We hebben 302 gasten online

Bijlage: Maastricht als centrum van economische activiteiten in de Middeleeuwen

Gepost in Maastricht

 

symbolische voorstelling tweeherigheid

Bijlage Beknopt overzicht der politieke geschiedenis van Maastricht

 
Maastricht was tot rond 400 een Romeinse nederzetting, waarna de Romeinen door de Franken uit Maastricht werden verdreven. Op de plaats waar vroeger het Romeins 'castellum’ was, vestigden de Franken rond 450 een nieuwe nederzetting. Deze nederzetting groeide in de daarop volgende eeuwen uit tot een Merovingisch en Karolingisch centrum van betekenis.
 
Onder Lodewijk de Vrome begon het Karolingische R ijk al in verval te geraken. In 843,bij het verdrag Verdun werd het rijkverdeeld onder de drie zonen van Lodewijk de Vrome. Bi j deze verdeling hoorde Maastricht bij het middenrijk van keizer Lotarius I, dat geen lang bestaan had.
Nadat zijn opvolger Lotharius II, in 859 gestorven was,begonnen de koningen van Oost- en West- Francië een strijd om diens rijk. Uiteindelijk werd de zaak nader geregeld bij het verdrag van Meerssen in 870, hierbij werd de Maas grensrivier tussen de beide rijken,zodat het gebied ten westen daarvan, met inbegrip van Maastricht, aan Karel de Kale van West-Francië, en het gebied aan de oostzijde van de Maas aan Lodewijk de Duitser werd toegewezen.
 
Wanneer in 925 het hertogdom Lotharingen, waaronder Maastricht, de Hoofdplaats van Neder-Lotharingen resorteerde – verenigd is met het H. Romeinse Rijk dan ontstaat op grondslag van het oude Romeinse bisdom Tongeren-Maastricht het machtige prins-bisdom Luik, met aan het hoofd de Luikse bisschoppen.
 
Deze geestelijke heren worden begunstigd door de keizers en koningen van het H. Troomse Rijk, worden hun vazallen en verkrijgen steeds meer wereldlijke macht. Onder bisschop Notgerius of Notger (972-1008), de stichter van de stad Luik, en zijn opvolgers werd deze staat en de 11e en 12e eeuw een der machtigste steunpilaren van het H.Roomse Rijk der Ottonen.

Speciaal in de rijksheerlijkheid Maastricht hadden de Luikse bisschoppen van oudsher, vooral sedert de bisschoppen Lambertus en Hubertus, de illustere opvolgers op de bisschoppelijke troon van Servatius, bisschop van Tongeren en Maastricht en niet alleen geestelijke, maar ook stoffelijke belangen. Zij bezaten reeds de vrije heerlijkheid Sint Pieter, het Patromonium Sancti Lamberti, dat ten zuiden lag van en onmiddellijk grensde aan Maastricht. Ze kregen ook bepaalde souvereine rechten waardoor zij plaatselijk meer invloed en macht konden uitoefenen ongeacht hun geestelijk gezag, dat in de 10e eeuw nog werd versterkt door het instellen van een Kapittel in hun voormalige bisschopskerk de kerk van O.L. Vrouwe.Daarnaast hgadden ze evenwel rekening te houden met keizerlijk gezag, dat blijkens een oorkonde uit 908, werd uitgeoefend door een keizerlijke ambtenaar, graaf Albuines. In dezelfde oorkonde wordt ook melding gemaakt van het recht van tolheffing en muntslag welke de bisschop van Luik in Maastricht verwierf.

Er bestond dus al in de eerste helft van de 10e eeuw te Maastricht ten aanzien van de uitoefening van het gezag een zekere dualiteit, die zich langzamerhand zou ontwikkelen tot een dubbele souvereiniteit.Van een werkelijke souvereiniteit is pas sprake in 1284, want dan zijn de rechten en plichten van beide heren van Maastricht juridisch vastgelegd in een charter, genaamd de Oude Caerte, die men de grondwet van de heerlijkheid Maastricht kan noemen.

De politieke situatie was toen allang veranderd, want in 1204 werd Maastricht en de kerk van St.Servaas door koning Philips II van Zwaben 1198 1218, in leen gegeven aan hertog I van Brabant 1190/1235. Hendrik I trad dus in de keizerlijke rechten en oefende sederdien met de toe regerende bisschop van Luik, Hugo de Peirremont 1200 1229, de heerlijke rechten over de stad uit. Hun respectievelijke opvolgers die sinds 1284 werkelijk co-souverrein waren, hebben tot in 1794 over Maastricht geregeerd. In dat jaar namelijk werd Maastricht, na veroverd te zijn door de Fransen, de hoofdstad van het departement de la Meusse Inferieure der Franse Republiek.

Naast de keizer koning c.q. de hertog en de bisschop van Luik treffen we nog aan de Vrije Rijksheerlijkheid van St.servaas en het graafschap van de Vroenhof, beide binnen de stad gelegen.De vrije rechtsheerlijkheid van St. Servaas was ontstaan uit een vroeg middeleeuwse klooserstichting rond het graf van St. Servaas en werd bijzonder begunstigd door de Merovingische en karolingische koningen als ook door de latere koningen en keizers van het H.Roomse Rijk.

Aan het hoofd van deze heerlijkehid sond in de 11e eeuw een praepositus met bepaalde souvereine rechten, hij was tevens Heer van de heerlijkheid Tweebergen, een der elf banken en bezittingen van het St.Servaaskapittel, dat gelegen was onder de rook van Maastricht en zich in de 14e eeuw bevond binnen de tweede stadsommuring.

In 1204 blijkt hertog Hendrik I van Brabant tevens de heer te zijn van de Vroenhof, een dominum dat later een zelfstandig graafschap was, doch wiens leenverband met het H. Roomse Rijk werd verbroken door keizer Karel V in 1530 toen het bij Brabant kwam. De vrije rijksheerlijkheid van St.Servaas bleef echter als zodanig voortbestaan en de rechten van de Luikse bisschoppen bleven onaangetast.

Na dit bondig overzicht dienen we ons af te vragen welke souvereine machten er te Maastricht bestonden voor en na 1204, want dat jaar was beslissend voor de verdere politieke ontwikkeling.

Recapituleren we dan treffen we voor 1204 naast het keizerlijke gezag aan de bischop van Luik en het kapittel van St. Servaas, beide met bepaalde souverreine rechten. 

Na 1204 hebben de volgende heren souverreine rechten alleen van de Duitse keizers als opperleenheer of souverrein afhankelijk

1 De hertog van brabant

2 De bisschop van Luik

3 De heer van de Voenhof, namelijk de hertog van Brabant.

4 Het kapittel van St.Servaas.

5 De proost of praepositus van St. Servaas als heer van Tweebergen.

6 In de aangrenzende vrije Luikse heerlijkheid St.Pieter hadden de Luikse bisschoppen steeds de volle soevereiniteit.

 

Scriptie Middeleeuwse Geschiedenis van J.W.Swaen 1977.