We hebben 189 gasten online

Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 2

Gepost in Politiek

kvp 1946 KVP 1946

De ideologie

memo hfst 5 afb 11

Tot het eind van de jaren vijftig gold onverkort als KVP-grondslag: de beginselen van de natuurlijke zedenleer en de goddelijke openbaring, met aanvaarding van de uitspraken van het kerkelijk leergezag. Vanuit die grondslag werden als politieke hoofdlijnen beschouwd (Stokman, 1952): de aanvullende taak van de staat, die echter bij de welvaartsspreiding verder mocht gaan; de persoonlijke zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van het individu, vooral tot uiting komend in de bescherming van de eigendom; staatsbescherming van de zedelijke beginselen, de eerbied voor God, godsdienst en goede zeden. Volgens partij-ideoloog Stokman had de KVP op zuiver profaan terrein geen zending, waarmee hij zich distantieerde van de opvatting van Romme (1950) dat de katholieke staatsman moest zorgen voor de invloed van het kerkelijk gezag op de zaken van de staat. Deze verwarring over de taak van de KVP ten aanzien van de uitvoering van het beginsel heeft het wantrouwen bij buitenstaanders bevorderd.

Vanuit deze grondslag is het te begrijpen dat de KVP in de praktijk als organisatie slechts openstond voor brave katholieken, zoals bleek toen in 1959 een katholieke gescheiden man door het partijbestuur als afdelingsvoorzitter werd geweigerd. Vanuit deze grondslag is in het partijbestuur herhaaldelijk gediscussieerd over uitspraken of het zwijgen van het kerkelijk leergezag in omstreden zaken. De sociale encyclieken en de aanmaningen van het Nederlandse episcopaat — zoals de sociale Vastenbrief van 1949 — waren richtinggevend. Toen (in 1959) het partijbestuur zich beraadde op het kernwapenvraagstuk, betreurde men het dat de paus het kernwapen niet als immoreel had veroordeeld, want dan was voor de KVP daarmee de kous af geweest.

In de jaren zestig werd de grondslag van de KVP uitgehold. In 1965 constateerde Stokman dat de ontwikkelingen (Vaticanum II) een andere formulering vergden en dat niet meer kon worden volstaan met een samenvatting van seminariehandboeken. Het nimmer gepubliceerde ontwerp-basisprogram van de KVP uit 1967 — vervolg op het structuurrapport van 1966 — liet het kerkelijk leergezag helemaal vallen en noemde als hoofdpunten de bestemming van de mens boven de wereld, diens ontplooiing, terwijl als voorwaarden voor een organische, christelijke maatschappij werden genoemd particuliere productie en het gezin. Vervolgens aanvaardde de KVP het protestantse overwicht in de formuleringen van het beginsel voor een samenwerkingsverband met AR en CH, dat leidde van Evangelische inspiratie, menselijk falen, gerechtigheid (rapport van de „18"-1968), het Evangelie als gave-opgave (Nota van de Contactraad, 1973) tot het Evangelie als richtsnoer (1975).

Een niet onbelangrijke stroom in de KVP pleitte sedert de contacten met AR en CH voor een algemene volkspartij voor christenen en humanisten, een gedeconfessionaliseerde middenpartij. De overweging dat de KVP electoraal geen kansen meer had en nog slechts kon samengaan met AR en CH leidde ertoe dat de evangelische basis werd aanvaard voor het christendemocratisch samengaan.

Principiële verdraagzaamheid

De interpretatie van de ideologie door de KVP kort na de oorlog wekte bij buitenstaanders de vrees dat katholieken vanuit een meerderheidspositie hun visie zouden opleggen aan de minderheid. Die meerderheidspositie leek rond 1950 niet geheel illusoir; het katholieke volksdeel had een sterke stijging doorgemaakt, terwijl de KVP zich als gezinspartij voor de voortzetting van deze groei scheen in te spannen. Zouden de katholieken niet trachten de maatschappij, naar het woord van Pius XII uit 1944, geheel op God te richten en alles wat daarmee strijdig was beoorlogen? Kon de niet-katholieke bevolking nog naar eigen opvattingen leven? De pogingen van de KVP vanuit de machtspositie in de brede basis te zorgen dat in 1948-'49 wetsontwerpen werden ingediend tot beperking van de echtscheiding, verscherping van de filmkeuring en het toezicht op de bibliotheken werden met argwaan bekeken. Waren de katholieken in beginsel onverdraagzaam?

De generale synode van de Nederlandse Hervormde kerk waarschuwde in 1950 in een herderlijk schrijven voor de katholieke machtsontplooiing ten nadele van de tolerantie en de geestelijke vrijheid. De synode wees met afgrijzen op katholieke landen in Zuid-Europa. In Spanje werden juist toen de schaarse protestanten vervolgd. De bevordering van het grote gezin was volgens de synode dan ook ingegeven door katholieke machtsbegeerte. Overigens riep de synode haar eigen volgelingen op de katholieken op dit punt te evenaren. Vanuit katholieke kring is hierop gereageerd, onder meer door het Centrum voor Staatkundige Vorming. J. Loeff poneerde dat men diende uit te gaan van de historisch gegroeide verhoudingen in een land. In Nederland had men nu eenmaal verschillende levensbeschouwingen en was er dus een andere situatie dan in zuidelijke landen. Geen sprake derhalve van principiële verdraagzaamheid.

Toen de KVP echter in 1953 in een concreet geval werd geconfronteerd met de tolerantievraag toonde de partij zich verdraagzaam. Het ging om de vraag of activiteiten van het Humanistisch Verbond in gevangenissen en kazernes gelijkelijk moesten worden toegelaten en gesubsidieerd als de bestaande godsdienstige genootschappen. Het partijbestuur wilde de samenwerking met de PvdA, die nauwe banden met het verbond had, ontzien. De conclusie van het beraad was dat de KVP niet moest streven naar een verbod op het Humanistisch Verbond. Als de vrijheid die katholieken genoten aan anderen werd onthouden, zou een laaiend antipapisme losbarsten. Het partijbestuur en Romme aanvaardden in 1953 dat het in de gevangenissen werd toegelaten. In 1961 ging de KVP ook mee met het voorstel van de VVD om het Humanistisch Verbond tot de kazernes toe te laten. Pater Stokman verklaarde in de kamer dat de realiteit in Nederland was dat een deel van het volk niet in God geloofde en dat politieke verdraagzaamheid derhalve ook van toepassing diende te zijn op het Humanistisch Verbond.

Eenzelfde ontwikkeling is te zien in de houding van de KVP ten opzichte van de zogenaamde niet-natuurlijke geboorten beperking. Het bestrijden hiervan heette eerst een grote zedelijke plicht. Het Centrum voor Staatkundige Vorming stelde zelfs in 1950 voor geboorten beperkende middelen helemaal te verbieden. Nadat echter in de katholieke gemeenschap de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de ouders was aanvaard, sloot de KVP hierop aan door aan het eind van de jaren zestig een wet op de verstrekking van anti-conceptionele middelen te steunen; dit ondanks de inmiddels verschenen encycliek Huma.nae Vitae (1968). Het partijbestuur besloot dat de kerkelijke uitspraak niet de enige norm was voor een katholieke politicus die in een gemengd land moest leven.

Deze twee voorbeelden illustreren de erkenning door de KVP van de ideologisch pluriforme staat en de aanvaarding van het beginsel van verdraagzaamheid. Hierdoor werd het ook mogelijk nauwer contact aan te gaan met de ARP en CHU, die in de jaren vijftig nog zulk een vrees hadden voor „Rome"; AR en CH hebben hun opties op een protestants Nederland uit hun beginselprograms rond '70 losgelaten.

De partij als organisatie

De KVP was een massa- en volkspartij. De ruim 400.000 leden (1947) betaalden dan ook weinig. De partij was daarom aangewezen op bijdragen van beter gesitueerden, standsorganisaties, de KRO en de kloosters. Zo kon de verkiezingskas op sterkte worden gehouden, met als top de één miljoen voor 1959; in 1967 was dit nog maar drie ton. Uit de contributies moesten de 1140 afdelingen vergaderen, de zeventien kringen hun werk doen (vooral in het partijbestuur machtig), de partijraad als hoogste orgaan bijeenkomen, het partijbureau (onder resp. Albering, Perquin, Gribnau tot 1975) kunnen draaien en subsidies worden verleend aan het weekblad De Opmars (tot 1965), het KVP-maandblad en het KVP-vormingswerk.

Vooral het vormingswerk in het later naar Romme genoemde KVP-instituut in Baarn (1950-'68), waar per jaar gemiddeld 3000 personen werden geschoold en het werkgroepensysteem werd begeleid, kostte veel geld. „Baarn" was een reactie op de KVP-enquête van 1949, waaruit bleek dat de achterban meer geïnteresseerd was in materiële zaken dan in verzorging van de goede zeden. De leden hadden geen inzicht getoond in de ware katholieke politiek. Aangezien vooral uit het zuiden nooit veel belangstelling is getoond voor „Baarn", ging men later over tot gedecentraliseerde kadervorming.

De massapartij schrompelde allengs ineen tot kernpartij: 280.000 (1952: crisis in de partij); 385.000 in 1960; 97.000 in 1969 en 55.000 in 1977. Het overwicht van het zuiden is sedert 1970 omgeslagen in een tweederde overwicht van boven-Moerdijkers. Verkiezingsonderzoeken hadden altijd al aangetoond dat het noorden trouwer was aan de KVP dan het zuiden.

De massapartij toonde zich vanaf de aanvang alleen actief bij de verkiezingen. Voorzitter Van Doorn (1954-'62), de opvolger van Andriessen sr. trachtte bewust de KVP meer als een permanent politiek centrum in te richten. De Zeeuw (1971-'75) zou deze lijn weer oppakken. De lethargie in de KVP werd ook veroorzaakt door de tegenstelling tussen de leiding in Den Haag en het plaatselijk kader. Dit had, juist ook op partijraden, het gevoel dat er geen mogelijkheid was redelijke voorstellen namens groep of regio naar voren te brengen. De partijleiding beschouwde echter als haar voornaamste zorg het bijeenhouden van de partij, waarin met zulke uiteenlopende groepen als werkgevers en werknemers, middenstanders, boeren en tuinders — volgens Romme de harde kern van de partij — rekening moest worden gehouden. Dat eiste een vrij autoritaire leiding, de oorzaak van veel ontevredenheid en dissidentisme.

De oplossing van de KVP voor dit soort problemen was altijd: de eenheid naar buiten toe bewaren; het conflict via een commissie afdoen. Zo ontstond de indruk van een applaudisserende democratie. Dit gold vooral voor de befaamde KVP-congressen, waarop de afdelingen met partijraad en genodigden bijeenkwamen. Hier heerste een goed-roomse sfeer met crapauds voor de eminenties en excellenties in een wolk van sigarenrook onder het waakzaam oog van Romme. De fractieleider begeesterde de menigte (in 1955 vijfduizend man) waarna enige voorgekookte resoluties met algemene stemmen werden aanvaard.

Klachten waren er ook over de samenstelling van de kandidatenlijst voor de Kamerverkiezingen: een groep of regio voelde zich altijd wel benadeeld. Het groslijstensysteem (tot 1970) gaf elk KVP-lid wel zekere invloed op de niet-kwaliteitszetels, maar de kringen en de centrale verkiezingsraad (waarin het partijbestuur overwicht had) konden de lijst wijzigen. Het partijbestuur besliste over de kwaliteitszetels (een derde van de lijst) met inachtneming van regio, groep en fractiespecialisme. Naar getal gemeten waren de arbeiders onder-, de boeren over- en de vrouwen nauwelijks vertegenwoordigd. Ook de samenstelling van het dagelijks bestuur vergde nauwkeurige afweging. De eerste naoorlogse voorzitter, J.W. Andriessen, kwam uit de vakbeweging; diens opvolger moest echter, na de crisis rond de rechtervleugel ('51), neutraal zijn (Van Doorn). De plaatsen van de vice-voorzitters werden zo mogelijk naar richting of regionaal verdeeld.

De vrouw in de KVP

De KVP zag zichzelf als een „mannelijke", strijdbare partij, waarin voor de vrouw nauwelijks plaats was. De roomse opvatting dat de vrouw in het gezin hoorde speelde hierbij een rol. De KVP-lijst voor 1946 had geen vrouw op een verkiesbare plaats. Protest van een aantal vrouwen zorgde voor bijstelling, waardoor mevrouw Van Lanschot in het partijbestuur en mevrouw Klompé in de kamer (1948) kwamen. Toch golden de vrouwen nog als restpost, want in 1952 verloor een vrouw haar plaats op de Kamerlijst terwille van een afgevaardigde van een ontevreden groep.

De nederlaag van 1952 bracht de KVP ertoe meer aandacht aan de vrouwen te besteden. In 1953 leverde de KVP een vrouwelijke staatssecretaris voor o.k. en w. dr. Anna de Waal, en in 1956 een vrouwelijke minister van maatschappelijk werk, dr. Marga Klompé. Het Katholiek Vrouwendispuut, een organisatie binnen de KVP, was maar matig tevreden met de plaats van de vrouw in de partij, die zeker in vergelijking met de PvdA veel te wensen overliet.

In 1957 ging de KVP ertoe over een commissie onder leiding van mevrouw Agnes Nolte in te stellen ter bestudering van het probleem van de vrouw in de partij. Het rapport van deze commissie (1958) was vernietigend. Om enigszins aan de kritiek tegemoet te komen werd besloten dat vier leden van de partijraad en drie leden van het partijbestuur voortaan vrouwen moesten zijn; in het dagelijks bestuur had al een vrouw zitting.

Dat de katholieke vrouwen in die tijd de betutteling door de mannen beu waren blijkt ook uit het incident-Venlo in 1958. Voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1958 wilde de lijst Katholiek Venlo, die oppermachtig was, geen plaats inruimen voor een vrouw. Daarop kwamen de katholieke dames onder leiding van mevrouw Van Soest-Jansbeeken met een eigen Katholieke Vrouwenlijst, die 18 mei 1958 vier zetels wist te behalen. Telegram van het Katholiek Vrouwendispuut: In Venlo begint de victorie.

De commissie-Nolte ging over in de actieve en enige nog bestaande KVP-commissie uit de jaren vijftig: Vrouw en Partij. Deze adviseert bij bepaalde wetsontwerpen en komt op voor de verbetering van de maatschappelijke positie van de vrouw. Dat dit nodig was en is blijkt onder meer uit het feit dat tot en met het program-1972 de KVP nooit een regel heeft gewijd aan de zaak van de emancipatie van de vrouw. Wel heeft de partij de belangen van de vrouw verdedigd in de sociale voorzieningen, de echtscheidingswet en dergelijke. Maar er is nog veel te doen, blijkens de opsomming in het rapport van het CDA-Vrouwenberaad over het gezin (1979).

Zie voor Deel 3: Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 3