We hebben 128 gasten online

Hoofdstuk 1: De sociale toestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw te Maastricht

Gepost in Maastricht

Sphinx aardewerkfabriek

De sociaal-economische toestand van Nederland tot 1870.

Nederland was een overwegend agrarisch land met voornamelijk kleinbedrijf (10 arbeiders of minder).

Wat de industrie betreft was ons land in het begin van de 19e eeuw, onderontwikkeld; uitzondering hierop vormde de textielindustrie.

Het grootbedrijf (40 arbeiders of meer) kwam maar zeer sporadisch voor. De afzet van de produkten was, op een enkele uitzondering na, binnenlands (vooral plaatselijk) en er werd bijna alleen geproduceerd op bestelling. Er bestond geen scheiding tussen privé en bedrijfskapitaal.

Als vroeg industrieel kenmerk gold ook de geringe ontwikkeling van het verkeer,dé post en de telegraaf. Ook het bankwezen speelde in de industrie tot 1860 nauwelijks een rol.

Naast een gegoede burgerij, die geen ondernemerszin vertoonde en een talrijke arme bezitsloze klasse werd de ontwikkeling van het industrieel kapitalisme ook nadelig beinvloed door het natuurlijk gebrek aan steenkool en ijzererts, voorwaarden voor de grootindustrie.

De hereniging met België in 1815 was eveneens een belemmering voor de economische ontwikkeling van Nederland. België was met zijn mijnbouw en industrie een der belangrijkste opkomende centra in Europa. De kloof tussen België en Nederland werd groter naarmate de industriële ontwikkeling van de eerste zich voortzette.

Om de jonge Belgische industrie te beschermen tegen de Engelse concurrentie, werd er gestreefd naar protectie, terwijl het handelsbelang in Nederland juist aandrong op betrekkelijke vrijhandel.

Tenslotte was het de staatsbemoeiing die een kapitalistische ontwikkeling van Nederland in de weg stond. Allerlei maatregelen,rechten etc. belemmerden de buitenlandse handel en drukten zwaar op de binnenlandse nijverheid.

De enige vorm van kapitalisme, die in Nederland bloeide was het geldkapitalisme. In effecten en fondshandel werden grote, vermogens verdiend. Het handelskapitaal trok zich terug naar de effectenhoek, omdat door de Amerikaanse en Engelse concurrentie de handel met de koloniën tot één derde was teruggelopen.

Toch lagen de beste kansen voor Nederland voorlopig nog op het terrein van de koloniale handel. Omdat de handel op Indië echter zwaar te lijden had van de Engelse concurrentie, zag Willem I in,dat de koloniale handel slechts zou herleven, wanneer Nederland zijn scheepvaart, door een sterke export-industrie kon steunen. Zo kwam in 1824 de Nederlandse Handel Maatschappij tot stand, die aan het economisch leven ruggegraat moest gaan geven. Het beginkapitaal van de N.H.N. was van Oranje en de staat, aangevuld met geld van kapitaalkrachtige mensen. Door deze grote kapitaalskracht werd de N.H.M. een onbedoeld monopolie en verlamde zo de vrije concurrentie,voorwaarde voor industriële ontwikkeling.

Pas na de invoering, van het cultuurstelsel in 1830, kwam de N.H.M. tot bloei. Het cultuurstelsel verplichte de Javaan tot aanplanting van een zekere hoeveelheid produkten voor de Europese markt. Met de opbrengst van het cultuurstelsel heeft men later o.a. infrastructurele werken uitgevoerd.

De Belgische opstand in 1830, gevolgd door negen jaar gewapende vrede dreigde voor Nederland katastrofaal te worden. De handel aan de zuid-grens stond stil,militie onttrok jarenlang duizenden mensen aan produktief werk, de belastingen en accijnzen op levensmiddelen werden steeds verhoogd, de landbouw verliep sterk door de zware grondbelasting.

Door de wassende staatsschulden ten gevolge van de gewapende vrede werd kapitaal onttrokken aan de handel en industrie en vond belegging in staatsleningen plaats.

Zo stond de economische toestand van Nederland in de 40-er jaren in schril contrast met de snelle industriële ontwikkeling van andere landen. De slechte financiële toestand waarin ons land verkeerde, deed zich ook goed voelen bij de bezittende klasse.

De steeds zwaarder wordende belastingen ,de prijsdalingen der koloniale waren met grote verliezen voor het handelskapitaal en de speculanten,versterkte de oppositie en de roep om een nieuwe grondwetsherziening . Deze opkomende liberale oppositie werd gevormd door een deel van de opkomende burgerij: handels- en geldkapitaal,renteniers en intelligentia.Thorbecke was haar leider. Naarmate de klasse van de burgerij aan kracht won, kwam ze steeds meer in conflict met de laag die de regeringsmacht bezat. De liberale ideologie in Frankrijk en Engeland was vooral in het begin van de 40-er jaren een belangrijke inspiratiebron voor de hogere middenstand en de intelligentsia.

We zagen in ons land in die tijd behalve aristocratie, opkomende burgerij en proletariaat nóg een klasse, namelijk die van de kleine burgerij; gevormd door kleine zelfstandigen, zelfstandige ambachtslieden, semi-intellectuelen en kleine boeren. Er was echter in tegenstelling tot andere landen, waar in het midden der 19e eeuw de kleine burgerij samen met de arbeiders streed voor democratische hervorming, in ons land geen politeik-democratische beweging der kleine burgerij.

Toen Thorbecke in 1848 aan de regering kwam liet men het mercantilisme varen om over te hellen naar vrijhandel en staatsonthouding. Allerlei belemmeringen die de vrije economische ontwikkeling in de weg stonden werden opgeheven. Er begon een tijdperk van economische groei en bloei die tot 1873 zou voortduren, slechts onderbroken door onvermijdelijke crises in 1857 en 1856.

Een groot gedeelte van de staatschulden kon worden afgelost, waardoor de zware druk van de belastingen af kon nemen. Vooral de landbouw beleefde een grote bloei, en dit werkte natuurlijk op alles door omdat Nederland nog steeds een overwegend, agrarisch land wás.

De liberale regering regelde postwezen en telegraaf, gaf de handel vrijheid van beweging en zij begon met de ontwikkeling van het verkeerswezen (Spoorwegen,Nieuwe Waterweg, Noordzeekanaal) waarvoor de financiële middelen verkregen werden uit het al eerder genoemde Cultuurstelsel.

Ik heb al geconstateerd, dat de voorwaarden voor de ontwikkeling van de grootindustrie nog niet voorhanden waren. De industriële ontwikkeling verliep dan ook oneindig veel trager dan in de handel. Er was alleen sprake van bloei in bedrijven met een achterlijke productiewijze: manufactuur in combinatie met huisarbeid (schoenmakerij, Langstraat;papiermolens, Veluwe;linnenweverij ,Boxtel; wolweverij, Tilburg).

Er kwam in Nederland in de 60-er jaren slechts op 2 plaatsen groot-industrie voor, in Maastricht de aardewerk - en papierfabrieken en in Twente het door de katoencrisis in Amerika van '62-'64 gerevolutioneerde textielbedrijf. Ikricht mij nu vooral op de ontwikkeling van de groot-industrie te Maastricht. De ontwikkeling van de textielindustrie laten we hierbij rusten.

Zie voor Hoofdstuk 2 : de Sociaal-economische ontwikkeling van Maastricht:

 Hoofdstuk 2: De sociale toestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw te Maastricht