We hebben 187 gasten online

Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 3

Gepost in Politiek

 

kvp 1946 KVP 1946    

1946

1946

 

 

KVP 1956

1956

De strijd om de eenheidspartij

Vanaf het begin had de KVP het virus van afscheiding in zich. Waar zoveel groepsbelangen waren te behartigen, was het moeilijk het iedereen naar de zin te maken. Als bindmiddel was daar de eenheid in beginsel. Die eenheid werd vanaf het begin betwist door de doorgebroken katholieken in de Katholieke Werkgemeenschap. De stembus had uitgewezen dat hier voor de KVP geen acuut gevaar lag.

Toen kardinaal De Jong in 1953 opriep tot eenheid van alle katholieken moest de KVP wel pogen met de KWG - evenals met de groep-Welter — tot eenheid te komen. Romme heeft nooit veel in gesprekken met de KWG gezien. Volgens hem moest de KVP de stelling handhaven dat katholieke machtsvorming via de kracht van het getal nodig was om het katholiek beginsel te doen zegevieren, zoals in de schoolwetgeving, gezinspolitiek, PBO. Anderzijds kon niet verwacht worden dat de KWG de brugfunctie tussen christendom en socialisme, ter kerstening van de maatschappij zou opgeven. Toch ging men praten, maar het gesprek werd doorkruist door het bisschoppelijk Mandement van 1954.

Dit mandement onderstreepte de stelling van de KVP en ontraadde het lidmaatschap van de beginselloos genoemde PvdA. Een afvaardiging van het episcopaat probeerde nog de KWG-voormannen Ruygers en Willems tot gehoorzaamheid te vorderen. Maar tevergeefs: 22 februari 1955 kondigde Willems op het PvdA-congres aan dat de KWG zou doorgaan. Romme stelde daarop in het partijbestuur dat de KVP de katholiciteit van de KWG'ers buiten beschouwing moest laten en de partijpolitieke eenheid op eigen, positieve argumenten, zonder mandement, moest propageren. Bij de viering van tien jaar KVP was Ruygers als bestuurslid van de PvdA hartelijk welkom. Het episcopaat erkende in 1965 jegens het NVV en in 1969 met betrekking tot de politieke keuze — op de opheffingsvergadering van de KWG, bij monde van mgr. Bluyssen — de vrijheid van de katholiek zelf te kiezen. De gesanctioneerde exclusieve aanspraken van de KVP waren daarmede voorbij, evenals de doorbraak als strijdthema.

De tweede groep waarmede de KVP eenheid moest bereiken was de Katholieke Nationale Partij van Welter. Het actiecomité-Welter was begin 1947 binnen de KVP ontstaan uit onvrede over de Indië-politiek van de KVP. Welter, oud-minister van koloniën, eiste onvoorwaardelijke rijkseenheid, terwijl hij ook speculeerde op de weerzin bij een deel van de KVP tegen de samenwerking met de socialisten. Partijvoorzitter Andriessen noch Romme waren bereid te bukken voor een kleine minderheid in de partij die zo'n extreem standpunt innam. Welter kondigde daarom aan bij de verkiezingen van 1948 met een eigen lijst uit te komen. Dit bracht Romme ertoe in zijn lijfblad de Volkskrant het voorstel te doen geschillen van inzicht binnen dé partij uit te vechten in vertrouwvol, onderling beraad. Dit werd nog onderstreept door de oproep van het episcopaat tot eenheid onder de katholieken (9 mei 1948). Het College van Beraad is er wel gekomen (1949) — het functioneerde nauwelijks - maar Welter had zijn actie al doorgezet.

In 1945 werd Welter benoemd tot lid van de Eerste Kamer voor de Katholieke Volkspartij. In maart 1946 maakte hij deel uit van de parlementaire commissie van afbeelding van Welter, Charles Joseph Ignace Marieonderzoek naar het beleid van de Nederlandsch-Indische regering. De door Van Mook gevoerde politiek werd door hem voor de Nederlandse positie in Indië rampzalig geacht; dat de KVP met de Partij van de Arbeid samenwerkte in een regering die Van Mooks beleid in grote lijnen steunde, ondervond bij hem dan ook steeds krachtiger tegenstand. Vanaf begin 1947 ageerde binnen de KVP het Voorlopig Katholiek Comité van Actie tegen het Indonesië-beleid van de 'rooms-rode coalitie'. In 1948 nam dit comité met een aparte lijst-Welter deel aan de Tweede Kamerverkiezingen, die één zetel opleverden, op 11 december 1948 gevolgd door de oprichting van een aparte partij, de Katholiek Nationale Partij. Welter, die de enige Kamerzetel bezette, werd ook de eerste algemeen voorzitter van de KNP. Nauwe banden heeft hij in de jaren 1946 tot 1950 ook onderhouden met het Nationaal Comité 'Handhaving Rijkseenheid', waarin hij met P.S. Gerbrandy, F.C. Gerretson en J.W. Meyer Ranneft tot de kopstukken behoorde.

Na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië leek aanvankelijk deze KNP nog bestaansreden te hebben, vooral als rechtse oppositiepartij, niet alleen ten aanzien van de blijvende problemen in de verhoudingen tot het zelfstandig geworden Indonesië maar ook in oppositie tegen de naar het inzicht van deze partij overheersende vakbewegingsinvloed van de KAB in de KVP. In 1952 behaalde de KNP dan ook met 2,7 % van de stemmen (2 zetels) nog een hoogtepunt. Het zou tot 29 oktober 1955 duren alvorens de KNP na aandrang van de zijde van het episcopaat - o.a. door het Mandement van mei 1954 - besloot op te gaan in de katholieke moederpartij, de KVP. Toen eind 1958 het kabinet-Drees ten val kwam, verdween ook Welters laatste grief tegen de KVP, doordat er een einde kwam aan de jarenlange samenwerking met de socialisten. Van 1956 tot 1963 optredend als Kamerlid voor de KVP heeft Welter dan ook weinig moeite gehad zich binnen de partijlijn te schikken.

© ING - Den Haag. Bronvermelding: F.J.M. Otten, 'Welter, Charles Joseph Ignace Marie (1880-1972)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/welter [13-03-2008]

kies welter

KATHOLIEKE NATIONALE PARTIJ

De Katholieke Nationale Partij (KNP) of Lijst Welter verenigde in de periode 1948-1955 katholieke tegenstanders van de rooms-rode coalitie. De KNP stond ook wel bekend als de Welterpartij. Deze benaming kwam voort uit de speciale positie die Ch.I.J.M. Welter binnen de KNP innam. Deze oud-minister van Koloniën bekleedde tal van functies binnen de partij (algemeen voorzitter, afgevaardigde in de Tweede Kamer) en was de drijvende kracht achter zowel ontstaan alsopheffing van de KNP.

Het ontstaan van de partij hing samen met Welters verzet tegen het zijns inziens te toegeeflijke beleid van de regering ten aanzien van de eenzijdig uitgeroepen Republik Indonesia. In december 1946 sloot Welter, op dat moment lid van de Eerste Kamer namens de KVP, zich aan bij het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid, dat aan tal van tegenstanders van het dekolonisatiebeleid uit verschillende partijen onderdak bood. In januari 1947 richtte Welter samen met M.J.F. Bajetto, een ander katholiek lid van Rijkseenheid, bovendien een apart Voorlopig Katholiek Comité van Actie op.

Dit comité eiste in een dezelfde maand verspreidde circulaire van de KVP dat zij zich voor handhaving van de rijkseenheid zou inzetten en zich bovendien volledig zou afwenden van de PvdA. Tenslotte wenste het comité meer inspraak in de partij. Welters initiatief vond redelijk veel navolging: in het gehele land werden plaatselijke comité’s opgericht. Het partijbestuur van de KVP was echter nauwelijks bereid het comité tegemoet te komen en zij veroordeelde het dissidente optreden van Welter cum suis. Aan de vooravond van de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 1948 kwam het tot een breuk tussen het comité en de KVP.

Welter weigerde de Indische paragraaf van het KVP-verkiezingsprogramma te onderschrijven en werd bijgevolg door het partijbestuur van de kandidatenlijst afgevoerd. Op 8 mei 1948 besloot het Voorlopig Katholiek Comité van Actie vervolgens met een eigen lijst deel te nemen aan de Tweede-Kamerverkiezingen. De Lijst Welter, zoals de officiële naam luidde, trok in haar campagne ten strijde tegen het dekolonisatiebeleid én tegen de door de rooms-rode coalitie gevoerde sociaal-economische politiek. Het leverde de partij 62.376 stemmen op (1.26%). Niet zoveel als was verwacht, maar wel genoeg voor een zetel. Behalve in Den Haag, waar een grote Indische gemeenschap woonde, had de Lijst Welter redelijk wat aanhang onder middenstanders en werkgevers, met name in Noord-Brabant en Limburg.

De kloof met de KVP was inmiddels zodanig vergroot dat het Voorlopig Katholiek Comité zich in de maanden na de verkiezingen toelegde op de uitbouw van de partijorganisatie. Op 11 december 1948 werd de KNP officieel opgericht. Welter werd tot algemeen voorzitter benoemd, terwijl Bajetto het voorzitterschap van het dagelijks bestuur op zich nam. Voorts verscheen onder redactie van J.L.A. Zwarts het onregelmatig verschijnende partijblad Onze Actie. Tevens verschenen statuten, een huishoudelijk reglement en een partijprogramma. Dit partijprogramma was uiterst summier: de KNP pleitte hierin voornamelijk voor bescherming van de middenstand en het particulier initiatief en voor behoud van de band met Nederlands-Indië. Het optreden van Welter als fractievoorzitter in de Tweede Kamer maakte meer indruk. Met erudiete, vaak humoristische toespraken legde hij de rooms-rode coalitie het vuur na aan de schenen. Aanvankelijk richtte Welter zijn aandacht vooral op het dekolonisatiebeleid van de regering dat volgens hem met geheimzinnigheid werd omringd. ‘Over zuurkool krijgen we uitvoerige inlichtingen (…) maar over de ondergang van het Koninkrijk onder het Kabinet-Drees horen we geen woord’, zo luidde Welters kritiek bij de Algemene Beschouwingen van 1949.

Ook na de soevereiniteitsoverdracht bleef Welter zich inzetten voor de koloniën, maar het zwaartepunt verschoof nu naar kritiek op het ‘dirigistische’ sociaal-economische beleid van de regering. De KVP was zijns inziens besmet geraakt door het socialistische virus van de geleide economie. Welter pleitte voor herstel van de oude christelijke coalitie tussen CHU, ARP en KVP. De samenwerking met de PvdA had binnen de KVP zelf eveneens voor verdeeldheid gezorgd.

Conservatieve KVP’ers (onder meer M.P.L. Steenberghe en F.J.F.M. Duynstee) kwamen recht tegenover vertegenwoordigers van de katholieke arbeidersbeweging te staan. De interne conflicten overschaduwden de KVP-campagne voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1952. Uiteraard trachtte de KNP garen te spinnen bij de ontstane onlustgevoelens aan de rechterzijde van de KVP. In 1950, bij verkiezingen voor de Provinciale Staten, slaagde de KNP hier nog nauwelijks in: de partij kwam niet verder dan zetels in Zuid-Holland en Noord-Brabant. In 1952 echter verhoogde de Welterpartij na een sterk antisocialistische verkiezingscampagne haar stemmental tot 144.517 (2.71%). Wederom scoorde de partij hoog in de kieskringen Limburg en Noord-Brabant. Vooral in overwegend katholieke steden als Nijmegen, Maastricht en Tilburg was de partij succesvol. Tegelijk wist Welter door zijn optreden ook enkele conservatieve, niet-katholieke kiezers aan zich te binden. Het leverde de partij een tweede zetel op, die werd ingenomen door de Leidse hoogleraar Lemaire.

Een jaar later nam de KNP eveneens deel aan lokale verkiezingen, onder het motto: ‘Tegen het socialisme slechts één daad, de KNP in de gemeenteraad.’ Het resultaat was lichtelijk teleurstellend: de partij behaalde weliswaar 18 zetels (onder meer in Den Haag, Nijmegen en Maastricht), maar de percentages die de KNP in de verschillende plaatsen behaalde, lieten in vergelijking met 1952 een lichte teruggang zien. Ook de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1954 lieten voor wat de KNP betreft een dalende lijn zien.

Het elan leek na het succes van 1952 langzaam te zijn verdwenen uit de KNP: de partij was er niet in geslaagd voldoende leden en middelen te werven om uit te groeien tot een volwaardige partijorganisatie die meer was dan een veredelde Lijst Welter. Bovendien verdween met de soevereiniteitsoverdracht in 1950 en meer nog met de lichte verrechtsing van de KVP na 1952 de bestaansgrond van de KNP grotendeels. Al in 1953 werd binnen de KNP voorzichtig gespeculeerd over een terugkeer naar de moederpartij. De KVP op zijn beurt had, na de voor haar zeer teleurstellende verkiezingsuitslag in 1952, de katholieke eenheid wederom bovenaan de agenda geplaatst. De toenadering tussen beide partijen zou bespoedigd worden door een oproep tot eenheid van kardinaal De Jong in mei 1953 en het bisschoppelijke mandement een jaar later. Op 7 januari 1954 zaten vertegenwoordigers van de KNP voor de eerste maal rond de tafel met de KVP en met de Katholieke Werkgemeenschap (KWG) binnen de PvdA. De eenheidsbesprekingen namen ruim een jaar in beslag. Wat de KWG betreft bleef succes uit: in mei 1955 stapten de katholieke PvdA’ers uit het overleg.

De besprekingen tussen KVP en KNP verliepen voorspoediger. De KNP was bereid de politieke leiding van de katholieke fractieleider C.P.M. Romme te accepteren en kreeg in ruil daarvoor twee prominente plaatsen op de kandidatenlijst van de KVP. Op 23 september 1955 brachten de beide partijen een gezamenlijk communiqué uit, waarin zij de hereniging bekendmaakten. Een maand later, op 29 oktober 1955, hield de KNP haar laatste partijvergadering. Met 22 stemmen voor en 3 tegen werd besloten de KNP op te heffen. De terugkeer naar de KVP was voor een kleine groep KNP’ers rondom R.C.A.F.J. van Lissa Nessel, gemeenteraadslid in Den Haag en lid van het partijbestuur, onacceptabel. In een op 16 december 1955 verspreide circulaire liet een Comité van Actie ex-KNP weten zelfstandig door te gaan. De partij zou als Nationale Unie zonder veel succes deelnemen aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer op 1956. Binnen de KVP zouden slechts weinig teruggekeerde KNP’ers een rol van betekenis spelen. Behalve Welter was A.E.M. Duynstee het enige voormalige KNP-lid dat namens de KVP in de Tweede Kamer zou belanden.

http://www.inghist.nl/pdf/kpp/katholieke_nationale_partij.pdf

De afval naar de lijst-Welter kon in 1948 beperkt worden gehouden tot één zetel; de tot Katholieke Nationale Partij (KNP) omgedoopte lijst-Welter behaalde in 1952 twee zetels, gevolg van de deceptie over de afloop van de Indië-zaak en de conflicten binnen de KVP over de politieke koers. De eenheidsgesprekken in 1954-'55 met de KNP — die het beginsel van de KVP niet betwistte — voerden tot de gewenste terugkeer naar de KVP, nadat de KNP twee zetels in de fractie waren toegezegd en nadat was overeengekomen dat alle fractieleden het program van de KVP zouden onderschrijven.

Het tweede grote conflict na de oprichting van de KVP barstte in 1951 los rond de te links geachte koers van de partij. Vanuit de bladen van katholieke werkgevers, middenstanders en leidinggevenden waren al verwijten gekomen dat de KVP onder het juk van de KAB was doorgegaan, dat de belastingen te hoog waren, dat men niet meer naar stand kon leven. Het jezuïetenblad De Linie beschuldigde de KVP ervan geen principiële politiek tegen het socialisme te voeren. De KVP-leiding antwoordde wel met ingezonden stukken om aan te tonen dat de partij in de naoorlogse wetgeving juist voor iedereen iets had binnengehaald (belastingen, oorlogsschaderegeling), maar hield aan de andere kant vol dat een bepaalde progressieve koers een christelijke plicht was. Was daar niet de Vastenbrief-1949, waarin de materiële nood van velen in Nederland aan de kaak was gesteld, ter leniging waarvan sociaal gebruik van de eigendom en gemeenschapszorg werden bepleit? Hadden de bisschoppen niet geschreven dat de sociale leringen van de kerk nu radicaal moesten worden doorgevoerd? Had de KVP-enquête van 1949 niet gewezen op grote sociale en maatschappelijke nood, op een drang naar een betere toekomst?

Een deel van de achterban was niet overtuigd. Prof. Duynstee vertolkte de onvrede over de koers van de KVP in een serie artikelen in De Maasbode in het voorjaar 1951. Hij vreesde nivellering, collectivisme en materialisme, tenzij de KVP een meer principiële politiek zou gaan voeren ten behoeve van alle groepen met zo min mogelijk staatsingrijpen, liefst samen met AR-CH. Duynstee wilde een georganiseerde rechtervleugel en hij wist inderdaad een groep te verzamelen, waarvan oud-minister Steenberghe woordvoerder zou worden.

De KVP zàt ermee. Andriessen begreep dat de partij zou uiteenvallen als men deze groep toestond zich te organiseren: de KAB was er ook nog. Het gewicht van de groep dwong toch tot overleg. De groep wilde een adviesraad voor de Kamerfractie, een minder automatische voorkeur voor samenwerking met de PvdA, een meer representatieve fractie en een program dat meer oog had voor de noden van de huis- en grondeigenaren, actieve ondernemers en grote gezinnen, en meer ruimte liet voor de particuliere charitas (Stokman: 'Die tijd is voorbij').

Romme heeft de onafhankelijkheid van de fractie verdedigd. En de brede basis noemde hij onvermijdelijk. Hiervoor had hij twee argumenten: de wederopbouw van het land en de Korea-crisis. Met een vage formule dat de samenwerking met coalitiepartners gericht moest zijn op verwezenlijking van het op het landsbelang gerichte beginsel- en verkiezingsprogram gingen groep en KVP akkoord, evenals met een adviescollege van vijf man voor de fractie, dat over wetsvoorstellen kon adviseren en waar de fractie vrij tegenover zou staan. Dit college werd pas in 1953 ingesteld en weer overbodig gemaakt door de brede sociaaleconomische commissie (1954). De programpunten werden wel verwerkt, maar papier was geduldig. Op de kamerkandidatenlijst voor 1952 werd een kwaliteitszetel ingeruimd voor een Steenberghiaan, Van Rijckevorssel, waardoor een vrouw haar plaats verloor.

Het akkoord veroorzaakte veel onrust in KAB-kring en in het partijbestuur was men het erover eens dat door de acties van de rechtervleugel de christelijke solidariteit geweld was aangedaan. Naar buiten toe werd daarom nadrukkelijk gesteld dat de koers van de KVP ongewijzigd zou blijven. De verkiezingen van 1952 liepen voor de KVP slecht af: twee zetels verlies.

Het partijbestuur legde tenslotte de vraag van de noodzaak en de gewenste opbouw van de eenheidspartij voor aan het Centrum voor Staatkundige Vorming. Begin 1954 kwam de CSV-commissie-Van der Grinten met het rapport Staatkundige eenheid der katholieke Nederlanders. Dit onderstreepte de noodzaak van een katholieke partij maar vroeg wel om herziening van de partijstructuur; onder meer een brede sociaaleconomische commissie om de maatschappelijke spanningen te kunnen opvangen.

Het in 1954 aangetreden bestuur-Van Doorn voerde de hervorming van de partij eind 1954 uit. De partijraad werd gesplitst in een bestuursraad voor de huishoudelijke zaken en een partijraad-nieuwe-stijl voor het bespreken van politieke thema's. Deze partijraad werd uitgebreid met dertig door de bestuursraad te verkiezen personen ter vertegenwoordiging van verschillende stromingen in de partij. Jongeren, vrouwen en het zuiden kregen extra-vertegenwoordigers in het partijbestuur. Herziening van de groslijst-stemming bood meer mogelijkheden kandidaten door de achterban naar voren te laten schuiven. Het program werd sterk bekort, want dat was tot dan toe een ongeloofwaardige waslijst van verlangens van alle groepen geweest.

De slag om de doorbraak

De partij was na de hervorming en de herstelde eenheid klaar voor de stembusslag van 1956, die in het teken zou staan van de doorbraak. Dat kwam niet alleen door het mandement, maar ook door het besluit van het partijbestuur het eigen, principieel-katholieke geluid feller te beklemtonen teneinde de KVP uit het defensief te halen. Hoewel de partij had meegewerkt aan sociale wetgeving (ouderdomsvoorzieningen) was de PvdA met de eer gaan strijken. De KVP moest een socialer profiel gaan krijgen en de socialisten harder aanpakken. Men ging daarom onder de katholieke bejaarden actie voeren tegen het Drees-effect; het program Voor Christendom, Vrijheid en Welvaart moest het sociale profiel onderstrepen.

Kerk en kerkdeur zouden in de campagne voor 1956 een grote rol spelen. De geestelijkheid — volgens het partijbestuur onder het Welterspinrag — werd via dekenale bijeenkomsten in '55 bewerkt door de KVP (vaak Kamerleden). Bij de kerkdeur werd zondag 26 juni 1955 het beruchte pamflet O'56 — Overwinning 1956 — in twee miljoen exemplaren uitgereikt aan de toen nog massaal kerkende katholieken. Grote heibel ontstond over de binnenzijde van het pamflet, waar onder de kop Als de rode haan victorie zou kraaien werd uitgebeeld hoe katholieke instellingen als KRO, scholen en ziekenhuizen in vlammen zouden opgaan als de „roden" zouden winnen. Het Amsterdamse kringbestuur weigerde medewerking aan de uitreiking van het pamflet. Geloof en politiek waren vermengd.

Het partijbestuur, dat veel negatieve reacties had binnengekregen, waaronder een brandbrief van mevrouw Klompé, wilde de Amsterdammers afstraffen, omdat de partijdiscipline was doorbroken. Zelfs Romme ging in deze richting; hij vond het pamflet zo slecht nog niet: want de socialisten waren dan wel geen brandstichters maar de katholieke instellingen konden toch alléén worden beschermd door een krachtige KVP. Men besloot dat propagandamateriaal voortaan door het dagelijks bestuur zou worden gekeurd en Amsterdam kreeg een uitbrander.

Omdat de PvdA het KVP-bestuur beantwoordde door op te roepen tot eenheid tegen Romme en tegen het conservatisme, was de sfeer gespannen. Bij een tournee van Drees in het zuiden deden zich incidenten voor, werd met stinkbommen gegooid (Venlo) en werden elektriciteitskabels doorgesneden (Roermond); KVP-plakborden in de Zaanstreek werden vernield.

De stembusuitslag was voor de KVP gunstig: van 30 naar 33 zetels. Maar de PvdA was nog sterker gestegen: van 30 naar 34 (van de 100) zetels. De partijleiding concludeerde dat het algemeen lijsttrekkerschap van Romme niet had opgewogen tegen de figuur van Drees en de bezetting van de post sociale zaken door de PvdA. Doordat de KVP alleen bij katholieke stemmers steun verwierf leek de groei van de partij beperkt. De PvdA zou wel eens de sterkste kunnen blijven, tenzij de KVP in staat zou zijn uit te breken naar niet-katholieken. Voorlopig zou men een meer programmatische koers varen.

Het einde van de brede basis

De hevige strijd van 1956 maakte de formatie daarna moeilijk. Hoewel een deel van de fractie liever de VVD had gewild, koos Romme toch voor de PvdA als belangrijkste partner, vooral met het oog op het vermijden van een politiek geschil rond het in opspraak geraakte Koninklijk Huis (Hofman-affaire). Het noodkarakter van dit kabinet gaf KVP en PvdA gelegenheid aantrekkelijke punten van het beleid op te poetsen en zich te distantiëren van minder prettige zaken als de bestedingsbeperking. In 1957 besloot het partijbestuur dat hardere eisen moesten worden gesteld, zoals de realisatie van de bezitsvorming, waarvoor een KVP-staatssecretaris (Schmelzer) werkzaam was. De KVP moest minder beducht zijn voor het alternatief: de VVD. Romme waarschuwde het partijbestuur dat een overstap op de VVD slecht kon vallen, tenzij men duidelijk kon maken dat het niet anders kon.

De statenverkiezingen van 1958 lieten een vooruitgang zien van de KVP en vooral de VVD. De PvdA — die had verloren — ging zich nu harder opstellen, geplaagd door de linkervleugel en door de onrust bij het NVV. De bom barstte in december '58 toen de verlenging van enkele belastingen met twee jaar aan de orde kwam. Lucas (KVP) wilde één jaar toestaan, Romme wilde het daarna bekijken, maar minister van financiën Hofstra (PvdA) hield voet bij stuk. Het partijbestuur van de PvdA had besloten dat men tot het uiterste moest gaan. Lucas overwon door steun van de confessionele partijen en de VVD, waarop de PvdA-ministers hun ontslag aanboden en het rompkabinet verkiezingen uitschreef voor 1959.

De KVP was door de crisis volslagen verrast. Op de partijraad van 26 april '58 had Romme nog verklaard dat hij niet graag wilde afsturen op het einde van de socialistische medeverantwoordelijkheid in de regering. In juni 1958 besprak het dagelijks bestuur nog uitvoerig de strategie voor de verkiezingen van 1960. Het rekende op verder verlies voor de PvdA, waardoor het mogelijk moest zijn hogere eisen te stellen bij de formatie, meer posten in de materiële sfeer op te eisen — Van Doorn klaagde dat de KVP altijd de niet-materiële posten kreeg — en dan desnoods over te stappen op de VVD.

De campagne voor 1959 werd groots aangepakt: een Daden-, een Land- en een Appèldag, onder het motto De KVP voor heel het volk. Om de stijging van de VVD, ook ten koste van KVP-stemmen, concentreerde de KVP zich op materiële zaken: bezitsvorming, vrijere loonvorming, woningbouw, tegen de achtergrond van de beginselen. Op 12 maart '59 bleek de KVP stabiel te blijven op 49 zetels (van de 150), verloor de PvdA er 2 (PSP); AR en CH hadden ieder één zetel verlies en de VVD kwam van 13 op 19 zetels. Het partijbestuur was niet tevreden; partijsecretaris Albering concludeerde dat de stijging van het kiesgerechtigd deel van katholiek Nederland niet doortikte in de stembus. Moest. de KVP samengaan met AR en CH of een zuivere programpartij worden? Reactie van Aarden: „We zijn terug bij de discussies onder de katholieken in 1945."

kabinet De Quay 1959-1963

achterste rij v.l.n.r.: Cals, De Pous, Van Aartsen, Van Rooy, Toxopeus, Zijlstra, Middelburg (secretaris), Visser, Marijnen
voorste rij v.l.n.r.: Luns, Klompé, De Quay, Korthals, Beerman

Het confessioneel-liberale kabinet-De Quay (1959-1963) moest de kwestie Nieuw-Guinea oplossen. Nieuw-Guinea was in 1949 buiten de soevereiniteitsoverdracht gehouden. De onderhandelingen met Indonesië liepen stuk. Indonesië eiste onverwijlde overdracht; Nederland hield vast aan het recht op zelfbeschikking voor Nieuw-Guinea, waarvoor juist de KVP zich, na alle frustraties van de Indië-politiek, inzette. Alle grote partijen waren het tot 1958 eens dat Nederland Nieuw-Guinea moest vasthouden tot de zelfbeschikking; de PvdA schoof daarna op naar internationalisatie van het probleem.

Nooit heeft het KVP-bestuur zoveel gediscussieerd als over het Nieuw-Guinea-vraagstuk. Eind 1956 toonde een groep van 116 Nederlanders, onder wie een aantal katholieke hoogleraren, zich ongerust over de verslechterde relaties tussen ons land en Indonesië, waarna de KVP overging tot 'breed beraad'. KVP-kopstukken als Romme, minister Luns van buitenlandse zaken, Van Doorn en kamerlid-Indiëspecialist De Graaf bleken niet voor de chicanes van Soekarno opzij te willen gaan. Voor Romme ging het om een buitenpost van het westen tegen het communisme; volgens minister Luns moest men minder angst hebben voor het militaire avontuur. Nieuw -Guinea had een goede toekomst in een Melanesische Federatie. Van Doorn wilde vasthouden aan een zedelijk juiste politiek, ook al zou Nederland geen gelijk krijgen in de feiten. Het lid van het partijbestuur prof. Gieten waarschuwde echter: de KVP had zich al een keer in de Indië-politiek vergist en liep het gevaar dat weer te doen. Ook de KVP- fracties waren verdeeld.

De KVP-leiding wist dat de Nieuw-Guinea-zaak bij de achterban niet leefde, maar Romme wenste geen populaire politiek te voeren. De kloof tussen achterban en KVP-top werd groter. Toen het conflict met Indonesië verscherpte werd vanuit de missie en de Indonesische Katholieke Partij gewezen op de repercussies van het beleid vor hun belangen, maar de KVP toonde zich hiervoor Oost-Indisch doof en zag aanleiding in de missiekloosters in Nederland meer propaganda te bedrijven. Toch aren het deze klachten die de dissidente stroom op gang brachten: het optreden van Duynstee die contact had met gematigde Indonesiërs, en d ebrief van 21 hoogleraren uit Nijmegen) (onder wie KVP-adviseur Van der Grinten). De KVP-top bleef onaangedaan. Tenslotte drong het episcopaat in een telegram aan d eregering eind ’61 op een open gesprek met Indonesië en een vreedzame oplossing aan.

Ondanks het plan Luns-Bot (september 1961) voor een oplossing van het geschil via de VN, buiten Indonesië om, brokkelde de steun voor het beleid af. Regeringspartner ARP ging om ten gunste van een open gesprek met Indonesië. In januari 1962 besloot het KVP-bestuur toch dat aan de belofte tot zelfbeschikking moest worden vastgehouden, zij het niet unaniem. Op de partijraad van 17 maart 1962 haalde Van Doorn nog eens flink uit tegen de Nieuw-Guinea-dissidenten in de partij, onder wie nu ook De Graaf, omdat zij de onderhandelingen zouden hebben doorkruist. De regering wist inmiddels dat haar VN-plan te laat was gekomen en dat de VS dank zij Robert Kennedy alle kaarten op de gematigde Indonesiërs hadden gezet. Restte de overdracht van Nieuw -Guinea aan Indonesië, onder tijdelijke bemoeienis van de Verenigde Naties (15 augustus 1962).

Intern KVP-beraad gaf de 'schuld' van de afloop aan de VS en aan de PvdA. Luns en De Quay kregen alle lof toegezwaaid. De katholieke kiezers leken dit standpunt te bevestigen, want in 1963 haalde de KVP een record aantal zetels (50). De Quay kon echter ook wijzen op een succesvolle sociaaleconomische politiek. De uitslag verraste het partijbestuur, want de analyses van eerdere verkiezingen voorspelden niet veel goeds. De KVP was ook wat onthand door het vertrek van Romme. Deze was in 1961 opgevolgd door De Kort, die zijn verdienste heeft gehad voor het nieuwe KVP-program De wereld van morgen maar elk krediet verspeelde door zijn optreden bij de formatie van 1963 (kabinet-Marijnen, met de VVD). Eind 1963 werd hij opgevolgd door Schmelzer.

Zie voor Deel 4: Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 4