We hebben 204 gasten online

Hfst 4 Maastricht als centrum van economische activiteiten in de Middeleeuwen

Gepost in Maastricht

symbolische voorstelling tweeherigheid

Hoofdstuk 4. De economische betekenis van Maastricht in de late Middeleeuwen

Het is moeilijk uit te maken of in de Late Middeleeuwen de handel over land voor Maastricht belangrijker was dan het transport te water, in ieder geval is zij meer spectaculair(33) . Alberts is echter van mening dat te vaak in de economisch-historische –literatuur wordt verondersteld dat de Maas als handelsweg in de late Mddeleeuwen niet meer zo belangrijk was. Hoe het ook zij de Maas speelde in ieder geval nog een economische rol van betekenis.

Met de 13de eeuw begon voor de economische geschiedenis van de Maasstreek een nieuw tijdperk, in die zin, dat toen naast Maastricht, Sint-Truiden en Tongeren ook andere steden in het economische bestel op de voorggrond traden met name Roermond en Venlo. D oor deze uitbreiding,werd dit bestel ,niettegenstaande de onderlinge concurrentie,verstevigd.

Men kan stellen dat vanaf de 13 de eeuw te Maastricht een goed georga niseerde Textielnijverheid bestond, waarbij de op export gerichte laken fabricage een aanzienlijke plaats innam. Uit de betekenis van deze export voor de stedelijke economie kan eveneens worden afgeleid,dat het meest hij de bewerking betrokken ammbacht, namelijk dat van de lakenwevers, een zeer belangrijke rol in het sociale leven van Maastricht moet hebben gespeeld.

Alles wijst erop dat Maastricht als centrum van textielnijverheid in het Maasdal een vooraanstaande plaats innam en dat op het grondgebied van de tegenwoordige provincie het belangrijkste centrum van de lakenindustrie is geweest. Het belangrijkste exportproduct was het Maastrichtse laken in diverse kleuren, maten en kwaliteiten zoals de çorenbloemen’, de ‘blanhersen’, de gruonen’en de ‘roden’. Het mocht in Maastricht zelf uitsluitend in de Hal zelf worden verkocht d och was voor het grootste deel bestemd voor de export nar Zuid- Duitsland er Scandinavië , waar het duurdere Vlaamse en Brabantse laken uit de markt was geprijsd (34)

Met de opkomst ven Frankfort aan de Main, als grootste marktstad van Zuid-Duitsland in de 14e eeuw , hield ook de Maastrichtse lakenexport gelijke tred. De handel van de kooplieden uit de Maasstad ging zich dan ook in deze en de volgende eeuw steeds meer op Frankfort concentreren.

De achteruitgang van deze markt deed de Maastrichtenaren in dwe 15e eeuw omzien naar andere afzetgebieden. Ze vonden deze in brabant, met name in bergen op zoom en in Antwerpen, waar men in 1536 een ‘trichter Halle’aantreft (35).

Hoewel de Maastrichtse Lakenindustrie na 1450 een zekere achteruitgang vertoont,mag volgens Koreman (36) toch niet beweerd worden, dat zij in het totale economische beeld van de stad een onbelangrijke rol is gaan spelen. De activiteiten die het ambacht nog in de 16 e eeuw ten toon spreidt,duiden zeer zeker op een levendige deelname in de industrie en de handel avn Maastricht

Alberts wijst er nog op dat buiten. Holland en Zeeland het eigenlijk alleen Maastricht en Roermond zijn die een exporterende lakennijverheid binnen hun wallen hadden (37)

Maastricht exporteerde echter niet alleen laken. Andere producten van de eigen industrie waren naast pelskragen, wapens en harnassen, het Maastrichtse leer, zwaar uit ossehuid bereid zoolleer en soepel bovenleer, die onder meer naar Antwerpen, doch vanaf het midden van de 16e eeuw vooral naar Frankfort werd geexporteerd, waar met name het zoolleer als het maastrichtse leer bekendheid verwierf. In de jaren 1465-1512 nam Maastricht meer dan de helft af van de huiden, die in bergen op Zoom op de markt kwamen (38).

De Maashandelw as ook in de Late Middeleeuwen nog van belang. Belangrijke objecten van de Maashandel waren vis en natuursteen. Bij de vishandel overheerste de Noord-Zuid- richting. Deze vishandel omvatte onder meer haring uit Sconen die in de Maastrichtse raadsverdragen meermalen vermeld wordt. Uit een besluit van de Maastrichtse Raad uit het jaar I398 blijkt dat de stad in de Zuid-Zweedse I andstreek Sconen een kooplieden vestiging had. In voornoemd besluit wordt de verkoop van ‘Schoensshen herine ‘ geregeld (39).

Behalve haring werden kabeljouw, stokvis , bokking en diverse andere vissoorten verhandeld. Het ging daarbij niet slechts om de voorziening van de Maastrichtse bevolking maar ook om vishandel naar elders. De handel in en het vervoer van Natuurs teen was van zuid naar noord gericht. Uit de omgeving van Maastricht kwam de ‘grondveldsteen’ en uit de St. pietersberg mergelsteen, die in de Fabrieksrekeningen van de Utrechtse Dom herhaaldelijk vermeld wordt (40) .

Resumerend laat zich vaststellen, dat stroomafwaarts van de Maas naar de belangrijkste handelsgebieden ten noorden van de grote rivieren gevoerd, werden laken, hout ,natuursteen , mergel ,kalk , leien , brandhout, houtskool, st eenkool en pelswaren en voorts metaalwaren. , pelsharen en wijn.

Af zonderlijke vermelding verdient nog de veehandel, in hoofdzaak slachtveehandel. Maastricht had hiervoor onder meer relaties met de Arnhemse St . Lucas-veemarkt(41).

Dat het echter niet enkel de Maas was die voor Maastricht van economische betekenis was blijkt uit de enige jaarrekening welke er van. Maa stricht bekend is. Uit deze Jaarrekening ven 1399-1400 blijkt dat de inkomsten van de Poortgelden van de Hogebruggepoort te Wyk en de Symon Mertenspoort ,het huidige waterpoort je, zogoed als twee-derde van de totale inkomsten aan poortgeld opbrachten. Het feit dat deze poorten naar de landen van Overmaas en de Rijn leidden zal daar wel debet aan zijn (42).

Een tak van nijverheid welke in de Middeleeuwen te Maastricht ook niet te verwaarlozen is, is de bierproduktie. Dat blijkt onder andere hieruit dat van de inkomsten die de stad Maastricht in 1399 had, de accijns op bier twee en een half maal zoveel bedroeg dan alle overige inkomisten samen (43)

Een teken van economische belangrijkheid van Maastricht vormt ook het gildewezen in deze stad Waarschijnli jk hebben deze gilden zich in de 13 e eeuw gevormd. Kessen noemt een getal van 23 gilden maar Alberts haalt een publicatie van de Maastrichtse Raad uit 1382 aan (44). Hierin treft men de volgende –in de volgorde van de publicatie weergegeven – opsomming aan : smeden , tïmmerlieden , molenaars, bakkers, brouwers,vleeshouwers, lakenwevers, kramers , volders , looiers, schoenmakers, kleermakers, bontwerkers, ververs„vi ssers, metselaars, leidekkers en lakenscheerders, stucadoors, kortespoelers, ooftmengers, gaardeniers, oude schoenmakers en strodekkers. Dit leidt tot een totaal van 24 gilden

Het machtigste gilde was het zogenaamde ' Gewantmaekersam bacht' . Dit gilde had in de 13 de eeuw reeds talrijke 'fabrieken' van laken en wollen stoffen en bezat vooral zijn terreinen aan de Noordzijde van de stad (Raamstraat). Als bewijs van de macht van het lakenweversgilde kan nog vermeld worden d at de bouw van de grote St. Martinuskerk voor een groot deel uit de 'boetegelden varn het Gilde betaald werd.

Naast de lakenvevers hebben vooral de leerlooiers reeds in de I2de eeuw een bloeiende industrie gehad. Mede dank zij het feit, dát ze voor de bewerking van de huiden gebruik konden maken van de aan de Zuidzijde der stad stromende Jeker. Aan het bestaan van dit gilde herrinneren nog de Grote- en de Kleine Looiersstraat (45).

In de 16e eeuw werd de Middeleeuwse handelsbeweging bevestigd. Een evrschil is echter, dat in de loop van de 16e eeuw het volume van de handel groter werd. Kooplieden werden door gebrek aan kapitaal gedwongen vrachtvaarders te worden. Daarbij kwam een groter scheepstype dan tot dan toe in gebruik. Het handelsverkeer liep niet slechts langs de Zuid-Noord-route en omgekeerd, maar ook in sterkere mate dan vroeger ook langs de Oost-West- route en omgekeerd.

Deze structuurwijziging, gepaard aan de afneming van de betekenis van de textielnijverheid en andere verschuivingen in het economische patroon van onze streken leidde, tenslotte tot economische achteruitgang van onze streken, waaronder Maastricht ook zou gaan lijden.

In Maastricht kwam in de 16e eeuw de metaalnijverheid tot ontplooiing. De nabijheid van Luik en de omstandigheid dat Maastricht een belangrijke vesting werd (46), hetgeen bijna drie eeuwen lang een dominerende rol in de stadsgeschiedenis zou spelen, zal daaraan niet vreemd zijn geweest. Deze leidde ehter niet tot een hernieuwde economische opleving. Maastrichtwerd een handelsstad en centrum van nijverheid een vestingsstad en twistappel van verschillende mogendheden.

Zie voor hoofdstuk 5 Hfst 5 Maastricht als centrum van economische activiteiten in de Middeleeuwen