wat in hun vermogen lag om de werkomstandigheden van de mijnwerkers te verbeteren. Geregeld verzochten de directies Bruch stappen te ondernemen bij de autoriteiten, om de voedselsituatie van de mijnwerkers te verbeteren. Ook protesteerden ze tegen het bevoordelen van Duitse mijnwerkers t.o.v. andere mijnwerkers. De Verwalter Bruch zei ook vaak toe alles te zullen doen, om zo goed mogelijk aan de verzoeken van de directies tegemoet te komen. Bruch was zeker niet de onredelijkheid in persoon en probeerde in gemeenschappelijk overleg zaken te doen. Kreeg hij echter de directies niet mee, zoals b.v, hun weigering in 1943 en 1944 om een bijdrage te geven voor de Winterhulp, toen het de mijnen financieel niet voor de wind ging, dan verplichtte hij de directies tot het doen van een bijdrage.In de dagelijkse praktijk besliste Bruch. De directies konden daarom niet veel anders doen dan zijn voorstellen uitvoeren.

De directies voerden vanaf het begin tijdens de bezetting een personeelsbeleid om zoveel mogelijk arbeidskrachten in de mijnen te plaatsen. Tijdens de eerste jaren van de bezetting neemt de personeelsomvang dan ook fors toe. Vanaf december 1942 zagen we echter dat er een daling begon op te treden.Een van de oorzaken daarvan was, dat de directies mensen gingen afstoten die vaker ziek waren. Dit was dan ook de reden dat in de maanden mei/augustus 1943 de afvloeiing de tewerkstelling van nieuwe arbeidskrachten had overtroffen.

In samenwerking met het arbeidsbureau besloten de directies om de teruggang van het personeel verder tegen te gaan door personen die voor tewerkstelling in Duitsland waren geselecteerd in de mijnen te laten werken. Men besloot ook over te gaan tot herscholing van invalide en gepensioneerde mijnwerkers, zodat deze nog van dienst konden zijn voor de mijnen.

Een en ander betekende dat mijnwerkers die werden ontslagen naar Duitsland werden bemiddeld. Zij die al ingeschreven stonden om naar Duitsland gezonden te worden verplichtte men om nu in de mijnen te gaan werken. Ondanks alle pogingen van de Verwalter Bruch en de directies de produktie te vergroten lukte hen dat niet meer. Toen uiteindelijk in september 1944 de Steenkolenmijnbouw in geallieerde handen viel, zou het nog enkele jaren duren voordat de produktie weer op een normaal peil zou zijn. Na de bevrijding ging men over tot de berechting en zuivering van hen die met de bezetter hadden gecollaboreerd. Omdat de Aanwijzingen van 1937 verre van duidelijk waren geweest wat wel geoorloofd was geweest en wat niet, werden er met betrekking tot het vraagstuk van de economische collaboratie criteria opgesteld waaraan men kon toetsen of er sprake was van economische collaboratie of niet.

Belinfante onderscheidt in dit verband een bovengrens en een ondergrens bij de berechting van economische collaboratie. Onder de bovengrens verstaat hij het voor de vijand fabriceren van wapentuig, schepen of het bouwen van verdedigingsinstallaties, die onmiddellijk voor de oorlogsvoering van belang zijn.Tot de ondergrens behoren die gevallen van hulpverlening die aan de vijand een zo gering voordeel opleveren konden, dat men ze niet meer als strafbaar kon beschouwen.

Terwijl men in september 1946 voor de bepaling van wat strafbare collaboratie was uitging van het feit, dat voor de oorlogvoering belangrijk werk of goederen moesten zijn verricht of geleverd, trad er met betrekking tot het vervolgingsbeleid door het Openbaar Ministerie tussen september 1946 en juni 1947 een verandering op.

Het uitgangspunt van het nieuwe beleid was niet meer de aard van de geleverde goederen, maar de houding van de betrokken ondernemer. Het Openbaar Ministerie had geen andere keus gezien het feit dat alleen al volgens Duitse schattingen in het midden van 1941 70% van de arbeiders in Nederland aan Duitse orders werkten.

Het vervolgingsbeleid was er nu op gericht om diegenen te vervolgen, die op een of ander wijze meer voor de bezetter hadden gedaan dan strikt nodig was geweest. Het enkele feit, dat men ten behoeve van de Duitsers gewerkt of geproduceerd had, betekende dus nog geen strafbare collaboratie in de ogen van het Openbaar Ministerie.

Tal van bedrijven die ongetwijfeld gewerkt hadden in het belang van de Duitse totale oorlogvoering zijn niet vervolgd. Daartoe behoren b.v. Philips, Hoogovens, Werkspoor en de Nederlandse Spoorwegen. Al deze bedrijven zijn niet vervolgd omdat niet gebleken is van het vragen om Duitse orders of het met bijzondere ijver uitvoeren van die orders.Van belang voor de vraag of het Openbaar Ministerie al dan niet tot vervolging zou overgaan, was dus vooral de omstandigheid of de bedrijfsleiding meer gedaan had dan in de omstandigheden strikt nodig was.

Ook de Steenkolenmijnbouw heeft ongetwijfeld gewerkt in het belang van de Duitse totale oorlogsvoering.We hebben gezien dat van de totale produktie van 57.666.258 ton, 8.122.194,810 ton werd geëxporteerd. De Steenkolenmijnbouw heeft echter niet gevraagd om Duitse orders en heeft deze ook niet met bijzondere ijver uitgevoerd. In dat verband hadden de directies dan ook niet meer gedaan dan strikt nodig was. Van economische collaboratie is dan ook in die zin in de Steenkolenmijnbouw geen sprake geweest.

Past men dan ook de criteria van het Openbaar Ministerie toe dan was het feit dat de mijnen voor de Duitsers hadden geproduceerd geen strafbare collaboratie. Voor de Steenkolenmijnbouw geldt dus hetzelfde als voor Philips, Hoogovens,Werkspoor en de Nederlandse Spoorwegen. Kijken we in dit verband nog naar de Aanwijzingen van 1937 dan blijkt dat deze Aanwijzingen een zekere medewerking ook niet uitsloten.

De houding van de directies t.o.v. de bezettingsautoriteiten is te omschrijven als neutrale collaboratie, hetgeen inhoudt dat in het algemeen hun houding door de omstandigheden werd gedikteerd. Het blijkt echter dat de directies te gauw geneigd waren aan de verlangens van de bezettingsautoriteiten te voldoen. De directies verlieten zeer snel het standpunt (september 1940) dat men allereerst diende te produceren voor de eigen Nederlandse behoefte.