We hebben 284 gasten online

Hfst 3 Maastricht als centrum van economische activiteiten in de Middeleeuwen

Gepost in Maastricht

symbolische voorstelling tweeherigheid

Hoofdstuk 3 De economische herleving na de invallen der Noormannen van de I0e tot de I3e eeuw.

De karolingische handelsplaatsen in het zuiden, Sluis,Valencijn en Maastricht kregen hun deel met betrekking tot de invaller van de Noormannen. De handel als zodanig kwam echter niet blijvend lot stilstand (24). Na de aanval in 881 van de Noormannen leefde Maastricht echter spoedig weer op. Dit blijkt ondermeer uit het feit dat Lodewijk het Kind in 908 het tol- en muntrecht van Maastricht bevestigde (25) .

De Maashandel bleef van betekenis en ze zou dit blijven tot in de 13de eeuw,omdat men tot dan toe bij voorkeur van waterwegen gebruik maakte.

In de 10e eeuw wijst een toltarief van Visé uit 983 op handelsverkeer langs de Maas,waarbij vooral kooplieden en scbippers

uit plaatsen bovenstrooms van Visé ,namelijk Namen,Hoei en Luik betrokken waren. Daarbij ging het allereerst om de produkten van de metaalnijverheid aan de midden -Maas en om de invoer van produkten uit het Rijnland en uit Engeland. De tolgelden waren betaalbaar niet lood ,koper,tin en brons, waaruit men de geografische omvang van de handelsbeweging reeds eniger mate kan afleiden,omdat tin uit Engeland en koper uit Midden-Duitsland moest worden aangevoerd. Anderzijds blijkt hieruit, dat er een zekere geldschaarste bestond, die een belemmering voor de verdere ontwikkeling van de handel vormde (26).

De handel volgde niet alleen de Maas, maar ook de oude weg Keulen -Maastricht.-Boulogne was nog steeds van betekenis.

In de 11e eeuw bloeide de handel in Maastricht op als gevolg van een direkte verbinding met Gent en Brugge. Het ging bij dit alles niet slechts om lokaal of regionaal verkeer. De Maaslanse schippers en kooplieden van het Koblenzer-toltarief en vermoedelijk ook die van het tol tarief van Visé, voeren de Maas af tot Heerenwaarden, waar een verbinding met de Waal het mogelijk maakte om via Nijmegen Rijn- opwaarts te varen. Deze handelsweg, die de gehele Middeleeuwen door voor de Maaslandse handel van grote betekenis zou blijven, bracht de Maaslandse plaatsen in relatie met de handelssteden aan de Rijn, vooral met Keulen. Ook met Engeland dat ondermeer wol leverde voor de lakennijverheid werd hardel gedreven. Dat een deel van de in het Maasland verwerkte wol tot laken en mogelijk ook nog andere produc ten uit de Engelsee handel naar Maastricht kwamen mag wel worden aangenomen (27)

De Maas was wel een belangrijke verkeersweg, maar niet de emnige waarlangs nijverheidsproducten en grondstoffen naar hun bestemming werden gervoerd. Reeds vroeg blijkt cie landverkeersweg die Vlaanderen en Brabant via Maastricht met Keulen verbond en die aldaar aansluiting gaf op de grote handelswegen van Noord- en Midden Duitsland en naar het Zuiden van betekenis te zijn. De Maas blijft echter ook in de latere Middeleeuwen van belan als verkeersweg. De landverkeerswegem van Keulen naar Brugge en naar Boulogne liepen dwars door het gebied, dat thans de Belgische en Nederlandse provincies Limburg vormt.

Maastricht had nauwe economische relaties met het Midd en-Maasgebied en met het R i jnland, in het bijzonder met Keulen.

In de I2de eeuw heeft de Limburgse dichter Hendric van Veldeke zijn vaderstad Maastricht bezongen als het middelpunt van handelswegen naar Engeland en Hongarije, naar Scandinavië, Noord-Duitsland en Frankrijk.

Jansen (28) is van mening dat dit beeld kan gelden voor de hele Maasstreek in de 11e en de 12e eeuw. Verkeersgeografisch lag de streek bijzonde gunstig,vlak bij de Ri jn,bereikbaar voor de invloeden uit het Zuiden en bezocht door Friese handelaars en begunstigd door de Ottoonse keizers en voortbouwend op Romeinse tradities.

Dat Veldeke de waarheid spreekt blijkt uit een aantal gegevens.Allereerst uit de gevonden munten in Scandinavië en de Oostzeelanden, die uit dezelfde eeuw stammen, waarvan de heeste 347 stuks uit Maastricht afkomstig zijn (29).Op de jaarmarkten van Enns treffen we tegen het einde van de 12e eeuw kooplieden uit Maastricht aan, die ook daarna te Wenen

worden vermeld. In 1259 werden de Maastrichtse kooplieden vrijgesteld van het Keulse Stapelrecht op grond van hun oude handelsrelatie met Hongarije en andere Centraal-Europese landen (30).

Tot het jaar 1200 was het naast Sint-Truiden in hoofdzaak Maastricht , dat als economisch centrum fungeerde, een functie waarin uiteraard d oor een belangrijk deel van de omgeving werd betrokken. Dit geldt zeker voor de Maastrichtse jaarmarkten. Koreman (31) voert aan dat Maastricht in de Middeleeuwen drie grote jaarmarkten had. Deze werden gehouden rond de feestdagen van St. Servaas (13 mei), St.remaclus (3 sept), en St. Remigius (10okt). Daarnaast was de zaterdag de als vanouds aangegeven wekelijkse marktdag.

Ook het tot stand brengen van een ringmuur in 1229 getuite eveneens van de economische betekenis van Maastricht.

Twee industriën voedden vooral de handel, een textielindustrie te Maastricht, Hoei en Nijvel en een metaalindustrie te Luik en Dinant (32). Vooral de lakennijverheid gaat in de 13e eeuw op de voorgrond treden en gaat in de Late Middeleeuwen de belangrijkste nijverheidstak vor men voor Maastricht,vooral voor de export.

Zie voor hoofdstuk 4 Hfst 4 Maastricht als centrum van economische activiteiten in de Middeleeuwen