We hebben 185 gasten online

Maastricht vestingstad Deel 3

Gepost in Maastricht

maastricht

Beveiligd tegen vuurgeschut 

Intussen had het vuurgeschut een spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt. De middeleeuwse stadsmuur bood hiertegen onvoldoende bescherming en was evenmin geschikt voor een doeltreffend gebruik van de stedelijke donderbussen met hun schilderachtige namen als «de Kwade Griet», «de Rode Hond» en «de Maagd van Tricht». De modernisering van de vesting kwam tot stand op aandringen van Brussel (1542-1555) en vervolgens onder de dreiging van het beleg door Parma in 1579. Zij omvatte o.m. het versterken van de enceinte door het dichtmetselen van de weergangbogen en het opwerpen van een zware wal tegen de binnenzijde van de muur, het volstorten van de torens, die tot muurhoogte werden afgebroken, het slopen van de verdieping van de poortgebouwen en het vervangen van de kantelen door een doorlopende borstwering van baksteen. Hierdoor werd het weerstandsvermogen van de enceinte aanzienlijk opgevoerd en verkreeg men geschikte ruimte voor de opstelling van het eigen geschut op de walmuur en de afgeplatte torens, de z.g. rondelen.

Door de aanleg van lage geschutplatforms aan de voet van sommige rondelen en van veelhoekige ravelijnen voor de poorten kon men thans de gracht en de veldzijde van de muur doeltreffend bestrijken. De ravelijnen lagen als eilandjes in de gracht en onttrokken de poorten aan zicht en vuur van de vijand. De val van het ravelijn voor de Brusselsepoort was in 1579 beslissend voor de uitslag van het beleg.

Kort voor dat jaar ging ook de onderaardse mijngalerij deel uitmaken van de verdedigingswerken.

De zuidelijke sector was beveiligd door een natte gracht en kon bovendien door een inundatie met water uit de Jeker worden beschermd. Een natte gracht lag ook voor de muur in het noorden, tussen de Lindenkruispoort en de Maas. Daar deze gracht in de zomer gewoonlijk droog stond, werd kort na 1579 door het Spaans garnizoen een diepe geul in de bodem van de droge gracht tussen de Tongersepoort en de Lindenkruispoort gegraven, waardoor men Jekerwater naar de noordelijke sector kon leiden.

Na de versterking van de Nieuwstad was de enceinte in haar geheel ca. 4700 m lang. Nadat zij in de 16de eeuw ingrijpend was gewijzigd om haar aan nieuwe eisen van de oorlogvoering aan te passen, bepaalden de veranderingen zich in hoofdzaak tot herstel van oorlogsschade en versterking van bijzonder bedreigde punten, zoals de Brusselsepoort.

waterpoort tweede omwalling

Wat van de tweede enceinte bewaard gebleven is, meer in het bijzonder de muur tussen de ca. 1868 gesloopte Sint-Pieterspoort en Tongersepoort, vormt thans de schilderachtige achtergrond van een fraai wandelpark langs de Jeker, maar geeft een onvolledige indruk van de grotendeels hoog op een aarden wal gelegen stadsmuur met zijn kantelen, torenspitsen en poortgebouwen in het begin van de 16de eeuw.

tweede omwalling

Poort van Holland en Bolwerk der Nederlanden

Als een enclave van de Republiek tussen de Spaanse - vanaf 1713 de Oostenrijkse - Nederlanden en het rijksvorstendom Luik, gelegen aan de oevers van de Maas, in de 17de en 18de eeuw een der belangrijkste militaire operatielijnen, was Maastricht voor de Staten-Generaal van groot politiek en strategisch belang. Nadat de stad in de 16de eeuw de «Sleutel van Brabant» was geweest, werd zij nu de «Poort van Holland», een geïsoleerde spervesting, die aanvallen vanuit het zuiden: eerst van Spanje, na 1648 van Frankrijk, moest stuiten of ophouden, voordat de vijand de grens van de Republiek had bereikt.

Daarnaast speelde zij, met name in de Spaanse Successie-oorlog (1701-1713), een belangrijke rol als arsenaal, uitvalsbasis en verbindingsstelling van de gealliëerde legers. De verdediging was toevertrouwd aan een garnizoen van gemiddeld 4000-5000 man onder bevel van een militaire gouverneur, die door de Staten-Generaal uit leden van de hoge Europese adel werd benoemd. De Hoofdwacht op het Vrijthof, waar de kleurige parades plaatsvonden, enkele wachthuizen in de neo-klassieke stijl van de r8de eeuw, straatnamen ontleend aan de «barakken» van de soldaten, in oorsprong ook de schouwburg, herinneren nog aan de tijd, toen het militaire element zijn stempel drukte op het leven in de stad.

Vijfmaal werd de vesting na 1632 belegerd, driemaal werd zij door de Fransen ingenomen: in 1673 in verrassend korte tijd door Lodewijk XIV, in 1748, na een matte verdediging, door maarschalk Maurits van Saksen, in 1794 door het republikeinse leger onder generaal Kléber. De Franse belangstelling voor Maastricht heeft een uniek monument nagelaten in de 39 m2 grote maquette van stad en fortificaties, die in de jaren 1748-1752 werd vervaardigd en te Parijs in het Musée des Plans-Reliefs wordt bewaard. Een natuurgetrouwe kopie bevindt zich in de stadsbibliotheek te Maastricht.

maquette Maastricht 1750

De vestinggordel

Eerst in de Staatse periode (1632-1794) werd Maastricht internationaal vermaard als het «Bolwerk der Nederlanden». De middeleeuwse enceinte, sindsdien bekend als de kapitale wal, bleef van belang voor de opstelling van geschut en als laatste weerstandslinie, maar in bet voorterrein groeide een systeem van buitenwerken, dat men in deze omvang en diversiteit rondom geen andere Nederlandse stad aantreft.

verdedigingswerken 1672

Verdedigingswerken ca. 1672
1) De Vijf Koppen; 2) Haat en Nijd; 3) Waterpoort de Reek; 4, 7, 9, 14, 18, en 26a) Cavaliers of katten; 5) Groene Halvemaan; 6) Bastion Brandenburg;; 8) Avancée; 10) Bastion Maria; 11) Hoornwerk Hoog Frankrijk; 12) Reduit; 15 en 116) Ravelijnen voor de Lindenkruispoort; 17) Bastion Tettau; 19) Hoorwerk Laag Frankrijk; 20) lage Maaspunt; 21) Lunet Sint-Antony; 22) Gemoderniseerde voorwal; 23) Bastion Sint-Maarten; 24 Ravelijn Limmel; 25) Lunet Valkenburg; 26) Ravelijn de Raaf; 27) Ravelijn aan de Hoge Maaspunt; 28) Çlingelwal'. Bron: Morreau, L J. ; Bolwerk der Nederlanden pagina 151

De buitenwerken, een antwoord op de overheersende rol van de artillerie, werden bekostigd door de Staten-Generaal en kwamen aanvankelijk tot stand volgens de principes van het Oud-Nederlands vestingsstelsel, dat in hoofdzaak de aanleg inhield van een overzichtelijk geheel van vrij lage, elkaar flankerende aardwerken. Vergeleken met de stenen muurbastions hadden deze buitenwerken het voordeel, dat de kogels van de vijand in de aarde smoorden en de opstelling van het eigen geschut in de open lucht de verdedigers verloste van de kruitdamp in de gewelfde kazematten.

Het stelsel was eigenlijk berekend op bescherming door het water en, hiermee samenhangend, een spaarzaam gebruik van metselwerk. De situatie rondom Maastricht, waar men in de sector tussen de Tongersepoort en de Lindenkruispoort, de z.g. Hoge Fronten, niet over watergrachten beschikte, dwong de militaire ingenieurs steeds weer tot afwijkingen van het Noord-Nederlandse model: bemetseling op veel ruimere schaal en een soms op wildgroei lijkende uitbreiding van de vestinggordel.

De grote rechthoekige hoornwerken waren geheel van aarde, maar de vijfhoekige aarden bastions hadden muren van mergelsteen, met baksteen bekleed. Zij werden beveiligd door een droge gracht, waarvan in een later stadium ook het talud aan de veldzijde, de contrescarp, meestal bemetseld werd. Later kregen de lunetten, kleinere vooruitgeschoven steunpunten, eveneens een bekledingsmuur. Daarnaast treft men allerlei zelden bemuurde aardwerken aan, zoals de couvrefaces met een uitspringende en de tenailles met een inspringende hoek, die soms zigzagsgewijs tot een dekkingswal waren aaneengeschakeld. De buitenste verdedigingslinie werd gevormd door een bedekte weg met borstwering, die aan de buitenkant, het glacis, zacht glooiend in het voorterrein verliep.

Twee vestingbouwers

In 1673 bleken de buitenwerken niet bestand tegen de nieuwe aanvalsmethode van Vauban. De strijd speelde zich voornamelijk af in het voorterrein van de Tongersepoort, waar d'Artagnan, de held uit «De drie musketiers» van Alexander Dumas, de dood vond.

Een plan van Vauban tot algehele modernisering werd niet uitgevoerd, maar toen Maastricht in 1678 weer aan de Republiek kwam, had de beroemde vestingbouwer zwakke punten door lunetten versterkt en het zuidelijk inundatiestelsel, tussen Maas en Jeker, vrijwel vernieuwd en verder uitgebreid. De geul in de stadsgracht, die water uit de Jeker voorbij de Hoge Fronten naar de zg. Lage Fronten in het noorden moest brengen, was vervangen door een overwelfd aquaduct van 1165 m, het zg. Jekerkanaal, dat in 1943 vrijwel onbeschadigd werd teruggevonden. Vanaf het laatste kwart van de 17de eeuw breidde het vestingstelsel zich als een olievlek uit.

termijnstelsels  tussen waldeck en de bossche fronten

Dit geschiedde, eerst onder druk van de oorlogen tegen Frankrijk tussen 1688 en 1713, vervolgens tegen de achtergrond van het beleg van 1748 en de gebleken waardeloosheid van de barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden voor de landsverdediging. In de eerste fase werden, onder supervisie van de gouverneur George Frederik graaf van Waldeck, vooral de Hoge Fronten door nieuwe bastions en andere fortificaties versterkt. De plannen waren van de militaire ingenieur Daniël Wolff baron van Dopff, die in 1706 gouverneur werd. Het belangrijkste werk uit deze periode is het fort Sint-Pieter tegen de noordelijke helling van de Sint-Pietersberg, een schepping van baron Van Dopfluit de jaren 1701-1702, die een herhaling van de beschieting van de stad vanaf de berg in 1673 moest voorkomen en aanvallen op de westelijke sector van de vesting in de flank kon nemen.

Zie verder deel 4 Maastricht vestingstad deel 4