We hebben 188 gasten online

Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 1

Gepost in Politiek

kvp 1946 KVP 1946

In dossier de Tijd 3 oktober 1980 door Melchior Bogaarts

Na CHU en ARP maakt nu ook de KVP — dit weekeinde in Den Bosch — een eind aan haar bestaan om de weg vrij te maken voor de fusie van de CDA-partijen op 11 oktober. In 1959 reeds deed Romme een eerste oproep tot samenwerking van de drie christendemocratische partijen maar die roep bleef bij AR en CH onbeantwoord. Of beter gezegd: de protestant -christelijke broeders moesten er In die tijd niets van weten.

In KVP-kringen bestond hier en daar wel animo voor een soort Nederlandse CDU, al werd daarover zeer uiteenlopend gedacht. Zo was er een jong partijbestuurslid, zekere Plet Steenkamp, die in 1959 nadrukkelijk verklaarde de zelfstandigheid van de KVP te willen bewaren. De notulen van het partijbestuur laten zien dat bedoelde Steenkamp op lange termijn niets zag in een samengaan van KVP, ARP en CHU.

Het zal duren tot 1967 voordat de KVP gehoor vindt bij de protestant- christelijke partijen. Maar zij heeft dan ook grote haast met de samenwerking. Na de Nacht van Schmelzer is de electorale teruggang ingezet. In februari '67 kelderde de partij van 50 (in '63) naar 42 zetels. In 1972 neemt de KVP voor het laatst met een eigen lijst deel aan de Kamerverkiezingen. Er resteren dan nog slechts 27 zetels van het eens zo machtige bolwerk dat begin deze eeuw in de Rooms-Katholieke Staatspartij was opgetrokken en dat na de tweede wereldoorlog werd verbouwd tot KVP.

Voor de inner circle van de katholieke politiek kon die snelle teruggang niet onverwacht zijn gekomen. Reeds in 1952 had het Katholiek Sociaal Kerkelijk Instituut (KAS-KI) geconstateerd dat de KVP met haar enthousiasme voor een omvangrijke industrialisatie -politiek even enthousiast aan haar eigen ondergang werkte. De industrialisatie zou immers de oude maatschappelijke structuren openbreken. Bovendien zou ook het isolement van het platteland worden doorbroken. En dat alles moest wel leiden tot de deconfessionalisering die volgens de analyses van het KASKI voor de KVP fataal zou worden.

In 1962, als de nieuwe partijvoorzitter Aalberse opnieuw over christen- democratische samenwerking begint, is het KASKI juist met nieuw, indringend en fataal klinkend materiaal gekomen. Al strooit de verkiezingstriomf van '63 - de KVP haalt na het kabinet-De Quay haar top met vijftig zetels — zand in althans die ogen die op de korte termijn zijn gericht.

Exit KVP. Tijd dus voor een terugblik In de historie van de grootste fusiepartner in het CDA. De historicus drs. M.D. Bogaarts — wetenschappelijk medewerker bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis, afdeling Staatsrecht, van de Nijmeegse universiteit — is bezig de geschiedenis van de KVP te schrijven. Voor de Tijd deed hij een greep in zijn aantekeningen, die onder meer zijn gebaseerd op bestudering van de notulen van partij- en dagelijks bestuur van de KVP.

De geschiedenis van de KVP. Van de roemruchte dagen van Romme tot de laatste loodjes van Lubbers.

O p zaterdag 22 december 1945 nam een vernieuwde partijraad van de oude R.-K. Staatspartij met 78 tegen 26 stemmen een resolutie aan om een nieuwe partij op te richten onder de naam Katholieke Volkspartij (KVP). Volgens de toelichting op deze resolutie moest er een partij komen die de zedelijke normen, verankerd in de door God geschapen wereldorde en Openbaring tot grondslag en richtsnoer nam. Op grond van deze normen werd een vooruitstrevende politieke koers nodig geacht. De KVP zou een katholieke beginsel- en programpartij worden, geen „kerkelijke" partij zoals de RKSP in zekere zin was geweest. De KVP zou openstaan voor niet-katholieken.

Aan deze oprichting was een tijd van verwarring voorafgegaan. De R.-K. Staatspartij was onder de bezetting ten onder gegaan, na administratieve steun te hebben verleend aan de Nederlandse Unie in de beginfase. Tegen het einde van de bezetting had zich een vernieuwingsbeweging op politiek gebied gemanifesteerd, de Nederlandse Volksbeweging (NVB), die werd gesteund door zowel katholieken als Beel, De Quay, mevrouw Klompé en Van der Grinten, die uiteindelijk zouden kiezen voor de katholieke partij, als door een groep andere katholieken (Ruygers, Willems, Tans) die de doorbreking van de oude partijstructuren (confessioneel/ niet-confessioneel) via de NVB bleven ondersteunen. Deze laatste groep zou toen de fusie tussen NVB en de oude SDAP een feit was, opgaan in de nieuwe partij, de PvdA, en daar de Katholieke Werkgemeenschap (KWG) in de PvdA vormen.

De herrijzenis van de RKSP na de bevrijding was gevolgd op acties van het episcopaat en de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) — via bemiddeling van KAB-adviseur Pater Stokman o.f m. — die moesten voorkomen dat de katholieke massa's op drift zouden raken en de katholieke zuil zou worden aangetast. In hun kerstboodschap van 1944 drongen de bisschoppen van Breda en Den Bosch aan op herstel van de katholieke sociale organisaties in het bevrijde zuiden. Hier ontstond begin 1945 al een Katholieke Staatkundige Vereniging (initiatief Rambonnet), die na de bevrijding van het hele land is opgegaan in de herrezen RKSP.

De katholieken in dè NVB konden grotendeels worden teruggewonnen toen bleek dat de oude partijen terugkeerden (AR, CH) of slechts een ander jasje aantrokken (SDAP). De RKSP kwam deze groep tegemoet: de partij vernieuwde de bestuurslagen en bracht via het in augustus 1945 opgerichte Centrum voor Staatkundige Vorming — waarin De Quay, die een belangrijke aanhang had, kon worden binnengeloodst — een discussie op gang over de grondslag van de partij. Het advies van dit onafhankelijke discussiecentrum was dat een zelfstandig optreden van de katholieken bij de eerste verkiezingen gewenst was.

Na de totstandkoming van de KVP werd aan de vernieuwingswil van de toegetreden NVB'ers nog slechts tegemoet gekomen door gesprekken met de PvdA (opgericht op 9 februari 1945) over een gezamenlijk program. Aangezien de KVP doorbraak naar de PvdA, en de PvdA afval naar de CPN moest voorkomen, had ieder er baat bij zich tegen de ander te blijven afzetten, zodat het akkoord er niet gekomen is. De KVP besloot slechts aan te kondigen dat samenwerking met de socialisten na de verkiezingen het meest voor de hand lag.

Toch was de KVP bezorgd dat, ondanks de vernieuwing van het program en een progressief ogende lijst van kamerkandidaten, de doorbraak van de PvdA in de eigen katholieke gelederen zou slagen. Naar aanleiding van de Vastenbrief 1946 van het episcopaat, waarin de verboden ten aanzien van de socialistische verenigingen (vooral NVV) werden herhaald, vroeg Romme, lid van het partijbestuur, duidelijkheid over de vraag of daarmee ook de PvdA was bedoeld. Het antwoord kwam in de kaneelboodschap van het episcopaat van 12 mei 1946, waarin werd gesteld dat de beste waarborg voor een goed christelijk bestuur werd gevonden in de KVP. De eerste verkiezingen na de oorlog van 17 mei 1946 leverden de KVP een overwinning op: 32 (van de 100) zetels, een zetel meer dan in 1937 voor de RKSP. De PvdA had er slechts 29. In Limburg had de PvdA 12% van de stemmen behaald; enig succes dus voor de doorbraak.

Kabinet Beel 1

Het kabinet dat nu onder Beel tot stand kwam was een rooms-rode coalitie; andere partijen kwamen niet in aanmerking vanwege de Indië-kwestie en de sociaaleconomische koers. Beel sprak van een Nieuw Bestand tussen de politieke groeperingen in het land, waarbij de oude christelijke coalitie tegenover links werd afgelost. De nieuwe fractieleider in de tweede kamer voor de KVP, Romme, streefde echter wel naar uitbreiding van deze KVP-PvdA -samenwerking tot een „brede basis", waarvan echter altijd rooms-rood de kern moest zijn.

In Katholieke Politiek (1953) noemde Romme als voordelen van deze coalitievorm: het voorkomen van een samengaan van PvdA en CPN in de oppositie en dus van radicalisering van de PvdA; herstel van het vertrouwen bij de niet- christenen in de christenen; de gemeenschappelijke aanpak van de wederopbouw en van de Indië-zaak; het beoefenen van de harmonie in de politiek. De samenwerking met de PvdA en vooral de persoon van Drees werden door Romme in het partijbestuur herhaaldelijk verdedigd. De PvdA stond wantrouwend tegenover de auteur van de Nieuwe Grondwetsartikelen uit 1945 (waarin Romme de standenvertegenwoordiging en indirecte verkiezingen bepleitte) en weigerde Romme bij de formatie van '46 als mogelijk premier te aanvaarden. Hijzelf wilde trouwens ook niet.

Romme, de politieke paus

romme

Het tijdvak-Romme, dat heeft geduurd tot zijn terugtreden in februari 1961, is de grote bloeitijd van de KVP geweest. „De politieke paus van de Nederlandse katholieken" trachtte een evenwichtige belangenbehartiging in de politiek te bedrijven, waarbij hij vooral ten behoeve van brede lagen in de bevolking verbetering nastreefde: uitbreiding van de medezeggenschap, bezitsspreiding, publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO). Verpaupering en radicalisering van de massa moest worden voorkomen. Romme's doel was zoveel mogelijk alle groepen in het land gezamenlijk medeverantwoordelijkheid te laten dragen in de bestaande structuur. Dit heette het „onverzoenlijke verzoenen" en stond als politiek haaks op sommige visies van het socialisme en zeker van het communisme, waarvan Romme gruwde.

Romme voerde zijn politieke evenwichtskunst eigenzinnig uit; hij wenste niet door de partij(vleugels) voor de voeten te worden gelopen. De partij zorgde voor de nodige stemmen bij de verkiezingen; de fractie deed het politieke werk. De KVP accepteerde dit. Zoals ook Romme's woord op partijraden en -congressen zo'n kracht had, dat niemand het waagde hem tegen te spreken. In deze partijredevoeringen wist Romme vooral ideële thema's aan te snijden: de doorbraak, de opbouw van de christelijke maatschappij, PBO, Het Gezin. Thema's die verdeeldheid konden zaaien (bijvoorbeeld inkomensverhoudingen) werden op de achtergrond gehouden.

Ook in de praktische politiek hechtte Romme nogal aan ideëel getinte constructies. Zo wenste hij (desnoods te vuur en te zwaard) garanties voor de federatieve opbouw in en de blijvende band met Indonesië via de Zware Unie. Bij de formatie van 1948 was het hem de premierzetel voor Drees waard, als de KVP (via minister Sassen en Beel als topman in Indië) de Indië-zaak maar kon doen. Het heeft niet gebaat: door de soevereiniteitsoverdracht (1949) en de ontwikkelingen daarna bleek de mislukking van deze politiek. Ook Romme' s vurige pleidooien voor de PBO waren een slag in de lucht: de KVP was niet eens bereid de grote bedrijven te verplichten zich bij de PBO aan te sluiten. Lang, tot 1970, zou de PBO een katholieke droom blijven.

Toch wist Romme een bepaalde inhoud te geven aan het katholiek ideaal: de kerstening van de maatschappij. Schmelzer was daartoe later niet meer in staat.

Zie verder deel 2 Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 2